Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2015

Ik wil je naar de heidenen sturen.

dinsdag, 21 juli, 2015

Handelingen 22:12-29

12  Daar kwam een zekere Ananias naar me toe, een man die de wet trouw naleefde en bij alle Joodse inwoners van de stad in hoog aanzien stond. 13  Hij ging voor me staan en zei: “Saul, broeder, open je ogen!” En op datzelfde ogenblik kon ik hem zien. 14  Hij zei: “De God van onze voorouders heeft jou uitgekozen om je zijn wil bekend te maken, om de Rechtvaardige te zien en hem te horen spreken, 15  want je zult zijn getuige zijn en aan alle mensen verkondigen wat je gezien en gehoord hebt. 16  Wat aarzel je dan nog? Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept.” 17  Later, toen ik terug was in Jeruzalem en in de tempel aan het bidden was, werd ik opeens gegrepen door een visioen. 18  Ik zag de Heer, die tegen me zei: “Haast je en vertrek meteen uit Jeruzalem, want ze zullen van jou geen getuigenis over mij aanvaarden.” 19  Ik zei: “Heer, ze weten toch dat ik vroeger de mensen die in u geloven heb laten opsluiten in de gevangenis en dat ik hen in de synagogen heb laten geselen? 20  Ook toen Stefanus zijn getuigenis over u met de dood moest bekopen, was ik erbij. Ik hield de mantels van degenen die hem doodden in bewaring en keurde de moord op hem goed.” 21  Maar hij zei tegen mij: “Ga, want ik wil je naar de heidenen sturen, ver van hier.”’ 22 ¶  Tot zover had de menigte naar Paulus geluisterd, maar nu begon iedereen luidkeels te roepen: ‘Weg met die man! Zo iemand heeft niet het recht om te leven!’ 23  Ze schreeuwden, gooiden met hun mantels en wierpen stof in de lucht. 24  Daarop beval de tribuun Paulus de kazerne binnen te brengen. Hij gaf opdracht hem onder het toedienen van zweepslagen te verhoren, om te achterhalen waarom het volk zo tegen hem tekeerging. 25  Maar toen ze hem al vastgebonden hadden voor de zweepslagen, zei Paulus tegen de centurio die erbij was: ‘Mogen jullie een Romeins burger geselen, en dan nog wel zonder vorm van proces?’ 26  Toen de centurio dit hoorde, ging hij naar de tribuun om hem op de hoogte te stellen. Hij zei: ‘Wat bent u aan het doen? Die man is een Romein!’ 27  De tribuun ging naar Paulus toe en vroeg: ‘Bent u werkelijk een Romeins burger?’ ‘Jazeker, ‘antwoordde Paulus. 28  De tribuun zei: ‘Ik heb een vermogen moeten betalen voor dat burgerrecht.’ Daarop zei Paulus: ‘Ik ben als Romeins burger geboren.’ 29  Meteen lieten de soldaten, die op het punt stonden hem te verhoren, hem met rust, en ook de tribuun sloeg de schrik om het hart nu hij besefte dat hij een Romeins burger had laten vastbinden. (NBV)

Paulus blijft zich identificeren met de Joden die  boos tegen hem te hoop zijn gelopen. Alleen de volgelingen van de mensen van de Weg weten hem te helpen, hem kwalijk nemen dat hij hen had vervolgd doen ze niet. De mensen die zich nu tegen Paulus keren moeten dezelfde mensen geweest zijn die zich ook tegen Stephanus hadden gekeerd toen die in het Grieks in Jeruzalem had opgeroepen om de Weg van Jezus van Nazareth te volgen. Stephanus was gestenigd en Paulus was daarbij geweest, hij had als jonge student de mantels vastgehouden. Maar in de Tempel had hij een visioen gehad van God, alsof ook hij een profeet was, die hem naar de Heidenen had gestuurd. Dat was een bespotting van de overtuiging van de meeste Joden. Zij waren bezig hun eigen identiteit te versterken, het “eigen volk eerst” was daarbij leidend. Als er al Heidenen naar de Joden kwamen om de God van Israël te dienen dan moesten ze maar Jood worden. Het was het conflict waar Paulus ook bij het stichten van gemeenten iedere keer weer op zou stuiten en waarover in zijn brieven het nodige is geschreven.

De centurio, de hoofdman over honderd, Romeins officier, snapte er niks van. Een geleerd man die het volk zelfs in dat moeilijke Hebreeuws kan toespreken die zo beschimpt en bespot wordt. Waarom ze vinden dat hij gedood moet worden? Wat is dat voor een opstandelingenleider? Dat moet er uitgeperst worden. En zoals een bezetter betaamd moet de waarheid er door geweld uitgeslagen worden. Martelingen zijn van alle tijden en het is in alle tijden nodig je tegen het martelen van gevangenen te verzetten. Amnesty International is heden ten dage misschien nog wel meer nodig dan in de dagen van Paulus, maar de houding van dictaturen tegen mensen die zelf nadenken is niet anders dan toen. Paulus had echter een bijzondere bescherming, hij was Romeins burger en alleen de Keizer in Rome mocht over hem oordelen. Romeins burger kon je op twee manieren worden. Je kon als Romeins burger geboren worden, je vader en moeder waren Romeinen en je woonde in een Romeins gebied. Of je kon het burgerrecht kopen. Dat had de tribuun, de hoofdman over duizend, gedaan en die had daar een fors bedrag voor moeten neertellen.

Het zal duidelijk zijn dat zij die het burgerrecht hadden gekocht op een lagere sociale trap stonden dan zij die als Romein geboren waren. De schrik sloeg de tribuun dan ook om het hart toen hij merkte dat hij misschien niet helemaal de vereiste bescherming aan een Romeins burger had gegeven. Het is in onze dagen niet anders. Ook al zijn mensen Nederlander van de derde generatie, woonden ouders, grootouders en overgrootouders in ons land, als ze er iets anders uitzien dan mensen wier voorouders hier al eeuwen wonen, dan worden ze nog als minder aangekeken. In de gemeenten die Paulus zou stichten viel dat verschil helemaal weg. Dat was het meest opvallende kenmerk en gezien de reactie op het optreden van Paulus in Jeruzalem ook het meest aanstootgevende kenmerk. Daar mogen wij wel eens bij stil staan als we onze eigen samenleving vorm geven, ook vandaag weer.

“Ik ben een Jood”

maandag, 20 juli, 2015

Handelingen 21:37–22:11

37  Vlak voordat Paulus de kazerne binnengebracht zou worden, zei hij tegen de tribuun: ‘Mag ik u iets vragen?’ De tribuun antwoordde: ‘Spreekt u Grieks? 38  Bent u dan niet die Egyptenaar die onlangs in opstand kwam en met vierduizend oproerkraaiers de woestijn is ingetrokken?’ 39  Paulus zei: ‘Ik ben een Jood uit Tarsus in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad. Ik zou graag willen dat u me toestemming geeft om het volk toe te spreken.’ 40  Zodra de tribuun dit had toegestaan, maande Paulus, die boven aan de trappen stond, de mensen met een handgebaar tot stilte. Daarna sprak hij hen in het Hebreeuws als volgt toe: 1 ¶  ‘Broeders, zusters, en u, leden van het Sanhedrin, luister naar wat ik tot mijn verdediging heb aan te voeren.’ 2  Toen de menigte hoorde dat hij hen in het Hebreeuws toesprak, werd het nog stiller. Paulus vervolgde: 3 ¶  ‘Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in deze stad. Ik heb als leerling aan de voeten van Gamaliël gezeten en ben strikt volgens de voorschriften van de wet van onze voorouders opgevoed. Ik ben een vurig dienaar van God, en u allen geeft vandaag blijk van hetzelfde. 4  Ik heb de aanhangers van de Weg tot de dood toe vervolgd. Mannen en vrouwen heb ik gevangengenomen en laten opsluiten, 5  iets dat de hogepriester en de hele raad van oudsten kunnen bevestigen. Ik heb van hen zelfs aanbevelingsbrieven gekregen voor onze broeders in Damascus, toen ik daarheen ging om de volgelingen van Jezus in die stad gevangen te nemen en hen naar Jeruzalem te brengen, waar ze hun straf moesten ondergaan. 6  Maar onderweg, niet ver van Damascus, gebeurde er tegen het middaguur iets onverwachts: opeens werd ik omstraald door een fel licht uit de hemel. 7  Ik viel op de grond en hoorde een stem tegen me zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” 8  Ik vroeg: “Wie bent u, Heer?” En de Heer antwoordde: “Ik ben Jezus van Nazaret, die jij vervolgt.” 9  De mensen die bij me waren, zagen wel het licht, maar hoorden niet de stem van hem die tegen me sprak. 10  Ik vroeg: “Wat moet ik doen, Heer?” De Heer zei tegen mij: “Sta op en ga naar Damascus, daar krijg je precies te horen wat je opdracht is.” 11  Omdat het stralende licht me blind gemaakt had, namen mijn reisgenoten me bij de hand en brachten me zo naar Damascus. (NBV)

Jeruzalem was in de dagen van Paulus het centrum van politieke onrust. Steeds meer Joden geloofden dat het einde van de geschiedenis niet ver meer zou kunnen zijn. Dan zou de messias komen en het volk bevrijden. De heerschappij over de wereld van de Romeinen zou vervangen worden door de heerschappij van de God van Israël zoals uitgeoefend door de Messias, de afstammeling van Koning David. Sporen van die overtuiging zijn overigens in het Christendom terug te vinden. Het gevolg was wel dat er zogenaamde messiassen kwamen die het met geweld probeerden. Die Egyptenaar waarover hier gesproken wordt is daar een voorbeeld van. We kennen die uit de geschiedenisboekjes Die had vanaf de Olijfberg geprobeerd Jeruzalem in te nemen maar dat was mislukt, zijn volgelingen waren gedood door de Romeinen. Kennelijk dacht men met de arrestatie van Paulus deze oproerkraaier te pakken te hebben.

Maar Paulus was ook een Romein. Hij sprak Grieks en Hebreeuws want hij was een Joodse Romein, geboren in Tarsus. Dat was geen achtelijk stadje maar een centrum van cultuur en wetenschap waar een belangrijke filosofische school van de Stoïcijnen stond.  Geen wonder dan ook dat de hoofdman over duizend, hier tribuun genoemd, voor wie Paulus geleid werd onder de indruk was en hem toestemming gaf de menigte toe te spreken. Paulus sprak in het Hebreeuws, wat merkwaardig was want de algemene voertaal in Jeruzalem was Aramees. Hebreeuws werd alleen nog in de Tempel gesproken en geen wonder dat de menigte stil viel, ze zullen moeite gehad hebben Paulus te volgen. De nieuwe Bijbelvertaling is hier overigens te politiek correct. In de Griekse grondtekst ontbreken de zusters en de leden van het Sanhedrin. Deze laatsten zullen bedoeld zijn met de vaders die er in het Grieks wel staan.

Paulus vertelt nog eens het verhaal over zijn ontmoeting met Jezus van Nazareth in een visioen. Wij spreken altijd over bekering en onder bekering verstaan we dan het overstappen van de ene naar de andere godsdienst. Zo wordt dit verhaal van Paulus wel uitgelegd als een oproep aan het Joodse volk om over te stappen naar het Chrisrendom. Maar dat staat er niet. Paulus sluit zich niet voor niets aan bij de bestaande tradities van het volk. Hij zet zichzelf in de traditie van Hebreeuwse Bijbel. Hij spreekt Hebreeuws en hij spreekt net als de vroegere profeten over een visioen. Het nieuwe testament dat wij als een unieke verzameling boeken voor het Christendom beschouwen is ook wel een verklarend aanhangsel van de Hebreeuwse Bijbel genoemd. De belofte van een bevrijder van Israël was al heel oud en Paulus had kennelijk een ontmoeting gehad met die bevrijder. Het had hem van bestrijder van de volgelingen van Jezus van Nazareth tot profeet van Jezus van Nazareth gemaakt, een profeet van de vrede.

Als  blinde ging hij naar Damascus, als ziende kwam hij terug naar Jeruzalem. Wij mogen hopen dat ook vandaag in Israël de ogen open gaan voor de Weg van de vrede, we mogen daar aan werken door Israël en Palestina samen te steunen. Maar de broeders waarover gesproken wordt kan ook vertaald worden met medegelovigen. Paulus sluit zich in de eerste zin dus al aan bij de verhoudingen die voor het volk vastlagen. Het Sanhedrin als hoofd en het volk als de kinderen. Paulus versterkt de band met de opgewonden menigte nog door uitgebreid te vertellen hoe hij door het Sanhedrin was gemachtigd om volgers van Jezus van Nazareth gevangen te nemen. Hij was er zelfs op uitgestuurd om dat in het buitenland te doen. Joden en vrienden van de Joden ook in de verstrooiing, door het hele Romeinse Rijk hadden niet bang hoeven te zijn voor hun geloof en traditie want Paulus stond er pal voor. Alleen de Messias zelf had ingegrepen. Die was hem op de weg naar Damascus verschenen in een verblindend licht. Er was hem een lichtje opgegaan. Wij mogen dat soms ook hopen. Wij mogen hopen dat het licht bij ons ook gaat schijnen op de minsten, de vluchtelingen die aan onze poort kloppen, de mensen die zorg nodig hebben, de kinderen die mishandeld en uitgebuit worden. Als we daar op letten dan verschijnt die Messias ook aan ons.

‘Weg met hem!’

zondag, 19 juli, 2015

 

Handelingen 21:27-36

27 ¶  Toen de zeven dagen van de reiniging bijna verstreken waren, zagen Joden uit Asia Paulus in de tempel. Ze grepen hem vast en brachten grote opschudding teweeg onder de tempelbezoekers. 28  Ze schreeuwden: ‘Israëlieten, kom ons helpen! Dit is de man die zich telkens weer tegen het Joodse volk keert en tegen de wet en de tempel. Bovendien heeft hij ook Grieken de tempel binnengebracht, en daarmee heeft hij deze heilige plaats ontwijd.’ 29  Ze hadden hem namelijk kort tevoren met de Efeziër Trofimus in de stad gezien, en ze dachten dat Paulus hem had meegenomen naar de tempel. 30  De hele stad raakte in rep en roer en er ontstond een volksoploop. Paulus werd hardhandig de tempel uit gesleurd, en meteen werden de tempelpoorten gesloten. 31  Terwijl de menigte probeerde hem te vermoorden, ontving de tribuun van de in Jeruzalem gelegerde cohort bericht dat er grote opschudding was ontstaan in de stad. 32  Meteen verzamelde hij een groep soldaten en centurio’s en haastte zich de trappen af naar de tempel. Toen de Joden de tribuun met zijn soldaten zagen naderen, hielden ze op Paulus te slaan. 33  Zodra de tribuun bij hen was gekomen, arresteerde hij Paulus en gaf opdracht hem met twee kettingen te boeien. Aan de omstanders vroeg hij wie Paulus was en wat hij had gedaan. 34  De mensen riepen echter van alles door elkaar. Omdat de tribuun door al het tumult de ware toedracht niet kon achterhalen, gaf hij bevel Paulus mee te nemen naar de kazerne. 35  Bij de trappen begon de menigte echter zo te dringen dat de soldaten hem moesten dragen, 36  want de mensen liepen achter hen aan en schreeuwden: ‘Weg met hem!’ (NBV)

De Tempel in Jeruzalem was een heel gevoelige plek. Wij kunnen ons dat niet meer zo voorstellen. Tenminste Protestanten niet. Rooms Katholieken wel. Nu er kerken gesloten worden laten de Bisschoppen liever de Kerkgebouwen afbreken dan er een andere nuttige maatschappelijke bestemming aan te geven. Protestanten hechten niet zo veel aan het gebouw op zich. Dat had eigenlijk bij die Tempel ook zo moeten zijn. In die Tempel stonden immers geen beelden, zeker geen beeld van God. In die Tempel werd de Wet bewaard, de Wet die samengevat werd in het “Heb uw naaste lief als uzelf”. Maar ongelovigen mochten er niet in. Uiteindelijk moesten juist de mensen in de Tempel laten zien waar de godsdienst van de God van Israël om draaide, zelfs de profeten hadden er al voor gepleit die regels die in stenen platen stonden gebeiteld in je eigen hart te laten beitelen.  Dat ging dus in de dagen van Paulus meer om de stenen dan om de mensen. In plaats van met elkaar in gesprek te gaan, als Joden onderling, ging men liever af op roddel en achterklap.

Het waren de Heidenen, de Romeinse soldaten voorop, die hier de bescherming van de individuele mens moesten verzekeren. Gerechtigheid ging niet uit van het volk van Israël maar van van de Romeinen. De gevoeligheid rond de Tempel zou uiteindelijk uitlopen op de grote opstand en de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. Toen wilde de Romeinse Keizer wel godenbeelden in de Tempel plaatsen. Lucas laat hier zien hoe gevoelig dat wel niet was en hoe de keizer zelf die opstand had uitgelokt. Maar al het protest van de Joden riep ook het ingrijpen van de Romeinse militaire macht op. Kritiek klinkt hier dus door op beide kanten. De beweging van Jezus van Nazareth had een andere Weg. Voor de lezers van het verhaal wordt Paulus ondertussen wel op een voetstuk gezet. Drie maal was aangekondigd dat hij in Jeruzalem zou gaan lijden. Net als het lijden van Jezus van Nazareth drie maal was aangekondigd. En nauwelijks was hij er een week en nam hij de reinigingsvoorschriften zeer streng en ruim ter harte of de menigte liep tegen hem te hoop.

Ook nu klonk het “Weg met hem” net als in de dagen van de kruisiging. En net als in de dagen van Paulus zullen we ook in onze dagen tot het uiterste partijen die zeer ver uiteenliggen bij elkaar moeten proberen te brengen. Nu gaat het over Israëli en Palestijnen verstrikt in een cirkel van geweld en tegengeweld. Het zou beiden moeten gaan om eten en drinken en delen van welvaart en mogelijkheden. Er zijn mensen, ook uit ons land, die dat met boten en demonstraties tot uiting willen brengen. Knielen op het strand zoals de leerlingen dat met hun gezinnen bij Paulus hadden gedaan. We mogen de pogingen tot het stichten van vrede steunen, niet door het veroordelen van de ene of de andere partij, maar door te wijzen op het goede dat gedaan zou kunnen worden. Te hoop lopen tegen elke kritiek op Israël levert uiteindelijk voor Israëlieten gevaar op. Geweld lokt geweld uit. Het is de boodschap uit het Evangelie, het is de boodschap die wij vandaag ter harte moeten nemen. Want ook voor ons geldt dat het kwade bestreden dient te worden door het goede, ook vandaag weer.

Hoe weerleggen we dit?

zaterdag, 18 juli, 2015

Handelingen 21:15-26

15 ¶  Korte tijd later maakten we ons reisvaardig en gingen naar Jeruzalem. 16  Enkele leerlingen uit Caesarea gingen met ons mee. Ze brachten ons naar Mnason, een Cyprioot die al vanaf het begin bij de leerlingen hoorde en bij wie we zouden verblijven. 17  Bij onze aankomst in Jeruzalem ontvingen de gelovigen ons gastvrij. 18  De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie alle oudsten waren samengekomen. 19  Nadat Paulus hen begroet had, vertelde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn verkondigingswerk onder de heidenen tot stand had gebracht. 20  Toen ze dat hoorden, prezen en eerden ze God en zeiden: ‘Je hebt kunnen zien, broeder, dat ook vele duizenden Joden het geloof hebben aanvaard, en allen leven vol overtuiging volgens de wet. 21  Nu is hun verteld dat jij de Joden die onder de heidenen wonen aanspoort tot ontrouw aan Mozes; je zou beweren dat ze hun kinderen niet hoeven te besnijden en dat ze zich niet aan de voorschriften hoeven te houden. 22  Hoe weerleggen we dit? Ze zullen ongetwijfeld horen van je komst. 23  Doe daarom wat wij je zeggen. Er zijn bij ons vier mannen die een gelofte hebben afgelegd. 24  Neem hen met je mee, laat je samen met hen reinigen en betaal voor hen de kosten van de offers, waarna ze hun haar kunnen laten afscheren. Dan zal iedereen inzien dat de verhalen die over jou worden verteld onwaar zijn, en dat ook jij doet wat de wet voorschrijft. 25  Wat betreft de heidenen die het geloof hebben aanvaard, hen hebben we schriftelijk op de hoogte gesteld van onze beslissing dat ze zich in acht moeten nemen voor vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, voor bloed, voor vlees waar nog bloed in zit, en voor ontucht.’ 26  Daarop nam Paulus de vier mannen met zich mee. De volgende dag liet hij zich samen met hen reinigen en ging de tempel binnen, waar hij bekendmaakte wanneer de reinigingsperiode zou aflopen, zodat daarna voor ieder van hen het offer gebracht kon worden.(NBV)

Paulus en zijn reisgenoten komen na een lange reis met veel enerverende gebeurtenissen eindelijk terug in Jeruzalem. De oudsten in Jeruzalem houden niet van welles nietes spelletjes. Er sluimert een oud conflict tussen Paulus en de Christenen uit de Joden. Paulus vroeg van de Joden de wetten van Mozes te houden zoals ze gewend waren maar vroeg van de Heidenen dat ze alleen afzagen van de afgoderij maar ze hoefden geen Joden te worden. Dat afzien van afgoderij bleek dan uit het stoppen met eten van offervlees als mede Christenen zich er aan ergerden en het afzien van het gebruik van de tempelprostitutie. Maar de in de Synagogen waar Paulus had gepreekt waren herhaaldelijk conflicten uitgebroken over zijn boodschap. Door Paulus gevormde gemeenten waar Joden en Heidenen samen kwamen en waar het onderscheid tussen hen was opgeheven besloten dan elders samen te komen en de Synagoge te mijden.

Volgens zeer strenge Joden was het bezoek van het huis van een Heiden niet toegestaan. Het maakte de Jood onrein. Ook Jezus van Nazareth was hier herhaaldelijk op aangesproken zo wordt in de Evangeliën gemeld. Die liet zich er overigens niet door weerhouden. Als mensen er blijk van gaven te geloven in de boodschap van Jezus van Nazareth, in de nieuwe wereld die hij kwam brengen, dat was het dat geloof dat hen deed behouden. Bij onrein worden hoort een reinigingsprocedure. En de gemeente in Jeruzalem had bedacht dat als strenge Joden samen met Paulus naar de Tempel zouden gaan en zich zouden laten reinigen op kosten van Paulus dan zou duidelijk moeten zijn dat Paulus geen afbreuk had gepromoot aan de Wet van Mozes.

Zo is het ook gebeurd. De reinigingsperiode zou zeven dagen duren, dat zou toch voldoende moeten zijn. Het onderscheid dat mensen maken tussen mensen die op de goede manier en mensen die op de verkeerde manier geloven leidt altijd tot wrijving en tot spanning in de samenleving. Ook in onze dagen worden Christenen  die met moslims omgaan met de nek aangekeken. Ook al helpen ze moslima’s met emancipatie, moslimgezinnen met inburgering of geven ze taallessen, volgens de zogenaamde goed gelovigen deugen ze niet. Het is en blijft onbijbels. De Bijbel gaat er van uit dat je alleen let op het goede dat mensen doen en dat je ze daarbij helpt. Voor de rest is het oordeel aan God en niet aan mensen. Overigens beroepen moslims zich er op dezelfde God te aanbidden als de Joden en de Christenen, de God van Abraham. Wie zijn wij om dat te ontkennen? Gelukkig kunnen en mogen we het goede voor de naaste nog elke dag doen en kan niemand ons daarvan weerhouden. Ook vandaag kunnen we er weer mee aan de slag.

Omdat ze hardleers waren

vrijdag, 17 juli, 2015

Marcus 6:45-56

45 ¶  Meteen daarna gelastte hij zijn leerlingen in de boot te stappen en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda; intussen zou hijzelf de menigte wegsturen. 46  Nadat hij afscheid van de mensen had genomen, ging hij de berg op om er te bidden. 47  Bij het vallen van de avond was de boot midden op het meer, en hij was alleen aan land. 48  Toen hij zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks  vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep hij tegen het einde van de nacht over het meer naar hen toe, en hij wilde hen voorbijlopen. 49  Toen ze hem over het water zagen lopen, dachten ze dat hij een geestverschijning was en ze schreeuwden het uit. 50  Ze hadden hem allemaal gezien en raakten in paniek. Maar hij sprak hen meteen aan en zei: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang.’ 51  Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Zijn leerlingen waren helemaal van hun stuk gebracht. 52  Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren. 53  Nadat ze waren overgestoken, kwamen ze bij Gennesaret aan land en daar legden ze aan. 54  Toen ze uit de boot stapten, werd hij meteen herkend. 55  In het hele gebied ontstond een druk komen en gaan van mensen, die zieken op draagbedden meenamen naar elke plaats waarvan ze hoorden dat hij daar was. 56  Overal waar hij kwam, in dorpen, steden en gehuchten, legden ze de zieken op het plein. Ze smeekten hem of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En iedereen die hem aanraakte, werd gered en genas.(NBV)

Je hoort Jezus van Nazareth zuchten in dit verhaal. De leerlingen waren twee aan twee op stap geweest. Een succesreis die diepe indruk had gemaakt tot aan het hof van koning Herodes toe. Van heinde en ver waren de mensen op ze afgekomen, zo veel dat ze zelfs bang werden dat er niet genoeg te eten was, maar Jezus had ze geleerd samen te werken en op elkaar te vertrouwen, dat had gewerkt. Nu was het eind van de dag gekomen. Nu leek de vakantie aangebroken waar ze zo’n behoefte aan hadden. Jezus zou de mensen naar huis sturen en alleen tot rust komen en wat bidden. De leerlingen stapten alvast in de boot en zouden naar de overkant van het meer varen. Nou ontgaat ons iets, omdat voor ons zo’n meer niet die betekenis meer heeft die het voor de vissers uit Galilea had. In de Joodse verhalen staat de zee, het meer, voor het dodenrijk, voor de chaos waaruit God ooit de hemel en de aarde had gemaakt, voor de wanorde.

Die zee, dat meer, was van zichzelf dus al bedreigend en nam die dreigende gestalte zeker aan als de valwinden van de heuvels het water opzweepten. Maar hoe zat het ook al weer, moet je je in tijden van nood door angst laten regeren of door samenwerken? Jezus van Nazareth kwam naar ze toe om ze te helpen en berispte ze om hun angst. In het verhaal van Jezus van Nazareth, zoals Marcus ons dat vertelt gaat samenwerking ver boven de angst die we kunnen voelen. In deze dagen wordt ons angst aangepraat voor het helpen van onze Griekse zusters en broeders. Als we hen weer op de been helpen zouden wij arm worden. Zou het dan niet waar zijn dat vijf broden en twee vissen genoeg zijn om een volk te eten te geven? Of moeten we ons laten regeren door de angst. We moeten toch langzamerhand weten dat ruim 50 jaar van eerlijk delen ons allemaal kansen heeft gegeven.

We moeten toch langzamerhand weten dat iedere keer als de rijken rijker en de armen armer gemaakt worden de ellende in de samenleving ook toeneemt. Voor de rijken is de oplossing de Griekse armen nog armer te maken en te eisen dat er geen sprake zal zijn van delen maar van aflossing van schulden. De rijken, ook de Griekse rijken die geen of nauwelijks belasting betalen, verzekeren zich ondertussen voor een extra, wat vroeger ingaand, pensioen, trekken de premie van de belasting af en betalen opnieuw nauwelijks belasting over dat extra pensioen. Zelfs progressief democraten proberen ons dat als een eerlijke oplossing te verkopen. Maar ja, we zijn net volgelingen van Jezus, hardleers dus. Die leerlingen hoorden het “Vrees niet!” Zij maakten mee hoe het kwaad werd bestreden en mensen weer mee konden doen aan de samenleving. Hun eigen schulden werden kwijtgescholden op dezelfde manier als zij de schulden van anderen kwijtscholden. Daar zullen wij ook voor moeten werken. En bang voor de Grieken hoeven we niet te zijn als arm en rijk eerlijk weten te delen.

Vijf broden en twee vissen

donderdag, 16 juli, 2015

Marcus 6:30-44

30 ¶  De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden. 31  Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’ Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten. 32  Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn. 33  Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen. 34  Toen hij uit de boot stapte, zag hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en hij onderwees hen langdurig. 35  Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. 36  Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten te kopen.’ 37  Maar hij zei: ‘Geven jullie hun maar te eten!’ Ze vroegen hem: ‘Moeten wij dan voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om hun te eten te geven?’ 38  Toen zei hij: ‘Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.’ En nadat ze waren gaan kijken wat ze bij zich hadden, zeiden ze: ‘Vijf, en twee vissen.’ 39  Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. 40  Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. 41  Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde hij onder allen die er waren. 42  Iedereen at en werd verzadigd. 43  Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. 44  Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten. (NBV)

We leven in de vakantietijd. In onze dagen een tijd om te rusten, om er op uit te gaan, om even los te komen van werken en zwoegen. In de Bijbel is daar het Sabbatsjaar voor, eens in de zeven jaar dan leef je van het land en laat je het bewerken van het land achterwege. Onze zomervakantie is een gevolg van kinderarbeid. Toen de leerplicht werd ingevoerd bleek dat kinderen in de zomer onmisbaar waren bij het oogsten en bij het verwerken van de oogst. Die kinderarbeid is meer en meer verboden geraakt maar de vakantieweken in de zomer zijn gebleven. En in plaats van de kinderarbeid is de arbeid van illegale vreemdelingen gekomen. In het verhaal van vandaag gaat het bijna over vakantie. Jezus van Nazareth wil namelijk met zijn leerlingen op vakantie. Ze kregen zelfs de tijd niet om te eten zo namen de mensen hen in beslag.

De leerlingen waren de dorpen en steden rondgegaan om het goede nieuws te brengen en waren bij de meester teruggekeerd om te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Maar van vakantie kwam niet veel. Ze hadden zo’n succes gehad dat een grote menigte hen volgde. Jezus van Nazareth kon niet anders dan al die mensen vertellen over zijn nieuwe Koninkrijk en hen te leren hoe daarin te leven. Maar ja, organisatoren van massabijeenkomsten moeten de catering niet vergeten. Nu niet en toen ook niet. Zelf hadden ze maar vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus had echter net de menigte geleerd over delen met elkaar, ook het laatste wat je hebt, al is het je leven, delen met degene die minder of niets heeft. En als iedereen het weinige dat er is met elkaar deelt is er voor iedereen genoeg.  De 12 manden die overbleven zeggen dat er voor het hele volk zelfs wel genoeg is. Degenen die de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel hadden bestudeerd die konden dat weten.  De profeet Elisa had bijvoorbeeld een arme vrouw eens geadviseerd om alle lege kruiken van de buren bij elkaar te halen en dan van de ene kruik naar de andere de olie over te schenken.

Uiteindelijk hield ze zoveel over dat ze zelf genoeg had en genoeg kon verkopen om er van te leven. Ook tijdens onze crisis gooien wij zoveel weg dat anderen er ruim van zouden kunnen leven. Onze voedselbanken krijgen voedsel dat in de supermarkten niet meer verkocht kan worden omdat het over is. Maar de armen in ons land die van de voedselbanken moeten leven zijn er nog wat blij mee. En van wat aan ons huisvuil wordt verbrand worden hele steden van elektra voorzien en zullen wijken en bedrijven de komende winter van warmte kunnen genieten. Dat delen van brood en wijn gebeurd met enige regelmaat in alle kerken in ons land. Dat herinnert ons aan de les van Jezus van Nazareth waarover we vandaag lezen, als we bereid zijn om te delen is er voor iedereen genoeg, we moeten alleen bereid zijn om eventueel onszelf te delen, hij is ons daar in voorgegaan, wij mogen volgen, ook vandaag.

Koning Herodes hoorde van hem

woensdag, 15 juli, 2015

Marcus 6:14-29

14 ¶  Koning Herodes hoorde van hem, want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden: ‘Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ 15  Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia, ‘en weer anderen zeiden: ‘Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.’ 16  Toen Herodes dit allemaal hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’ 17  Want Herodes had Johannes gevangen laten nemen en hem, aan handen en voeten geketend, laten opsluiten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, met wie hij getrouwd was. 18  Johannes had namelijk tegen Herodes gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ 19  Sindsdien had Herodias het op hem gemunt en wilde ze hem uit de weg ruimen, maar ze kreeg er de kans niet toe, 20  want Herodes had ontzag voor Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij nam hem in bescherming. En hoewel hij altijd in grote onzekerheid verkeerde als hij naar hem geluisterd had, bleef hij hem toch graag horen. 21  Op een keer deed zich echter een gunstige gelegenheid voor, toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hovelingen en de hoge militairen en de voornaamste inwoners van Galilea. 22  De dochter van Herodias kwam binnen om voor Herodes en zijn gasten te dansen, wat bij hen erg in de smaak viel. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven.’ 23  En hij bezwoer haar: ‘Wat je ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk!’ 24  Ze ging naar haar moeder en vroeg: ‘Wat zal ik vragen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ 25  Haastig ging ze weer naar binnen, stapte recht op de koning af en zei tegen hem: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ 26  Deze vraag bedroefde de koning zeer, maar hij wilde het haar niet weigeren omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed had gezworen. 27  Hij stuurde iemand van zijn garde weg met het bevel hem het hoofd te brengen. De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. 28  Hij bracht het hoofd binnen op een schaal en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder. 29  Toen zijn leerlingen hiervan hoorden, gingen ze zijn lijk halen en legden het in een graf. (NBV)

De Bijbel is zo groot en staat zo vol prachtige verhalen dat het soms lastig is om al die verhalen op de juiste manier te vertellen. In het Nieuwe Testament staan sommige verhalen dan ook nog drie of vier keer op verschillende manieren verteld en dus met verschillende bedoelingen, om ons steeds een ander deel van het verhaal duidelijk te maken. Elke evangelist vertelde het verhaal zo dat de boodschap die ze nodig vonden voor degenen voor wie ze het schreven duidelijk zou worden. Met het verhaal over de onthoofding van Johannes de Doper is dat ook zo gegaan. We kennen natuurlijk het verhaal over koning Herodes die van Johannes de Doper kritiek kreeg op de manier waarop die koning getrouwd was en op verzoek van zijn vrouw en dochter de profeet liet onthoofden en het hoofd op een schaal liet zien. Maar Marcus vertelt het verhaal bijna terloops midden in een ander verhaal.

Marcus heeft het over de leerlingen van Jezus die twee aan twee er op uit gingen, het boze uitdreven en zorgden dat zieken weer mee konden gaan doen met de samenleving. Die manier van optreden van Jezus van Nazareth maakte diepe indruk op de Koning. Die manier van doen maakte dat Jezus van Nazareth ongrijpbaar werd. Niet Jezus van Nazareth als persoon kwam daarbij centraal te staan maar zijn boodschap, het goede nieuws voor de armen. Koning Herodes werd zelfs bang dat die profeet Johannes weer tot leven was gewekt. Die profeet had immers kritiek op de koning geuit ook toen hij al gevangen was genomen en in de boeien was geslagen. Zonder op zijn eigen positie acht te slaan was hij doorgegaan met zijn verkondiging en oproep tot bekering. Jezus van Nazareth had een vergelijkbare weg gekozen, hij had zijn leerlingen er op uit gestuurd. Uiteindelijk zou zijn manier van verkondigen uitlopen op de dood aan het kruis. Maar hij overwon de dood en zijn boodschap, en volgens velen hijzelf ook, overleefde die kruisdood.

Daarom hoeven ook wij  dus niet bang te zijn als we het goede nieuws van de bevrijding van de armen blijven rondbazuinen. Steeds weer in de geschiedenis zijn er mensen geweest die de fakkel oppakten en steeds weer zullen er mensen zijn die het verhaal gaan vertellen dat Liefde uiteindelijk regeert en dat recht en gerechtigheid reële mogelijkheden zijn voor het dagelijks leven. Soms moesten die mensen dat met hun leven bekopen maar hun boodschap overleefde het tot op de dag van vandaag. Als je die boodschap van liefde centraal stelt maakt het ook niet uit wat er met jezelf gebeurt, je zaait en er zal geoogst worden.Vandaag mogen wij die volgelingen van Jezus van Nazareth zijn die om ons heen het verhaal vertellen, het goede doen voor de minsten in de wereld en daarbij onze overheid het goede voorhouden en niets dan het goede.

Hij is toch die timmerman

dinsdag, 14 juli, 2015

Marcus 6:1-13

1 ¶  Hij vertrok weer en ging naar zijn vaderstad, gevolgd door zijn leerlingen. 2  Toen de sabbat was aangebroken, gaf hij onderricht in de synagoge, en vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! 3  Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?’ En ze namen aanstoot aan hem. 4  Jezus zei tegen hen: ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten.’ 5  Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat hij een paar zieken de handen oplegde en hen genas. 6  Hij stond verbaasd over hun ongeloof.  Hij trok rond langs de dorpen in de omtrek en onderwees de mensen. 7 ¶  Hij riep de twaalf bij zich en zond hen twee aan twee uit, en gaf hun macht over de onreine geesten. 8  Hij droeg hun op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok. 9  Sandalen mochten ze wel dragen. ‘Maar, ‘zei hij, ‘trek geen extra kleren aan.’ 10  En ook zei hij: ‘Als jullie ergens onderdak krijgen, moet je daar blijven tot je verder reist. 11  Maar als jullie ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar jullie willen luisteren, moet je daar weggaan en het stof van je voeten schudden ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’ 12  Ze gingen op weg en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, 13  en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen. (NBV)

Als iemand bij je in de buurt is opgegroeid kun je je nauwelijks voorstellen dat die persoon ineens een nationale persoonlijkheid wordt.  Waar haalt hij toch al die wijsheid vandaan? Het is toch ook gewoon een zoon van een moeder, een broer van stadgenoten, broers en zusters die onder ons wonen. Jezus van Nazareth verbaasde zich over het ongeloof van zijn dorpsgenoten. Als hij kon wat hij kon dan konden zij dat toch ook, zorgen dat mensen er weer bij gingen horen, eerlijk delen met elkaar, zorgen voor eerlijke handelsvoorwaarden. Dat goede nieuws bleef hij brengen, ook in de omgeving. Dat navolgen van Jezus van Nazareth zit dus niet zozeer in het ook gaan doen van wonderen, of het vertellen van mooie verhalen die de mensen nooit eerder hebben gehoord. Het is aandacht vragen voor de minsten langs de kant van de weg, de verschoppelingen van onze dagen.

Altijd zijn er mensen die bereid zijn alles wat ze hebben te delen met iemand die niets heeft. Dat was de vaste overtuiging van Jezus van Nazareth.  Om te bewijzen dat hij gelijk had zond hij zijn volgelingen er op uit. Twee aan twee. Op naar mensen die bereid waren met hen te delen, voedsel en onderdak, eerlijke handel, aan die mensen kun je het goede nieuws kwijt dat er een Koninkrijk is waar dat delen de Wet van alle dag is, waar je niet bang hoeft te zijn voor veroordelingen maar steeds opnieuw met die Wet mag beginnen. Het lukte, ze dreven een hoop gekkigheid uit en zorgden dat veel mensen weer mee konden doen. Het kan dus, als wij volgelingen van die Jezus van Nazareth willen zijn kunnen wij dan ook. Zelfs al ben je gewoon timmerman. We hebben het er vaak over dat we dat visioen van Jezus van Nazareth in onze eigen omgeving gestalte kunnen geven. In het werk in de Fair Trade winkels, als schrijvende voor Amnesty International, als vrijwillige zorgende in een verpleeghuis of ziekenhuis, als  mantelzorger, als actief buurtbewonende in je eigen wijk, in de diakonale activiteiten van de kerk of in zoveel niet te noemen activiteiten die er zijn om de wereld een beter aanzien te geven.

Overal waar er oorlog is of honger, of natuurrampen geweest zijn kom je Nederlandse artsen tegen die niet uit zijn op een glanzende carrière met een hoog inkomen. Ook verpleegkundigen, hulpverleners, timmerlieden, ingenieurs, gepensioneerde managers, landbouwers, tuinders zetten zich zonder betaling of tegen een minimumloon in voor de lijdende medemens in de wereld. Van hen kun je het beste horen wat het betekent dat wij onze landbouw blijven subsidiëren, dat we veel willen blijven verdienen aan de patenten op onze medicijnen, dat we blijven weigeren eerlijke handelsverhoudingen te scheppen. Al die vrijwilligers die er op uit trekken de wereld in brengen het goede nieuws dat er altijd mensen zijn die bereid zijn alles te delen wat ze hebben, in de eerste plaats zichzelf. Ze drijven nogal wat kwaadheid de wereld uit, ze laten zien hoe mensen van verschillende herkomst, cultuur en geloof toch samen kunnen werken en samen het verschil uit kunnen maken tussen leven en dood.  Zelf aan de slag als vrijwilliger in eigen stad of dorp en als ondersteunende van mensen die naar de armste landen gaat kan allebei. Vandaag nog kun je er mee beginnen, je schrijfstok in de hand nemen en een bankrekeningnummer noteren.

Je mag hen niet meer waarschuwen

maandag, 13 juli, 2015

Ezechiël 3:22-27

22 ¶  Op die plaats werd ik opnieuw door de hand van de HEER gegrepen, en hij zei tegen mij: ‘Sta op, ga naar buiten, naar het dal, want daar wil ik met je spreken.’ 23  Ik deed wat me gezegd was. Toen ik in het dal kwam stond daar de stralende verschijning van de HEER, die ik ook bij het Kebarkanaal gezien had, en weer wierp ik mij voorover op de grond. 24  Er voer een geest in mij die me weer op deed staan, en de HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar binnen, sluit je op in je huis. 25  Je wordt er met touwen vastgebonden, zodat je niet meer naar buiten kunt gaan om je tussen de mensen te begeven. 26  Ik zal ervoor zorgen dat je tong aan je gehemelte vastkleeft, zodat je stom zult zijn. Je mag hen niet meer waarschuwen, want ze zijn hoe dan ook opstandig. 27  Maar wanneer ik me opnieuw tot je richt zul je weer kunnen spreken, en dan moet je tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER  … ”-en wie dan luistert, die luistert, en wie niet luistert, die luistert maar niet: het is immers een opstandig volk. (NBV)

Ezechiël mag zijn volk niet meer waarschuwen. Dat volk is hoe dan ook opstandig. Ze zullen eerst moeten inzien wat ze allemaal wel niet verkeerd doen. Daarom moet Ezechiël eerst naar het dal, we mogen dan denken aan het dal van diepe duisternis. Wie in de ellende zoals Ezechiël die meemaakt roept dat hij God heeft gezien of ervaren die wordt al snel voor gek uitgemaakt. De belofte dat God in het dal van diepe duisternis een stut en een staf wil zijn lijkt ver weg als jezelf in de ellende zit. En ellende was het, die ballingschap ver van Jeruzalem aan de oever van het Kebarkanaal. Als je dan denkt aan God, de God zelfs voor je ziet, dan kun je alleen maar wegzinken in de grond, zo terneergeslagen wordt je als je het verschil bedenkt tussen de glans van Gods Heerlijkheid en de duisternis waar je zelf in verkeerd.

Maar het unieke in het verhaal van de God van Israël is dat je als mens de Geest van God kunt krijgen. Het was de Geest van God die in de mensen geblazen werd toen ze waren gevormd uit de rode aarde. Het is de Geest van dezelfde God die Ezechiël doet opstaan. Die ellende slaat hem met stomheid en de koppige opstandigheid van zijn volk bindt hem en maakt hem bewegingsloos. Daarom heeft het geen zin om het volk te waarschuwen voor het slechte dat ze doen. Ze moeten het eerst gaan zien. En midden in de ballingschap hun priesterprofeet gebonden met touwen en zwijgend te zien zitten doet de mensen wel vragen wat er zou kunnen zijn. Zijn we zover gekomen dat mensen die ons toe moeten spreken, die ons moed in moeten spreken met stomheid geslagen zijn? Dat genuanceerde fatsoenlijke taal verdwenen is uit een samenleving waar de schreeuwers en dienaren van afgoden de boventoon voeren? Het zijn de vragen die ook wij ons in onze dagen mogen stellen.

Ezechiël zal niet moeten blijven zwijgen. Maar hij zal duidelijk moeten maken dat niet hij zelf het is die het woord tot het volk richt maar dat het de God van Israël is die ook in het diepste duister van de ballingschap naar zijn volk omkijkt en zich tot zijn volk richt. Die God is de Heer van de wereld, dat “Heer” staat hier ook voor de naam van die God, een naam die een belofte inhoudt “ik zal er zijn”, het spreken van die God betekent dat de belofte geen loze belofte is, maar een waarheid waar de hele wereld op gebouwd is. Als je daar niet naar luistert moet je het zelf maar weten, maar als je wel luistert openen zich vergezichten want als in deze duisternis, in deze ballingschap, de belofte wordt gehouden dan zal ook de belofte van het land dat overvloeit van melk en honing nog uitkomen. Voor ons is hetzelfde, wij hebben de opdracht de naaste lief te hebben als onszelf en daardoor onze God lief te hebben boven alles. Luisteren we naar die opdracht dan opent zich het perspectief van een vreedzame samenleving waar iedereen bij wil horen, luisteren we niet, dan vermeerderd zich het geweld en de armoede. Luister dus ook vandaag en ga er mee aan het werk.

Namens mij waarschuwen.

zondag, 12 juli, 2015

Ezechiël 3:16-21

16 ¶  Toen die zeven dagen voorbij waren, richtte de HEER zich tot mij: 17  ‘Mensenkind, ik stel jou aan als wachter over de Israëlieten: als je mij hoort spreken, moet je hen namens mij waarschuwen. 18  Als ik tegen een slecht mens zeg dat hij sterven zal en je waarschuwt hem niet, je zegt niets om hem te waarschuwen voor de goddeloze weg die hij is ingeslagen, niets om zijn leven te redden-dan is hij weliswaar een slecht mens die sterft doordat hij zelf schuldig is, maar ik zal jou voor zijn dood ter verantwoording roepen. 19  Als je een slecht mens daarentegen waarschuwt en hem zegt dat hij tot inkeer moet komen en hij gaat toch voort op zijn goddeloze weg, dan is hij zelf schuldig aan zijn dood, maar zul jij het er levend afbrengen. 20  Als een goed mens zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet, en als ik hem dan ten val breng, zal hij sterven als jij hem niet waarschuwt. Hij zal sterven als gevolg van zijn zondig gedrag, en zijn goede daden zullen niet meer tellen, maar ik zal jou voor zijn dood ter verantwoording roepen. 21  En als je een goed mens voorhoudt dat hij niet moet zondigen en hij zondigt niet, dan blijft hij zeker in leven omdat hij zich heeft laten waarschuwen, en ook jij zult het er levend afbrengen.’ (NBV)

Een profeet is geen toekomstvoorspeller. Ezechiël krijgt in het gedeelte dat we vandaag uit zijn boek lezen les in het profeet zijn. Wij denken nog wel eens dat een profeet de toekomst voorspelt. Zo van bekeert u want het einde der tijden is nabij. Maar dat is dus geen profeet. Wanneer het einde der tijden zal zijn weet niemand. Wel weten we dat iedereen ooit verantwoording moet afleggen over wat hij of zij in het leven heeft gedaan. Maar dat gaat ook over de manier waarop je bekend staat, de manier waarop je tegen jezelf aankijkt. Ben je rechtvaardig en streef je naar recht en gerechtigheid? Ben je vredelievend en breng je vrede tussen mensen? Of let je alleen op jezelf en ben je bereid met alle geweld het meeste voor jezelf binnen te halen? Voor ieder mens geldt dat elk moment de balans kan worden opgemaakt, ben je in wezen een goed mens of ben je eigenlijk een slecht mens. Een profeet is er voor je te waarschuwen. Pas op let op de balans tussen het goede en het kwade.

Een profeet heeft wat dat betreft een verantwoordelijke taak. Want als iemand denkt dat er goed gedaan wordt en het is eigenlijk verschrikkelijk schadelijk voor anderen dan zal die iemand slecht blijven doen zonder de kans te krijgen het goede te gaan doen. Degene die weigert daarvoor te waarschuwen is daar net zo schuldig aan. Als je dus hoort dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden en je doet er niks tegen dan ben je net zo schuldig. Neem nou die Polen, die Bulgaren en die Roemenen. Zomaar komen ze tussen ons wonen en doen ze de dingen waarvoor niet direct Nederlanders te vinden zijn, vaak omdat Gemeenten denken dat als Nederlanders werkloos zijn die helemaal niet tijdelijk mogen werken, ten onrechte heeft men gelukkig ontdekt. Maar moeten we dan bang worden voor die Oost-Europeanen? Helemaal niet, ze horen ook bij Europa, ze horen dus gewoon ook bij ons. We kunnen dus samen maaltijd houden. En als we samen maaltijd houden kunnen we tijdens het eten ook de wederzijdse irritaties op tafel leggen, zij horen niet alleen bij ons, wij horen ook bij hen. En let op, de meeste problemen kunnen zo worden opgelost en de irritaties verdwijnen. Maar dat kan alleen als we bereid zijn naar hun irritaties over ons te luisteren en hen te helpen hun problemen mee op te lossen zoals zij kunnen helpen onze problemen op te lossen.

Denk nu niet dat het toch niet helpt. De God van Israël leert aan Ezechiël dat je ook goede mensen soms moet waarschuwen. Dat je met goede mensen in gesprek moet gaan. Juist als die vergeten de goede weg van vrede en recht te zoeken, maar alleen af gaan op hun eigen innerlijke onvrede. Goede mensen laten zich waarschuwen voor onrecht en het stichten van onvrede. Goede mensen weten dat er pas leven zit in het stichten van vrede en het brengen van recht. Maar een profeet is ook verantwoordelijk om goede mensen het goede voor te houden. Daar hebben we nog wel eens misverstanden over. Dan denken goede mensen dat ze voor slecht uitgemaakt worden als ze opgeroepen worden het goede te blijven doen. Maar zo is het niet. We moeten samen blijven streven naar het goede en daarbij moeten we elkaar het einddoel blijven voorhouden, allemaal streven we immers naar een wereld waar alleen het goede gedaan wordt en niet dan het goede. Daar mogen we elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.