Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2015

Een nieuwe aarde

vrijdag, 31 juli, 2015

Jesaja 65:17-25

17 ¶  Zie, ik schep een nieuwe hemel en  . Wat er vroeger was raakt in vergetelheid, het komt niemand ooit nog voor de geest. 18  Er zal alleen maar blijdschap zijn en groot gejuich om wat ik schep. Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. 19  Dan zal ik over Jeruzalem jubelen en mij verblijden over mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord. 20  Geen zuigeling zal daar meer zijn  die slechts enkele dagen leeft, geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit; want een kind zal pas sterven als honderdjarige, en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt. 21  Zij zullen huizen bouwen en er zelf in wonen, wijngaarden planten en zelf van de opbrengst eten; 22  in wat zij bouwen zal geen ander wonen, van wat zij planten zal geen ander eten. Want de jaren van mijn volk zullen zijn als de jaren van een boom; mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen. 23  Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot. Zij zullen, met heel hun nageslacht, een volk zijn dat door de HEER is gezegend. 24  Ik zal hun antwoorden nog voor ze mij roepen, ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken. 25  Wolf en lam zullen samen weiden, een leeuw en een rund eten beide stro en een slang zal zich voeden met stof. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg-zegt de HEER. (NBV)

Je hoort het de mensen nog wel eens zeggen: “ik moet er niet aan denken, de ellende die mensen is overkomen”. Jesaja schetst een wereld waar je er inderdaad niet meer aan hoeft te denken. Je maakt het niet meer mee, je hoort er niet meer van. Geen kind zal binnen een paar dagen sterven. Een gruwelijke ervaring voor ouders, je krijgt een kind en door wat voor oorzaak ook wordt dat kind niet oud. Hoe oud een kind ook is het hoort niet voor de ouders te sterven. Nog jaren later kun je aan een moeder merken dat hoe flink en opgeruimd ze ook doet, ze eigenlijk in een hoekje van haar hart nog steeds huilt om haar gestorven kind. In onze omgeving hebben we dan te maken met ziekte, met zeer, soms met een ongeluk, dat overkomt een enkeling en gelukkig leven dan velen mee. Maar er zijn landen op de wereld waar het regel is, waar moeders vele kinderen krijgen omdat er maar weinig zullen zijn die hen zullen overleven.

De profeet spreekt ook over de gevolgen van oorlogen. Je bouwt een huis maar dat komt in een vuurlinie te liggen. Anderen nemen het in bezit of verwoesten het en soms is het eerst gestolen en vervolgens verwoest. Landbouwers hoeven niet meer bang te zijn dat de opbrengst van hun land wordt geroofd. In onze dagen betekent dat misschien voor landbouwers dat zij door oneerlijke subsidies of  regels en wetten in het nadeel worden gezet tegenover anderen en de opbrengst van hun land en arbeid niet meer tegen de kostprijs kunnen verkopen zodat ze armer en armer worden. Jesaja heeft het over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die komen er aan. We denken vaak dat er nog niks van te zien is en dus zal die nieuwe hemel wel na onze dood komen. Johannes, schrijver van het boek Openbaring, zag dat heel anders. Hij zag de hemel op aarde neerdalen. God zal zelf zijn tenten hier spannen en dan hier op aarde gaan wonen. Er is dan ook een nieuw Jeruzalem met een Tempel waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving het middelpunt van zijn. Maar iedereen handelt en leeft  volgens die richtlijnen.

Jesaja is niet veel verschillend van Johannes. Jesaja schetst eerst de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil die nieuwe hemelse aarde ook echt komen. In de afgelopen dagen hebben we kunnen lezen over de dienaren van de God van Israël die nog een kans krijgen omdat er ergens iets goeds in hen te vinden zou zijn. Als zij aan de slag gaan met de richtlijnen voor de menselijke samenleving dat begint die nieuwe hemelse aarde al aardig vorm te krijgen. Dan heeft niemand meer honger en in onze dagen hoeft niemand honger te hebben als we eerlijk delen, dan is ook de dorst naar gerechtigheid gestild, want dictators en schendingen van mensenrechten worden direct aangepakt en krijgen niet de kans decennia lang de samenleving te  verzieken. De naakten worden gekleed, de bedroefden getroost, de zieken genezen. Dan hoeven zelfs wilde dieren niet meer op jacht omdat zij hun voedsel voorgeschoteld krijgen, zo kan dan een leeuw met een lam samen weiden. Die dienaren zijn dus daarvoor een voorwaarde. Als wij dienaren van de God van Israël willen zijn hoeven we dus niet lang te bidden, of met de armen te zwaaien en halleluja te roepen, maakt het ook niet uit wat we zingen, maar moeten we aan het werk, de naaste liefhebben als onszelf, de richtlijnen van God tot gelding brengen in deze wereld, ook vandaag weer.

Zolang er sap is in een druiventros

donderdag, 30 juli, 2015

Jesaja 65:8-16

8 ¶  Dit zegt de HEER: Zolang er sap is in een druiventros, zegt men: ‘Vernietig hem niet, er zit nog iets goeds in.’ Voor mijn dienaren zal ik hetzelfde doen, ik zal niet alles vernietigen. 9  Uit Jakob zal ik nageslacht doen voortkomen, uit Juda een erfgenaam van mijn bergland; mijn uitverkorenen zullen het land in bezit nemen, mijn dienaren zullen zich daar vestigen. 10  De Saron zal weidegrond zijn voor schapen, het Achordal een rustplaats voor rundvee, bezit van het volk dat mij heeft geraadpleegd. 11 ¶  Maar jullie die de HEER hebben verlaten en mijn heilige berg veronachtzaamd, die voor de god van het geluk de tafel dekten en voor de god van het fortuin de kruiken vulden, 12  jullie zal ik voor het zwaard bestemmen, ieder van jullie zal knielen voor de slacht. Want ik heb geroepen, maar jullie antwoordden niet, ik heb gesproken, maar jullie luisterden niet; jullie deden wat slecht is in mijn ogen, en jullie verkozen wat ik niet wil. 13  Daarom-dit zegt God, de HEER: Mijn dienaren zullen eten, maar jullie zullen honger lijden; mijn dienaren zullen drinken, maar jullie zullen dorst lijden; mijn dienaren zullen zich verheugen, maar jullie zullen te schande staan; 14  mijn dienaren zullen juichen van vreugde, maar jullie schreeuwen het vertwijfeld uit en weeklagen, vanwege een gebroken geest. 15  De naam die jullie nalaten wordt door mijn uitverkorenen gebruikt wanneer zij iemand vervloeken: ‘Zo zal God, de HEER, je doden!’ Maar mijn dienaren geef ik een andere naam, 16  die in dit land zal dienen als zegenspreuk en eedformule: ‘Bij de waarachtige God’. Dan zal alle ellende van vroeger vergeten zijn, verborgen voor mijn ogen. (NBV)

Als je de geschiedenis van de mensheid beziet, ook na het optreden van Jesaja en het teken dat uitgaat van de terugkeer uit de ballingschap dat alle onderdrukte volken ooit eens bevrijd zullen worden, kan zich afvragen waarom er eigenlijk nog mensen bestaan. Het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die via Israël aan de wereld zijn geschonken heeft eigenlijk nooit en nergens de boventoon gevoerd. Als de God van Israël de beschermer is van de onderdrukten dan zou die God toch harder moeten zijn opgetreden. Jesaja lijkt in het stuk van vandaag met een verklaring te komen. Er zit kennelijk in onderdrukkers eigenlijk altijd ook nog wel een beetje goeds. Daar kun je het dan als onderdrukte, als arme meedoen. En in menige kerk zal het zo zijn uitgelegd. Maar dat staat er niet. Er staat dat God het voor zijn dienaren zo zal doen. Die dienaren zijn wij, onbeholpen gelovigen die met grote ogen naar al het onrecht in de wereld kijken en ons afvragen wat we daar in Godsnaam aan zouden kunnen doen. Jeremia beurt ons op, ook al lukt het niet of zelfs nooit helemaal, God zal ons dat niet kwalijk nemen als we er maar mee bezig blijven.

De tegenstelling tussen dienaren en vijanden wordt hier door Jesaja op een wel heel actuele manier geschetst. De dienaren worden beloond, zij hebben acht geslagen op de heilige berg. Misschien herkennen wij het beeld niet maar op die Berg zegt de Bijbel staat de Tempel van de God van Israël en in die Tempel staat geen beeld van die God maar worden de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard. Dienaar van de God van Israël betekent dus dat je die richtlijnen je eigen maakt en daarnaar handelt. Ze laten zich samenvatten in het Heb uw naaste lief als uzelf. De vijanden van de God van Israël worden ook beschreven. Zij luisteren niet naar die richtlijnen en alle verhalen die er in de loop van de geschiedenis over zijn verteld, zij denken in de eerste plaats aan zichzelf. Je moet maar geluk hebben in het leven en als je geluk hebt bij de handel of bij je werk dan komt je dat toe, dat is voor jou. Daarom doen we massaal mee aan loterijen, waar slechts de organisatoren rijk van worden, daarom kijken we op tegen mensen die hun talenten kunnen omzetten in rijkdom. Van hen verwachten we ook niet dat er gedeeld wordt met de armen.

Toch willen alle mensen vrede. Toch roepen alle mensen dat God toch een einde zou moeten maken aan het leiden. Hongeren en dorsten naar gerechtigheid heet dat in de Bijbel ook wel. En de tegenstelling tussen de dienaren en de vijanden van de God van Israël wordt hier duidelijk geschetst. De dienaren van de God van Israël, zij die de richtlijnen de richtlijnen volgen, zullen eten, gerechtigheid ontmoeten, de vijanden van de God van Israël zullen honger leiden, want gerechtigheid moet je betrachten dat valt je niet toevallig toe, dat verdraagt zich niet met een geluksfactor die omgezet kan worden in een fortuin. Daarom blijft het geweld in de wereld, de vijanden van de God van Israël roepen dat op. Wij zijn daar ook in ons land nog lang niet aan toe. Ingrijpen als er ergens op de wereld onrecht wordt betracht, als volken worden onderdrukt zoals decennia lang met bijvoorbeeld de Koerden is gebeurd. Wij wachten tot er geweld uitbreekt, wij wachten tot de onderdrukten zelf in opstand komen zoals in Syrië is gebeurd. En dan nog helpen wij niet om de dictator te verdrijven, om een einde te  maken aan de tirannie. Wellicht dat er in ons streven en denken iets goeds te vinden is, maar we zullen wel in actie moeten komen. Dat kan elke dag opnieuw, ook vandaag.

Al vragen zij niet naar mij

woensdag, 29 juli, 2015

Jesaja 65:1-7

1 ¶  Al vragen zij niet naar mij, toch laat ik me raadplegen, en al zoeken ze mij niet, toch laat ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan,
toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’ 2  Heel de dag sta ik met uitgestoken handen tegenover een opstandig volk, dat op de verkeerde weg is en zijn eigen ingevingen volgt. 3  Een volk dat mij openlijk tergt, telkens opnieuw: ze ontsteken offers in tuinen en branden wierook op branders van aardewerk, 4  ze zitten in graven en slapen op geheime plaatsen, ze eten vlees van zwijnen, hun vaatwerk is gevuld met onrein vleesnat. 5  Ze zeggen: ‘Blijf waar u bent, kom niet dichterbij, want wij zijn te heilig voor u.’ Ze prikkelen mij als rook in mijn neus, ze zijn als een vuur dat de hele dag brandt. 6  Hier voor mij ligt wat er geschreven staat; ik zal niet rusten tot ik alles heb vergolden. Ik zal jullie je wandaden terugbetalen 7  en die van je voorouders erbij-zegt de HEER; ook zij hebben wierook gebrand op de bergen en mij gehoond op de heuvels. Ik heb hun loon van tevoren bepaald, ze krijgen het allemaal terug. (NBV)

In een tijd van ontkerkelijking, waarin zelfs het geloven in een God door enkelingen bestreden wordt, vraag menig gelovige zich af wat er nu over is van dat visioen dat een profeet als Jesaja had geschilderd. Dat visioen waar gezegd wordt dat er een samenleving komt waarin alle tranen gedroogd zullen zijn, waar niemand dood gaat voor zijn tijd, waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het hele boek van de profeet Jesaja is doorspekt van dit soort visioenen. Iedereen kent wel het beeld van het kind dat speelt in het hol van de slang en de leeuw die samen in wei ligt met het lam. Jesaja schildert de ideale samenleving. Zo’n samenleving zal iedereen wel willen hebben. Maar je kunt kennelijk alleen maar dromen van een dergelijke samenleving. Als je alle ellende om je heen ziet dan is er toch maar heel weinig te merken van een dergelijke ssamenleving. In de dagen van Jesaja was dat nog erger, het volk was in ballingschap.

In de dagen waarover het gedeelte van vandaag werd geschreven was een aanzienlijk deel van de ballingen al teruggekeerd naar Jeruzalem. Maar ook daar was nog niet veel te merken van het visioen dat Jesaja zo prachtig had geschilderd. De stad werd opgebouwd maar zo staat elders in de Bijbel de bouwers hadden de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand. Het is als het visioen dat we hadden toen de apartheid op instorten stond. Nelson Mandela was het gelukt in plaats van een burgeroorlog tussen zwart en blank een vreedzame overgang van het apartheidsregiem naar een geïntegreerde samenleving tot stand te brengen. Maar de krottenwijken waren nog lang niet verdwenen. Van een rechtvaardige beloning van zwarte arbeiders is nog nauwelijks sprake. Een eerlijke verdeling van kennis, inkomen en macht in het land is nog ver te zoeken. Kan het allemaal wel die mooie visioenen zoals die in de Bijbel staan, zoals idealisten ze ook in onze dagen weten te dromen.

Jesaja geeft in het gedeelte van vandaag een verrassend antwoord. Het ligt niet aan de visioenen, het ligt niet aan de God van Israël, maar het ligt aan mensen die er niet aan willen. Mensen willen wel mooie godsdienstige rituelen, offers brengen en mooie liederen zingen. Priesters in dure gewaden kleden en ingewikkelde rituelen laten uitvoeren, maar beantwoorden aan de richtlijnen die de God van Israël in de woestijn aan het volk had gegeven voor een menselijke samenleving is er niet bij. Ook in onze dagen bloeit de religie. Klankschalen, kleurtherapiën, planteneters, persoonlijke groeiwijzen, betere geheugens, het komt allemaal voort uit religieuze overwegingen die niets te maken hebben met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf. Ook zogenaamde Christelijke groeperingen kenden lange tijd die religieuze inslag van als je nu maar hard zingt en met de armen zwaait en op tijd halleluja roept dat komt het goed. Zij krijgen heel langzaam door dat daar het geloof in de God van Israël, het volgen van Jezus van Nazareth niet in zit. Maar je kunt elk moment beginnen die richtlijnen wel te volgen. De God van Israël houdt zijn handen altijd naar je uitgestrekt, maak er dus gebruik van.

Nog nooit is zoiets gehoord

dinsdag, 28 juli, 2015

Jesaja 64:3-11

3  Nog nooit is zoiets gehoord, niet eerder zoiets vernomen. Geen oog zag ooit een god buiten u, die opkomt voor wie op hem wacht. 4  U komt ieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt, die uw weg gaat, met u voor ogen. Maar nu bent u in toorn ontstoken, omdat wij gezondigd hebben. Hadden we maar de oude weg gevolgd, dan zouden we worden gered. 5  Wij allen zijn onrein geworden, onze gerechtigheid is als het kleed van een menstruerende vrouw. Wij allen zijn als verwelkte bladeren, verwaaid op de wind van ons wangedrag. 6 ¶  Er is niemand die uw naam aanroept, die zich ertoe zet uw hand te grijpen. U hebt uw gelaat voor ons verborgen, u hebt ons moedeloos gemaakt en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag. 7  Toch, HEER, bent u onze vader, wij zijn de klei, door u gevormd, wij zijn het werk van uw handen. 8  Laat uw grote toorn toch varen, HEER, houd onze schuld niet steeds in gedachten, maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk? 9  Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden: Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij. 10  Onze heilige, luisterrijke tempel, waar onze voorouders u hebben vereerd, is ten prooi gevallen aan het vuur, en alles wat ons dierbaar was, is verwoest. 11  Laat dit alles u onbewogen, HEER? Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden? (NBV)

Goden laten zich dienen en in ruil daarvoor verrichten zij hun diensten. Zo kijken wij tegen goden op. Daarom kunnen we zeggen dat de slachtoffers van een ramp dat aan zichzelf te danken hebben omdat ze de juiste god, of de juiste goden, niet op de goede manier hebben gediend. Maar goden die zich laten dienen in ruil voor het verrichten van hun diensten bestaan helemaal niet. De God van Israël is het tegendeel. Die komt op voor de minsten op aarde. Die wordt gediend door rechtvaardig handelen. Slachtoffers van een ramp hebben dat nooit aan zichzelf te wijten, voor die slachtoffers begint de God van Israël pas als ze slachtoffer geworden zijn. De oproep om je naaste lief te hebben als jezelf als het liefhebben boven alles van de God van Israël is juist het op de goede manier dienen van die God. Daar worden die slachtoffers in de eerste plaats mee geholpen. Van die weg afwijken brengt de doden met zich mee die onnodig vallen in een ramp of in een oorlog.

Maar zelfs als je afgeweken bent van zijn weg, als je Tempel is verwoest, je stad een woestijn is geworden mag je roepen naar die God om hulp. Want je weet dat die God nooit het werk laat varen dat die ooit begonnen is. De wanhoop om een geweldige ramp kan groot zijn. De ramp in aardbevingsgebied treft honderd duizenden en die wonen vaak  in de armste landen op aarde. De ramp in New Orleans trof tien duizenden en New Orleans ligt in het rijkste land op aarde. De schade voor de armsten in New Orleans is na jaren nog steeds niet hersteld. Wat is het uitzicht voor de armen in de andere gebieden die werden getroffen door aardbevingen? De wereld kan het zich niet laten aanleunen dat die slachtoffers vergeten worden en niet geholpen.  Een handvol soldaten uit arme landen werd tot nu toe betaald om een minimum aan veiligheid voor regering, machthebbers en diplomaten te garanderen. Maar als wij de God van Israël als onze vader aanroepen moeten wij dan niet leren van Jesaja? Zijn volk voelde zich verlaten van God en riep hem aan in alle ellende en deed een beroep op dat “Vader zijn” in het vertrouwen dat God te hulp zou komen.

Kunnen wij God als onze Vader aanroepen als wij onze broeders en zusters in de landen die getroffen zijn door natuurrampen of oorlog en onderdrukking vergeten? Is het niet zo dat wij onze Vader verloochenen en God niet meer als zodanig erkennen als wij onze handen niet uitsteken naar de minsten op deze aarde? Of het nu de verslaafden en de armen zijn in onze eigen steden en buurten of het de slachtoffers zijn van oorlogen, hebzucht, uitbuiting en natuurrampen, zij zijn de broeders en zusters, kinderen van dezelfde Vader als wij, die ons nodig hebben om hen te helpen zoals God onze Vader wil dat zijn kinderen geholpen worden. Dat moeten we leren van Jesaja als hij spreekt over onze gerechtigheid. Recht doen aan mensen daar gaat het om. Dat vergeten, daarvan afwijken, maakt ons bezoedeld en onrein. Deze dagen krijgen we de kans armen tot onze gelijke te maken, te laten delen in de welvaart die wij kennen. Een klein deel van alle vluchtelingen voor oorlog en honger klopt aan onze deur, wij hebben de mogelijkheid ook het laatste dat we hebben met hen te delen, het zou het goede voorbeeld zijn waarmee het kwade bestreden kan worden. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.

Zoals vuur water doet koken

maandag, 27 juli, 2015

Jesaja 63:15-64:2

15 ¶  Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning. Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden? U bent niet meer met mij begaan, uw ontferming gaat aan mij voorbij. 16  U bent toch onze vader? Abraham heeft ons niet gekend en Israël zou ons niet herkennen,
maar u, HEER, bent onze vader, van oudsher heet u Onze beschermer. 17  Waarom, HEER, liet u ons afdwalen van uw wegen? Waarom hebt u ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor u hadden? Keer toch terug, omwille van uw dienaren, van de stammen die u toebehoren. 18  Sinds kort hebben onze vijanden uw heilig volk in hun macht gekregen en uw heiligdom vertrapt. 19  Het is alsof u nooit over ons hebt geheerst, alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen. Scheurde u maar de hemel open om af te dalen! De bergen zouden voor u beven. 1 ¶  Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet, zoals vuur water doet koken, zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen en alle volken voor u laten beven, 2  omdat u de geduchte daden doet waarop wij niet durven hopen. Als u toch zou afdalen! De bergen zouden voor u beven. (NBV)

Vandaag bidden we mee met de profeet. De ellende van de ballingschap is even onverdraaglijk als de ellende van een volk  na een allesvernietigende  aardbeving. Voor Israël was het niet meer voldoende dat ze afstamden van Abraham. Herkomst en afstamming, status en fatsoen zijn niet genoeg, ze tellen niet. De ellende die de profeet schetst maakt dat het lijkt of de God van Israël nooit de God van Israël is geweest. Ver weg is die God zo lijkt het. Was die God er maar, zou die God de hemelen maar scheuren en afdalen. Zo roepen de slachtoffers van elke aardbeving  ook om de hulp van de liefde van alle mensen in de wereld en we weten dat die liefde uiteindelijk van God komt. Die liefde is als het vuur dat het water doet koken. Voor Israël was er een machtige vijand die het land had bezet en de tempel in Jeruzalem verwoest. In Israël werd dat uitgelegd als een straf van God omdat ze zijn gebod van heb uw naaste lief hadden vergeten. In onze dagen zijn er heidenen die ook beweren dat een alles verwoestende aardbeving de straf van een God zou zijn omdat ze daar zondig zijn. Maar als dat zo zou zijn dan zou de hele aarde beven en overal vergaan.

Het volk dat wordt getroffen door een aardbeving is niet slechter dan het volk van Nederland, Engeland of de Verenigde Staten, het volk dat om hulp roept is alleen armer, som is het zelfs het armste volk op aarde. Als er ergens schuld is aan het aantal slachtoffers dan ligt die schuld bij de rijken in de wereld, die huis aan huis tezamen voegen en akker aan akker, die met list en bedrog grote kapitalen weten te verwerven maar die met valse propaganda weten te voorkomen dat er eerlijk gedeeld wordt met de allerarmsten. Dat de leer van Mozes toegepast wordt op en door alle volken zodat elk volk de zelfde mogelijkheden voor woningbouw had als het volk van Japan, waar wel aardbevingsbestendig gebouwd kan worden. Wij hebben dat zelfs niet gerealiseerd in ons wingewest Groningen. De profeet Jesaja roept wanhopig uit dat God alle volken zou laten beven als hij zou komen. Dat beven van alle volken hebben we vandaag even hard nodig als het volk Israël in de dagen van Jesaja.  Want zijn de slachtoffers van natuurrampen niet gewoon onze broeders en zusters? Is hun bloed niet even rood als het onze zou zijn als de natuurramp hier plaats had gevonden?

In onze samenleving wordt geprobeerd haat te zaaien tussen mensen op basis van geloof en afkomst. Maar al die mensen die geven op giro 555 vragen zich niet af wat het geloof of de afkomst is van de slachtoffers van de natuurramp, ze zien de ellende en steken de hand uit om de mensen tegemoet te komen in hun ellende en gelijk hebben ze daarin. Jesaja durfde te stellen dat de afloop van de ellende van zijn volk de terugkeer naar het beloofde land zou zijn. Het volk zou weer in ere hersteld worden en het middelpunt zou weer de Tempel in Jeruzalem zijn zodat alle volken de richtlijnen van de God  van Israël zouden kunnen volgen. Wij zouden de droom van Jesaja tenminste een beetje kunnen laten uitkomen als we ons voornemen het niet te laten bij een eenmalige hulp aan de slachtoffers van elke grote natuurramp maar ons voor te nemen ze te blijven steunen net zo lang tot ze een samenleving hebben die voor wat betreft de welvaart zich kan meten met de onze. We kunnen er vandaag nog mee beginnen. Elke zondag wordt er ook in heel veel kerken gecollecteerd, de godsdienstoefening in delen, vraag dan om een voorbede zoals Jesaja die ons vandaag heeft geleerd.

Mijn kinderen zijn te vertrouwen.

zondag, 26 juli, 2015

 

Jesaja 63:7-14

7 ¶  Ik zal de liefde van de HEER gedenken en zijn roemrijke daden bezingen: alles wat de HEER voor ons heeft gedaan, de goedheid die hij het volk van Israël bewees in zijn ontferming en onbegrensde liefde. 8  Hij zei: ‘Natuurlijk, het is mijn volk! Mijn kinderen zijn te vertrouwen.’ Daarom wilde hij hun redder zijn. 9  In al hun nood was ook hijzelf in nood: zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid. In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost, hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door. 10  Maar zij zijn in opstand gekomen en hebben zijn heilige geest gekrenkt. Daarom werd hij hun tot vijand en bond hij de strijd met hen aan. 11  Toen dacht hij aan de dagen van weleer, aan Mozes en zijn volk. Waar is hij die zijn volk door de zee voerde, waar zijn de herders van zijn kudde? Waar is hij die hen bezielde met zijn heilige geest? 12  Die Mozes ter zijde stond met zijn luisterrijke arm, die voor hen het water kliefde om zich een eeuwige naam te verwerven? 13  Die hen door de diepte leidde als paarden door de woestijn, zonder dat ze struikelden, 14  als vee dat afdaalt naar het dal? Het was de geest van de HEER die hun rust gaf. Ja, u hebt zelf uw volk geleid om u een luisterrijke naam te verwerven. (NBV)

We lezen vandaag een zeer optimistisch stukje uit de Bijbel. God kiest een volk, staat het bij, leidt het uit het land van de slavernij en geeft het een richtlijn waar het eeuwig van zou kunnen profiteren. Maar die kinderen beschamen dat vertrouwen en komen in opstand tegen het idee altijd maar van je naaste te moeten houden als van jezelf en altijd maar de minsten, de zwaksten, in je samenleving voorop te moeten zetten. Dat beschamen van vertrouwen in God leidt tot oorlog en ellende. Maar God herinnert zich de band met het volk, de leiders van het volk die zijn leer door wisten te geven, de koningen die vrede wisten te stichten en God berouwt de vijandschap die hij is aangegaan met zijn eigen volk. Het volk wordt dus opnieuw gered. Nu staat er in vers 9 een zootje onzin waar we geen raad mee weten. Nee niet alleen nu, hier in deze overweging, maar vanouds struikelen geleerden en vertalers over wat hier in de Bijbel staat.

Zou God zelf echt in nood komen als zijn volk in nood komt? Die gedachte komt verder nergens in de Bijbel voor. Waar je wel aan zou kunnen denken is het medelijden dat God krijgt met mensen die wel goed willen maar nog steeds onderdrukt worden en moeten lijden, dat was ook waarom God zijn volk bevrijdde uit de slavernij in Egypte. En dan die rare engel van zijn tegenwoordigheid. Ook die kunnen we niet plaatsen. In het boek Exodus wordt wel verteld over een Engel die vooruitgestuurd wordt om de verovering van het beloofde land voor te bereiden en over God zelf die meegaat met het volk. Hier wordt gezegd dat God zelf hen verlost heeft en dan is een engel helemaal niet nodig in deze tekst. We hebben al eerder vastgesteld dat het boek Jesaja een aantal schrijvers kent die in de loop van de tijd steeds aanvullingen hebben gegeven. Dat kan dus wel eens tot misverstanden leiden. Hier dus ook. Maar voor ons wordt de tekst er eigenlijk alleen maar optimistischer door. Het betekent dat God met ons mee blijft gaan.

Ook al vergeten wij nog wel eens zijn richtlijn om van je naaste te blijven houden als van jezelf. Ook al vergeten wij dat we onze samenleving moeten inrichten op de minsten op de zwaksten op aarde. Zoals we ontdekt hadden dat we het volk van Irak vergeten waren toen daar de dictator verdreven was, dat volk is van het ene lijden in het andere terechtgekomen. Zoals we ontdekken in deze dagen dat we het volk van Haïti eigenlijk vergeten zijn. Bij de eerste de beste tegenslag ligt heel dat land in puin door een aardbeving en is iedereen daar afhankelijk van onze hulp. Giro 555 is dan zeer aan te bevelen maar kunnen en durven we vragen om een ontwikkelingsplan voor de lange termijn? Durven we het aan om als doelstelling te stellen dat bij een volgende aardbeving op een andere plaats op aarde het volk van Haïti vliegtuigen met hulpgoederen kan vullen van haar eigen overvloed om de slachtoffers te helpen? Is het niet zo dat pas als zij kunnen wat wij nu kunnen opbrengen we hen geholpen hebben zoals we zelf geholpen zouden willen worden? Daar roept de profeet ons vandaag toe op, wij mogen weten dat op die Weg God met ons gaat, ook al vergeten wij dat maar al te vaak.

Het jaar van vergelding

zaterdag, 25 juli, 2015

Jesaja 63:1-6

1 ¶  ‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra, in purper gekleed, met praal getooid, die zich groots en machtig verheft?’ Ik ben het die in gerechtigheid spreekt en bij machte is te redden. 2  ‘Hoe komen uw kleren zo rood, als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’ 3  Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp me daarbij. Ik trad hen in mijn woede, vertrapte hen in mijn toorn. Hun bloed bespatte mijn kleren, al mijn kleren werden besmeurd. 4  Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken. 5  Toen zag ik dat er niemand was die hielp, ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.  Op eigen kracht bracht ik redding, door mijn woede aangespoord. 6  Ik heb de volken in mijn woede vertrapt, met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd. Hun bloed liet ik op aarde neervloeien. (NBV)

In het boek van de profeet Jesaja klinkt voortdurend de overtuiging door dat onrecht niet eeuwig kan blijven voortduren. Hoe het bestreden en overwonnen zal worden doet niet ter zake, de overwinning op het kwade is onvermijdelijk. Ook in het duet dat we vandaag meezingen klinkt deze overtuiging door. Het is God die hier de overwinning heeft gebracht. Deze keer kwam de overwinning op het kwade uit Edom, uit de stad Bosra in Edom. Bosra was een belangrijke stad, centrum van de veeteelt. Rood van het bloed dus dat vloeit na de slacht van runderen en schapen. Edom betekent ook rood. En een mantel van purper is ook rood. Rood is de centrale kleur in het gedeelte van vandaag, de woordspelingen en de grapjes die hier in zitten gaan verloren in de vertalingen. Maar rood is ook het druivensap dat opborrelt in de wijnpers.

Rood was ook de aarde waaruit God de mensen heeft geschapen. Rood was ook de linzenmoes waarvoor Ezau zijn eerstgeboorterecht verkocht. En Edom was het volk dat afstamde van Esau, meestal overigens een volk dat staat voor de erfvijand van Israël. Ook hier is Edom overigens niet het meest vriendelijke land, maar in dat God verlaten oord had de God van Israël zich teruggetrokken vanwege het kwaad dat zijn volk had gedaan. Dat volk was weggevoerd naar Babel, maar nu weer teruggekomen. En de God van Israël had zich weer in het midden van zijn volk, in Jeruzalem gevestigd. De oude vijanden van Israël waren overwonnen. Maar dan komt de schok. Het onrecht Israël aangedaan leek ongewroken te blijven. Geen van de volken op aarde kwam het arme en vertrapte Israël te hulp. Niemand kwam het verdrukte volk te hulp. Niemand die de God van Israël steunde.

Dezer dagen zullen velen denken aan het volk van Syrië dat zucht onder een wrede dictatuur. Maar ook dat volk wordt door niemand geholpen. Natuurlijk de wrede dictator werd aangevallen door het eigen volk. Dat volk werd verder vergeten, binnenlandse aangelegenheden maken dat het bedrijven van onrecht door een dictator tot gewoonte kan worden gevormd. Het verzet tegen dat onrecht nam toe. Nooit eerder waren er, als het afgelopen jaar, zoveel mensen in Syrië omgekomen door geweld. Vluchtelingen wachten al vele jaren in buurlanden op een kans terug te keren naar een land in vrede om te kunnen helpen bij de opbouw. In Syrië zijn de volken God niet te hulp gekomen om te zorgen voor de zwaksten, in Syrië hebben volken alleen hun eigen politieke agenda gesteund. De armen kunnen alleen iets verwachten van de God van Israël. De richtlijn voor een menselijke samenleving die hij de mensen gegeven heeft zal uit de ellende een uitweg kunnen bieden. Het Heb Uw naaste Lief als Uzelf zal in de praktijk gebracht moeten worden. Wij kunnen God daarbij helpen. Nu komt de redding van velen door godsdienstige extremisten, mensen die nooit hebben gehoord van het “Gij zult niet doden”. Wij moesten maar eens beginnen om opnieuw te denken over de zogenaamde binnenlandse aangelegenheden, voorkomen is immers beter dan genezen.

Ik zal u verhoren

vrijdag, 24 juli, 2015

Handelingen 23:23-35

23  Daarna liet hij twee centurio’s komen en zei: ‘Zorg dat er vanavond, drie uur na zonsondergang, tweehonderd soldaten klaarstaan om naar Caesarea te gaan, samen met zeventig ruiters en tweehonderd lichtbewapende mannen; 24  zorg ook voor een stel rijdieren om Paulus veilig naar procurator Felix te brengen.’ 25  Ook schreef hij een brief met de volgende inhoud: 26  ‘Claudius Lysias aan zijne excellentie procurator Felix: gegroet! 27  Toen deze man werd opgepakt door de Joden en ze op het punt stonden hem te vermoorden, heb ik hem met behulp van mijn soldaten ontzet, daar ik vernam dat hij een Romeins burger is. 28  Omdat ik wilde weten waarvan ze hem beschuldigden, bracht ik hem naar hun raad, 29  en stelde toen vast dat de beschuldigingen betrekking hadden op geschilpunten inzake hun wet; er werd hem niets ten laste gelegd dat met de dood of gevangenschap wordt bestraft. 30  Ik werd er vervolgens van op de hoogte gesteld dat er een aanslag tegen hem werd beraamd, waarna ik hem onmiddellijk naar u heb gezonden. Ook heb ik degenen die hem beschuldigen gelast dat ze hun grieven jegens hem aan u moeten voorleggen.’ 31  De soldaten namen Paulus mee, zoals hun opgedragen was, en brachten hem ‘s nachts naar Antipatris. 32  De volgende ochtend lieten ze de ruiters met hem verder reizen en keerden ze zelf terug naar de kazerne. 33  Na aankomst in Caesarea overhandigden Paulus’ begeleiders de brief aan de procurator en droegen Paulus over aan zijn gezag. 34  Nadat Felix de brief had gelezen vroeg hij uit welke provincie Paulus afkomstig was, en toen hij had gehoord dat Paulus uit Cilicië kwam, 35  zei hij: ‘Ik zal u verhoren zodra ook uw aanklagers aangekomen zijn.’ Hij gaf bevel hem gevangen te houden in het pretorium van Herodes. (NBV)

In het verhaal dat we de laatste dagen uit het boek Handelingen hebben gelezen vertelt Lucas hoe het Evangelie in Rome terecht kwam. Dat deden de Romeinen. Daarom wordt in het gedeelte van vandaag omstandig verteld hoe de Romeinse tribuun reageert en welke brief hij wel niet aan de landvoogd, procurator Felix in Caecarea schrijft. Zelfs die Joodse Paulus blijkt een Romein. Als je het verhaal zo zonder aanloop leest dan lijkt het net of Paulus van de regen in de drup wordt gebracht. Lopen in Jeruzalem de Joden tegen hem te hoop en wordt hij beschermd door de Romeinen tegen de Joodse volkswoede, nu gaat hij als voornaam en belangrijk gevangene naar de hoogste autoriteit in Palestina. Als je niet zou weten dat dit de eerste etappe van een reis is die op last van God zelf wordt gemaakt zou het een extra spannend verhaal zijn. Hoe zou dat aflopen met die Paulus? Wij weten dat al, maar vandaag gaat het over het begin.

Het moet toch een hele vervelende zaak geweest zijn voor de Romeinse bevelhebber van Judea. Al die groepjes Joden die elkaar naar het leven stonden over godsdienstige zaken waar hij geen flauw benul van had. Wie vindt nu wat en waarom en wat is het gevolg er van? Uit het deel dat we vandaag lezen wordt in elk geval duidelijk dat opstootjes en relletjes de Romeinen onwelgevallig zullen zijn en dus wordt Paulus dan ook van het aanstoken er van beschuldigd. Hoe iemand je noemt en hoe je jezelf noemt is kennelijk belangrijk in de Bijbel. Ook in onze dagen is dat niet onbelangrijk. De terrorist van een jaar geleden in Noorwegen noemde zich een Christelijk conservatief. Voor Christenen waren zijn daden in elk geval verre van Christelijk, dit was niet het kwade bestrijden met het goede, dit was niet je vijanden lief hebben, dit was niet de linkerwang toekeren als iemand je een slag op de rechter geeft. Je kunt zo ongeveer het hele Nieuwe Testament opschrijven om aan te tonen dat dit misschien conservatief was maar zeker niet Christelijk. Maar mogen we ons daarmee van de zaak afmaken? Eindigt de discussie met een aantal Bijbelteksten waarmee we duidelijk maken dat deze terrorist ongelijk had? Is dat dan het kwade bestrijden met het goede?

Die Noorse terrorist voelde zich onder meer geïnspireerd door sommige Christenen die zich hebben geuit over de komst van de Islam naar Europa. Dat juist Nederland 400 jaar lang het grootste Islamitische land van de wereld is geweest doet daarbij niet terzake. Die Nederlanders wisten al die 400 jaar die Moslims in hun rijk effectief te onderdrukken. Ze hadden mensen als Coen en van Heutz om hetzelfde te doen wat de Noorse Terrorist nu van politici verwacht, wat Wilders met woorden doet. Als wij de daden van deze Terrorist verkeerd vinden, en verkeerd zijn ze, dan zullen we ook onze woorden moeten wegen. Dan is het verlangen om de tekst op het monument voor Coen in Hoorn te veranderen niet zo vreemd meer. Dan is de oproep om maaltijd te houden met Moslims in plaats van ze als achterlijk en gevaarlijk weg te zetten misschien ook wel een betere weg. Dan wordt ook duidelijk waarom de Joodse Paulus net zo goed een Heidense Romein wil zijn, omdat het gaat om de liefde van Christus en die liefde is voor iedereen, uit die liefde mogen we elke dag weer leven, ook vandaag.

‘Wat heb je me te melden?’

donderdag, 23 juli, 2015

Handelingen 23:12-22

12 ¶  Toen de dag aanbrak, verzamelde zich een groep Joden, die zwoeren dat ze niet zouden eten of drinken voor ze Paulus hadden gedood. 13  Meer dan veertig mannen namen aan deze samenzwering deel. 14  Ze gingen naar de hogepriesters en de oudsten en zeiden: ‘We hebben een heilige eed gezworen om niets meer te eten voor we Paulus hebben gedood. 15  Dient u daarom nu, onder het voorwendsel dat u de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht nader wilt onderzoeken, namens het hele Sanhedrin een verzoek in bij de tribuun om hem naar u toe te laten brengen. Dan staan wij klaar om hem nog vóór zijn aankomst te doden.’ 16  De zoon van Paulus’ zuster hoorde echter van dit plan. Hij ging naar de kazerne, en nadat hij daar was binnengelaten, stelde hij Paulus van de samenzwering op de hoogte. 17  Paulus liet een van de centurio’s bij zich komen en zei: ‘Breng deze jongeman naar de tribuun, want hij heeft hem iets mee te delen.’ 18  De centurio ging met hem naar de tribuun en zei: ‘De gevangene Paulus heeft me bij zich laten komen en me verzocht deze jongeman naar u toe te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.’ 19  De tribuun nam hem mee naar een plek waar niemand hen kon horen, en vroeg: ‘Wat heb je me te melden?’ 20  De jongeman antwoordde: ‘De Joden hebben afgesproken u te verzoeken Paulus morgen naar hun raad te laten brengen, onder het voorwendsel dat ze zijn zaak nader willen onderzoeken. 21  Maar u moet hen niet geloven: meer dan veertig van hen willen hem in een hinderlaag lokken. Ze hebben een eed gezworen dat ze pas weer zullen eten en drinken als ze hem vermoord hebben; ze staan al klaar en wachten alleen nog tot u hun verzoek hebt ingewilligd.’ 22  De tribuun liet de jongeman vertrekken, maar beval hem: ‘Vertel aan niemand dat je me hiervan op de hoogte hebt gesteld.’ (NBV)

Paulus heeft de opdracht van God gekregen, zo stond eerder in het verhaal, om de boodschap van het Evangelie naar Rome te brengen. De beweging van de Weg, de gemeenschap van navolgers van Jezus van Nazareth, heeft zich open gesteld voor Joden en Heidenen en daarmee is het hart van het toekomstige Koninkrijk van God, niet in Jeruzalem komen te liggen maar ligt het voorlopig in Rome. Daar immers zetelt de zogenaamde macht over de aarde, de macht over het leven en de dood van de mensen. Uiteindelijk is het de God van Israël die de macht heeft maar zijn wegen zijn soms duister en lijken meer op omwegen dan op de rechte weg die wij mensen zouden gaan. In het verhaal van Paulus wordt dat nog eens extra duidelijk. Een groep van veertig tegenstanders zweert samen. En omdat het er veertig zijn leest het als heel het volk zweert samen tegen Paulus. Veertig is immers het getal van de volledigheid, dan is het genoeg. Veertig jaren of veertig dagen in de woestijn waren ook genoeg. Maar zoals het in een spannend verhaal hoort wordt de samenzwering afgeluisterd. In dit verhaal door een neef van Paulus die zijn oom gaat waarschuwen in de gevangenis en het verhaal mag vertellen aan de hoofdman over duizend, de tribuun.

Als je het verhaal zo zonder aanloop leest dan lijkt het net of Paulus van de regen in de drup wordt gebracht. Lopen in Jeruzalem de Joden tegen hem te hoop en wordt hij beschermd door de Romeinen tegen de Joodse volkswoede, nu gaat hij als voornaam en belangrijk gevangene naar de hoogste autoriteit in Palestina. Als je niet zou weten dat dit de eerste etappe van een reis is die op last van God zelf wordt gemaakt zou het een extra spannend verhaal zijn. Hoe zou dat aflopen met die Paulus? Wij weten dat al, maar vandaag gaat het over het begin. In onze dagen is er de vraag naar de zin van onze ondernemingen. We zamelen geld in voor voedsel voor de mensen in Afrika, heeft dat zin? Een deel zal in zakken van corrupte lieden verdwijnen, een ander deel in de zakken van dure bestuurders en leden van de ontwikkelingsindustrie, een deel zal besteed worden aan aankopen van voedsel op verkeerde markten zodat lokale boeren ook tot de hongerenden gaan behoren, een ander deel maakt vluchtelingen voorlopig afhankelijk van liefdadigheid.

Op het oog allemaal redenen om maar niet mee te doen met zogenaamde liefdadigheid. Maar wie de beelden ziet van uitgemergelde mensen die geen eten hebben omdat er geen regen valt, van stervende kinderen die geen kracht meer hebben om te leven, omdat hun eten ontbreekt, die weet dat er ook een belangrijk deel gaat naar  voedsel dat die mensen, die zusters en broeders, zal bereiken. Beter is het om hen de gelegenheid te geven zelf hun voedsel te verbouwen, maar als men sterft van de honger komt de volgende oogst altijd te laat.  En de Joden hebben ons geleerd dat wie één mens redt de mensheid heeft gered. Daarom nemen we al die nadelen maar op de koop toe. We weten dat God ook via omwegen helpt en redt. Het verhaal van Paulus maakt ons dat extra duidelijk. Daarom mogen we ook vandaag werken aan de wereld waarin geen honger meer is, waar alle tranen gedroogd zullen zijn, ook die in Afrika.

Ik heb een volstrekt zuiver geweten

woensdag, 22 juli, 2015

Handelingen 22:30–23:11

30  Omdat de tribuun nauwkeurig wilde vaststellen welke beschuldiging door de Joden tegen Paulus werd ingebracht, liet hij hem de volgende dag uit de gevangenis halen en verordonneerde hij dat de hogepriesters en het hele Sanhedrin bijeen moesten komen. Hij liet Paulus naar het tempelgebouw brengen om voor hen te verschijnen. 1 ¶  Paulus vestigde zijn blik op de leden van het Sanhedrin en zei: ‘Broeders, ik heb een volstrekt zuiver geweten, want tot op de dag van vandaag heb ik mijn leven altijd in dienst gesteld van God.’ 2  Ananias, de hogepriester, gaf degenen die naast hem stonden opdracht hem op zijn mond te slaan. 3  Daarop zei Paulus tegen hem: ‘God zal ú slaan, huichelaar! U zit daar om volgens de wet recht over mij te spreken, en toch overtreedt u zelf de wet door bevel te geven mij te slaan?’ 4  De omstanders zeiden: ‘Scheld je de hogepriester van God uit?’ 5  Toen zei Paulus: ‘Ik wist niet, broeders, dat hij de hogepriester is. Er staat inderdaad geschreven: “Een leider van je volk mag je niet verwensen.”’ 6 ¶  Paulus wist dat het Sanhedrin deels uit Sadduceeën bestond en deels uit Farizeeën, en daarom riep hij hun toe: ‘Broeders, ik ben een Farizeeër uit een geslacht van Farizeeën, en ik sta hier terecht omwille van de verwachting dat de doden zullen opstaan!’ 7  Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en raakte de vergadering verdeeld. 8  De Sadduceeën beweren immers dat er geen opstanding is en dat engelen en geesten niet bestaan, maar de Farizeeën geloven zowel het een als het ander. 9  Er ontstond groot tumult, en enkele schriftgeleerden uit de kring van de Farizeeën stonden op en betoogden heftig: ‘Wij vinden dat deze man niets heeft misdaan! Het kan toch dat een geest of een engel met hem gesproken heeft?’ 10  Toen de onenigheid nog toenam, vreesde de tribuun dat Paulus door de leden van het Sanhedrin verscheurd zou worden. Hij liet een afdeling soldaten komen om hem te ontzetten en hem terug te brengen naar de kazerne. 11  Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed! Want zoals je in Jeruzalem getuigenis van mij hebt afgelegd, zo moet je ook in Rome van mij getuigen.’(NBV)

Paulus staat net zo terecht als eens Jezus van Nazareth. Met een verschil dat in de loop van het proces zal blijken. Waren het in het proces van Jezus de Hogepriesters die de dienst uit maakten, die waren van de partij van de Saduceeën, nu waren er ook de Farizeeën vertegenwoordigd. Die Saduceeën behoorden tot de rijkste families in Israël. Zij oordeelden op grond van de Hebreeuwse Bijbel dat er geen opstanding van de doden zou kunnen zijn, de adem die God de mens in had geblazen keert bij de dood terug tot de borst van God staat er in Genesis en daar hielden zij zich aan. De Farizeeën geloofden dat God de onrechtvaardigden zou straffen en de rechtvaardigen die omgebracht waren toch zou belonen. Beiden konden zich voor hun standpunt op de Bijbel beroepen.

Het proces begint met de overtreding van de Hogepriester Ananias die Paulus op de mond laat slaan als die betoogt een zuiver geweten te hebben. Een dergelijke overtreding verwacht je niet van een Hogepriester. Paulus haalt daarom een verwensing uit Deuteronomium aan die volgens de geldende opvattingen gelijk stond aan een slag terug. En als hem gezegd wordt dat je een Hogepriester niet mag slaan, zoals in Exodus staat, dan antwoordt Paulus dat hij niet had geweten dat dit nu een Hogepriester was.  Het is de inleiding voor een ruzie tussen de twee partijen in het Sanhedrin. Paulus verkondigd de opstanding uit de doden, die opstanding zou komen, Jezus van Nazareth was immers de eerste geweest. Het is trappen op het hart van de Sadduceeën die vervolgens weer op het hart van de Farizeeën trappen. De ruzie tussen de twee partijen is het begin van de reis van Paulus naar Rome. Het is de tribuun duidelijk dat hij zijn Romeinse gevangene moet beschermen tegen de interne Joodse ruzie en hij laat hem naar de gevangenis brengen.

Voor ons is het een les. De vrijheid van meningsuiting dient altijd gerespecteerd te worden. De ruzie binnen het Joodse volk zou uiteindelijk uitmonden in een opstand die het einde zou betekenen van de Tempel. Het volk zou over het Romeinse Rijk verspreid worden. Het is niet einde van de dienst van Israël aan de God van Israël. Dat hebben Christenen nog wel eens misverstaan, zij denken dan dat zij de voortzetting zijn van Israël. Maar de voortzetting is in de Joodse godsdienst.   Het Christendom is een uitbreiding naar de Heidenen die betrokken worden op de dienst die de God van Israël aan zijn mensen vraagt: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Als Saducceeën en Farizeeën dat aan hun volk zouden hebben voorgehouden zou er geen opstand geweest zijn. Het wordt de taak van Paulus die boodschap naar Rome te brengen. Het is onze taak die boodschap door te geven aan de hele wereld, door dat gebod in de praktijk te brengen, ook vandaag weer.