Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juni, 2015

Geen volk zal nog het zwaard trekken

zaterdag, 20 juni, 2015

Jesaja 2:1-5

1 ¶  Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem. 2  Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, 3  machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER. 4  Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. 5  Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER. (NBV)

Het zal toch eens moeten gebeuren. Dat geen mens meer zal weten wat oorlog is. Dat is toch een geweldige droom. Een nachtmerrie misschien voor de wapenindustrie maar een droom voor alle mensen die van mensen houden, die kiezen voor het leven. We lijken er nog ver van af te zijn. Misschien dat we wat minder oorlogen tussen volken zien. Het zijn coalities die tegen een enkel land optrekken dat zich al te ver verwijderd van de internationale rechtsorde. Het zijn de Verenigde Naties die als een internationale politiemacht staten en volken tot de orde kan roepen. We weten natuurlijk dat alleen in het verband van de Verenigde Naties, alleen als we allemaal op de hele wereld echt samen aan vrede en rechtvaardigheid willen werken, echt vrede en recht gebracht kan worden.

Telkens weer doemen nieuwe bedreigingen op of denken we nieuwe bedreigingen te zien.  Telkens horen we van bedreigingen door de Taliban. Die hebben hun schuilplaats in Pakistan en ook dat land is niet direct bekend als een land van recht en vrede. Maar aan Pakistan mogen we niet komen. Ook in Irak groeien recht en vrede maar langzaam en ten koste van veel mensenlevens, en dankzij of ondanks de bombardementen. Dan is er Afrika waar overal gevochten lijkt te worden om macht en grondstoffen, om rijkdom ten koste van mensen. En Al Gore, die ooit de Nobelprijs voor de vrede kreeg, waarschuwde dat de klimaatveranderingen die we veroorzaken nieuwe oorlogen gaan brengen. We lijken nooit te leren dat de richtlijnen voor eerlijk delen, ook tussen de volken die op de Tempelberg in Jeruzalem werd bewaard en door Jezus van Nazareth toegankelijk werd voor de hele wereld het uitgangspunt moet zijn en worden voor het verkeer tussen volken en mensen. Daarom hoort bij dit visioen dat er recht gesproken wordt op grond van die richtlijnen. Dan pas kunnen de zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen en de speren tot snoeimessen.

In onze dagen zal dat niet gebeuren door legers af te schaffen en militairen naar huis te sturen. Maar we kunnen een begin maken door onze soldaten en hun wapens in dienst te stellen van de Verenigde Naties, en alleen van de Verenigde Naties. Nu oefenen onze soldaten nog om anderen gerust te stellen tegen geweld uit Rusland. Een poging om echt vrede te scheppen in Europa en alle angst weg te nemen is er niet bij.  We geven al onderdak aan het Internationale Hof van Justitie en aan het Strafhof van de Verenigde Naties. Machtige landen, als Amerika, willen die gerechtshoven nog wel eens ontkennen en de vonnissen aan hun laars lappen. Het is aan een klein, maar rijk, land als het onze om juist bij voortduring op het belang van het recht te blijven hameren, juist in het belang van de vrede. Het recht op vrede behoort tot de mensenrechten die elk jaar op dezelfde dag worden herdacht als de Nobelprijs voor de vrede wordt uitgereikt. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ook in het visioen van Jesaja.

Sion zal verlost worden door recht

vrijdag, 19 juni, 2015

Jesaja 1:21-31

21 ¶  Ach, de trouwe stad is een hoer geworden. Waar eens recht heerste en gerechtigheid woonde, daar huizen nu moordenaars. 22  Je zilver is zwart en dof geworden, je wijn versneden met water. 23  Je vorsten zijn schurken, ze houden het met dieven, ze denken alleen aan geschenken en steekpenningen. Wezen bieden ze geen bescherming, het lot van weduwen laat hen koud. 24  Daarom-zo spreekt de HEER van de hemelse machten, de sterke God van Israël: Wee hun, ik zal me wreken op mijn tegenstanders, mijn woede koelen op mijn vijanden. 25  Ik zal mij tegen je keren, je zilver zuiver ik met loog, al je vuil verwijder ik. 26  Ik breng je rechters en raadgevers tot inkeer, het zal weer worden als voorheen. Dan zul je deze naam dragen: ‘Stad van gerechtigheid’, ‘Stad van trouw’. 27  Sion zal verlost worden door recht en wie zich bekeert door gerechtigheid. 28  Maar opstandige zondaars worden gebroken, wie de HEER verlaat, gaat ten onder. 29  Dan zal men schande spreken van de terebinten die jullie zo vurig vereerden, men zal zich schamen voor de tuinen waar jullie hart naar uitging. 30  Jullie worden als een terebint  waarvan het blad verwelkt, als een tuin zonder water. 31  Verworven schatten worden tot kaf  en wie ze vergaarde tot een vonk; samen zullen ze branden en niemand dooft het vuur. (NBV)

Het gedeelte van vandaag begint met een klaaglied. De eertijds zo luisterrijke stad Jeruzalem is een hoerenkot geworden. De stad wordt getekend door moordenaars en oplichters. Zilver is niet meer zuiver en wijn wordt versneden met water. Wie de regels voor de menselijke samenleving uit de Tora, de eerste vijf boeken van Mozes, kent weet dat zuivere maten en zuivere goederen een voorwaarde zijn voor de menselijke samenleving. Juist de zuivere maten en zuivere goederen beschermen de armen tegen uitbuiting. Zij kunnen niet zelf nameten wat de echte hoeveelheid is die ze kopen. Ook in onze supermarkten ontbreken tegenwoordig de weegschalen waarop je de verpakte goederen op hun gewicht kunt controleren, je moet er maar op vertrouwen en hopen dat de Voedsel en Waren autoriteit haar werk goed doet. De God van Israël wil het foute Jeruzalem weer omkeren. De toezichthouders op een eerlijke en daardoor menselijke samenleving moeten weer in ere worden hersteld.

Maar kunnen mensen zichzelf verlossen? Het is een vraag die door veel Christelijke gelovigen worden gesteld. Als je je samenleving nu maar inricht volgens de richtlijnen voor een menselijke samenleving die je in de Tora vindt dan laat je toch mensen tot hun recht komen en de stad van God zal verlost worden door recht en wie zich bekeert tot het naleven van die Tora wordt verlost door gerechtigheid. Dat lijkt op een voor wat hoort wat geloof. Als wij nu maar doen wat die God van Israël ons heeft voorgeschreven dan geeft die God ons wel voorspoed en rijkdom. Maar dan lees je toch verkeerd. Voor de toepassing van de richtlijnen voor de menselijke samenleving zijn eerlijke rechters en raadgevers nodig. En die komen niet uit zichzelf, die worden door God zelf tot inkeer gebracht en in de bestaande stad weer in in ere hersteld. Dat God zelf ingrijpt is de eerste voorwaarde om weer Stad van gerechtigheid te worden, maar je moet het dan wel volgen anders wordt je gebroken en ga je ten onder.

Als Jezus van Nazareth een vergelijking zoekt voor het Koninkrijk van God dan komt hij op het mosterdzaadje. Dat is zo krachtig dat er een grote boom uit kan groeien. Wij kennen de grote en statige beukenbomen die begonnen zijn als een beukennootje. Ook in dat kleine nootje schuilt genoeg kracht om tot een grote statige boom uit te groeien. Maar die bomen zijn een geschenk van God, ze zijn zelf niet goddelijk. Wie zulke krachtige bomen ziet zou bijna denken dat er voldoende goddelijke kracht in schuilt om ook je graan te laten groeien, om grazige weiden voor je veel voort te brengen. Wie dat echt geloven gaan de bomen aanbidden, ze offers brengen. Israël deed dat ook, met de Terebinten, bomen waar ooit Abraham zijn tenten onder opsloeg om beschermd te zijn tegen de hete middagzon. Maar Abraham wandelde met God en aanbad de Terebinten niet. Jesaja roept daarom op de aanbidding van goederen en diensten, de aanbidding van de krachten om ons heen te verlaten, op te houden met een zeven maal vierentwintiguurs samenleving, maar onze samenleving te bouwen op rechtdoen voor mensen, op zorg voor de minsten, op samen delen en samen in vrede leven. Die oproep mogen we ook vandaag nog verstaan.

Als je koppig bent

donderdag, 18 juni, 2015

Jesaja 1:10-20

10 ¶  Hoor de woorden van de HEER, leiders van Sodom, geef gehoor aan het onderricht van onze God, volk van Gomorra. 11  Wat moet ik met al jullie offers? zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer. 12  En wanneer jullie voor mij verschijnen- wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? 13  Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw van jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. 14  Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen. 15  Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! 16 ¶  Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, ik kan ze niet meer zien. Vermijd alle kwaad 17  en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij. 18  De HEER zegt: Laten we zien wie er in zijn recht staat. Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw, al zijn ze rood als purper, ze worden wit als wol. 19  Als je weer naar mij wilt luisteren, zal het beste van het land je ten deel vallen. 20  Als je koppig bent en niet wilt luisteren, zul je vallen door het zwaard. De HEER heeft gesproken. (NBV)

Er zijn wel eens mensen die vinden dat je niet zo hard moet spreken over de exorbitante zelfverrijkers, of de oorlogshitsers, of de haatzaaiers in onze samenleving. Die mensen doen toch ook hun best? Hun bedoelingen zijn toch goed? En ook als je het niet helemaal met ze eens zijn durven ze toch maar te zeggen waar het op staat. De  Bijbel kent in elk geval geen zachte praat. Jesaja gaat hier onverbloemd te keer tegen de leiders van zijn volk, vooral tegen de religieuze leiders. Geen offers wil de God van Israël, houd op met die zinloze offergaven, klinkt het. Maar wat moeten wij daarmee? Er zijn kerken waar het offer van Christus dagelijks wordt herhaald. Er zijn kerken waar de schalen rondgaan om de mensen de gelegenheid te geven te laten zien hoe dankbaar ze wel niet zijn voor de gaven van God. Moeten we daar dan maar mee stoppen. Jesaja antwoordt op die vraag met een hardgrondig JA!

Het gaat om andere dingen. Het gaat om goed te doen, het gaat er om tirannen in toom te houden, om bescherming te bieden aan wezen en de weduwen bij te staan. In een enkele zin schetst Jesaja hier waar de hele Bijbel toe oproept. Recht en gerechtigheid wil de God van Israël. geen mooie feesten met uiterlijk vertoon. De Halleluja roepers, de zwaaiers met de armen worden hier voor gek gezet. Zolang wij nog tolereren dat dictators met behulp van hun legermachten volken kunnen onderdrukken en uitbuiten, zolang wij niet willen leren wat de gevolgen zijn die we nu zien in Irak, Syrië, Libië, Eritrea, Zimbabwe, Soedan en op de Italiaanse kusten en de dictators hun gang laten gaan blijft Jesaja ons in de oren toeteren om niet langer te klagen over de stromen vluchtelingen, armoedzaaiers en verschoppelingen die in Europa een schuilplaats zoeken maar de handen uit de mouwen te steken en mensen recht te doen. Zolang we de oorlog niet tot geschiedenis gemaakt hebben zullen we vluchtelingen moeten opnemen en gastvrijheid bieden.

We kunnen niet de hele wereld op onze nek nemen klinkt het dan als excuus. Maar we zijn niet alleen, we zijn een volk van miljoenen dat getoond heeft veel te kunnen betekenen voor slachtoffers van rampen en ellende. We vormen bondgenootschappen met andere volken, met de Italianen hebben we één beleid, één munt en wederzijdse steun. Hun leger en het onze zullen elkaar helpen als wij of zij worden aangevallen. Als we zo de voordelen kunnen opnoemen waarom lopen we dan weg voor de lasten die het fort Europa met zich meebrengt? Jesaja belooft zijn tijdgenoten dat het beste van het land hen ten deel zal vallen, dat alle zonden ze zullen worden vergeven. Wij weten best dat oorlog betekent dat mensenlevens, geld en goederen worden verspilt. Pas bij vrede kunnen landen weer gaan bloeien en de landen waar het nu al heel lang vrede en vrijheid is gaan bloeien en horen bij de zogenaamde opkomende economieën. Wij dwingen onszelf te vragen hoe we van dicators af kunnen komen, we kunnen beter ons met al onze bondgenoten afvragen hoe we dictators kunnen voorkomen. Dan doen we de volken recht, beschermen we de wezen en staan we de weduwen bij.

Een ezel kent zijn voederbak

woensdag, 17 juni, 2015

Jesaja 1:1-9

1 ¶  Dit zijn de visioenen die Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem gezien heeft, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden. 2 Hoor toe, hemel, geef gehoor, aarde, de HEER heeft gesproken: Ik heb mijn kinderen opgevoed en grootgebracht,  maar ze zijn tegen mij in opstand gekomen. 3  Een rund herkent zijn meester, een ezel kent zijn voederbak, maar Israël mist elk inzicht, mijn volk leeft in onwetendheid. 4  Wee dit ontrouwe volk, vol ongerechtigheid, volk van zondaars, verdorven geslacht. Zij hebben de HEER verlaten, de Heilige van Israël versmaad, hem de rug toegekeerd. 5  Ben je niet genoeg geslagen, verzet je je nog altijd? Heel je hoofd doet pijn, heel je hart is ziek. 6  Van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden: een en al wonden en builen en striemen, niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht. 7  Je land is verwoest, je steden zijn verbrand. Vreemden stropen onder je ogen de akkers af, vreemdelingen maken alles tot een woestenij. 8  Wat rest er nog van Sion? Het is als een hut in een wijngaard, een schuilkeet in een komkommerveld, een stad in het nauw.9  Had de HEER van de hemelse machten ons niet een laatste rest gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra. (NBV)

Het lijkt net een beetje beter te gaan met de economie en dan komt het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen met het verhaal over de ellende die de profeet Jesaja om zich heen ziet. De ene koning na de andere komt maar het volk is tegen de God van Israël in opstand gekomen. En de gevolgen zijn groot. Vreemdelingen maken alles tot een woestenij. Jeruzalem is een stad in het nauw, niet dat alle volken zich wenden naar Jeruzalem omdat daar de richtlijnen voor de menselijke samenleving vandaan komen maar de volken zijn er op uit om Jeruzalem te verwoesten en het gedrag van het volk maakt het hen maar gemakkelijk. Er is nog een rest van de bevolking die zich vasthoud aan de God van Israël anders was het met Jeruzalem net gegaan als eertijds met Sodom en Gomorra, de stad zou zijn omgekeerd en van de aardbodem zijn verdwenen.

Maar wie denkt dat wij toch in heel andere tijden leven heeft het mis. Wie alleen let op de toename van onze eigen welvaart is kortzichtig. Een deel van die welvaart is immers te danken aan de slavernij waarin goedkope producten worden geproduceerd, zo goedkoop dat we meer kunnen kopen dan we nodig hebben terwijl elders op de wereld kinderen aan naaimachines zijn geketend of mensen van de honger omkomen. Een ander deel van onze welvaart hebben we te danken aan verspilling van kostbare grondstoffen. We zien wel de pijn van de Groningers nu de gasvelden langzaam leeggehaald zijn en zij hun huizen zien vallen door de aardbevingen maar Noord Nederland is een kolonie die al zeer lang wordt uitgebuit en verwaarloosd. Een echt plan voor duurzame energieproductie is er niet in ons land. We proberen liever de rotsen onder onze voeten los te wrikken om ze te ontdoen van het laatste restje gas dan de zon en de wind die we van onze schepper hebben gekregen te benutten om aan onze energiebehoeften te voldoen.

Jesaja betekent “De Heer redt” in Israël een heel gewone naam. Het blijft de mensen herinneren aan de richting waar ze het moeten zoeken willen ze een menselijke samenleving inrichten. De naam Jesaja kwam zoveel voor dat er bij moet staan van wie hij er een is. Dit was er dus een van een zekere Amos, die we verder niet kennen. We moeten bedenken dat Jesaja het over een lang tijdperk heeft. Vier koningen is niet niks en het verhaal begint bij een koning die bekend stond om zijn welvaart, het eindigt met een koning die bekend stond om zijn geloof. Dat levert dus kennelijk allemaal niet genoeg op om onheil af te wenden. Je kunt een bloeiende handel hebben of een prachtige Tempel daarmee maak je nog niet een menselijke samenleving. Het heb uw naaste lief waar de God van Israël om vraagt betekent dat je eerst oog moet hebben voor de minsten, voor de zwaksten. In onze dagen voor degenen die de door ons gekochte producten maken in armoede en slavernij, voor de bewoners van onze kolonie dus ook. Zolang wij de armen niet net zo rijk maken als wij zijn, zolang we weigeren te delen, zolang we mensen niet in dezelfde veiligheid laten leven als de meerderheid van ons vanzelfsprekend vindt, zolang we blijven verspillen. Zolang we ons niet bekeren  zal het ons net zo slecht vergaan als het volk waar Jesaja tegen spreekt.

Hij bracht de storm tot zwijgen

dinsdag, 16 juni, 2015

Psalm 107:23-43

23 ¶  Soms daalden zij af naar zee, gingen scheep en bevoeren het wijde water, 24  ze zagen de daden van de HEER, zijn wonderen op de oceaan. 25  Hij sprak en ontketende storm, hoog zweepte hij de golven op. 26  Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte, hun maag keerde om van ellende, 27  ze tolden en tuimelden als dronkaards, alle kennis baatte hun niets. 28  Ze riepen in hun angst tot de HEER hij leidde hen weg uit vele gevaren, 29  hij bracht de storm tot zwijgen, de golven gingen liggen. 30  Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam, hij bracht hen naar een veilige haven. 31  Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 32  hem hoog verheffen als het volk bijeen is, hem loven in de kring van de oudsten. 33 ¶  Hij maakt van rivieren woestijn, van waterbronnen dorstig land, 34  van vruchtbaar land een zoutzee vanwege het kwaad van de bewoners. 35  Hij maakt van woestijnen waterland, van dor gebied een bronrijke streek. 36  Hij laat daar wonen wie honger leden, zij stichten een stad, een woonplaats, 37  zaaien akkers in, planten wijngaarden, met een rijke oogst aan vruchten. 38  Zegent hij hen, zij worden zeer talrijk en ook hun vee breidt zich uit, 39  zegent hij niet, hun aantal neemt af, ze buigen onder de last van onheil en verdriet. 40  Hij stort schande uit over de aanzienlijken, hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg; 41  de armen behoedt hij voor slavernij, hun families maakt hij talrijk als kudden. 42  Wie oprecht zijn, zien het met blijdschap, wie onrecht doet, moet zwijgen. 43  De wijze neemt dit ter harte en kent de trouw van de HEER. (NBV)

Waar kennen we dat toch van, wie stilde de storm, dat was toch Jezus van Nazareth? Zo wordt het door Marcus tenminste verteld, maar Psalm 107 bezingt het of men het al had meegemaakt. Historisch klopt dat natuurlijk niet, of Marcus greep terug naar Psalm 107 en liet zien dat de Weg van Jezus van Nazareth je werkelijk laat zingen als deze psalm. Wij heidenen, opgevoed als christenen, kunnen de Joodse Bijbel nu niet anders lezen dan door de bril van het Christendom. In het verhaal zoals het door Marcus werd verteld sliep Jezus overigens en zijn volgelingen werden bang dat ze zouden vergaan. Net zo bang als de ballingen die over zee terugkeerden volgens psalm 107. Heel wat families van vissers zullen nu stilletjes denken dat Gods wereld toch wel heel gemeen in elkaar zit. Hun familieleden werden niet gered, voor hen werd de storm niet gestild. Waarom de een wel en de ander niet?

Wel, Jezus sliep en in de Psalm staat dat de kennis die de ballingen hadden van de richtlijnen voor liefde en recht hen niet baatte. Toen we uit het boek Job lazen hebben we geleerd dat we natuurrampen maar moeten nemen zoals ze komen. Waar het kennelijk op aankomt is het vertrouwen. De ballingen uit deze psalm laten zich op en neer gooien op de golven, zij hebben vertrouwen in het feit dat ze de stad van hun dromen zullen bereiken, de volgelingen van Jezus maken hem wakker, zij hebben er vertrouwen in dat hun meester iets voor hen kan betekenen. Jona, die tijdens een storm lag te slapen, liet zich overboord gooien. Dat vertrouwen op een goede afloop sleept je door de storm heen. Ook als een familielid sterft is het leven niet voorbij, ook als je een ramp overkomt, een ernstig ongeval, en ziekte of een handicap is het leven niet voorbij. Je blijft in staat je onbaatzuchtige liefde aan een ander te geven.

De geest van Jezus werd Trooster genoemd. Je blijft in zijn geest in staat de samenleving er op te wijzen dat de zorg voor de zwakke voorop dient te blijven staan. Soms kun je daar zelfs dan nog beter op wijzen. Door die storm heen, door die ellende heen blijven we volgens Psalm 107 in staat opnieuw de akkers in de zaaien, te oogsten, te delen en een samenleving op te bouwen op de fundamenten van recht en vrede. Het mooiste is dat we er vandaag mee kunnen beginnen. Als we ons maar blijven herinneren dat het voor iedereen altijd en overal het laatste moment kan zijn. Zoals het standbeeld van de vissersvrouw op de Boulevard in Katwijk aan Zee herinnert aan al die vissers die in de loop van de geschiedenis op zee zijn gebleven. Die geschiedenis is niet voorbij, dat is niet iets van vroeger, dat is iets ook van onze dagen, als mensen doodgaan en nabestaanden getroost moeten worden, of als we moeten voorkomen dat mensen doodgaan door voor hen uit te kijken.

De weg naar een stad, een woonplaats

maandag, 15 juni, 2015

Psalm 107:1-22

1 ¶  ‘Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 2  Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost, die hij verloste uit de greep van de angst, 3  bijeenbracht uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. 4  Soms doolden zij door de woestijn, maar een weg in de wildernis, een stad, een woonplaats vonden ze niet. 5  Ze kregen honger en dorst en kwijnden van uitputting weg. 6  Ze riepen in hun angst tot de HEER hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren, 7  hij wees hun de rechte weg, de weg naar een stad, een woonplaats. 8  Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 9  wie dorst had, gaf hij te drinken, wie honger had, volop te eten. 10 ¶  Soms woonden zij in donkere krochten als slaven met ijzeren boeien, 11  want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet, de raad van de Allerhoogste verworpen, 12  hij liet hen buigen onder een zware last, ze vielen, en er was niemand die hielp. 13  Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER hij heeft hen gered uit vele gevaren, 14  haalde hen weg uit donkere holen en brak hun boeien aan stukken. 15  Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 16  bronzen deuren heeft hij verbrijzeld, ijzeren grendels verbroken. 17 ¶  Soms leidden zij een lichtzinnig leven en gingen onder hun zonden gebukt, 18  ze gruwden van elk voedsel en waren de poorten van de dood nabij. 19  Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER hij heeft hen gered uit vele gevaren, 20  hij zond zijn woord en genas hen, ontrukte hen aan het graf. 21  Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 22  laten zij hem dankoffers brengen,  juichend zijn daden bezingen. (NBV)

Overal waren ze vandaan gekomen na de ballingschap. De meeste verhalen voor de Bijbel waren in Babel opgeschreven en tot een verzameling boeken samengevoegd. In Jeruzalem was met de herbouw van de Tempel begonnen. De herontdekking van de richtlijnen voor liefde, recht en rechtvaardigheid was overal in de wereld als een lopend vuurtje rondgegaan. Eindelijk was er weer een reden voor die rare identiteit van die ballingen. In een wereld waarin iedereen achter prachtige godenbeelden aanliep, waar tempels met de meest wondere schoonheid werden gebouwd, waar de meest vreemde rituelen werden uitgevoerd, waar mannen met mannen en vrouwen met vrouwen moesten liggen om de goden tevreden te stellen en de vruchtbaarheid van de landerijen te bevorderen waren ze voortdurend raar aangekeken vanwege hun vreemde gewoonten.

Godenbeelden kenden ze niet, rituelen hadden ze bijna niet. Af en toe een maaltijd met famillie en vrienden, wat armen er bij, hun personeel alsof het gelijken waren en de helpers van een tempel die ver weg en onbereikbaar leek. Geen wonder dat die mensen zingend terugkeerden naar hun land van herkomst. Die opleving van de oude Godsdienst gaf hun leven nieuwe richting en letterlijk voerde die naar een stad, de stad waar de Tempel stond. Daar werden immers die richtlijnen bewaard, daar woonde God zelf. Daar was geen godsdienstdwang, daar kon je je kinderen naar scholen sturen waar jouw godsdienst ook werd onderwezen, daar waren je vrouw en je kinderen veilig voor vreemde gewoonten en vreemde godsdiensten. Ze kenden nog het verhaal van het volk dat door de woestijn trok en ze herkenden het. Waren ze zelf ook niet in een woestijn geweest vol verraderlijke slangen, zonder eten en drinken dat niet voor de een of andere god was bestemd?

Hoe meer ze hadden geleerd over hun eigen wetten en gewoonten hoe meer ze zich daarbij thuis hadden gevoeld. Dat je het samen deed, dat je kon bouwen op je medemens betekent immers dat je er in die vreemde omgeving ook niet meer alleen voor stond. Samen sta je steeds sterker, zo sterk dat hun gemeenschap als vanzelf tot een sterke stad uitgroeide. Zo keerden ze terug, juichend en zingend en vol dankbaarheid voor dat nieuwe leven dat herontdekt mocht worden en waar ze telkens opnieuw mee zouden kunnen beginnen. Opgestaan uit de dood van de ballingschap waren ze, genezen van het vreemde waar ze toe gedwongen waren. Kunnen wij met ze meezingen vandaag? Kunnen wij vandaag ook ontdekken hoe sterk de kracht van de onbaatzuchtige liefde is? Durven we dat te doen samen met de vreemdelingen in ons midden?

Wees genezen van uw kwaal

zondag, 14 juni, 2015

Marcus 5:21-43

21 ¶  Toen Jezus weer met de boot was overgestoken, verzamelde er zich een grote menigte bij hem, en hij bleef aan het meer. 22  Een van de leiders van de synagoge, die Jaïrus heette, kwam naar hem toe, en toen hij Jezus zag viel hij aan zijn voeten neer. 23  Hij smeekte hem dringend: ‘Mijn dochter ligt op sterven; kom haar de handen opleggen om haar te redden en te zorgen dat ze in leven blijft.’ 24  Hij ging met hem mee. Een grote menigte volgde hem en verdrong zich om hem heen. 25  Onder hen was ook een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. 26  Ze had veel ellende doorgemaakt door de behandeling van allerlei artsen, aan wie ze haar hele vermogen had uitgegeven zonder dat ze ergens baat bij had gehad; integendeel, ze was alleen maar achteruitgegaan. 27  Ze had gehoord over Jezus, en ze begaf zich tussen de menigte en raakte zijn bovenkleed van achteren aan, 28  want ze dacht: Als ik alleen zijn kleren maar kan aanraken, zal ik al gered worden. 29  En meteen hield het bloed op te vloeien en merkte ze aan haar lichaam dat ze voorgoed van de kwaal genezen was. 30  Op hetzelfde ogenblik werd Jezus zich ervan bewust dat er kracht uit hem was weggestroomd. Midden in de menigte draaide hij zich om en vroeg: ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ 31  Zijn leerlingen zeiden tegen hem: ‘U ziet dat de menigte zich om u verdringt en dan vraagt u: “Wie heeft mij aangeraakt?”’ 32  Maar hij keek om zich heen om te zien wie het gedaan had. 33  De vrouw, die bang was geworden en stond te trillen omdat ze wist wat er met haar was gebeurd, kwam naar hem toe en viel voor hem neer en vertelde hem de hele waarheid. 34  Toen zei hij tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees genezen van uw kwaal.’ 35 ¶  Nog voor hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’ 36  Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de leider van de synagoge: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ 37  Hij stond niemand toe om met hem mee te gaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. 38  Ze kwamen bij het huis van de leider van de synagoge en zagen daar een groep mensen die luid stonden te huilen en te weeklagen. 39  Hij ging naar binnen en zei tegen hen: ‘Waarom maken jullie zo’n misbaar en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, het slaapt.’ 40  Ze lachten hem uit. Maar hij stuurde hen allemaal naar buiten en ging met de vader en moeder van het kind en de leerlingen die bij hem waren de kamer van het kind  binnen. 41  Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: ‘Talita koem!’ In onze taal betekent dat: ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’ 42  Meteen stond het meisje op en begon heen en weer te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen was met stomheid geslagen. 43  Hij drukte hun op het hart dat niemand dit te weten mocht komen, en zei dat ze haar te eten moesten geven. (NBV)

De meeste mannelijke theologen knippen het verhaal van vandaag in twee stukken, als of er twee verhalen staan. Mannen kunnen namelijk niet zoveel met de menstruatie van vrouwen. Vrouwelijke seksualiteit is al helemaal iets waar mannen niet zoveel mee kunnen. Eeuwenlang hebben ze zelfs gedacht dat de Bijbel vrouwen het hebben van hun eigen seksualiteit verbood. Dat staat wel nergens maar het ontslaat mannen van een heleboel verantwoordelijkheid. De vrouw uit dit eerste deel van het verhaal is daar een mooi voorbeeld van. Als een vrouw menstrueert moet je haar respecteren en met rust laten staat er in de leer die Mozes ooit aan het volk had gegeven. In het bloed zetelt het leven en als een vrouw bloed verliest dan moet je voorzichtig zijn. Op zich helemaal niet van die onverstandige adviezen maar je gaat nu eenmaal ook niet aan vrouwen vragen of ze misschien wel of niet menstrueren. Daarom was de regel ontstaan om vrouwen helemaal maar niet meer aan te raken. De Islam heeft die regel later overgenomen. Die regel had wel tot gevolg dat de vrouw uit dit verhaal een paria werd, tot de onaanraakbaren ging behoren. Geen arts kon haar genezen, nee die maandstonden horen nu eenmaal bij een vrouw. Alleen herkende ze in Jezus iets dat ze in niemand anders ooit gezien had. Hij zorgde dat mensen er weer bij konden horen.

Dus raakte zij hem aan, als dat taboe eenmaal doorbroken zou zijn moest het immers beter gaan. En het lukte ,Jezus stond midden in de menigte toe dat deze vrouw hem aanraakte, vloeiingen of niet, ze hoorde er bij, genezen en wel. Als wij overigens zo krampachtig blijven doen over vrouwelijke seksualiteit kunnen ze er ook dood aan gaan. En omgaan met vrouwelijke seksualiteit hebben mannen nog steeds niet geleerd. Daar waar vrouwen willen laten zien hoe mooi ze zijn schrikken mannen er van. Aan de andere kant zijn lust en begeerte ook zaken waar je aan kunt verdienen en voor het opwekken van lust en begeerte kun je vrouwen als voorwerpen gebruiken. Een discussie over bloot in reclame is daarom maar al te zinvol, maken we voorwerpen van onze zusters of mogen we ze als mens blijven bekijken. Maar bloot op zich, bloot op straat of strand, of bloot in de kunst, daar is niets tegen, daarbij gaat het altijd om mensen die net zo mooi zijn als wijzelf, ieder mens is immers even mooi. Al die angst voor vrouwelijke seksualiteit kan ook dodelijk zijn voor vrouwen. Dat is het verhaal van het dochterje van Jaïrus, de leider van de synagoge. Dat verhaal over dat dochtertje wordt altijd zo gelezen dat het net leek dat het meisje gestorven was toen Jezus kwam. Hij wekte de dode weer tot leven.

Maar dat verhaal staat dus niet in de Bijbel. Het verhaal gaat over een vader, een meisje van 12 en een vrouw die aan bloedvloeiingen leed. Die vrouw was tot de onaanraakbaren gaan horen en Jezus had haar daarvan genezen. Als vader ben je als de dood dat je dochtertje ook zoiets overkomt. Zeker als ze op het punt staat een jonge vrouw te worden kan de angst ernstig toeslaan. Wat kan een meisje vandaag de dag allemaal wel niet overkomen. Het is het een of het ander, ze wordt verkracht of onaanraakbaar. Voor beide zou je ze willen behoeden, ze moet maar kind  blijven. Meisjes kunnen onbewust hieraan tegemoet gaan komen. Ze gaan dan aan ernstige eetstoornissen leiden die uiteindelijk ook de dood tot gevolg kunnen hebben. Jezus van Nazareth reikt het meisje de hand en nodigt haar uit op te staan. Ze mag er bij horen, ze mag jonge vrouw worden, ze mag aangeraakt en gerespecteerd worden. De volwassenen om haar heen mogen haar ook leren hoe mensen met elkaar en met haar om horen te gaan, daar mag je dus ook open en eerlijk over praten, een meisje mag zich leren wapenen tegen de onzekerheid die haar aantrekkingskracht met zich meebrengt. Uiteindelijk nodigt Jezus van Nazareth uit de eetstoornis te overwinnen, geef haar te eten is zijn laatste opdracht. We moeten durven geloven dat het dochtertje van Jaïrus dus niet dood was maar sliep en niet uit de dood hoefde te worden opgewekt maar mocht gaan vloeien net als die vrouw die vloeide en er toch mocht bijhoren.

Iedereen stond verbaasd

zaterdag, 13 juni, 2015

Marcus 5:1-20

1 ¶  Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen. 2  Toen hij uit de boot gestapt was, kwam hem meteen vanuit de grafspelonken een man tegemoet die door een onreine geest bezeten was 3  en in de spelonken woonde. Zelfs als hij vastgebonden was met een ketting kon niemand hem in bedwang houden. 4  Hij was al dikwijls aan handen en voeten geketend geweest, maar dan trok hij de kettingen los en sloeg hij de boeien stuk, en niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen. 5  En altijd, dag en nacht, liep hij schreeuwend tussen de rotsgraven en door de bergen en sloeg hij zichzelf met stenen. 6  Toen hij Jezus in de verte zag, rende hij op hem af en viel voor hem neer, 7  en luid schreeuwend zei hij: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer je bij God: doe me geen pijn!’ 8  Want hij had tegen hem gezegd: ‘Onreine geest, ga weg uit die man.’ 9  Jezus vroeg hem: ‘Wat is je naam?’ En hij antwoordde: ‘Legioen is mijn naam, want we zijn met velen.’ 10  Hij smeekte hem dringend om hen niet uit deze streek te verjagen. 11  Nu liep er op de berghelling een grote kudde varkens te grazen. 12  De onreine geesten smeekten hem: ‘Stuur ons naar die varkens, dan kunnen we bij ze intrekken.’ 13  Hij stond hun dat toe. Toen de onreine geesten de man verlaten hadden, trokken ze in de varkens, en de kudde van wel tweeduizend stuks stormde de steile helling af, het meer in, en verdronk in het water. 14  De varkenshoeders sloegen op de vlucht en vertelden in de stad en in de dorpen wat ze hadden meegemaakt, en de mensen gingen kijken wat er was gebeurd. 15  Ze kwamen bij Jezus en zagen de bezetene daar zitten, gekleed en bij zijn volle verstand, dezelfde man die altijd bezeten was geweest door het legioen, en ze werden door schrik bevangen. 16  Degenen die alles gezien hadden, legden uit wat er met de bezetene en met de varkens was gebeurd. 17  Daarop drongen de mensen er bij Jezus op aan om hun gebied te verlaten. 18  Toen hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest om bij hem te mogen blijven. 19  Dat stond hij hem niet toe, maar hij zei tegen hem: ‘Ga naar huis, naar uw eigen mensen, en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan en hoe hij zich over u heeft ontfermd.’ 20  De man ging weg en maakte in Dekapolis bekend wat Jezus voor hem had gedaan, en iedereen stond verbaasd. (NBV)

Psychiaters kennen de verschijnselen wel die beschreven worden in het verhaal dat we vandaag lezen. De oorzaken kunnen vele zijn. Niet alleen psychische oorzaken overigens, maar ook lichamelijke oorzaken, beschadigingen aan de hersens, kunnen het gedrag van zelfverminking, wanen en uitzonderlijke woede veroorzaken. Maar ook psychische oorzaken. Angst ligt er dan vaak aan ten grondslag. Angst veroorzaakt door ervaringen in het verleden of angst die schijnbaar onverklaarbaar in de loop van de jaren is gegroeid. En als mensen angst hebben voor andere mensen worden die andere mensen ook bang voor hen. Het boze in de man uit het verhaal van vandaag vraagt om hem geen pijn te doen. Marcus spreekt van kettingen die hem niet konden houden en vastgebonden zijn met kettingen is meestal niet pijnloos.

Jezus van Nazareth is niet bang voor de man maar gaat met hem in gesprek. En dat gesprek brengt de man genezing. De oploop die het veroorzaakt brengt nog wel een kudde varkens op hol die van de rotsen storten. Een prachtig beeld voor mensen van Israel. Varkens zijn immers onrein en mogen niet gegeten worden. Het onreine stort zichzelf van de rotsen in dit verhaal. Voor de mensen uit het 10 stedengebied, aan de overkant van de Jordaan en dus eigenlijk buiten Israel,  betekende het een verlies aan inkomsten en bezit. Jezus van Nazareth zorgt dat zelfs deze vreemdeling weer mee kan doen met zijn eigen gemeenschap maar dat heeft dus een prijs. Dat een plaats geven in de gemeenschap lezen we niet voor het eerst, dat is steeds bij zieken en zwakken het geval.  Jezus van Nazareth zorgt er voor dat mensen er weer bij gaan horen. Daar staan mensen verbaasd over, want wij sturen ze liever naar onherbergzame streken als het ons niet aanstaat, of we sluiten ze op in gevangenissen en vreemdelingenbewaring. Inrichtingen staan meestal ver buiten de stad.

Wij kennen ook de angst voor vreemdelingen en voor andere soorten van geloven. Die angst neemt toe als ons bestaan bedreigd lijkt te worden, in tijden van economische crisis dus. Die angst raakt niet in de eerste plaats de armen, die zijn de crisis gewend en weten hoe te overleven. Die angst voor vreemdelingen en bedreiging van het eigen bestaan raakt die mensen die arm dreigen te worden als ze hun baan verliezen of als hun huis ineens minder waard wordt. Die mensen zoeken bescherming, ze zoeken een sterke man die hen zal beschermen. Dat wordt dus altijd een politicus die stoere taal spreekt, die zich in harde bewoordingen tegen de bedreiging keert. Dat dat politici zijn die zelf bang zijn, laffe angsthazen meestal, omringd door beveiligers, ontgaat de mensen door de harde taal die ze uitslaan. Genezen van de angst is ondenkbaar voor hen alleen het “weg met de vreemdelingen” kennen ze, toch is die genezing van de angst de weg van Jezus van Nazareth. Als we bereid zijn te delen met elkaar en met elkaar in gesprek te gaan hoeven we niet bang te zijn, niet voor vreemdelingen, niet voor armoede. Laat de mensen zich dus verbazen over jou vandaag.

Waarom hebben jullie zo weinig moed

vrijdag, 12 juni, 2015

Marcus 4:35-41

35 ¶  Aan het eind van die dag, toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: ‘Laten we het meer oversteken.’ 36  Ze stuurden de menigte weg en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op. 37  Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. 38  Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: ‘Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?’ 39  Toen hij wakker geworden was, sprak hij de wind bestraffend toe en zei tegen het meer: ‘Zwijg! Wees stil!’ De wind ging liggen en het meer kwam helemaal tot rust. 40  Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?’ 41  Ze werden bevangen door grote schrik en zeiden tegen elkaar: ‘Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?’(NBV)

Vliegt de blauwvoet, storm op zee. Het was de strijdkreet van de Vlamingen die zich verzetten tegen de overheersing door Franse edelen. Ze gebruikten het bij de Gulden Sporenslag in 1302. Op 11 juli wordt de overwinning in die slag bij onze Vlaamse zuiderburen in België nog uitbundig gevierd. Het volk weet nog dat eenvoudige boeren en burgers gewapend met de gereedschappen die ze elke dag gebruikten, de dorsvlegel, de smidshamer en de slagersmessen, de edelen op hun paarden gewapend met zwaarden en lansen, beschermd door de nieuwste met zorg gemaakte harnassen, in de pan hakten. Dat storm op zee moest de vijand angst aanjagen want storm op zee is zeer beangstigend. We lezen dat bijvoorbeeld al  in psalm 107 en vandaag lezen we het in het verhaal dat Marcus over Jezus van Nazareth vertelde.

Het gaat in de verhalen die we dezer dagen uit het Evangelie naar Marcus lezen over durf en kracht, eerst het mosterdzaadje en nu de storm. Mensen die de Bijbel moeten uitleggen zitten nog vaak met de vraag waarom Jezus van Nazareth in dit verhaal eigenlijk ging slapen. Dat hij de wind en de golven kon stillen zou hij wel geweten hebben, maar als hij wakker zou zijn gebleven zouden zijn volgelingen niet zo angstig geworden zijn. En daar zit wellicht de sleutel van het verhaal. Het gaat niet om het stillen van de storm maar om het vertrouwen op de goede afloop. Minister president Colijn wordt nog wel eens verweten dat hij in 1939 tegen het volk zei dat ze rustig konden gaan slapen omdat de regering over hun veiligheid waakte. Dat volk had zich beter kunnen voorbereiden op het verzet dat na 1940 nodig zou zijn. Maar is zo’n storm nu een aanleiding om bang te worden? Als alle voorzorgen zijn genomen kun je je beter richten op het overleven.

Een paar jaar geleden ging onze aandacht uit naar de slachtoffers van de orkaan Katrina in New Orleans. Daar bleek dat bij de voorzorgen tegen de storm de armen vergeten waren. En toen de storm eenmaal voorbij was waren het weer de armsten die het langst op hulp moesten wachten, zelfs vandaag wachten de armsten nog op de mogelijkheid terug te keren.  Als je leeft in de geest van Jezus van Nazareth dan gebeurt je zoiets niet. Dan zijn de armen en de zwaksten je eerste zorg, maar dan weet je ook dat je geen angst hoeft te hebben, want de onbaatzuchtige liefde van Jezus van Nazareth hield het ook uit door de dood heen. Dat kan ook voor ons gelden, met een geloof zo groot als een beukenootje lazen we nog deze week. Nu weer, door de zwaarste storm heen kunnen we elkaar vasthouden en dat kan onze redding zijn. Ook in tijden van economische en financiële crisis. Als we werkelijk bereid zijn met elkaar te delen, voor elkaar in te staan en samen te doen dan kan geen crisis ons overwinnen, dan is geen storm groot genoeg om ons er onder te krijgen, alleen als je slechts voor jezelf denkt te kunnen zorgen ga je ten onder.

Wie onrecht doen, worden verstrooid

donderdag, 11 juni, 2015

Psalm 92

1 ¶  Een psalm, een lied voor de sabbat.  2 Het is goed de HEER te loven,  uw naam te bezingen, Allerhoogste, 3 in de morgen te getuigen van uw liefde en in de nacht van uw trouw, 4 bij de klank van de tiensnarige harp en bij het ruisend spel op de lier. 5 U verheugt mij, HEER, met uw daden, ik juich om wat uw hand verricht. 6 Hoe groot zijn uw daden, HEER, hoe peilloos diep uw gedachten. 7 Het dringt tot de dommen niet door en dwazen kunnen het niet vatten:  8 dat de wettelozen als onkruid gedijen en de onrechtvaardigen bloeien alleen om te worden verdelgd, voor altijd. 9 U, HEER, bent eeuwig verheven, 10 maar uw vijanden, HEER,  uw vijanden gaan te gronde en wie onrecht doen, worden verstrooid. 11 U geeft mij de kracht van een wilde stier, met pure olie ben ik overgoten. 12 Mijn oog ziet op mijn aanvallers neer, mijn oor hoort de angstkreet van mijn belagers. 13 De rechtvaardigen groeien op als een palm, als een ceder van de Libanon rijzen zij omhoog. 14 Ze staan geplant in het huis van de HEER, in de voorhoven van onze God groeien zij op. 15 Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn en blijven krachtig en fris. 16 Zo getuigen zij dat de HEER recht doet, mijn rots, in wie geen onrecht is. (NBV)

Eén maal per jaar is het in heel veel kerken Vredeszondag. Meestal in september, zodat je in het winterseizoen weer weet waar je aan kan werken. En op die zondag zingen we het loflied voor de Ene, aan wie alle valsheid vreemd is zoals de Psalm besluit. In deze Psalm gaat het ook over het onkruid dat gedijt zonder dat het door heeft dat dat gedijen het vernietigen vereenvoudigd. Zoals Harry Mulisch dat eens op TV opmerkte, alles loopt slecht af, maar ook met het slechte loopt het slecht af, Hitler heeft uiteindelijk niet gewonnen, integendeel. En zo is het natuurlijk. Als wij mensen iets opzetten of beginnen hoeven we niet te verwachten dat het uiteindelijk ideaal wordt. Ideaal zoals we in het lied van de schepping uit Genesis 1 hebben gelezen: “God zag dat het goed was”.

We horen het aan politici, andere oplossingen als bombarderen met dure vliegtuigen of soldaten sturen hebben ze niet. Dictators aanspreken op het onrecht dat ze doen is ze onbekend, liever handelen we met ie dictators, ze geven immers orde en rust door hun volk te onderdrukken Een thema van de Vredesweek was “De ander dat ben jij”, om ons op te roepen ons aan de woorden van Deuteronomium te houden en actief te worden in het integreren van de vreemdelingen in onze samenleving. Dat moeten we niet aan de vreemdelingen over laten, dat moeten we zelf gaan doen. Pas dan kunnen we de vrede bewaren. Sommige Politieke Partijen hebben dat door. Ze zetten Nederlanders van buitenlandse afkomst op verkiesbare plaatsen. Het parlement is daardoor een afspiegeling worden van de bevolking.

Maar is dat ideaal? Zeker niet. Onze Nederlandse vrienden van Turkse afkomst hebben een probleem en wij dus ook. In 1915 is er volkenmoord op Armeniërs gepleegd. Erkenning daarvan zou vrede kunnen brengen in de regio. De Turkse overheid was tenminste verantwoordelijk voor de bescherming van de Armeniërs en wordt daarom ook verantwoordelijk gehouden voor de volkenmoord. Dat is in Turkije een belediging en wie dit durft te zeggen loopt kans op gevangenisstraf. We moeten dus nog heel veel en heel lang in gesprek om werkelijk samen te kunnen leven. En we moeten ons gaan verdiepen in de geschiedenis van Armeniërs, hoe ver ze ook van ons vandaan wonen en hoe lang geleden het ook is, ze blijken ons vandaag nog aan te gaan. De ander ben je dus inderdaad zelf.