Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2015

Ook de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen

zaterdag, 21 maart, 2015

Jozua 8:30-35

30 ¶ Hierna bouwde Jozua op de Ebal een altaar voor de HEER, de God van Israël, 31 zoals Mozes, de dienaar van de HEER, het volk van Israël had opgedragen. Hij bouwde het altaar volgens de voorschriften van Mozes: een altaar van ruwe stenen, die niet met ijzeren gereedschap bewerkt waren. De Israëlieten brachten daarop brandoffers en vredeoffers voor de HEER. 32 Jozua maakte op stenen een afschrift van de wet die Mozes in aanwezigheid van het volk had opgeschreven. 33 Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen, 34 en daarna las hij heel diens wetboek voor, woord voor woord, ook alle zegeningen en vervloekingen die in dat boek zijn opgeschreven. 35 Er was geen voorschrift van Mozes dat Jozua niet voorlas aan de Israëlieten, die daar allemaal bijeengekomen waren. Ook de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden waren daar aanwezig. (NBV)

Zo kwam het land in het bezit van Israël, de God van Israël had gegeven, het volk had genomen. Nu komt de vraag of het volk ook had ontvangen. Het boek Jozua is geen geschiedenisboek. Jozua wordt door het volk Israël bij de profeten gerekend en profeten houden het volk bij de Tora, de leer van Mozes. In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap wordt nog steeds de vertaalfout herhaald die gemaakt is toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald, een fout die herhaald werd toen die Griekse Bijbelvertaling in het Latijn werd vertaald. Voor het Hebreeuwse woord “Dabar” werd toen “Wet” ingevuld, maar wie een modern woordenboek Bijbels Hebreeuws raadpleegt leest voor “Dabar” woord, zaak of ding. De “Wet” van Mozes, moeten we dus lezen als het onderricht van Mozes. Het verhaal van Jozua lijkt dus meer op een preek in een kerkdienst dan op een geschiedenisboek van Simon Schrama.

Er zijn dus twee manieren waarop het land werd gegeven en genomen. Een geweldloze manier zoals over Jericho wordt verteld, en een geweldadige manier zoals over Ai wordt verteld. Wij kiezen in onze dagen voor de manier waarop Jericho werd ingenomen, we verafschuwen een verhaal als over Ai wordt verteld. Op zich is die keus een volstrekt Bijbelse keus, wie denkt dat de Hebreeuwse Bijbel een boek vol bloederige verhalen is waar we niks meer mee kunnen leest die eerste Bijbel als een boek van Simon Schrama. Tussen de verhalen over Jericho en Ai staat het verhaal over Achan en over de hebzucht die er in het volk aanwezig was. De boodschap is dus dat als je hebzucht blijft tolereren je gedwongen wordt om bloedig geweld te gaan gebruiken tegen je vijanden. Zo zullen we ook naar Bankdirecteuren moeten kijken die zich met extreem hoge bonussen laten belonen. Spaarders en hypotheekgevers zullen daar op enig moment weer het slachtoffer van worden.

Het wordt dus tijd om het onderricht van Mozes weer te laten spreken. De boeken met die leer besluiten met de oproep die leer dag en nacht ter harte te nemen en het volk van Israël geeft in het gedeelte van vandaag daar een voorbeeld van. Er wordt een altaar opgericht waarop vrede offers gebracht kunnen worden. Als je samen eet dan moet er wel vrede komen. Daarom geen altaren van pracht en praal, waar afstand geschapen wordt tussen gewone mensen en de buitengewone God en zijn vertegenwoordigers, maar altaren van bruikbare stenen die verder onbewerkt blijven. Op die altaren geen fraaie afbeeldingen van de macht van de God waaraan geofferd wordt, maar in steen gebeiteld de leer van Mozes zoals die de leer van God had ontvangen. Rond die altaren de bestuurders van de samenleving, stamoudsten, groepsvertegenwoordigers, de Priesters en Levieten. Daarachter het leger en daarachter de rest. Een rest die wij ter harte moeten nemen. Vrouwen en kinderen spreken vanzelf, maar waarom worden die vreemdelingen hier zo uitdrukkelijk genoemd? Rachab en haar familie kennen we, maar er moeten er dus veel meer geweest zijn die tot het volk werden gerekend, zonder Israëlieten geworden te zijn. Zo zullen wij in woord en daad ook de leer van Mozes, de leer van de God van Israël in woord en daad moeten onderwijzen. Ook door de vreemdelingen als horend bij ons volk te beschouwen. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw.

 

De inwoners van Ai zweepten elkaar op

vrijdag, 20 maart, 2015

Jozua 8:13b-29

13b De nacht daarop trok Jozua met het leger het dal door. 14 Toen de koning van Ai hen zag naderen, rukte hij onmiddellijk met al zijn mannen uit om Israël aan te vallen. Hij trok regelrecht naar het terrein dat uitziet op de Jordaanvallei. Hij wist echter niet dat zich achter de stad een troepenmacht schuilhield. 15 Jozua liet zich met heel Israël terugdringen. Ze sloegen op de vlucht in de richting van de woestijn, 16 en de inwoners van Ai zweepten elkaar op om hen na te jagen, maar door achter hen aan te gaan werden ze van de stad weggelokt. 17 Er bleef in Ai en Betel niet één man over die niet achter Israël aan ging, maar door de achtervolging in te zetten lieten ze de stad onbeschermd achter. 18 Toen zei de HEER tegen Jozua: ‘Strek je zwaard uit naar Ai, want ik geef je de stad in handen.’ Jozua strekte zijn zwaard uit naar Ai, 19 en op dat teken kwam de achterhoede onmiddellijk te voorschijn, stormde de stad binnen, nam haar in en stak haar in brand. 20 Toen de soldaten van Ai omkeken en zagen dat er uit de stad rook opsteeg, stonden ze zo verlamd van schrik dat ze niet in staat waren om nog te vluchten. Ook werden ze nu bestookt door het leger van Israël, dat niet langer naar de woestijn vluchtte. 21 Want toen Jozua en het leger zagen dat de achterhoede de stad had ingenomen en dat er rook uit opsteeg, keerden ze om en vielen het leger van Ai aan. 22 Tegelijkertijd werd het vanuit de stad door de achterhoede aangevallen, zodat het door de Israëlieten was omsingeld. Israël doodde de soldaten van Ai tot er niemand meer over was, 23 ¶ maar de koning van Ai namen ze levend gevangen en ze brachten hem naar Jozua. 24 Zo doodde Israël alle soldaten van Ai op de akkers en in de woestijn waar ze Israël hadden achtervolgd; ze werden omgebracht tot de laatste man. Daarna ging Israël opnieuw naar Ai en doodde het de rest van de bevolking. 25 Er stierven op die dag twaalfduizend mannen en vrouwen uit Ai, 26 want Jozua hield zijn zwaard uitgestrekt totdat alle inwoners van Ai waren gedood. 27 Maar het vee en de goederen van die stad maakte Israël voor zichzelf buit, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. 28 Jozua liet Ai in vlammen opgaan en maakte die stad voor eeuwig tot een ruïne. Deze is daar tot op de dag van vandaag. 29 De koning van Ai hing hij op aan een boom en hij liet hem hangen tot de avond. Pas bij zonsondergang gaf Jozua bevel het lijk van de boom te halen en het in de stadspoort neer te gooien. Daar bedolven ze hem onder een grote hoop stenen, en die is er tot op de dag van vandaag. (NBV)

Had dat niet anders gekund? Twaalf keer duizend mensen doden op één dag? Dat getal roept bij ons als het goed is afkeer en walging op. Maar twaalf keer duizend is in de Bijbel ook een symbolisch getal. Je kunt er uit lezen dat de bevolking van Ai op den duur niet meer als zelfstandig volk te kennen was. Ze waren opgegaan in Israël of Kanaän. Alleen een steenhoop, een puinhoop bleef over. Daaronder lag de Koning van Ai en een volk, een stam een stad was immers in Kanaän kenbaar aan de koning. Dat hadden alle volken. Allen Israël had niet zo’n Koning. Israël had een militair leider, Jozua, maar die handelde in opdracht van zijn God. Had het echt niet anders gekund? Was de verwoesting van Jericho niet voldoende geweest? Ai had immers ook al een keer van Israël gewonnen, toen had Israël de strijders van Ai onderschat en waren ze gedreven door hebzucht, dat had tot verlies geleid.

Het verhaal over Ai vertelt ons dus dat hebzucht tot verlies leidt. Verlies van Israël in de oorlog met Ai, verlies van Ai als ze niet de akkers, het land dat overvloeit van melk en honing, willen delen met dat volk van woestijnzwervers. Na Jericho waren ze bang geweest. Heel Kanaän was vervuld geweest van angst had Rachab aan Israël bevestigd. Maar door de eerste overwinning waren ze overmoedig geworden. Het is een verhaal dat zich vele malen in de menselijke geschiedenis heeft herhaald. Onderschatting, hebzucht, overschatting van eigen mogelijkheden, arrogantie, het klinkt altijd weer door in de verdediging en de beschrijving van menselijke oorlogen. Of het nu de oorlog in Vietnam was, de oorlogen om Koewijt en Irak of de huidige oorlog in Syrië en de oorlog tegen IS.

In onze moderne samenleving proberen we dit soort conflicten soms ook te beslechten met onderhandelingen. Die komen op gang als beide partijen geen belang denken te hebben bij een oorlog. Of ze zijn te bang voor elkaar, of ze wegen de sympatie die met onderhandelen tegenwoordig te verwerven is af tegen het leed dat elke oorlog kost. Soms staan we verbaasd over de weigeringen om te onderhandelen. Toen in 1948 de Algemene Vergadering instemde met een voorstel om het mandaatgebied Palestina te delen tussen de Joden en de Palestijnen hadden velen onderhandelingen verwacht. Die kwamen er niet, er werd een Joodse staat opgericht die in een oorlog haar grenzen vaststelde. Maar toen Palestijnen eindelijk accoord gingen met het idee van twee staten in vrede naast elkaar, weigerde Israël nog steeds echt te onderhandelen, ze weigeren het nu opnieuw. De geschiedenis van Ai dreigt zich voortdurend te herhalen. Aan ons de oproep van Jezus van Nazareth om zelfs je vijanden desnoods lief te hebben. Met die oproep zullen we volken moeten benaderen. Elke dag mogen gelukkig onze eigen regering daartoe oproepen, ook vandaag weer.

Laat je door niets ontmoedigen.

donderdag, 19 maart, 2015

Jozua 8:1-13a

1 ¶ De HEER zei tegen Jozua: ‘Maak je gereed om met het voltallige leger tegen Ai ten strijde te trekken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen. Ik lever de koning van Ai met heel zijn leger, heel zijn stad en heel zijn gebied aan je uit. 2 Doe met Ai en de koning hetzelfde als wat je met Jericho en de koning hebt gedaan. Maar nu mogen jullie de goederen en het vee voor jezelf buitmaken. Laat een troepenmacht zich verdekt achter de stad opstellen.’ 3 ¶ Jozua en het leger maakten zich toen gereed om tegen Ai ten strijde te trekken. Jozua koos dertigduizend soldaten uit, die hij ‘s nachts naar Ai stuurde. 4 ‘Stel je verdekt op achter de stad, ‘beval hij hun, ‘maar niet al te ver ervandaan. Blijf paraat. 5 Wanneer ik met het leger de stad nader, zullen ze net als de vorige keer op ons afkomen. Dan slaan we voor hen op de vlucht. 6 Ze denken dan natuurlijk dat we net als de vorige keer echt vluchten en zullen ons achterna komen. We vluchten net zo lang tot we ze van de stad hebben weggelokt. 7 Dan moeten jullie te voorschijn komen en haar innemen. De HEER, jullie God, zal jullie de stad in handen geven. 8 Dus neem haar in en steek haar in brand, zoals de HEER heeft opgedragen. Dit zijn jullie orders.’ 9 Hierna liet Jozua de mannen vertrekken, die zich ten westen van Ai, tussen Ai en Betel, verdekt opstelden. Jozua zelf sliep die nacht bij het leger. 10 De volgende ochtend vroeg inspecteerde Jozua het leger. Daarna trok hij samen met de oudsten van Israël aan het hoofd van het leger ten strijde naar Ai. 11 Al het krijgsvolk rukte met hem op, en toen ze in de omgeving van Ai waren gekomen, sloegen ze hun kamp op ten noorden van de stad. Ze werden alleen van haar gescheiden door een dal. 12 Verder liet Jozua ongeveer vijfduizend man zich ten westen van de stad, tussen Ai en Betel, verdekt opstellen. 13 Daar bevond zich dus de achterhoede van het leger, terwijl het leger zelf zijn kamp ten noorden van Ai had opgeslagen. (NBV)

Waar de besmetting met hebzucht toe kan leiden beginnen we vandaag te lezen. Het is een bekend verhaal, knappe generaals verzinnen listen om de overwinning te behalen en het overwinnende leger gaat dan plunderen. Dit keer mag het van God. De knappe listen waarmee Jozua op de proppen komt worden toegeschreven aan de God van Israël. Dezelfde God die het volk had geboden niet te doden, dezelfde God die bij Jericho het volk een geweldloze overwinning had geschonken. Het volk had dit zich niet eigen gemaakt. De zucht naar goud en goederen was sterker geweest dan de liefde voor de God van Israël. Toch laat die God niet af met dat wat hij begonnen is, het land te schenken aan het volk dat hij gekozen heeft om zijn Naam groot te maken onder de volken.

Nu is van achteren aanvallen een gemene truc. Israël had in de woestijn de Amelekieten ontmoet die de woestijnzwervers geen water en doortocht hadden verleend maar integendeel hen in de rug hadden aangevallen. De Amelekieten hadden daarmee een eeuwige haat van Israël over zich afgeroepen. Amelekiet was het scheldwoord geworden waarmee iedereen werd aangeduid die het volk kwaad had willen doen en in de Bijbel vind je daarvan de sporen terug in bijna elk verhaal dat over strijd ging. Niet in het verhaal van vandaag, in de strijd tegen Ai is het God zelf die het volk opdraagt om zich verdekt op te stellen achter de stad. Het is een strategie geworden die in talloze oorlogen is herhaald. Lok de tegenpartij weg bij de plaats die ze wil verdedigen en sla dan toe met troepen die je verdekt hebt opgesteld.

Jozua zorgt er voor dat er voor het leger van Ai geen ontsnappen mogelijk is. Maar wat moeten we met dit verhaal. Uit alle volken in de wereld en uit elke geschiedenis sinds mensenheugenis vallen dergelijke verhalen te vertellen. Het innemen van Jericho spreekt ons vandaag de dag meer aan. We herdenken de mars van Martin Luther King in Selma. De macht van de demonstranten daar lag juist in hun geweldloosheid. Tegelijk herinneren we de tocht die Gandi maakte dwars door India om de zoutbelasting te ontlopen, ook hij werd machtig door zijn geweldloosheid. Het inzetten van legers, het verzinnen van listen om de ander in de val te lokken brengt slechts leed en ellende. Dat de bevolking van Ai dat land dat overvloeide van melk en honing niet wilde delen had tot gevolg dat ze er aan zouden sterven, maar dat een volk van de God van Israël zoveel leed zou moeten veroorzaken valt ons telkens weer tegen. Misschien dat die verhalen daarom worden verteld, om ons te leren afschuw te krijgen van al dat militarisme en op zoek te gaan naar geweldloze wegen om maatschappelijke conflicten op te losse

Een prachtige mantel uit Sinear

woensdag, 18 maart, 2015

Jozua 7:16-26

16 ¶ De volgende ochtend vroeg liet Jozua Israël aantreden volgens de stammen en de stam Juda werd aangewezen. 17 Daarna liet Jozua de stam Juda aantreden en de HEER wees het geslacht van Zerach aan. Daarna liet Jozua van het geslacht van Zerach de familiehoofden aantreden en Zabdi werd aangewezen. 18 En van diens familie liet Jozua de mannen aantreden en Achan werd aangewezen: een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en afkomstig uit de stam Juda. 19 Jozua zei tegen hem: ‘Kom, Achan, eerbiedig de HEER, de God van Israël, en leg voor hem een bekentenis af. Zeg me wat je hebt gedaan. Houd het niet voor me verborgen.’ 20 Achan antwoordde: ‘Ik beken dat ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël. Dit is wat ik heb gedaan: 21 Ik zag dat er onder de buit een prachtige mantel uit Sinear was en tweehonderd sjekel zilver en een goudstaaf die wel vijftig sjekel woog. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en heb het gestolen. Het ligt allemaal in mijn tent onder de grond verborgen. Het zilver ligt onder de mantel.’ 22 Jozua stuurde een paar mannen, die snel naar de tent gingen en daar de mantel vonden, met het zilver eronder. 23 Ze namen het allemaal mee uit de tent, brachten het naar Jozua en de Israëlieten en spreidden het voor de ark van de HEER uit op de grond. 24 Hierna brachten Jozua en de Israëlieten Achan, de nakomeling van Zerach, naar het Achordal, samen met het zilver, de mantel en de goudstaaf, en met zijn zonen en dochters, runderen en ezels, schapen en geiten en zijn tent-kortom, met alles wat hij bezat. 25 Jozua zei: ‘Jij hebt ons in het ongeluk gestort! Daarom zal de HEER jou vandaag in het ongeluk storten.’ Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. 26 Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER. Deze steenhoop is er tot op de dag van vandaag en deze plaats wordt het Achordal genoemd, tot op de dag van vandaag.(NBV)

Goud en goed hebben altijd al een bijzondere aantrekkingskracht gehad. De Grieken hadden er zelfs een eigen God voor, de Mammon. Mensen die afzien van het verwerven en nastreven van geld en goed zijn door de eeuwen heen als bijzondere mensen apart gezet. Ze worden overigens niet altijd gewaardeerd overigens. Toen Franciscus van Assisi zijn kostbare kleren uit trok en naar zijn vader wierp moest hij blootsvoets de stad uit vluchten. De zucht naar geld en goed is ons mensen dus in het geheel niet vreemd. Maar in de Bijbel wordt ons verteld dat alle bezit, alle goederen die te bezitten zijn, van de God van Israël afkomstig zijn. Wij mogen zaaien en oogsten en delven en van hetgeen we van en uit de aarde winnen producten maken waar we in kunnen handelen, wie het slimste is verdient daaraan het meeste, maar we moeten nooit vergeten dat we dat alles kunnen maken, verhandelen en verdienen omdat God het ons heeft gegeven. Ons bezit beschouwen we daarom als een lening en met die lening moeten we het goede doen en niet dan het goede.

 

Israël zou een bijzonder volk moeten zijn waaraan duidelijk zou worden wie de God van Israël eigenlijk wel was en wat die God voor alle volken op aarde zou kunnen betekenen. Het volgen van die God zou bijvoorbeeld vrede op aarde kunnen betekenen. Voor het voeren van oorlogen kunnen heel veel redenen worden gegeven. Maar ze komen allemaal op twee hoofdredenen neer, de ene partij wil meer bezitten als de andere, en de beide partijen willen niet met elkaar delen of de ene partij vindt zich beter dan de andere en wil dat die andere partij dat erkent en daarom aan de ene gehoorzaamt. Bezit en macht tekenen de verhoudingen tussen mensen in de wereld. Paulus schreef al eens ergens dat geld de wortel van alle kwaad is. Dat was voor hem niet iets nieuws maar dat had hij al uit het boek Jozua kunnen leren. De Tora had Israël opgeroepen alle ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen. En het streven naar bezit dat verboden was door de God van Israël was een directe belediging van die God en dus onduldbaar. Het ging weer om bezit, een kostbare mantel uit Sinear, wij kennen dat als Babel en goud en zilver. Die mantel is voor ons vreemd maar bedenk dan dat de Assyrische generaal Naäman voor zijn genezing tien van zulke mantels over had, een geweldige schat wordt het in de Bijbel genoemd.

De procedure die Jozua moet volgen komt ons nogal omslachtig voor. Eerst moeten de twaalf stammen aantreden en moet er gezocht worden naar de stam die de ongerechtigheid bevat. Dat blijkt Juda te zijn. Dan moeten van Juda alle families aantreden en moet daar de schuldige in gevonden worden. Uiteindelijk blijkt dat Achan te zijn die bekend en wordt veroordeeld nadat ook inderdaad het gestolene bij hem is gevonden. Het gaat dus wel heel zorgvuldig. Uiteraard moet Achan gestraft worden, dat gebeurd dan ook en ook in onze dagen ondervind het gezin van een crimineel daar de gevolgen van. Maar waarom die stammen en al die families van de betreffende stam? Het verhaal gaat er kennelijk van uit dat hebzucht besmettelijk is en dat een crimineel niet los staat van de maatschappelijke omgeving waarin de misdaad is gepleegd. In onze dagen dringt dat heel langzaam door. Meestal nog in negatieve zin, we speuren met de overheid naar misdadigers, we geven misdrijven aan als we ze tegenkomen. We zijn als samenleving nog niet zo ver dat we fundamenteel nadenken over het voorkomen van misdrijven. Dat werd in Israël wel gedaan. De idee dat alles een lening is die je moet delen met de armsten kan op zich hebzucht beteugelen en misdaden voorkomen. Daar kunnen wij nog hard aan werken. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Israël schond de ban

dinsdag, 17 maart, 2015

Jozua 7:1-15

1 ¶ Maar Israël schond de ban. Er was een zekere Achan: hij was een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en hij was afkomstig uit de stam Juda. Deze Achan vergreep zich aan de goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd waren. Hierop ontstak de HEER in woede tegen het volk van Israël. 2 Jozua stuurde een paar mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, ten oosten van Betel. Hij droeg hun op dat gebied te verkennen. De mannen verkenden Ai, 3 en toen ze teruggekomen waren rapporteerden ze aan Jozua: ‘U hoeft niet het hele leger naar Ai te laten uitrukken. Zo’n twee- of drieduizend man is voldoende om de stad te verslaan. Het is echt niet nodig dat u het hele leger met een veldtocht naar die stad vermoeit, want Ai heeft maar weinig inwoners.’ 4 Er gingen toen een drieduizend man. Maar ze werden op de vlucht gejaagd door het leger van Ai, 5 dat hen achtervolgde vanaf de poort tot op de helling even voorbij het ravijn. Daar doodde het zesendertig man. Toen sloeg de angst het volk om het hart en het werd radeloos. 6 ¶ Jozua en de oudsten van Israël scheurden hun kleren, wierpen zich voor de ark van de HEER ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Zo bleven ze tot de avond liggen. 7 Jozua riep uit: ‘Nee, HEER ! Nee, mijn God! Waarom hebt u dit volk eigenlijk de Jordaan laten overtrekken? Alleen om ons over te leveren aan de Amorieten en ons door hen te laten doden? Waren we maar zo verstandig geweest aan de overzijde van de Jordaan te blijven. 8 Ach Heer, wat kan ik anders zeggen nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht geslagen is? 9 Als de Kanaänieten en alle andere inwoners van dit land het horen, zullen ze ons van alle kanten aanvallen en onze naam van de aardbodem wegvagen. En hoe wilt u dan uw grote naam instandhouden?’ 10 ¶ De HEER sprak hierop tot Jozua: ‘Sta op! Wat lig je daar nu op de grond! 11 Israël heeft gezondigd. Ze hebben het gewaagd de regels van het verbond te overtreden die ik hun gegeven heb. Ze hebben zich vergrepen aan de goederen waarop mijn ban rustte. Ze hebben die gestolen, en dat ook nog eens proberen te verdoezelen door ze tussen hun eigen bezittingen te verbergen. 12 Daarom kan het volk van Israël niet standhouden tegen zijn vijanden. Het zal voor zijn vijanden op de vlucht slaan, omdat het nu zelf aan de vernietiging is prijsgegeven. Ik zal jullie niet meer bijstaan als jullie je niet van de gestolen goederen ontdoen. 13 Zorg ervoor dat het volk zich reinigt. Geef het volgende bevel: “Wees morgen rein, want dit zegt de HEER, de God van Israël: jullie hebben goederen in je bezit waarop mijn ban rust, Israëlieten. Jullie zullen niet kunnen standhouden tegen je vijanden totdat jullie die hebben weggedaan. 14 Treed morgenochtend aan volgens jullie stammen. De stam die de HEER aanwijst moet volgens de geslachten aantreden. En het geslacht dat de HEER aanwijst moet volgens de families aantreden. En van de familie die de HEER aanwijst moeten de mannen aantreden. (NBV)

Rond de Franse revolutie was er een filosoof die riep dat eigendom diefstal was. Hij wilde alle eigendom afschaffen. Nu wil de Bijbel zeker niet zo ver gaan maar diefstal is onrecht. Israël heeft het land Kanaän niet gekregen om zich op een gewelddadige manier te kunnen verrijken. Het land dat overvloeit van melk en honing zou een land van delen en gerechtigheid moeten worden. De verovering van Jericho zou model moeten staan voor de verovering van heel Kanaän. Het geweld ging niet van het volk uit. Het hele volk nam deel aan de ceremonie waarmee de stad veranderd werd in een puinhoop. En de belofte van leven aan hen die willen delen wordt gestand gedaan, Rachab en haar familie werden gered. Alle buit, het goud, het zilver, het koper en het brons waren voor de God van Israël. Het volk zou het land moeten bewerken en er op vertrouwen dat het land zoveel zou opbrengen dat ze er van zouden kunnen leven. Bij het Pesachmaal hadden ze daar al een eerste teken van gehad.

Nu kwam de volgende stap in de verovering van Kanaän. En nu bleek dat Israël het gebod uit Deuteronomium om de ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen niet nagekomen was. Er was een zekere Achan en die had zich vergrepen aan de goederen die voor de God van Israël bestemd waren. Had men op elkaar gelet? Had men elkaar geholpen om te leven naar de Tora? Heeft men de les van Jericho geleerd? Het lijkt er niet op. Opnieuw stuurt Jozua verspieders om het land te verkennen. Dat land laten ze links liggen, ze verkennen de stad Ai. Dat is geen grote machtige stad als Jericho was geweest. Dat zouden ze zelf wel even kunnen veroveren, daar had je niet het hele volk voor nodig, zelfs niet het hele leger. Maar het werd een smadelijke nederlaag. Nu het volk zich had gedragen als het volk van Kanaän, niet delen, geen gerechtigheid maar stelen en onrecht, was het gevolg hetzelfde, het volk sidderde van angst. Zou men net als Jericho omsingeld kunnen worden? Jozua roept de God van Israël aan die hem wijst op de ongerechtigheid en hem opdraagt te doen wat de Tora vraagt, de ongerechtigheid uit Israël te verwijderen. Stam voor stam, familie voor familie, man voor man.

Hebzucht regeert ook in onze dagen de samenleving. De kosten van de gezondheidszorg reizen de pan uit, maar de managers in de gezondheidszorg krijgen beloningen die ver uitstijgen boven de normen die in ons parlement aanvaardbaar worden geacht. Hetzelfde geld voor de managers bij de woningcorporaties, ook al wordt er geklaagd over een gebrek aan sociale huurwoningen. Hetzelfde geld voor bankdirecteuren, hoewel de banken nog steeds wankel zijn en gesteund moeten worden door de armen via hun belastingen. Hetzelfde geld voor de managers in het bedrijfsleven, die met elkaar zoveel verdienen dat met hun beloningen de werkloosheid zou kunnen worden opgeheven. De diefstal die op de maatschappelijke nood wordt gepleegd voorkomt in hoge mate dat onze maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost. De mensen die dikke rapporten schrijven waarin staat dat er flink bezuinigd moet worden om gezondheidszorg, veiligheid en arbeid betaalbaar te houden steken zelf onverantwoord grote bedragen in de zak om die rapporten te schrijven. Ook wij worden dus opgeroepen de ongerechtigheid uit onze samenleving te verwijderen. Anders wordt het bij ons net zo’n grote puinhoop als in Jericho. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw beginnen om er wat aan te veranderen, ook vandaag weer en zeker morgen.

Bij de zevende maal

maandag, 16 maart, 2015

Jozua 6:15-27

15 Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad, 16 en bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten klinken, riep Jozua tegen het volk: ‘Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! 17 ¶ Maar op de stad en alles wat erin is rust de ban van de HEER: ze is onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd en moet vernietigd worden. Alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. 18 Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad maar maak niets buit, zodat u niet Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijsgeeft en Israël in het ongeluk stort. 19 Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.’ 20 Toen de ramshoorns klonken, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in 21 en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels. 22 Maar Jozua zei tegen de twee mannen die het gebied hadden verkend: ‘Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen.’ 23 De verkenners brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en verdere familie. Kortom, ze brachten haar met al haar verwanten naar buiten en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. 24 De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was in vlammen opgaan; alleen het zilver en goud en de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het heiligdom van de HEER. 25 Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met iedereen die tot haar familie behoorde. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven. 26 Jozua liet het volk de volgende eed zweren: ‘Wij vervloeken ten overstaan van de HEER iedere man die het waagt deze stad, Jericho, weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poortdeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon.’ 27 En de HEER stond Jozua bij en zijn roem ging door het hele land. (NBV)

Heel lang moet de voormalige stad Jericho een puinhoop gebleven zijn. De Israëlieten vertelden hun kinderen graag het verhaal hoe die puinhoop ontstaan was. Aan die puinhoop was de macht van de God van Israël af te lezen. Toen het volk het land dat God hen gegeven had wilde innemen hadden de inwoners van Jericho de poorten gesloten gehouden, niemand kon er in of kon er uit. Maar de God van Israël had de stad in handen van Israël gegeven. Niet dat het volk er voor had moeten strijden. Ze waren er wel klaar voor, zelfs de mannen die aan de andere kant van de Jordaan konden wonen waren mee de Jordaan overgetrokken om samen als één volk het land dat God hen gegeven had ook in bezit te nemen. Maar Jozua had de aanvoerder van het leger van de Heer ontmoet. God zelf zou in het strijdperk treden voor Israël. Het volk mocht toeschouwer zijn. Zes dagen hadden ze de stad bekeken. In een grote optocht, voorop het leger, daarachter zeven Priesters die op de ramshoorn bliezen en dan de rest van het volk. Maar op de zevende dag gebeurde het.

Zes dagen had het volk gewerkt, de zevende dag was de dag van God. Op die dag was de macht van God pas echt te zien geweest. Zeven keer waren ze zwijgend rond de stad getrokken. Alleen het geluid van de ramshoorns was te horen geweest. Toen sprak Jozua, het was klaar, de stad was in handen van Israël, maar alle bezit, alle buit was voor de overwinnaar, de God van Israël. Het was tijd om te juichen, om werkelijk de stad binnen te gaan. En gejuicht werd er, de ramshoorns klonken weer en de muren van Jericho stortten in. Toen werd de stad een puinhoop. Niets bleef er over, de brand er in, dit was de stad die niets wilde toelaten, die met niets en niemand wilde delen. Alle buit werd naar die tent gebracht waar de Ark van het verbond haar plaats had. Waar de Priesters werkten en waar het volk haar God kon ontmoeten. Niet alleen het goud en het zilver, maar ook de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen werden naar die tent gebracht waar een speciale schatkamer was gebouwd.

Doet God zijn belofte gestand? Er was één inwoonster van Jericho geweest die erkend had dat het land Kanaän gegeven was aan het volk van Israël. Zij had ingezien dat haar redding zou liggen in de bereidheid dat land te delen met die woestijnzwervers. Nu waren de muren van de stad ingevallen. Maar één muurhuis was blijven staan. Daar hing een rood koord naar buiten. Daar was het bordeel van de hoer Rachab. Zij had al haar familie daar verzameld, de twee verspieders aan wie zij onderdak geboden had mochten haar nu uit de puinhoop halen. Die familie van Rachab had nog eeuwenlang in Israël gewoond, ze konden worden aangewezen als nakomelingen van Rachab. Daardoor waren ze levende monumenten geworen van de trouw van de God van Israël. In het kamp bij de overtocht door de Jordaan waren er stenen opgericht om die bijzondere gebeurtenis te herdenken. Nu waren de stenen van Jericho zelf een gedenkteken geworden, niemand mocht dat gedenkteken verstoren. Wij kunnen als levend bewijs van de kracht van de God van Israël zelf levende monumenten zijn als we zijn gebod vervullen en onze naaste liefhebben als ons zelf, dat mag elke dag weer, elke morgen opnieuw, ook vandaag weer.

De plaats waar u staat is heilig

zondag, 15 maart, 2015

Jozua 5:13–6:14

13 ¶   Toen Jozua in de omgeving van Jericho was, zag hij plotseling een man voor zich staan met een getrokken zwaard in zijn hand. Hij ging op hem af en vroeg: ‘Bent u van ons of van de vijand?’ 14   De man antwoordde: ‘Geen van beide; ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Ik ben zojuist gekomen.’ Toen wierp Jozua zich vol eerbied ter aarde en vroeg: ‘Wat komt mijn heer zijn dienaar zeggen?’ 15   De aanvoerder van het leger van de HEER antwoordde: ‘Doe uw sandalen uit, want de plaats waar u staat is heilig.’ En Jozua deed het. 1 ¶ Intussen had Jericho zijn poorten gesloten en zij bleven gesloten uit angst voor de Israëlieten. Niemand kon de stad in of uit. 2   Toen sprak de HEER tot Jozua: ‘Ik lever Jericho, zijn koning en zijn soldaten aan u uit. 3   U moet met alle weerbare mannen één keer om de stad trekken, zes dagen lang. 4   Daarbij moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uit gaan. Op de zevende dag moet u zeven keer om de stad trekken, terwijl de priesters op de hoorns blazen. 5   Als dan de ramshoorns geblazen worden en u het signaal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen. Dan stort de stadsmuur in en moet het volk naar boven klimmen, ieder recht voor zich uit.’ 6 ¶   Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zei hun: ‘Neem de ark van het verbond op en laat zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uit gaan.’ 7   Tegen het volk zei hij: ‘Trek rond de stad, en de gewapende mannen moeten voor de ark van de HEER uit gaan.’ 8   Zodra Jozua dit gezegd had, trokken zeven priesters voor de HEER uit en bliezen op zeven ramshoorns; de ark van het verbond van de HEER kwam achter hen aan. 9   De gewapende mannen liepen voor de priesters die de hoorns bliezen, de overigen liepen achter de ark. Tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen. 10   Jozua had het volk opgedragen: ‘U mag niet roepen en u niet laten horen; er mag geen geluid over uw lippen komen tot de dag waarop ik beveel om te schreeuwen. Dan moet u schreeuwen.’ 11   Hij liet de ark van de HEER één keer rond de stad dragen. Daarna keerde men terug naar het kamp om er de nacht door te brengen. 12   In alle vroegte stond Jozua op. De priesters namen de ark van de HEER; 13   de zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van de HEER uit, terwijl zij voortdurend op de hoorns bliezen. De gewapende mannen liepen voor hen uit, de overigen liepen achter de ark. En tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen. 14   Ook de tweede dag trokken zij één keer om de stad: daarna keerden zij terug in het kamp. Zo deden zij zes dagen achtereen.(NBV)

Overwinnaars hebben achteraf altijd gelijk. Wie wint had het beste legers en de dapperste krijgers. Andere factoren spelen geen rol. Het volk Israël moest dus leren dat overwinnen niet ligt aan de bewapening, niet aan de kracht van krijgers, niet aan de slimme strategie van de generaals, overwinnen is in handen van de Heer van Hemel en Aarde, de God van Israël. Die had hen het land gegeven, dat moet bij de verovering van het land duidelijk worden. Jericho staat in dit verhaal voor heel het land Israël. Wat er staat te gebeuren in Jericho is geschied in heel Kanaän. Hier is het niet Jozua die “fit the battle of Jericho” Het is God zelf die voor zijn volk in het strijdperk treed. Het begint dan ook met het leger van de Heer, niet dat kinderleger in Afrika dat misbruikt wordt door uitbuiters en machthebbers. Hier staat een boodschapper van God zelf, wiens boodschap samenvalt met de verschijning van de God van Israël in het verhaal. Zoals eens Mozes de God van Israël ontmoette bij een brandende braambos ontmoet Jozua de aanvoerder van het leger van de Heer. En net als Mozes moet Jozua zijn schoenen uit doen omdat de grond waarop hij staat Heilig is.

Het blijft soms lastig om uit te leggen wat Heilig betekent. Soms betekent het volmaakt, zoals God volmaakt is, maar het betekent ook dat het afgezonderd is voor de God van Israël. De grond op de vlakte van Jericho, de grond van het land Kanaaän is heilig, is afgezonderd van alle grond in de wereld, alle grond op aarde, voor de God van Israël. Die grond daar, was uitgekozen om te laten zien hoe groot en machtig de God van Israël eigenlijk wel niet is. Het blaast Jozua van zijn voeten. Jozua krijgt instructies over het innemen van Jericho, zeg maar de verovering van het beloofde land. Zes keer zal de bevolking van Jericho de kans krijgen de poorten te openen, de stad en het land te delen met het woestijnvolk dat kon zwerven maar geen land had om van te leven en een land dat overvloeit van melk en honing kan best gedeeld worden met arme woestijnzwervers. Centraal staat de Ark van het verbond. Die kist van acaciahout waarin de stenen platen liggen met de tien woorden. Zes keer moet het leger met die Ark en zeven priesters die met hun blazen op de ramshoorn aandacht voor die Ark vragen rond Jericho trekken. Elke dag een keer. Op die platen staat onder andere: “Gij zult niet doden” en geweld komt er niet aan te pas.

Jozua breidt de opdracht van zijn God uit. Alle weerbare mannen gaan eerst, dan de priesters, dan de Ark, maar dan ook het hele volk, vrouwen, kinderen, bejaarden, zieken, gehandicapten, alles en iedereen die bij het volk hoort trekt rond de stad. Maar daar heerst angst. Jericho had zich opgesloten achter haar muren, niets kon er in, niets kon er uit. Er zijn politici die ook vandaag nog de arme woestijnzwervers op deze manier buiten willen houden. Bouw maar een hoge muur langs de randen van ons land, met soldaten en tanks om de muur te bewaken. Niemand mag er meer in. Het gevolg zal zijn dat er ook niemand meer uit kan. Jozua gaat met zijn volk zes dagen lang rond Jericho, zes dagen is het werken geblazen. Geen strijdkreten klinken er, geen grootspraak is te horen. Maar ook geen smeekbeden. Alleen het sonore doordringende geluid van de ramshoorns die vooraf gaan aan de Woorden van God, zoals ze klonken bij de berg waar het volk de Woorden van God, de Tora had ontvangen. De God van Israël staat centraal in dit verhaal, het volk laat zien wie die God is, wat die God wil en wat het betekent de weg te volgen van die God. Wij zouden wat minder moeten lijken op de inwoners van Jericho, minder bang zijn en onze welvaart moeten zien te delen met de armsten in de wereld. Elke dag kunnen we daar samen aan werken, ook vandaag weer.

Na de overtocht

zaterdag, 14 maart, 2015

Jozua 5:2-12

2 Na de overtocht zei de HEER tegen Jozua: ‘Maak messen van vuursteen en besnijd de Israëlieten opnieuw.’ 3 Jozua maakte die messen en hij besneed de Israëlieten opnieuw bij de Voorhuidenheuvel. 4 Hij besneed hen omdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, na de uittocht waren gestorven, onderweg in de woestijn. 5 Van het volk dat weggetrokken was waren alle mannen besneden geweest, maar de mannen die na de uittocht waren geboren, toen het volk onderweg was in de woestijn, waren niet besneden. 6 Want Israël trok veertig jaar door de woestijn, totdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, gestorven waren. Ze hadden niet geluisterd naar de HEER, en daarom had de HEER hun gezworen dat hij hun niet het land zou laten zien dat hij ons zou geven, zoals hij onze voorouders had beloofd: het land dat overvloeit van melk en honing. 7 Maar hij liet hun zonen hun plaats innemen. Dus besneed Jozua deze zonen, omdat dit onderweg niet gedaan was. 8 Nadat ze allemaal waren besneden, moesten ze in hun tenten blijven tot ze waren genezen. 9 En de HEER zei tegen Jozua: ‘Vandaag heb ik de schande van Egypte van jullie afgewenteld,’ en Jozua noemde die plaats Gilgal. Zo heet die plaats tot op de dag van vandaag. 10 ¶ Toen de Israëlieten in hun kamp bij Gilgal waren, op de vlakte van Jericho, bereidden ze in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het pesachoffer. 11 Al één dag na het pesachoffer aten ze ongedesemd brood en geroosterd graan van de opbrengst van het land. 12 Er kwam die dag geen manna meer; de Israëlieten kregen vanaf toen nooit meer manna. Ze aten dat jaar van de opbrengst van de akkers van Kanaän. (NBV)

Het is de omgekeerde wereld. Toen het volk werd uitgeleid uit Egypte vierden ze eerst de Pesachmaaltijd. Ongezuurde broden die ze ook op reis zouden kunnen meenemen en gebraden lamsvlees van het lam dat ze hadden geslacht en waarvan ze het bloed aan de deurposten hadden gesmeerd. Toen trokken we weg en trokken ze door de Rietzee die door de God van Israël was drooggelegd. Nu kwamen ze bij de Jordaan, trokken plechtig door de Jordaan die door de God van Israël was drooggelegd en vierden daarna het Pesach maal. De omgekeerde wereld dus. Voor het Pesachmaal moesten alle mannen zich laten besnijden, want het Pesachmaal is niet voor onbesnedenen. Besnijdenis was en is in het Midden Oosten een gebruikelijke ingreep. Die ingreep is alleen voor mannen bestemd. Merkwaardig is dat in enkele culturen waar de nadruk wordt gelegd op de ongelijkheid van mannen en vrouwen ook vrouwen worden besneden. Dat is een misdaad, ook in de Islam wordt alleen de besnijdenis van mannen voorgeschreven.

De besnijdenis staat ook voor mannen ter discussie. Het is een medische ingreep die niet door een medische noodzaak wordt ingegeven. Het kan sommige ontstekingen voorkomen door een betere hygiëne maar maakt delen van het lichaam ook ongevoeliger. In de Bijbel is de besnijdenis al heel oud. Abraham liet zich al besnijden, van het begin van het volk Israël kende men dus de besnijdenis al als teken van verbondenheid met de God van Israël. De discussie over de besnijdenis zal gevoerd moeten worden door mensen die het als een voorschrift voelen. Kinderen die op de achtste dag moeten worden besneden kunnen er niet over meepraten, hun ouders zullen er dus de verantwoordelijkheid voor moeten nemen en zich realiseren dat ze een beslissing nemen die ingrijpende gevolgen voor hun zoon heeft. Heidenen, ook al hebben ze zich tot het Christendom hebben bekeerd, kennen de besnijdenis niet, net als de Filistijnen die de besnijdenis niet kenden. Zij mogen misschien vragen stellen maar het gaat niet aan om aan mensen die in een zo oude traditie staan ineens hun Heidense regels op te leggen.

Met de voorhuiden van de mannen werd ook de schande van Egypte afgelegd. Niet langer was het volk een volk van zwervers, ontvluchte slaven die door de woestijn trokken op zoek naar een nieuwe plek. Op plechtige wijze was hen een nieuw land geschonken, op plechtige wijze hadden ze de wording van het volk tot een volwaardig volk afgesloten. Wat nu zou volgen was het in bezit nemen van het land dat hen geschonken was. De reis eindigt met het Pesachmaal, maar het verhaal van Jozua vertelt ons ook dat het geschenk van het land begint met het Pesachmaal. In de woestijn had het volk gehoord dat het de nieuwe samenleving zo moest inrichten dat een maal in de zeven jaar het land moest rusten en men moest leven van wat het land zonder zaaien en oogsten opbracht. Nu kon het Pesachmaal gevierd worden met ongezuurde broden, gebakken van graan dat zomaar in het land te vinden was. Het manna dat hen in de woestijn tot voedsel had gediend was nu niet meer nodig. Ze hadden het door God geschonken land om hen te voeden. Wij kennen die zorgvuldigheid bij de keuze van ons voedsel niet meer. Het komt uit een winkel en boeren leveren de opbrengst van hun land aan fabrikanten. In sommige kerken is er in het voorjaar nog een biddag en in het najaar een dankdag voor gewas en arbeid. Maar we mogen elke dag er bij stilstaan dat er mensen heel hard voor hebben moeten werken om ons van voedsel te voorzien. Zij verdienen een beloning voor hun werk. Het is de God van Israël die ons daarvoor de ogen opent en zo zorgt dat er een overvloed is in ons land. Elke dag, elke maaltijd mogen we daarvoor weer dankbaar zijn. En omdat alles ons gegeven is, mogen we ook alles delen.

 

De overkant van de Jordaan

vrijdag, 13 maart, 2015

Jozua 4:15–5:1

15 De HEER zei tegen Jozua: 16 ‘Zeg tegen de priesters die de ark met de tekst van het verbond dragen dat ze uit de Jordaan komen.’ 17 Jozua gaf hun die opdracht, 18 en toen de priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen uit de Jordaan kwamen en de oever betraden, hernam het water zijn loop en trad het weer buiten zijn oevers, zoals het eerder had gedaan. 19 Het volk bereikte de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand, en het sloeg zijn kamp op bij Gilgal, dat oostelijk van Jericho ligt. 20 ¶ Jozua richtte daar de twaalf stenen op die ze uit de Jordaan hadden meegenomen. 21 Hij zei tegen de Israëlieten: ‘Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, 22 dan moet u hun het volgende vertellen: “Israël is de Jordaan overgetrokken, en wel over de droge bedding. 23 Want de HEER, jullie God, heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd totdat jullie waren overgetrokken, zoals hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd totdat we die waren overgetrokken. 24 Want alle volken op aarde moeten weten hoe machtig de HEER, jullie God, is, en jullie moeten altijd vol ontzag voor hem zijn.”’ 1 ¶ Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Kanaänieten bij de zee hoorden dat de HEER de Jordaan had drooggelegd, zodat de Israëlieten konden oversteken, sloeg de angst voor Israël hun om het hart en werden ze door wanhoop bevangen. (NBV)

Bij het nauwkeurig lezen van zo’n klein stukje uit een heel verhaal moet je soms goed opletten. Het volk was de Jordaan overgestoken, de stammen die zouden gaan wonen in de woestijnkant van de Jordaan waren alvast doorgegaan naar de vlakte van Jericho en nu was het hele volk in het beloofde land aangekomen. Een moment om voor altijd te markeren. De stenen waarlangs het volk was getrokken, waar de Ark van het Verbond had gerust, waar de God van Israël het water had gespleten om een droge doortocht mogelijk te maken, werden nu in het eerste kamp in het beloofde land opgericht om die doortocht te markeren. Twaalf stenen, twaalf stammen waren doorgetrokken. Uit de vier windstreken waren ze gekomen, en de volheid van God, het getal drie, had hen tot een heilig, dus volmaakt volk gemaakt. En vier maal drie is twaalf, een Goddelijk volk waren ze.

Dat volk Israël op zich is niet beter of slechter dan welk ander volk op aarde dan ook. Meestal gedraagd dat volk zich alsof het een willekeurig volk op aarde is. Het voert oorlog, het sluit bondgenootschappen, het kent een democratie en partijen die onderling verdeeld zijn, er is meer of minder onafhankelijke rechtspraak, het kent oordelen en vooroordelen. De goede kanten van dit volk en de slechte kanten van dit volk vind je breed uitgemeten in het hele verhaal dat in de boeken van de Bijbel staat opgetekend. Het bijzondere van dit volk is dat het uitgekozen is door de God van Israël. In die uitverkiezing heeft die God van Israël zich geopenbaard, hebben we die God van Israël leren kennen zoals hij zich wil laten kennen. Die God was nooit opgehouden met het werk dat die God ooit was begonnen. Hij had een hemel en aarde geschapen waarop mensen in vrede konden wonen. De mensen wilden echter net als God zijn.

Toen had die God Abraham geroepen. Ga weg uit je gewone doen, laat je familie en je land in de steek en ik zal je een groot volk maken zo klonk het. Een belofte aan Abraham die al in het leven van Abraham zichtbaar werd. De familie van Abraham zijn zonen, zijn kleinzonen en zijn nageslacht groeide. Uiteindelijk waren ze in Egypte terecht gekomen. Daar had die God Mozes geroepen om het volk van Abraham, Izaak en Jacob te bevrijden van de slavernij en uit te leiden uit Egypte naar het land dat aan Abraham was beloofd. Ondanks alle onvrede die het volk had getoond, ondanks de neiging om eigen goden te maken, waren ze nu in dat aan Abraham beloofde land. De mensen die het veel en veel later opschreven waren zelf naar een vreemd land gevoerd en daar in ballingschap. Zij beleefden dit verhaal van Jozua als een belofte dat ook zij eens weer in dat beloofde land zouden mogen, terug uit de ballingschap. Ook dat gebeurde. Zo mogen ook wij het verhaal lezen als een verhaal van hoop op vrede, op een eind aan geweld en onderdrukking, op een eind aan honger en uitbuiting. Als we daaraan gaan werken sluiten ook wij een verbond met die God en gaan we mee in zijn belofte. Elke dag mag dat opnieuw, ook vandaag weer.

 

 

Een gedenkteken voor u

donderdag, 12 maart, 2015

Jozua 4:1-14

1 ¶ Nadat het hele volk de Jordaan was overgetrokken, zei de HEER tegen Jozua: 2 ‘Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam, 3 en zeg hun dat ze van de plaats waar de priesters in de Jordaan staan twaalf stenen moeten halen. Die moeten ze meenemen en in het kamp leggen waar ze vanaf deze nacht zullen verblijven.’ 4 Jozua liet twaalf mannen aanwijzen, één uit elke stam van Israël, en nadat hij hen bij elkaar geroepen had, 5 zei hij tegen hen: ‘Ga voor de ark van de HEER, uw God, de Jordaan in. U moet allemaal één steen op uw schouders nemen, één voor elke stam van Israël. 6 Ze zullen een gedenkteken voor u zijn. Wanneer uw kinderen later zullen vragen wat die stenen betekenen, 7 dan moet u ze vertellen dat het water van de Jordaan werd tegengehouden door de aanwezigheid van de ark van het verbond met de HEER. Vertel ze dat toen de ark de Jordaan in ging het water werd afgesneden en dat deze stenen daarvan voor Israël een eeuwig gedenkteken zijn.’ 8 De mannen deden wat Jozua hun had gezegd. Ze haalden twaalf stenen uit de Jordaan, één voor elke stam, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. Ze droegen de stenen met zich mee naar hun kamp en legden ze daar neer. 9 Jozua richtte ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, op de plaats waar de priesters stonden die de ark van het verbond droegen. Die stenen staan daar tot op de dag van vandaag. 10 ¶ De priesters die de ark droegen stonden in het midden van de Jordaan, totdat de opdracht die Jozua het volk in naam van de HEER gegeven had volledig was uitgevoerd, volgens de opdracht die hij al van Mozes gekregen had. Het volk trok zo snel mogelijk over, 11 en toen het volledig aan de overkant was gingen ook de priesters met de ark van de HEER naar de overkant en trokken ze verder voor het volk uit. 12 Ook de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse trokken in slagorde voor Israël uit, zoals Mozes hun bevolen had. 13 Deze voorhoede van het leger, zo’n veertigduizend man, trok nog voor de ark van de HEER uit ten strijde naar de vlakte van Jericho. 14 Op die dag verhoogde de HEER het aanzien van Jozua bij de Israëlieten, zodat ze zijn leven lang ontzag voor hem hadden, zoals ze ook voor Mozes hadden gehad. (NBV)

Een belangrijke gebeurtenis moet je markeren. Ook in ons land staan overal monumenten. Vooral veel monumenten ter herdenking van gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Die heeft veel onschuldige slachtoffers geëist en de willekeur waarmee mensen werden vermoord heeft de overlevenden er toe aangezet blijvende gedenktekens op te richten, zoiets mag nooit weer gebeuren. Maar in Groningen staat ook een borstbeeld van Rabenhaubt, die in 1672 de leiding had van de verdediging van de stad tegen de Bisschop van Münster. In Alkmaar vindt je een standbeeld voor Adriaan Antonisz. die de verdedigingswerken rond de stad in 1573 had aangelegd. Het verhaal van Jozua komt ons dus niet onbekend voor. In het kamp van het vertrek, in de Jordaan zelf werden stenen opgericht om die belangrijke gebeurtenis te markeren. Er zijn er die denken dat er altaren werden opgericht, zoals Jacob de stenen waarop hij had geslapen tot altaar had gemaakt. Maar dat staat er niet.

Het rare is natuurlijk dat er twee monumenten worden opgericht voor één gebeurtenis. Er staan ergens bij elkaar in de buurt 24 stenen, 12 op elke plaats die elk dezelfde gebeurtenis markeren. De enige verklaring van deze gebeurtenis is het ontstaan van de Bijbel. De verhalen zijn geen journalistieke verslagen, ze zijn ook niet ontleend aan dagboeken van betrouwbare getuigen. Het zijn volksverhalen die eeuwen op eeuwen aan volgende generaties zijn doorgegeven. Toen uiteindelijk de teksten werden verzameld waren er twee verschillende verhalen over dezelfde gebeurtenis. Er was niemand om te vragen of beide verhalen zo gebeurd waren of dat een van beide moest worden aangenomen. De betekenis van de intocht in het beloofde land was zo belangrijk en de herinnering aan Jozua zo sterk en belangrijk dat beide verhalen werden opgeschreven. Toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald is geprobeerd er één verhaal van te maken maar toen later de Hebreeuwse Bijbel zelf in het Hebreeuws werd opgeschreven heeft men de twee verhalen gewoon naast elkaar laten staan.

Als er een tijd is verstreken nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden en als die gebeurtenis veel indruk heeft gemaakt dat wordt alles wel wat groter dan het in werkelijkheid geweest is. Wie de verhalen moet geloven uit de Tweede Wereldoorlog dan krijg je de indruk dat iedereen in het verzet zat en dat in elk Nederlands huis onderduikers en Joden waren verborgen. Zo was het zeker niet. We moeten de mensen die hun leven in de waagschaal stelden voor de vervolgden en onderdrukten niet bagatelliseren, maar het was zeker niet iedereen. Zo is de grote van de voorhoede van het leger van Ruben, Gad en de helft van Manasse die vooruit gingen in de vlakte van Jericho ook iets groter dan het in werkelijkheid geweest zou kunnen zijn. Maar er komt hier nog iets bij. De verhalen die wij in de Bijbel lezen zijn voor een groot deel opgeschreven en tot een eenheid gemaakt tijdens de ballingschap. En wie droomde van terugkeer naar het beloofde land droomde van een leger dat weer de vlakte van Jericho zou overstromen, over het grote volk van de God van Israël dat het ooit onder David en Salomo was geweest. Merktekens in het landschap, gedenktekens en monumenten mogen ons er dus ook aan herinneren dat een betere wereld kan, dat oorlogen geen natuurwetten zijn, dat onderdrukking en uitbuiting, dat vervolging en geweld niet vanzelfsprekend bij het leven horen, maar dat de God van Israël deze aarde er van kan bevrijden. We mogen elke dag opnieuw aan die bevrijding gaan deelnemen.