Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2015

God doet door ons zijn oproep.

woensdag, 18 februari, 2015

2 Korintiërs 5:11-21

11 Vervuld van ontzag voor de Heer, proberen we iedereen te overtuigen. God weet precies wie en wat wij zijn; hopelijk weet u het ook wanneer u te rade gaat bij uw geweten. 12 ¶ We bevelen onszelf niet opnieuw aan, maar geven u de mogelijkheid trots op ons te zijn, zodat u zich kunt verdedigen tegen wie zich op uiterlijke zaken laat voorstaan in plaats van op innerlijke. 13 Zijn we in extase, dan is het voor God; zijn we bij zinnen, dan is het voor u. 14 Wat ons drijft is de liefde van Christus, omdat we ervan overtuigd zijn dat één mens voor alle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven, 15 en dat hij voor allen is gestorven opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt. 16 ¶ Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld; ook Christus niet, die we vroeger wel volgens die maatstaven beoordeelden. 17 Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. 18 Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. 19 Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. 20 Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen. 21 God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden.(NBV)

Ook in het gedeelte dat we vandaag lezen begint Paulus met nog eens duidelijk te maken dat het niet gaat om zijn eer of grootheid, maar om de God van Israël. Dat wat God hem heeft heeft laten doen in de verkondiging van het Evangelie mag voldoende bewijs zijn voor het werk van God. Daar deel je in mee en daar mag je trots op zijn. Maar Paulus is niet anders dan iedere gelovige benadrukt hij nog maar eens, ook hij moet, net als wij, ooit voor God verantwoording afleggen wat hij heeft gedaan. Daarmee knoopt hij aan bij de gedachte dat rechtvaardigen het leven zullen krijgen dat ze verdienen en de onrechtvaardigen de dood die ze over zich hebben afgeroepen. Het kan niet zo zijn dat slachtoffers van onrecht en geweld de dood vinden en de bedrijvers van onrecht en geweld er ongestraft mee wegkomen.

Maar we moeten daarbij niet letten op wie er macht en aanzien krijgen, wie er rijk door worden of knap, of welgevoed. Dat zijn uiterlijkheden die er niet toe doen. En zelfs Paulus was kennelijk wel eens in extase, dan ben je niet aanspreekbaar, dat is dus voor God, want voor de mensen wil hij wel degelijk aanspreekbaar zijn en zijn extase is ook geen bewijs ergens voor. Het bewijs is de liefde van Christus, let wel er staat niet de liefde voor Christus. We leven dankzij Christus, we leven voor hen die ons leven nodig hebben, wij weten dat de dood de liefde niet meer ongedaan kan maken, zelfs de liefde niet meer tegen kan houden. Daarom kijken we naar de dood van Christus ook niet meer met de ogen van de wereld, voor Joden een ergernis en voor Grieken een dwaasheid, maar we kijken er naar met nieuwe ogen. We kijken er naar en zien wat de liefde er mee doet. We zien de Jezus van Nazareth die tot aan het kruis de liefde voor zijn naaste weet vol te houden en we weten dat dat kan en dat wij dat dus ook kunnen door hem. Dat is het nieuwe dat is gekomen, dat is het werk van God dat in ons kan plaatsvinden.

Dat is ook werkelijke verzoening, dat het kwade ten goede is gekeerd, dat de liefde de boventoon voert en weer tussen mensen regeert. Dat mogen we mensen voorhouden. Willen ze tussen hen het kwade in stand houden of willen ze het goede tussen hen laten regeren. Dan hebben we geen scheiding meer op grond van geloof, dan hoeven we elkaar niet meer voor rotte vis uit te maken en met geweld ons gelijk te halen. Het lijkt er op dat Jezus van Nazareth door het kwade ten onder is gegaan, maar door zijn liefde vol te houden tot het eind, door de dood heen zelfs, is het voor ons allemaal mogelijk te worden onvoorwaardelijk de naaste lief te hebben als ons zelf. Elke dag wordt ons weer angst aangepreekt, wij moeten bang zijn voor vreemdelingen, voor anders gelovigen, voor radikalen, voor criminelen en noem maar op. De Bijbel roept ons toe niet bang te zijn, voor niks en niemand, voor geen macht of kracht op aarde. Wij mogen de Liefde laten regeren wat ook de gevolgen voor onszelf mogen zijn. Elke dag mogen we daar weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

 

Denk aan mijn boeien!

dinsdag, 17 februari, 2015

Kolossenzen 4:7-18

7 ¶ Tychikus, onze geliefde broeder, onze trouwe helper en mededienaar van de Heer, zal u alles over mij vertellen. 8 Hem stuur ik naar u toe om u over onze omstandigheden in te lichten en om u moed in te spreken, 9 samen met Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder die een van u is; zij beiden zullen u vertellen hoe het hier gaat. 10 Aristarchus, mijn medegevangene, Barnabas’ neef Marcus (over wie u al instructies hebt gekregen: ontvang hem gastvrij wanneer hij bij u komt) 11 en Jezus Justus groeten u; zij zijn de enige Joden die met mij meewerken voor Gods koninkrijk, en ze zijn dan ook een grote troost voor me geweest. 12 Epafras, een dienaar van Christus Jezus en een van u, groet u; in al zijn gebeden strijdt hij voor u en bidt hij dat u als volmaakte mensen en met volle overtuiging zult vasthouden aan alles wat God wil. 13 Ik kan van hem getuigen dat hij zich erg voor u inspant en ook voor de mensen in Laodicea en Hiërapolis. 14 Ook Lucas, onze geliefde arts, en Demas groeten u. 15 Wilt u de broeders en zusters in Laodicea groeten, en ook Nymfa en de gemeente die bij haar thuis samenkomt? 16 Wanneer deze brief bij u is voorgelezen, moet u ervoor zorgen dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat u de brief aan hen te lezen krijgt. 17 En zeg tegen Archippus: ‘Let erop dat u de taak die u van de Heer hebt ontvangen, ook vervult.’ 18 Een eigenhandig geschreven groet van mij, Paulus. Denk aan mijn boeien! Genade zij met u. (NBV)

Papier is geduldig. Natuurlijk, in de eerste Christengemeenten stond lang nog niet alles op papier. De Evangeliën werden waarschijnlijk pas geschreven toen Paulus overleden was. Er waren wel verzamelingen uitspraken van Jezus, wij kennen die niet meer, die later ook de grondslag zouden vormen voor de Evangeliën van Matteüs en Lucas. Het verhaal over Jezus van Nazareth, zijn kruisiging en opstanding en de betekenis daarvan werd mondeling overgebracht en door brieven. Dat begon vaak in een Synagoge waar gasten uit Palestina uitleg gaven over de lezingen uit de Tenach, de Judeese Bijbel die wij kennen als het Oude Testament. Hoe dat ongeveer ging vinden we in het verhaal over Filippus dat in Handelingen wordt verteld over de Moorse Kamerling die in het boek van de profeet Jesaja zat te lezen en uitleg kreeg van Filippus en zich daarna liet dopen en Christen werd.

In Kolosse was Epafras degene geweest die een dergelijke uitleg had gegeven en daar had zich buiten de Synagoge een gemeente gevormd onder leiding van Filemon. Maar dat volgen van de leer van die Jezus van Nazareth was niet zonder gevaar. Paulus zat gevangen in Efeze, niet alleen overigens, in elk geval samen met zijn medewerker Aristarchus. En plotseling was er in de gemeente een weggelopen slaaf opgedoken die een medewerker van Paulus was geworden en die niet ter dood moest woren gebracht maar als broeder moest worden aanvaard. Ze wilden dat wel maar het bleef gevaarlijk. Paulus snapte dat ook, hij had dat al vaker meegemaakt. Hij liet Timoteüs een brief ontwerpen waar de onderwerpen die van belang waren voor Kolosse uiteen werden gezet. De nieuwe manier van omgaan met elkaar, als gelijken, waar mannen alle vrouwen uit de gemeente lief moesten hebben, waar slaven gelijken werden van vrijen, waar het verschil tussen mensen uit de besnijdenis en heidenen weggevallen was. Timoteüs heeft de brief kennelijk aan Paulus voorgelegd die er een zeer persoonlijk stukje aan toevoegde.

Uit dat gedeelte blijkt dat de gemeente van Kolosse niet alleen staat in haar nieuwe manier van leven. Dat werd ook gedaan in Laodicea, een buurstad van Kolosse, een dagreis ver. Ook in belangrijke steden als Hiëropolis en Efeze. De belangrijke mensen die genoemd zijn worden slaven genoemd door Paulus, slaven van Christus en in Christus was immers vrijheid. De vele mensen die in dit gedeelte genoemd worden staan ook genoemd in de brief aan Filemon waarin gevraagd werd Onesimus als broeder te ontvangen. Maar papier is niet genoeg. De gemeente in Kolosse krijgt een nieuwe vertegenwoordiger van Paulus, Tychikus die zal uitleggen hoe het zit met die andere gemeenten, hoe het gaat met al die mensen die genoemd worden. Voor de mensen in Kolosse, voor de huisgemeente van Filemon, kan zo het gevoel ontstaan deel uit te maken van een groter geheel. Daarom moet hun brief ook in Laodicea voorgelezen worden en moeten zij kennis nemen van een brief aan Laodicea. Zij wel en wij misschien niet. In de Bijbel staat geen brief aan Laodicea. Wel een brief aan de Efeziërs en veel geleerden nemen aan dat die brief de hier genoemde brief aan Laodicea is. Als u overigens wel eens hoort dat Lucas de Evangelist een arts was dan komt dat uit dit Bijbelgedeelte. Alleen of de hier genoemde Lucas dezelfde was als de Evangelist en schrijver van Handelingen is niet zeker. Voor ons die in betrekkelijke veiligheid leven mag duidelijk worden dat die nieuwe manier van leven, zonder angst, zonder verschil tussen mannen en vrouwen, allochtonen en autochtonen nog meer mogelijk moet zijn dan voor de mensen in Kolosse. Wij kunnen er in alle vrijheid elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Wees niet bitter

maandag, 16 februari, 2015

Kolossenzen 3:18-4:6

18 ¶ Vrouwen, erken het gezag van uw man, zoals past bij uw verbondenheid met de Heer. 19 Mannen, heb uw vrouw lief en wees niet bitter tegen haar. 20 Kinderen, gehoorzaam je ouders in alles, want dat is de wil van de Heer. 21 Vaders, vit niet op uw kinderen, want dat maakt ze moedeloos. 22 Slaven, gehoorzaam uw aardse meester in alles, niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar oprecht en met ontzag voor de Heer. 23 Wat u ook doet, doe het van harte, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen, 24 want u weet dat u van de Heer een erfenis als beloning zult ontvangen-uw meester is Christus! 25 Maar iedereen die onrecht doet zal daarvoor boeten, en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt. 1 ¶ Meesters, geef uw slaven waar ze recht op hebben en wat redelijk is, want u weet dat ook u een meester hebt, in de hemel. 2 ¶ Blijf bidden en blijf daarbij waakzaam en dankbaar. 3 En bid dan ook voor ons, dat God deuren voor ons opent om het mysterie van Christus te verkondigen waarvoor ik gevangen zit, 4 en bid dat ik het mag onthullen zoals het moet. (NBV)

Als je de Bijbel maar genoeg in stukjes knipt dan kom je vanzelf op teksten die je eigen gelijk onderstrepen. Aangezien het vertalerswerk meestal door mannen wordt gedaan en mannen eeuwenlang het baas zijn hebben opgeëist lees je dat ook terug in Bijbelvertalingen. Maar heel langzaam komt daar verandering in. Vandaag hebben we een voorbeeld van taalgebruik dat vandaag niet meer past maar vroeger nog erger was. Het gedeelte van vandaag begint met de oproep aan vrouwen om het gezag van hun man te erkennen. In de zeventiende eeuwse Statenvertaling staat hier een oproep aan vrouwen om hun man onderdanig te zijn. Gelukkig konden we gisteren nog lezen dat er in de Christelijke gemeente geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen. Waar het om gaat is dat we vergeten dat het schrijven van Paulus in Kolosse voor een grote culturele schok gezorgd moet hebben. Dat staat niet direct in deze brief, dat staat in de brief aan Filemon die in de Bijbel is opgenomen, maar de schok is er niet minder om.

In het Romeinse Rijk moesten gevluchte slaven ter dood worden gebracht. Slaven moesten onderdanig zijn aan hun eigenaars en om te laten zien hoe machtig die eigenaars waren hadden ze het te zeggen over leven en dood van hun slaven. Paulus had aan de leider van de gemeente in Kolosse gevraagd om zijn gevluchte slaaf Onesimus niet te doden maar te verwelkomen als broeder. Dat is een radicale en revolutionaire omkering van alles wat geloofd werd in het Romeinse Rijk. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe revolutionair dit geweest moet zijn. Nu volgt een brief om uit te leggen hoe een gemeente als Kolosse het nieuwe geloof in Jezus als de Christus, de gezalfde bevrijder, zou moeten verstaan. Voorop staat dat er binnen de gemeente geen verschillen bestaan. Dat betekent niet dat je de mensen wijs moet maken dat alle gewoonten, alle manieren van met elkaar omgaan nu ineens volkomen anders zijn geworden.

Mannen hadden in die samenleving gezag. In onze dagen zijn er drie culturele revoluties nodig geweest om daar een klein beetje verandering in aan te brengen en ook vandaag de dag klinkt het baas zijn van mannen over vrouwen helemaal niet vreemd in de oren, alleen ongewenst hebben we geleerd. Wie de oproepen van Paulus in dit gedeelte goed leest dan vraagt Paulus niet aan de een en de ander om elkaars macht te erkennen en zich onvoorwaardelijk te onderwerpen, maar vraagt Paulus respect en liefde voor elkaar op te brengen. Het duidelijkst komt dat in de oproep aan slaven tot uiting. Hier klinkt zelfs de oproep van Jezus door om ook je vijanden lief te hebben. Voor slaven is er geen onderwerping maar respect de houding die Paulus vraagt. Iedereen die onrecht doet zal daarvoor moeten boeten schrijft Paulus, wat slecht is blijft slecht. En daarmee wordt iedereen, mannen, slavenhouders, ouders, bestuurders, machthebbers, maar ook vreemdelingen, vrouwen, slaven, kinderen en onderdanen, opgeroepen om respect aan elkaar te betonen. Een oproep om elkaar tot zijn of haar recht te laten komen. En daarmee zijn we bij het hart van het Christelijk geloof gekomen, heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Dat mogen we ook in deze verhoudingen elke dag doen, ook vandaag weer.

 

 

Bedrieg elkaar niet

zondag, 15 februari, 2015

Kolossenzen 3:5-17

5 ¶ Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht-hebzucht is afgoderij-, 6 want om deze dingen treft Gods toorn degenen die hem ongehoorzaam zijn. 7 Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, 8 ¶ maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden. 9 Bedrieg elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt 10 en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. 11 Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen. 12 ¶ Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. 14 En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. 15 Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. 16 Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. 17 Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door hem. (NBV)

Je mag ook niks. Kijk nu eens naar het begin van dit Bijbelstukje. Daar zijn die stiekeme Christenen weer. Alles wat leuk is dat mag niet. Je mag theedrinken met vreemdelingen en je moet elkaar wel liefhebben maar aankomen is er niet bij. Geen wonder dat aan die Christenen wordt gezegd dat ze elkaar niet mogen bedriegen, want als je alles wat leuk is verboden hebt dan gaan gewone mensen dat vanzelf stiekem doen. Als we zo redeneren moeten we ons ook afvragen of we dat eigenlijk wel goed begrepen hebben. Want wat wordt er nu verboden. Zingen en dansen wordt niet verboden, vrijen met een ander ook niet, je verkleden om mensen te vermaken ook al niet. Zelfs toneelspelen of mensen op komische wijze een spiegel voorhouden wordt in dit Bijbelgedeelte niet verboden. Het gaat om een nader soort zaken. ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten. Om het in de taal van vandaag te zeggen het gaat om : “ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke” Alle mensen zijn als voorwerpen om jou te plezieren en als ze dat niet willen dan dwing je hen er toe.

Het is wat Christenen drijft om te kijken naar de seksindustrie. Daar worden mensen gehuurd om anderen te bevredigen. Op zich is dat al een rare verhouding tussen twee mensen, het zou toch veel leuker zijn als ze elkaar ook nog aardig vinden en samen één vlees zouden willen vormen zoals de Bijbel dat noemt. Maar het is de manier van omgaan waarvoor mensen vanouds kunnen kiezen. Het wordt natuurlijk anders als vrouwen, soms ook als mannen, gedwongen worden zich te verhuren en de huuropbrengst niet henzelf ten goede komt maar degene die hen dwingt. Dan zijn mensen voorwerpen geworden die ingezet kunnen worden om winst te genereren, slaven die in de ogen van hun eigenaars niet meer waard zijn dan de opbrengst die ze kunnen genereren. Zo moet het dus niet. Mensen zijn oneindig veel meer waard. In Christelijke ogen hoort er geen verschil te zijn tussen slaven en vrijen, net zo min als er verschil zou moeten zijn tussen allochtonen en autochtonen. Paulus schreef zijn brief aan een gemeente die uit heel veel verschillende mensen bestond, Grieken, Joden, mensen die besneden waren als nakomelingen van Abraham, mensen die niet besneden waren, Barbaren, Skythen. Die laatste twee hoorden bij volkeren waarvan de namen scheldwoorden geworden waren.

Paulus zegt dat we het anders moeten gaan doen omdat we bevrijders zijn geworden, in zijn taal in Christus zijn. Christus is het Griekse woord voor gezalfde en de vertaling van het Hebreeuwse woord messias dat naast gezalfde ook bevrijder betekent. Het gaat er dus niet om dat je niks mag maar dat je nergens toe gedwongen kan worden. Dat begint met zelf niemand ergens toe te dwingen. Dat begint er mee mensen niet langer als voorwerp voor je eigen plezier te gebruiken maar van mensen te houden zoals je zou willen dat er van jou gehouden wordt. Als het moeilijk wordt met mensen is er medeleven, dat zou je zelf toch ook willen als een geliefde ziek wordt of dood gaat, dan is er goedheid, zachtmoedigheid, bescheidenheid en geduld. In onze dagen is zo leven behoorlijk moeilijk. Medeleven moet je wel opbrengen want je wordt gedwongen tot mantelzorg omdat de rijken aan goede professionele zorg niet langer mee willen betalen. Een band vormen met de vreemdelingen in ons midden is maar eng, die hebben rare geloven en willen ons dwingen wordt ons wijsgemaakt. Dat ook zij spreken over Jezus van Nazareth als iemand die Gods verhaal kwam vertellen, het verhaal van zorgzaamheid en liefde, wordt ons niet verteld. Als we gaan leven zoals Paulus ons voorhoudt gaan we vanzelf samen zingen. Het volk Israël heeft ons een heleboel liederen geschonken die juist hier over gaan. En daarna is er in de kerken een schat aan liederen te vinden uit de loop der eeuwen, tot op vandaag toe, die je warmte geven en die je graag meezingt. Elke dag opnieuw mogen we zo leven, ook vandaag weer.

 

Zing het uit

zaterdag, 14 februari, 2015

Psalm 32

1 ¶ Van David, een kunstig lied. Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven, van wie de zonden worden bedekt. 2 Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt, als in zijn geest geen spoor van bedrog is. 3 Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag. 4 Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. sela 5 Toen beleed ik u mijn zonde, ik dekte mijn schuld niet toe, ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. sela 6 Laten uw getrouwen dus tot u bidden als zij in zichzelf een zonde vinden. Stormt dan een vloed van water aan, die zal hen niet bereiken. 7 ¶ Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood en omringt mij met gejuich van bevrijding. sela 8 ‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan. Ik geef raad, op jou rust mijn oog. 9 Wees niet redeloos als paarden of ezels die met bit en toom worden bedwongen, dan zal geen kwaad je treffen.’ 10 Een slecht mens heeft veel leed te verduren, maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd. 11 Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.(NBV)

Vandaag zingen we met de Kerk een psalm over zonde en vergeving. Het zijn woorden uit een oude kerkelijke taal en voor veel mensen zijn ze afgesleten en lege cliché’s geworden. Dat komt met name doordat er door de gebruikers van deze woorden al een klank van veroordeling in ligt. Wij zijn allen zondig en onze zonden moeten nodig vergeven worden. Daarmee veroordelen wij ons zelf en alle andere mensen. Dat terwijl we toch goede burgers willen zijn die ons netjes aan de regels houden en van tijd tot tijd ook voor een ander willen zorgen. We vermijden ruzie te maken en of je het nu wil geloven of niet, de meeste mensen in ons land zullen tijdens hun leven nooit een mens met opzet ernstig verwonden of zelfs doden. Wat dan al die mensen te veroordelen en te roepen dat ze zondig zijn en dat hun zonde vergeven zou moeten worden. In de zestiende eeuw schreven Gereformeerde leraren in Duitsland zelfs op dat de mens, wij allemaal dus, slechts bekwaam zou zijn tot alle slechts en niet in staat tot enig goeds. Voor Duitsers zou dat misschien kunnen gelden, ook niet natuurlijk, maar voor ons klinkt dat toch zwaar overdreven.

Maar de Psalm gaat niet over een veroordeling maar over vergeving. Vergeving van schuld heeft iets bevrijdends. We hebben iemand iets aangedaan, hebben daarover spijt betuigd en geprobeerd het goed te maken en dan roept die ander dat het je vergeven wordt. Dat lucht op, zeker als je de eerste was die ongelijk wilde bekennen en zich kwetsbaar wilde opstellen door toe te geven dat je fout zat. Als we zo over zonde en vergeving gaan praten wordt het iets alledaags. Laat dat nu net de bedoeling van deze Psalm zijn. Dat oordeel van de God van Israël is niet na je dood in een plechtige rechtzaak waar je ziel op gewogen wordt, te licht bevonden natuurlijk en de schaal in evenwicht gebracht wordt door de dood van Christus. Dat is een beeld dat je in kerken nog wel eens uitgeschilderd ziet, het plafond van de Grote kerk in Alkmaar is daar een monumentaal voorbeeld van. Maar het is niet wat deze Psalm bezingt. Deze Psalm bezingt het leven van alle dag, waar zijn we ontrouw geweest aan de God van Israël? Dat hoeft een ander ons niet te vertellen, dat weten we zelf als eerste.

Als we vroeger een mooi bord lieten vallen bij de afwas dan riepen we: “zonde”, het was onherstelbaar gebroken. Voor borden is dat niet zo heel erg, maar als de relatie tussen mensen gebroken wordt dan dat tot oorlog of moord en doodslag leiden en dan is het wel heel erg. Nu is voor de God van Israël niets onherstelbaar. Die God leidde immers zijn volk uit de slavernij naar een land dat overvloeide van melk en honing. En toen dat volk alle banden met die God verbrak en andere goden achterna ging lopen gaf die God niet op en bracht hij zijn volk weer thuis en gaf ze de gelegenheid het verwoeste land en de verwoeste stad weer op te bouwen. Zo zond hij ook zijn zoon om mensen weer een plek in de samenleving te geven, niemand bleef buitengesloten, zelfs melaatsen konden weer meedoen. De invloed die de dood op het handelen van mensen had kon ongedaan worden gemaakt. Op die momenten dat we ons bewust worden van onze onvolmaaktheid, iedereen maakt fouten, iedereen kwetst wel eens een ander, dan is dat niet onherstelbaar, dat kan vergeven worden. Als je bereid bent je eigen onvolmaaktheid te erkennen en ruiterlijk uitkomt voor je fouten dan kun je opnieuw beginnen met de wereld om je heen. Dat is vaak een hele opluchting, dat bevrijdt, dan kun je echt zingen. Het kan je elke dag opnieuw gebeuren, ook vandaag weer.

 

 

Wij blijven altijd vol goede moed

vrijdag, 13 februari, 2015

2 Korintiërs 5:1-10

 

1 ¶ Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel. 2 Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken. 3 We zijn er echter zeker van dat we ook ontkleed niet naakt zullen zijn. 4 Zolang we in onze aardse tent verblijven zuchten we onder een zware last, omdat we niet willen dat deze kleding wordt uitgetrokken; we willen dat er nieuwe over wordt aangetrokken, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden. 5 Hiervoor heeft God zelf ons gereedgemaakt, door ons de Geest als onderpand te geven. 6 Dus wij blijven altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen. 7 We leven in vertrouwen op God; wat komen gaat is nog niet zichtbaar. 8 We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen. 9 Daarom ook stellen wij er een eer in te doen wat God wil, zowel in dit bestaan als in ons bestaan bij hem. 10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht. (NBV)

Als de dood geen prikkel meer is, niet meer je handelen bepaalt, hoe kijk je dan tegen het sterven aan? Het sterven van een geliefde laat ons niet onverschillig en niemand van ons is er op uit om zo snel mogelijk te sterven. Als je goed leest lijkt het er op of Paulus helemaal niet dood zal gaan maar van de ene vorm van leven over gaat in de andere vorm van leven. Paulus weet ook niks van wat er na onze dood is. Maar hij weet wel dat de God van Israël altijd met ons mee zal gaan, ook door de dood heen, hoe en wat dat weten we niet. Maar Paulus sluit aan bij het geloof dat zich in Israël had gevestigd dat het niet zo kan zijn dat de rechtvaardigen sterven terwijl de onrechtvaardigen ongestraft hun leven kunnen leven. Er zal een moment komen waarop dat wordt rechtgetrokken.

Paulus was in Tarsus opgevoed waar de filosofische school van de Stoa beroemd was. Met de Griekse filosoof Plato maakte men daar een onderscheid tussen de innerlijke mens en de uiterlijke mens, tussen wat men noemde ziel en lichaam. Voor Paulus was dat een beeld dat paste op het geloof in het rechttrekken van de onrechtvaardigheid van de dood door de God van Israël. Het paste ook op het beeld van de mens als een aarden vat dat hij aan de profeten had ontleend. Dat aarden vat zou breken en weer tot de aarde weerkeren, maar de inhoud was van God, die had immers de adem in de mens geblazen, en die adem zou weer tot God terugkeren. Een heel oud beeld dat we ook in het boek Genesis tegenkomen als daar verteld wordt over de grens die God aan een mensenleeftijd had gesteld. Dat aardse lichaam is als een tent die je uit kunt trekken om in een tent bij God te komen wonen. Het zijn beelden om ook aan de verdrukte gemeente in het Romeinse Rijk duidelijk te maken dat niet de vervolgers en de dictators zullen winnen maar dat het de vervolgden, de rechtvaardigen, zijn die uiteindelijk kunnen leven dankzij de overwinning van Jezus van Nazareth op de dood.

Door te spreken over een tent roept Paulus ook de herinnering op aan Abraham die uit zijn vertrouwde wereld op weg ging en aan Mozes en het volk Israël die bevrijd van de slavernij door de woestijn trokken op weg naar het land dat overvloeide van melk en honing. Het beeld van ons lichaam als een tent benadrukt het tijdelijke. En als het leven doorgaat ook als we dit aardse lichaam niet meer hebben hoeven we ons daar geen zorgen meer over te maken, zorgen dat het tijdens de reis heel blijft en bruikbaar is eigenlijk alles. Verder kunnen we ook dat lichaam dag in dag uit in dienst stellen van de zwaksten en de minsten op aarde, daarvoor hebben we het gekregen, dat is de zin van ons leven. Uiteindelijk worden we daarop afgerekend zegt Paulus. Dat is overigens niet om ons angst aan te jagen maar als een hart onder de riem. Elke dag opnieuw mogen we ons aarden vat daarvoor gebruiken, gevuld met de Geest van de God van Israël, ook vandaag weer.

 

Wij zijn slechts een aarden pot

donderdag, 12 februari, 2015

2 Korintiërs 4:7-18

7 Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God. 8 ¶ We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw. We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld. 9 We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten. We worden geveld, maar gaan niet te gronde. 10 We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt. 11 Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt. 12 Zo is in ons de dood werkzaam, en in u het leven. 13 Er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven 14 en weten dat hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar zich toe zal voeren. 15 Dit alles gebeurt omwille van u, zodat Gods goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt, ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God. 16 Daarom verzaken wij onze plicht niet. Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. 17 De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. 18 Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.(NBV)

Paulus valt terug op een beeld dat we ook bij de profeten tegenkomen. De mens is uit aarde gemaakt zoals een pottenbakker een aarden pot maakt. Breekbaar en zwak, maar gevuld en sterk door de adem van de God van Israël zelf. Die adem als Geest van God gebruiken maakt je onoverwinnelijk. Elk mens is zo geschapen en alle mensen zijn broeders en zusters van elkaar. Ook dat zie je pas als je toetreedt tot de gemeente van Christus. Daar vallen alle verschillen uit de ons omringende samenleving weg. Daar zijn geen allochtonen en autochtonen, geen mannen en vrouwen, geen jongeren en ouderen, geen rijken en armen en voor Paulus waren daar geen slaven en vrijen, voor ons geen heren en knechten.

Onbestaanbaar in onze samenleving dat een politieke beweging geen politiek leider zou hebben. Voor Paulus was de gemeenschap van Christenen onbestaanbaar met zo’n leider omdat alleen de Christus, de bevrijder, de Messias, Jezus van Nazareth die leider zou kunnen zijn. Die schat bewaren en doorgeven is waar het op aan komt. Dat kunnen we als we er op vertrouwen dat het allemaal goed zal komen. Niet goed zal komen met onszelf maar met de wereld. Jezus van Nazareth gaf zijn leerlingen de opdracht dat vertrouwen uit te dragen tot aan de einden der wereld en beloofde ze met hen te zijn tot de aarde voltooid zou zijn.

Ook wij zijn aarden vaten die de schat bewaren, ook wij hoeven niet op eigen kracht de schat door te geven en anderen er voor warm laten lopen. Ook wij hebben de adem van God zelf. Paulus noemt dat een lichte last die we tijdelijk hebben te dragen. Dat is in de loop van de geschiedenis nogal wat tegengevallen. Tegenwoordig vatten we deze woorden op als troost. Ook al worden we oud we hebben nog steeds niet de illusie dat de aarde voltooid is. Het is nog steeds een chaos, eenzelfde chaos als bij het begin van de schepping. Maar als we letten op de mogelijkheden wordt de chaos al heel wat minder. Er is iemand al eens uit de dood opgestaan, Jezus de Christus, er breekt voortdurend vrede aan, slavernij wordt nu op de hele wereld veroordeelt, al zijn er nog te veel slaven die bevrijdt mogen worden. De volken van de aarde hebben besloten de armoede uit te roeien, ze moeten alleen nog leren dat je daarvoor met elkaar moet delen. Zo mogen we in dat vertrouwen elke morgen weer de nieuwe kracht ervaren die ons op de Weg zet die Jezus van Nazareth ons gewezen heeft, ook vandaag mogen we daar mee op weg gaan.

 

Uit de duisternis zal licht schijnen.

woensdag, 11 februari, 2015

2 Korintiërs 4:1-6

1 ¶ Omdat God ons in zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet. 2 Integendeel, we hebben ons afgekeerd van heimelijke lafheid: we gaan niet sluw te werk, vervalsen het woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend. Zo bevelen we ons ten overstaan van God aan bij ieders geweten. 3 Wanneer er dan toch nog een sluier ligt over het evangelie dat wij verkondigen, geldt dit alleen voor hen die verloren gaan: 4 de ongelovigen, van wie de gedachten door de god van deze wereld zijn verblind, waardoor ze het licht van het evangelie niet kunnen zien, de luister van Christus, die het beeld van God is. 5 Wij verkondigen niet onszelf, wij verkondigen dat Jezus Christus de Heer is en dat wij omwille van hem uw dienaren zijn. 6 De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen, ‘heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus. (NBV)

Het lijkt er op het eerste gezicht op dat Paulus ook in het gedeelte dat we vandaag lezen zichzelf verdedigt. Maar zo is het niet. Paulus stelt zichzelf als voorbeeld. Alles heeft hij opgegeven om het Evangelie te verkondigen. De blijde boodschap van de bevrijding uit de slavernij. Een carrière heeft hij niet, belangrijke posten in de gemeenten die hij heeft helpen stichten heeft hij afgewezen, nog lang niet iedereen op aarde heeft de boodschap gehoord. Niet iedereen wil de boodschap ook begrijpen. Mensen die zich onder de godheid van de wereld willen scharen begrijpen er niks van. Waarom willen mensen toch bevrijd worden van de slavernij van winst en profijt? Waarom toch vrij van de 24 uurs economie? Waarom een heel volk vrij maken en een dag in de week alles laten rusten, alle winkels sluiten en iedereen vrij geven?

Wie ook in onze dagen naar de wereld kijkt snapt er niks van, wie naar het Koninkrijk kijkt wordt alleen al bij de gedachte aan die gezamelijke bevrijding warm van binnen. Zo kiest Paulus, die de boodschap in de wereld brengt, voor de afwijzing en het doodzwijgen, zodat wij die de boodschap horen en aanvaarden voor het leven in vrijheid kunnen kiezen. Maar denk nu niet dat Paulus vindt dat hij de bedreigingen van buiten uit eigen kracht kan doorstaan. Hij is onder druk gezet, maar niet in het nauw gedreven, hij was om raad verlegen maar niet radeloos, hij was vervolgd maar niet in de steek gelaten, op de grond geworpen maar niet verloren. De kracht van Paulus komt van buiten, van zijn Schepper.

We moeten bij het slot van het gedeelte dat we vandaag lezen onwillekeurig denken aan het woord van de Profeet Jesaja die schreef dat het volk dat in duisternis wandelde een groot licht zou zien maar het niet zou aanvaarden. Voor Christenen is dat licht in de eerste plaats Jezus van Nazareth. Zo wordt hij ons ook verkondigd, een stralend mens die ook zijn volgelingen zou stralen. Nu moet je dat natuurlijk niet letterlijk nemen, de echte Jezus van Nazareth die als duiveluitdrijver en Rabbi ergens in de eerste vijftig jaar van onze jaartelling in Palestina rondliep straalde echt niet. Maar hij had wel veel volgelingen. die zelfs nadat hij aan een kruis was gestorven hem als levend mens bleven ontmoeten en met hem aten en naar zijn onderricht hebben geluisterd. Die leer hebben ze vervolgens over hun wereld, het Romeinse Rijk verspreid. En er ging veel mensen een licht op, want het licht dat uitgaat van de liefde voor de minsten blijft niet verborgen. Zelfs wij worden er door verlicht en mogen er anderen door verlichten, tot op vandaag, en ook vandaag opnieuw.

 

Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.

dinsdag, 10 februari, 2015

2 Korintiërs 3:7-18

7 Wanneer wat de dood bracht en met letters in steen werd gegrift, al met zoveel luister verscheen dat het volk van Israël niet naar Mozes kon kijken door de stralende glans op zijn gezicht-een glans die verdween-, 8 zal dan wat de Geest brengt niet nog groter luister hebben? 9 Wanneer wat tot veroordeling leidt al met luister is bekleed, dan is wat tot vrijspraak leidt dat des te meer. 10 De luister van toen is niets in vergelijking met de overweldigende luister van nu. 11 Wanneer wat verdwijnt al luister bezit, geldt dat des te meer voor wat blijft. 12 ¶ Dit is onze hoop, en daarom handelen we in alle openheid 13 en zijn we niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte, zodat de Israëlieten niet konden zien dat de glans verdween. 14 Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen. 15 Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. 16 Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. 17 Welnu, met de Heer wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. 18 Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd. (NBV)

In het boek Exodus kunnen we dat prachtige verhaal lezen hoe het volk Israël haar richtlijnen voor de menselijke samenleving van de God van Israël ontving. Hoe het eerst nog mis ging omdat het volk te ongeduldig werd en een gouden kalf maakte. Maar hoe uiteindelijk Mozes opnieuw de stenen platen ontving waar de 10 woorden op gegrifd stonden. Toen Mozes met die platen de berg afdaalde glansde zijn gezicht zo erg dat hij zich moest bedekken met een sluier. Paulus vertelt het verhaal op zijn eigen manier, als een negatief gebeuren. Want door de sluier merkte het volk niet dat de glans van het gelaat van Mozes verdween. Er was wel een wet overgebleven maar de Geest van de God van Israël was verdwenen. Paulus stelt dat die Geest weer teruggekomen is met Jezus van Nazareth en omdat de richtlijnen nu gegrifd staan in het hart van elke gelovige is er geen sluier meer nodig omdat die glans van vreugde van het gezicht van elke gelovige te zien is. Alleen als je die richtlijnen als wet leest, met regeltjes, toepassingen, verboden en geboden, compleet met jurisprudentie dan ligt er als het ware een sluier overheen.

Dan zet die Wet je niet aan tot daden maar dan dwingt de angst voor het oordeel je handelen. Calvijn merkte al op dat het horen van de Wet je bepaald bij je zonde, bij je overtredingen, maar dat de Geest van Christus, de bevrijder, je vrijmaakt van alle geboden en verboden en je in beweging zet met de richtlijnen. In het Hebreeuws noemt met die richtlijnen de Dabar en dat zijn de woorden die je in beweging te brengen. Op die manier kan iedereen er aan mee doen. Joden natuurlijk maar ook de Heidenen. Die Heidenen ontdekten dan wel dat ze geen andere goden meer nodig hadden, een God die je bevrijdt van elke vorm van slavernij is genoeg, maar ze hoefden niet ook nog toe te treden tot het volk van Israël en de gewoonten van Israël over te nemen. Ze mochten zichzelf blijven en hoefden zich alleen af te keren van de gewoonten van hun wereld.

Met de richtlijnen van de God van Israël in je hart hoef je niemand meer te doden, niemand meer het leven te ontnemen, dan hoef je van niemand meer het bezit te nemen, van niemand meer te stelen, dan ben je ook op niemand meer jaloers, want je hebt immers alles wat je nodig hebt, je hoeft ook niet meer te liegen, maar je hoeft ook geen andere goden meer te dienen omdat je aan de God van Israël genoeg hebt. Offers zijn ook niet meer nodig, dat wat je offert is hetgeen je deelt met je naaste die het nodig heeft. En je bent bevrijdt van de noodzaak altijd maar te werken en winst te maken, één dag in de week vier je samen met iedereen de dag van de bevrijding, totdat er een wereld komt waarin iedereen bevrijdt zal zijn van alle leed en pijn. Geen wonder dat je een glans op je gezicht krijgt als je zo het leven viert. Het grootste wonder is dat je er elke dag opnieuw mee mag beginnen, elke dag weer, ook vandaag.

U bent zelf een brief van Christus

maandag, 9 februari, 2015

2 Korintiërs 2:14-3:6

14 God zij gedankt dat hij ons, die één zijn met Christus, in zijn triomftocht meevoert en dat hij overal door ons de kennis over hem verspreidt als een aangename geur. 15 Wij zijn de wierook die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan. 16 Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt. Wie is geschikt voor deze taak? 17 Wij zijn niet als zoveel anderen, die aan het woord van God willen verdienen; wij spreken erover in alle oprechtheid, in opdracht van God, ten overstaan van hem en in eenheid met Christus. 1 ¶ Beginnen we onszelf weer aan te bevelen? Of hebben we net als sommige anderen aanbevelingsbrieven voor of van u nodig? 2 U bent zelf onze aanbevelingsbrief, in ons hart geschreven, maar voor iedereen te zien en te lezen: 3 u bent zelf een brief van Christus, door ons opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift maar in het hart van mensen. 4 Dit vertrouwen kunnen wij dankzij Christus tegenover God uitspreken. 5 Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken we aan God. 6 ¶ Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. (NBV)

“Zijn woord wil deze wereld omgekeerd” dichtte Huub Oosterhuis eens in een lied. Paulus illustreert dat in het gedeelte dat we vandaag lezen. Een triomftocht waarin mensen meegevoerd werden kende men in het Romeinse rijk maar al te goed. Elke Romeinse Keizer liet met enige regelmaat weer een volk veroveren of verslaan om een dergelijke triomftocht organiseren waarin de overwonnenen als slaven werden meegevoerd om daarna ter dood te worden gebracht of verkocht. De God van Israël doet het omgekeerde, die voert mensen mee als bevrijde mensen en laat ze daarna vrij. Soms werd het ter dood brengen van overwonnenen ook gezien als een offer aan de oorlogsgod Mars. De Joden kenden hun beweegoffer waarbij wierook werd geofferd als een aangename geur voor de God van Israël. Zulke offers zijn wij gelovigen ook schrijft Paulus, wij bewegen immers in de Geest van Jezus van Nazareth en zijn daarmee een aangename geur voor de God van Israël.

Dat wat wij goed doen hebben we dus niet van onszelf maar geleerd van en geïnspireerd door de bevrijder, de Messias, in het Grieks de Christus. En de mensen naar wie wij de hand hebben uitgestoken, met wie wij hebben gedeeld zijn onze aanbevelingsbrieven, zoals de gemeenten waarin het onderscheid tussen Jood en Griek, tussen vrije en slaaf, tussen arme en rijke was weggevallen de aanbevelingsbrieven voor Paulus waren. Daar gaat zijn hart naar uit zoals ons hart uitgaat naar de minsten onder ons, want wat we hen gedaan hebben hebben we aan de Christus gedaan. Ook hier vinden we weer het beeld dat Paulus gebruikt voor de 10 woorden, die staan voor alle richtlijnen voor de menselijke samenleving. In de Hebreeuwse Bijbel konden we lezen dat die 10 woorden in stenen platen gegrifd stonden en het hart vormde van het volk van Israël. Die platen werden in de Tempel in Jeruzalem bewaard, geen beeld van een God dus maar de opdracht de naaste lief te hebben als jezelf.

Maar die stenen platen hadden tot een stenen geloof geleid en volgens Paulus moet het weer een levend geloof worden dat niet in een Tempel ligt waar je niet bij mag komen maar dat in je eigen hart gegrifd staat. Dat is het nieuwe van het verbond dat Jezus van Nazareth gesloten heeft met zijn volgelingen. Dat nieuwe is dus niet een nieuwe wet, dat nieuwe vervangt dus niet een oude wet maar maakt de versteende richtlijnen weer tot een levende Weg. De richtlijnen van heb uw naaste lief als uzelf worden niet meer bewaakt door priesters en levieten in een Tempel, maar we zijn zelf een geslacht van priesters en koningen geworden schrijft Paulus op een andere plaats. Zo mogen we elke dag opnieuw een aangenaam geurend beweegoffer voor onze God worden als wij ons inzetten voor de minsten en de zwaksten in de samenleving en onze naaste liefhebben als onszelf. Ook vandaag mag dat weer.