Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2015

Bij elk vermoeden

zaterdag, 28 februari, 2015

Exodus 21:37–22:8

37 Wanneer iemand een rund steelt of een schaap of geit en hij slacht of verkoopt het dier, dan moet hij het vergoeden: een rund met vijf runderen, en een schaap of geit met vier schapen of geiten. 1 Betrapt iemand de dief op heterdaad en slaat hij hem dood, dan laadt hij daarmee geen bloedschuld op zich. 2 Gebeurt dit echter na zonsopgang, dan laadt hij wel bloedschuld op zich. De dief moet alles vergoeden; bezit hij niets, dan moet men hem verkopen voor een bedrag ter waarde van het gestolene. 3 Als het gestolen dier nog levend bij hem wordt aangetroffen, moet hij het dubbel vergoeden, of het nu een rund betreft, een ezel, schaap of geit. 4 Wanneer iemand zijn vee loslaat om een stuk land of een wijngaard te begrazen, en zijn dieren grazen de akker van een ander af, dan moet hij de schade met de beste opbrengst van zijn land of wijngaard vergoeden. 5 Wanneer iemand iets verbrandt en het vuur overslaat op doornstruiken, waardoor korenschoven of een akker met het staande koren in vlammen opgaan, moet de veroorzaker van de brand de schade vergoeden. 6 Wanneer iemand geld of sieraden aan een ander in bewaring geeft en dit wordt uit het huis van die ander gestolen, moet de dief, als hij gepakt wordt, een dubbele vergoeding geven. 7 Als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van het huis in het heiligdom zweren dat hij zich niet aan de bezittingen van de ander heeft vergrepen. 8 Bij elk vermoeden van verduistering-of het nu een rund betreft, een ezel, een schaap of geit, een kledingstuk, of welk zoekgeraakt voorwerp ook waarvan iemand beweert dat het zijn eigendom is-moeten beide partijen hun zaak aan God voorleggen. Degene die door God schuldig verklaard wordt, moet de ander een dubbele vergoeding geven. (NBV)

Nog meer casuïstiek uit het boek Exodus vandaag. Hoe richt je een samenleving nu zo in dat aan iedereen recht wordt gedaan? Die vraag wordt ook aan ons gesteld. Een samenleving is immers steeds aan verandering onderhevig en altijd is de vraaag welke spelregels nu de beste zijn. Gelovigen zullen zeggen dat de spelregels van de God van Israël de bovenste beste zijn. Maar in de dagen dat het boek Exodus haar definitieve vorm en inhoud kreeg had men van de hedendaagse technologie en haar mogelijkheden nog geen benul. Toch zijn de vragen die het boek Exodus aan ons stelt van groot belang. De eerste vraag bijvoorbeeld gaat over het recht je te verdedigen tegen inbrekers en roofovervallers. Mag je zover gaan dat ze het leven verliezen? Het leven is immers het allerbelangrijkste en het kostbaarste dat een mens bezit. Elk belang van bezit aan voorwerpen en geld valt in het niet bij mensenlevens. Als het duister is en iemand breekt in of overvalt je dan is het te rechtvaardigen dat je je zelf ook zo bedreigd voelt dat je je zo verdedigt dat daar iemand aan kan dood gaan. Als het licht is en je kunt de bedoelingen inschatten en men bedreigt je niet met de dood, dan mag je niet doden, dat laatste is dus altijd het uitgangspunt.

Een dief die betrapt wordt moet alles vergoeden, heeft hij niks dan moet hij als slaaf verkocht worden voor het bedrag dat hij gestolen heeft. Dat klinkt heel wreed maar de Tora kent ook uitzonderingen. Als iemand een brood steelt om zijn gezin te voeden dan is hij onschuldig. De samenleving had er maar voor moeten zorgen dat het niet zo ver zou komen. Wij kennen geen slavernij mee maar wel werkstraffen. Er heerst terecht onvrede over die dieven die wel veroordeeld worden voor het misdrijf dat ze hebben begaan maar nooit de schade zullen kunnen vergoeden die ze hebben veroorzaakt. Misschien roept deze tekst uit Exodus ons op bij het inrichten van mogelijke werkstraffen ook eens wat vaker te denken aan de mogelijkheid iemand te laten werken voor het slachtoffer, of het slachtoffer mee te laten bepalen met wat voor werk de schade vergoed zou kunnen worden. Ook slachtoffers zal recht gedaan moeten worden blijkt uit de Bijbelse bepalingen en richtlijnen. Niet voor niets wordt in sommige gevallen zelfs een Godsoordeel gevraagd.

Dat Godsoordeel kennen we niet meer. De manieren die mensen hadden om een Godsoordeel te vragen hadden in het verleden te vaak het karakter van een loterij en loterijen zijn door mensen te manipuleren. Door de rijken meestal nogal gemakkelijker dan door de armen. Wij moeten het dus hebben over zorgvuldige rechtspraak. Juist waar het gaat om materiele schade ontbreekt het daar nog wel eens aan. Als twee mensen een geschil hebben over iets als verduistering wordt al snel geoordeeld dat het gaat om een geschil tussen twee mensen en niet om een strafbaar feit. Zorgvuldig onderzoek naar de zaak wordt dan zeer beperkt en eigenlijk aan beide partijen overgelaten. Aangezien de armen ook in onze samenleving nauwelijks toegang hebben tot ons rechtssysteem, advocaten en onderzoekers niet kunnen betalen, geeft ons huidige rechtssysteem mensen met een laag inkomen en zonder vermogen niet de kans zich tot hun recht te laten komen. Die oude bepalingen over runderen en geiten zullen ons op het spoor moeten brengen van gerechtigheid en rechtvaardigheid. Het tot hun recht komen van de armsten en de zwaksten in de samenleving zal daarbij voorop moeten staan, ook vandaag de dag.

Wanneer iemand

vrijdag, 27 februari, 2015

Exodus 21:26-36

 

26 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zodanig in het oog treft dat dit verloren gaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor dat oog vrijlaten. 27 En als hij zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor die tand vrijlaten. 28 Wanneer een stier een man of vrouw zodanig stoot dat deze sterft, moet die stier gestenigd worden en mag het vlees ervan niet gegeten worden. De eigenaar gaat echter vrijuit. 29 Maar als die stier een man of vrouw doodt terwijl hij voor die tijd al stotig was, en de eigenaar was gewaarschuwd maar had hem niet vastgezet, dan moet niet alleen de stier gestenigd worden maar moet ook de eigenaar ter dood gebracht worden. 30 Legt men hem een afkoopsom op, dan moet hij als losprijs voor zijn leven de volle som die hem wordt opgelegd betalen. 31 Deze regels gelden ook als de stier een jongen of meisje stoot. 32 Als hij een slaaf of slavin stoot, moet aan zijn of haar meester dertig sjekel zilver worden betaald en moet de stier gestenigd worden. 33 Wanneer iemand een put graaft of openlegt en hem daarna niet afdekt, en er valt een rund of een ezel in, 34 moet de eigenaar van de put de schade vergoeden: hij betaalt de eigenaar van het dier een bepaald bedrag en mag het dode dier houden. 35 Wanneer iemands stier de stier van een ander zodanig stoot dat die sterft, moet de levende stier verkocht worden en de opbrengst ervan gedeeld. Ook het dode dier moet verdeeld worden. 36 Maar als bekend was dat de stier voor die tijd al stotig was en de eigenaar had hem niet vastgezet, dan moet hij de dode stier met een levende vergoeden; het dode dier mag hij houden.(NBV)

Nog meer casuïstiek vandaag. De tora wordt wel eens vergeleken met een weg die je uit het woud van beslissingen draagt dat je elke dag moet nemen. Wij hebben geen slaven meer zul je denken, maar dat is te gemakkelijk gedacht. Uit het geheel van deze voorbeelden van wat recht is komt een patroon tevoorschijn waar wij ook vandaag de dag nog ons voordeel mee kunnen doen. Allereerst dat de zwakke beschermd moet worden. Als je een onderliggende partij verwond dan kan dat niet zomaar, dan kom je er niet zonder kleerscheuren van af. We hebben gelezen van oog om oog en tand om tand, maar als het gaat om slaven en slavinnen dan is hun vrijheid veel belangrijker dan het verwonden van een dader als vergoeding voor het aangedane leed. Dus als je een slaaf een tand of een oog laat verliezen dan is die slaaf onmiddelijk vrij. Richtlijn is dus niet een strakke definitie als oog om oog of tand om tand maar richtlijn is de schade die je toebrengt, die moet hersteld worden en armen hebben daarbij andere belangen dan rijken.

Een ander patroon dat hier tevoorschijn komt is dat van de verantwoordelijkheid. Stieren zijn onvoorspelbare beesten en als je als boer een stier bezit kun je er alles aan doen om die gevaarloos te vervoeren. Je blijft echter het risico lopen dat er toch onverwacht iets met de stier gebeurd. Ook kunnen mensen onbedoeld terecht komen in het weiland waar de stier loopt te grazen. Als er dan gewonden vallen dan ben je zelf niet verantwoordelijk voor de schade. Het vlees van de stier kan gedeeld worden en dat is dan dat. Maar als je weet hebt van gevaarlijk gedrag van de stier in jouw bezit dan moet je zorgen dat de stier bij andere mensen wegblijft. Desnoods zet je waarschuwingsborden bij het weiland of je houdt de stier afgezonderd in de stal. In de Bijbel staat dat voor een stier, maar het geldt natuurlijk voor alles wat in jouw bezit is. Zelfs voor je auto’s. De wetgevers hebben daarvoor in onze dagen een periodieke keuring ingevoerd. Als jij je onttrekt aan die keuring en komen ongelukken, of als je de bevindingen van die keuring negeert en er komen ongelukken van dan ben je rechtstreeks verantwoordelijk voor de gevolgen. Als er iemand aan sterft kun je berecht worden voor doodslag.

Het recht van de zwakste in een conflikt is lange tijd uit onze rechtspraak verdwenen. Slachtoffers en nabestaanden waren volstrekt buiten beeld. Heel langzaam dringt het besef door in de rechtspraak dat het niet alleen om de persoon van de dader gaat maar ook op de ernst van de gevolgen van een misdrijf. Die ernst is niet in alle gevallen gelijk. Hetzelfde misdrijf kan voor de ene benadeelde, voor de ene nabestaande of slachtoffer, veel zwaarder wegen dan voor de andere. De genoegdoening zal daarop moeten zijn afgestemd. Soms in de vorm van een hogere straf, soms in de vorm van een lagere straf om de dader in de gelegenheid te geven de schade materieel te vergoeden en het slachtoffer of de nabestaande de zekerheid te geven dat de materiele vergoeding ook binnen afzienbare tijd ook verkregen kan woren. Er wordt zelfs over gesproken dat we als samenleving, via de overheid, voorschotten op die materiele vergoeding zullen kunnen betalen. Daarmee zal het recht van de armsten in ons rechtssysteem pas verankerd kunnen worden. Zo kunnen we leren dat ook die casuïstiek uit de Tora ons kan helpen recht te doen. De Bergrede uit het Evangelie van Matteüs wordt beschouwd als een hervertelling van de Tora voor de mensen die leden onder de Romeinse bezetting. Wij lijden onder het Romeinse Recht waar de regels recht worden gedaan. Door te blijven vertellen over dat Koninkrijk van God kunnen we beetje bij beetje er voor zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Met voorbedachten rade

donderdag, 26 februari, 2015

Exodus 21:12-25

12 ¶ Wie een ander zodanig slaat dat deze sterft, moet ter dood gebracht worden. 13 Maar in het geval dat hij het niet met opzet deed en God zijn hand bestuurde, kan hij vluchten naar een plaats die ik jullie zal aanwijzen. 14 Wanneer iemand een ander echter verraderlijk vermoordt, met voorbedachten rade, mag je hem zelfs van mijn altaar weghalen om hem ter dood te brengen. 15 Wie zijn vader of moeder mishandelt, moet ter dood gebracht worden. 16 Wie iemand ontvoert, moet ter dood gebracht worden, of hij de ander nu als slaaf verkocht heeft of hem nog in zijn bezit heeft. 17 Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden. 18 Wanneer twee mannen ruziemaken en de een de ander zodanig met een steen of met zijn vuist slaat dat hij niet sterft maar wel het bed moet houden, 19 en hij weer op de been komt en met behulp van een kruk weer buiten kan lopen, dan gaat degene die hem geslagen heeft vrijuit. Wel moet deze hem de gedwongen rusttijd en de kosten van zijn herstel vergoeden. 20 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat en hij of zij sterft ter plekke, dan moet er vergelding plaatsvinden.21 Als de slaaf of slavin nog enkele dagen in leven blijft, gaat de eigenaar vrijuit; door het verlies van zijn eigendom is hij genoeg gestraft. 22 ¶ Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien.(NBV)

Casuïstiek, daar lezen we vandaag over. Elke dag moet iedereen talloze beslissingen nemen. Heel vaak ook beslissingen die anderen raken. Sommige beslissingen lijken je opgedrongen te worden, door de samenleving, door je werk, door de buurt waarin je woont, door je gezin. Moet je je tegen die opgedrongen beslissingen verzetten of niet? Als er iemand dood aan gaat moet je je er zeker tegen verzetten. In deze dagen wordt herdacht dat in februari 1942 heel veel mensen in ons land staakten omdat de Duitse bezetter hun collega’s en buren bij elkaar had gedreven om hen weg te voeren. Dat die collega’s en buren de dood zouden vinden, vermoord zouden worden, dat wist men niet. Maar dat onschuldige mensen met wie men soms al generaties om ging zo maar zonder reden konden worden opgepakt en weggevoerd ging heel veel mensen te ver. De mensen die opgepakt werden hoorden volgens de Duitse bezetter bij het volk Israël, een volk zonder staat, een volk dat ooit had geleerd niet te doden en dat daar naar ook wilde leven. Tenminste de mensen die ook zelf bij dat volk gerekend wilden worden.

We denken gemakkelijk dat het gedeelte dat we vandaag lezen de invoering van de doodstraf legitimeert. Maar dan hebben we het toch niet helemaal goed begrepen. De regel die het volk gegeven is: “Gij zult niet doden” blijft als opschrift boven dit gedeelte uit de Bijbel staan en is gegeven aan het volk Israël op hetzelfde moment dat de uitwerking die we vandaag gelezen hebben is gegeven. Dat vertelt ons het verhaal van de Bijbel. Geleerden kunnen wel zeggen dat de tien woorden en de andere regels op hele verschillene tijden zijn ontstaan en opgeschreven dat neemt niet weg dat ze nu in één verhaal staan en dat het feit dat het een doorlopend verhaal is ook aan ons een boodschap inhoudt. De vraag die hier wordt gesteld is hoe je als volk van de God van Israël met elkaar om gaat. Doden van elkaar is dus absoluut verboden. Ook het per ongeluk doden van mensen, geboren of niet, heeft gevolgen die recht gezet moeten worden. Zelfs het je ouders dood verklaren, vervloeken heet dat hier, heeft gevolgen voor een samenleving zoals de God van Israël die wil zie.

De regels die we hier lezen zijn dus niet een toestemming om anderen te doden, ook niet een toestemming aan een staat of een rechtssysteem, de regels zijn heel eenvoudig: doden mag niet, nooit niet, er is geen enkel excuus voor. Alleen wie nooit, helemaal nooit iets gedaan heeft dat eigenlijk in strijd is met de regels van de God van Israël zou misschien mogen beginnen met het voltrekken van een dodende straf. Toen Jezus van Nazareth dat eens voorlegde aan de religieuze leiders van zijn tijd, mensen die op alle manieren bezig waren de spelregels te verkennen en toe te passen, was er niemand die zich geroepen voelde ook werkelijk te gaan stenigen. Jezus van Nazareth heeft de betekenis van de regels die we vandaag hebben gelezen duidelijk gemaakt door ze te radicaliseren. Al scheld je iemand uit dan moet je je al verantwoorden, als je “dwaas” of “nietsnut” roept pleeg je eigenlijk al een misdrijf. Omdat heel veel mensen bewust of onbewust al volgens deze regels leven en leefden is het te begrijpen dat er in 1942 gestaakt werd, en begrijpen we dat we dat nog steeds herdenken. We moeten ons blijven verzetten tegen een samenleving waarin het gewoon is elkaar met woorden te vernederen of af te maken. We moeten naar een samenleving waar we mensen tot hun recht laten komen. Dat was in de woestijn onder Mozes zo, dat was in de dagen van Jezus onder de Romeinse bezetting zo, dat was in de Tweede Wereldoorlog zo, dat is vandaag in onze dagen nog helemaal niks anders, elke dag weer.

Houd hun ook deze regels voor

woensdag, 25 februari, 2015

Exodus 21:1-11

1 ¶ ‘Houd hun ook deze regels voor: 2 Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij je zes jaar lang dienen; in het zevende jaar mag hij als vrij man vertrekken, zonder iets te hoeven betalen. 3 Als hij alleen is gekomen, moet hij ook alleen weggaan; was hij getrouwd, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. 4 Als zijn meester hem een vrouw heeft gegeven en zij heeft hem zonen of dochters gebaard, blijven de vrouw en haar kinderen eigendom van de meester en moet de slaaf alleen weggaan. 5 Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, 6 dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf. 7 Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, kan zij niet vrijkomen zoals de mannelijke slaven. 8 Als haar meester haar voor zichzelf bestemd had en zij hem niet meer aanstaat, moet hij haar laten terugkopen; hij heeft niet het recht haar aan derden te verkopen, omdat hij zijn verplichtingen tegenover haar niet is nagekomen. 9 Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar als een dochter behandelen. 10 Neemt hij naast haar een andere vrouw, dan mag hij de slavin niet minder voedsel of kleding geven en niet minder vaak gemeenschap met haar hebben; 11 doet hij haar op een van deze drie punten tekort, dan mag ze weggaan zonder ook maar iets te hoeven betalen.(NBV)

Als je je samenleving hebt ingericht volgens de tien regels die God zelf vanuit een donkere wolk had gesproken dan volgen er de consequenties. Je kunt niet vrijblijvend een verbond met de God van Israël sluiten. Dat heeft vergaande gevolgen voor je dagelijks leven, voor je economie en de manier waarop binnen jouw huis met mensen wordt omgegaan. De eerste spelregel die komt na de tien woorden en na het bouwen van een offerplaats uit aarde volgen spelregels voor Hebreeuwse slaven. Die slaven zijn je broeders en zusters. Ze zijn geen eigendom. Het kan zijn dat ze een schuld aan je hebben, of uit armoede niet anders konden dan zichzelf verkopen maar het blijven je broeders en zusters. De God van Israël is in de eerste plaats een God van een slavenvolk. Die slaven worden van machines weer mensen gemaakt. Dat volk van slaven wordt een vrij volk, met een rustdag om die vrijheid te vieren, die vrijheid van slaven staat in de regels voor alledag voorop.

Een hebreeuwse slaaf komt na zeven jaar vrij. Hij en zijn gezin als hij al een gezin had toen hij slaaf werd. Als de slavenhouder hem een gezin heeft bezorgd blijft dat gezin eigendom van die slavenhouder maar de vrij te laten slaaf krijgt een keus. Of hij vertrekt als vrij man, of hij gaat tot het huishouden van de slavenhouder horen en blijft bij zijn gezin. Dat is dus uitdrukkelijk niet de keus van de slavenhouder. Dat staat vooraf vast. Zo zijn de regels en die zijn niet naar willekeur aan te passen of te veranderen. Het zijn regels voor het omgaan met je broeder, met je naaste. Ook hier zal duidelijk moeten zijn dat je je naaste liefhebt als jezelf. Daarom moet je naar het Heiligdom als de slaaf niet weg wil. Daar nagel je hem symbolisch aan je deur. Dan weet iedereen dat je je aan de Heilige regels houdt, dan wordt openbaar dat het de eigen keus van de vrij te laten slaaf is. Overigens ook wordt duidelijk dat de vrij te laten slaaf kennelijk een zo goed gezinsleven kan lijden bij de slavenhouder dat daarvoor in vrijheid gekozen kan worden.

Een man neemt niet voor niks een slavin. Daar ga je een relatie mee aan. Een vrouw had geen zelfstandige economische positie in de samenleving. Daarom moesten weduwen en wezen extra beschermd worden. En vrouwelijke slaven dus ook. Die neem je voor jezelf of voor je zoon. Als je een slavin koopt voor je zoon dan wordt dat niet je slavin maar je schoondochter. Je koopt haar als het ware vrij van de armoede die je vader dwong jou te verkopen. Als de slavenhouder je heeft gekocht voor zichzelf dan ben je vanaf dat moment niet minder als zijn vrouw. Als hij naast jou nog een vrouw neemt dan deel je met haar de huwelijkse staat, niet meer en niet minder. Als ze niet bevalt dan ga je een scheiding aan zoals je van je eigen vrouw zou scheiden. Als je je niet aan de regels houdt dan mag zij gaan scheiden en is ze vrij door jouw ontrouw aan de regels van de God van Israël. Wij kennen die slavernij niet meer. Wij kennen nog loonslaven en in een veranderende economische samenleving mogen de moderne slavenhouders, werkgevers, wel eens vaker beseffen dat volgens de Bijbelse richtlijnen werknemers en werkneemsters tot je familie behoren en als broeders en zusters behandeld moeten worden. Elke dag is er om zo opnieuw de samenleving in te richten, ook vandaag weer.

Maak voor mij een altaar van aarde

dinsdag, 24 februari, 2015

Exodus 20:18-26

18 ¶ Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 19 Ze zeiden tegen Mozes: ‘Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.’ 20 Maar Mozes antwoordde: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.’ 21 En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was. 22 ¶ De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. 23 Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. 24 Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. 25 Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. 26 En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.’(NBV)

Het volk wordt dus onthaald door een dondergod. Donder en bliksem, rook uit de berg en dan ook nog dat doordringende geluid van de ramshoorns. Je wordt er bang van. Dat hoeft niet. Wie bang wordt loopt weg en ontmoet die God dus niet. Veel en veel later zal de profeet Elia naar dezelfde berg vluchten en daar ook diezelfde God ontmoeten, dat is dan niet in bliksem en donder, juist in de storm die aan Elia voorbijtrekt is die God niet aanwezig, maar die God is voor hem in het zacht ruisen van een bries. Maar die dondergod heeft in de loop van de eeuwen de meeste indruk gemaakt. In sommige kerken wordt die dondergod nog wel aan de gemeente voorgehouden en de dominee dondert dan minstens net zo hard als de donder op de Horeb uit het verhaal van vandaag. Ook buiten de kerken, door ongelovigen, wordt graag gesproken over een dondergod waar men dan niet meer in wil geloven.

Je hoort zelden een preek over het laatste vers van het gedeelte dat we vandaag uit de Bijbel lezen. Dat de Bijbel een boek is waar over de meest ernstige onderwerpen grapjes worden gemaakt wil er zelfs bij de trouwe gelovigen eigenlijk niet in. Toch is het zo. Al dat vertoon van grootheid, van almacht eindigt er mee dat de God van Israël alleen maar altaren wil van ruwe stenen en dan zonder trappen, zonder zich te verheffen boven de aarde dus. Ook degene die offert moet zich vooral niet verheffen boven de anderen. Dat offeren doen we af en toe ook door te vasten. Dat vasten is dan het opgeven van luxe, even terug om te weten hoe geweldig het is allerlei extra te mogen ontvangen van de God van Israël. Jezus van Nazareth hield zijn volgelingen voor dat je dat vasten voor jezelf moet houden. Daarmee moet je niet de anderen de ogen uitsteken, je niet beter voordoen dan zij die niet kunnen vasten, die het zich helemaal niet kunnen permiteren om te vasten. Als je eten van de voedselbank komt dan heb je echt geen luxe waar je een tijdje zonder zou kunnen om te vasten. Wie in deze 40 dagen dan ook over het eigen vasten spreekt moet dus eigenlijk gewantrouwd worden.

Maar hoe zit dat dan met het aanbidden van die God van Israël. Je hoeft niet op de grond gaan liggen van angst. Je hoeft geen mooie fraai versierde altaren maken. Ruwe stenen zijn genoeg en alleen als die God het zelf nodig vindt zal die God daar aanwezig zijn. Wij mensen hebben er toch behoefte aan het hogere te aanbidden, zo wil die God van Israël niet zijn. Wij kijken naar de beste, de rijkste, de meest succesvolle, de persoon die genezen is van een ongeneeselijke ziekte, die ondanks een handicap toch rijk kan worden. We houden op allerlei terreinen zelfs wedstrijdjes waar we massaal naar kijken. Zelfs de liefde voor boeren en boerinnen lijkt een wedstrijd geworden te zijn tussen mogelijke partners uit wie gekozen moet worden. De God van Israël roept dan ineens dat naast die God geen beelden van zilver en goud mogen worden gemaakt. De winnaars van zilver en goud zijn ook maar gewone mensen en beelden worden door mensen gemaakt. Jezus van Nazareth zal ons veel later in het verhaal uitleggen waar die God zou willen zijn. Als twee of drie mensen in zijn naam bij elkaar zijn. En zijn naam is geen toverspreuk maar een uiting van liefde. Als twee of drie mensen bijeen zijn om elkaar te helpen, om elkaar te steunen of te troosten, dan is God er bij. Daar mogen we op rekenen, elke dag opnieuw, ook vandaag dus.

Toen sprak God deze woorden

maandag, 23 februari, 2015

Exodus 20:1-17

1 ¶ Toen sprak God deze woorden: 2 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.3 Vereer naast mij geen andere goden.4 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5 Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. 7 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. 8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 9 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 10 maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard. 12 ¶ Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 13 Pleeg geen moord. 14 Pleeg geen overspel. 15 Steel niet. 16 Leg over een ander geen vals getuigenis af. 17 Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’ (NBV)

De tien geboden lezen we vandaag dus. Wat moeten we daar nog over zeggen, er zijn dikke boeken vol over deze 17 verzen uit het boek Exodus geschreven. En in het boek Deuteronomium kom je deze diverse geboden ook tegen en die zijn dan weer met deze verzen uit Exodus vergeleken en daar zijn dan ook weer dikke boeken over geschreven en over die lijst met geboden uit Deuteronomium kun je ook nog heel veel lezen. Dus wat er nog aan toe te voegen? De meeste mensen kennen er toch een aantal van en of ze nu geloven of niet, bij een kerk horen of niet, dit zijn volgens de meeste mensen toch de grondregels waaraan iedereen zich zou moeten houden. Als je ze goed leest verzucht je overigens vanzelf waarom houden de meeste mensen zich er dan toch niet aan. Misschien omdat het geen geboden zijn waar je je alleen maar te houden hebt. Dat is iets wat we maar weinig horen en nog minder vaak te lezen krijgen.

Toch is dat zo. We spreken in kerken tegenwoordig over de tien woorden. Elk van die spelregels die hier staan is dan een woord. Dat komt van het Hebreeuwse “Dabar” dat woord, zaak of ding betekent, maar zeker geen wet. Dat we niet meer over een wet spreken komt ook door de unieke bron van deze regels en het bijzondere verhaal dat er bij hoort. De bron is de God van Israël. De regels maken deel uit van een verbond dat tussen die God en zijn volk gesloten is. Dat verbond houdt in dat deze God de God van Israël zal zijn en dat het volk Israël het volk van die God zal zijn. Er was geen land toen die regels werden opgesteld. Alleen een groep ontvluchtte slaven. Drie maanden daarvoor waren ze uit Egypte gevlucht. De meesten van hen waren afstammelingen van het huis van Jacob, zeventig mensen die vanwege een hongersnood naar Egypte waren gevlucht. Daar hadden ze 400 jaar gewoond tot ze een aardig groot volk waren geworden dat door de Egyptenaren tot een slavenvolk was gemaakt.

Omwille van hun afwijkende godsdienst hadden ze eerst gevraagd om in de woestijn hun God te mogen aanbidden maar dat was ze geweigerd. Egypte was echter getroffen door een serie rampen die uiteindelijk aan die God van Israël werden toegeschreven. Toen alle eerstgeborenen waren gestorven hadden ze die slaven het land uitgejaagd. Daar hadden zich Egyptenaren en andere slaven zich bij aangesloten. Nu waren ze echt een volk. Een volk onderweg naar een eigen land. Dat eigen land moesten ze op een nieuwe manier inrichten. En dat is dus de eerste functie van deze tekst, zo richt je een samenleving van bevrijde slaven in. Het is dus geen grondwet voor individuen, maar een blauwdruk voor een samenleving van bevrijding. Daarom kan er ook gezegd worden dat afwijking van die blaauwdruk ten nadele komt van de kinderen en de kleinkinderen. Voordat je weer iedereen bevrijd hebt van slavernij kan het wel een tijdje duren. Als we om ons heen kijken zien we eigenlijk geen land ter wereld waar deze blauwdruk de grondslag van de samenleving vormt. Geen volk doet het zonder mensen te kunnen doden, veel volken doen dat ook daadwerkelijk, soms te begrijpen, soms te verwerpen. Maar volgens de Christelijke verhalen is aan alle volken de oproep om hun samenleving in te richten volgens deze grondslagen. Daar moesten we deze week dus maar eens mee beginnen, het kan elke dag opnieuw ook vandaag weer.

 

Hun kinderen zullen het land bezitten

zondag, 22 februari, 2015

Psalm 25

1 ¶ Van David. Naar u, HEER, gaat mijn verlangen uit, 2 mijn God, op u vertrouw ik, maak mij niet te schande, laat mijn vijanden niet triomferen. 3 Zij die op u hopen worden niet beschaamd, beschaamd worden zij die u achteloos verraden. 4 Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan. 5 Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij, want u bent de God die mij redt, op u blijf ik hopen, elke dag weer. 6 Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen. 7 Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd, maar denk met liefde aan mij en laat uw goedheid spreken, HEER. 8 ¶ Goed en rechtvaardig is de HEER: hij wijst zondaars de weg, 9 wie nederig zijn leidt hij in het rechte spoor, hij leert hun zijn paden te gaan. 10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden. 11 Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld, omwille van uw naam. 12 Aan wie in ontzag voor hem leven, leert de HEER de rechte weg te kiezen. 13 Hun leven verloopt in voorspoed en hun kinderen zullen het land bezitten. 14 De HEER is een vriend van wie hem vrezen, hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond. 15 ¶ Ik houd mijn oog gericht op de HEER, hij bevrijdt mijn voeten uit het net. 16 Keer u tot mij en wees mij genadig, ik ben alleen en ellendig. 17 Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwenis. 18 Zie mij in mijn nood, in mijn ellende, vergeef mij al mijn zonden. 19 Zie met hoe velen mijn vijanden zijn, hoe ze mij dodelijk haten. 20 Behoed mij en bevrijd mij, maak mij niet te schande, want ik schuil bij u. 21 Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren, op u is mijn hoop gevestigd. 22 God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten. (NBV)

Voor wie het Hebreeuws kan lezen is dit een leuke Psalm. Elk vers begint met de volgende letter uit het Hebreeuwse alfabet. Net zoiets� als de coupletten van het Wilhelmus de naam Willem van Nassov vormen met hun eerste letters, maar dan in deze Psalm met het Hebreeuwse ABC. Het volgen van de wil van God is volgens de dichter van deze Psalm kennelijk een abc’tje. Maar vertalingen doen veel van de schoonheid van de Psalm verdwijnen. Sinds de vertaling uit 1951 begint de Psalm redelijk neutraal met de opmerking dat naar U Heer mijn verlangen uitgaat. De Statenvertaling had het nog over het opheffen van de ziel tot God, een beeld waar we ons nu wat minder bij kunnen voorstellen. Er is zelfs een vertaling die spreekt van het opheffen van mijn nietige leven. Maar de mooiste is waarschijnlijk de vertaling van de Naardense Bijbel die spreekt van het geven van je hele ziel en zaligheid aan de Ene.

En dat enthousiasme kan aanspreken zeker als je leest over het vertrouwen dat� met die hoop op de Ene niet beschaamd zal worden. Daarvoor moet je zoals deze Psalm zegt de wegen van God leren, met name de armen moeten die wegen leren. Het is de weg van alvast gaan beginnen te leven alsof het licht is gekomen, alsof dat Koninkrijk van recht en vrede er al is. Dat klinkt een beetje belachelijk en daarom de wens van de dichter om niet uitgelachen te worden. Delen met elkaar, zorgen voor de zwakke, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdeling in ons midden. In het verhaal van God mag iedereen meedoen en iedereen die echt meedoet roept op om je aan te sluiten. De Psalm spreekt in dit verband van goedheid en rechtvaardigheid. Natuurlijk, ook de dichter is wel eens van die weg afgeweken. Daar blijf je niet onverschillig bij omdat God het je wel zal vergeven, omdat je elk moment opnieuw de Weg mag gaan waartoe de Bijbel oproept.

De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Maar juist omdat je op de Weg van het goede mag terugkeren wordt die pijn geheeld en gaat de vreugde overheersen. Want dan weet je dat mensen toch recht zal worden gedaan, als jij het niet doet doet God het wel. De dichter van deze Psalm zinspeelt weer op de oude belofte uit het boek Jozua, aan iedere famillie die het land kwijt raakt zal het land na 50 jaar weer worden teruggegeven. Daarom mag je er op vertrouwen dat de kinderen van de armen weer het land zullen bezitten. De armoede is geen natuurverschijnsel, je hoeft niet te wachten op een volgend leven om het te bestrijden. De opheffing uit de armoede, de bevrijding van de armen, kan vandaag nog beginnen, daar mag je met heel je ziel en zaligheid aan werken.

 

Waarschuw het volk

zaterdag, 21 februari, 2015

Exodus 19:16-25

16 ¶ Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. 17 Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. 18 De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. 19 Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. 20 De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. 21 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. 22 Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.’ 23 Mozes antwoordde de HEER: ‘Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.’ 24 De HEER zei: ‘Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.’ 25 Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over.(NBV)

Het bliksemt en het dondert, de berg is in rook gehuld en vuur speelt rond de top. Na drie maanden naar deze berg te zijn getrokken en drie dagen na de aankomst, goddelijke tijden dus, mag Mozes de berg op om God te ontmoeten. Het volk niet, zelfs de priesters niet, alleen Aäron mag mee. De inwijding van een zootje slaven die op de vlucht zijn tot een volk dat een eigen bestaansrecht heeft zal diepe indruk maken. De beschrijving die de schrijver van het boek Exodus gekozen heeft lijkt op de beschrijvingen van grote en zware vulkaanuitbarstingen en wie de beelden heeft gezien van de stof en rook uitbarsting en het vuur van de vulkaan op IJsland die het hele Europeese vliegverkeer lamlegde kan zich iets voorstellen van wat het volk Israël daar diep in de woestijn Sinaï moest meemaken.

Geen volk had zoiets meegemaakt maar uit alle verhalen over goden kon je opmaken dat het moest het zoiets zijn als wanneer je jouw God zou ontmoeten. Nog altijd wordt op het Joodse Nieuwjaar, de Rosj ha’Sjana, de Ramshoorn geblazen, ooit ook een teken voor het volk om soldaten te sturen naar het bedreigde land. Een laag en doordringend geluid waar niemand omheen kan en niemand van kan zeggen dat het niet gehoord is. Het begint de dag en weerkaatst tegen de berg, het moet op zich al ontzagwekkend geweest zijn. Dat is de omgeving waarin God tot zijn volk zal gaan spreken. Het volk weet het al, dit zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn. Dit is de God die hen uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd. Niet door een toevallige gebeurtenis, de slavernij was er zelfs door verergerd, maar een reeks rampen had het volk van Egypte getroffen, tot de dood van de eerstgeborene toe. Dat had de macht van die God al duidelijk gemaakt, dat had zijn macht aan het licht gebracht. En nu stonden ze onderaan de berg te wachten op wat komen gaat. De berg zelf mogen ze niet op, ze moeten achter de omheining blijven, zelf de priesters van die God van Israël mogen die berg niet op. Ook de rechters en de oudsten niet die ze hadden aangesteld.

Het volk is weer gelijk, er is niemand meer of beter dan de ander. Alleen Mozes, die van begin af aan de schakel is geweest tussen het volk en de God van Israël mag tot die God naderen en zijn broer die van begin af aan de woordvoerder van Mozes is geweest en die de eerste priester was van de God van Israël. Zo wilde die God kennelijk zijn volk zien. Als een volk waarbij niemand meer was dan een ander. Geen koninklijk hof, geen priesterstand met een aparte status, geen edelieden die boven het volk uitstaken, een volk van gelijken, een volk dat alleen kon overleven als het samen optrok en samen deelde van wat het had. Een volk waar ieder voor de ander had te zorgen omdat er anders niemand de tocht door de woestijn zou overleven. Ze hadden vlees in de avond en brood in de morgen. Het dagelijks brood was hen genoeg. Ze hadden zes dagen om te verzamelen en voor hun bezit te zorgen, maar ze hadden één dag om aan het volk en zijn God te besteden, één dag om te rusten. Het is een volk dat met recht apart gezet genoemd kan worden. Zo’n volk kennen we niet meer. In alle volken komen sterken en zwakken, machtigen en onmachtigen voor, in alle volken zijn er belangrijke mensen en onbelangrijke mensen, behalve in het volk van God. Wij zullen daar, ook in de kerken, nog eens hard aan moeten werken, zouden we vandaag mee kunnen beginnen.

 

Laten ze hun kleren wassen

vrijdag, 20 februari, 2015

Exodus 19:1-15

1 ¶ In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. 2 Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg. 3 Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: 4 “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. 5 Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken-want de hele aarde behoort mij toe. 6 Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’ 7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. 8 En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’ Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over, 9 ¶ waarop de HEER tegen hem zei: ‘Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.’ Toen Mozes de HEER vertelde wat het volk had geantwoord, 10 zei de HEER hem ook: ‘Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. 11 Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. 12 Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. 13 Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.’ 14 Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. 15 ‘Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent, ‘zei hij, ‘en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.’(NBV)

Vandaag lezen we een klein stukje over de uittocht van het volk Israël uit Egypte. Dat gebeurde onder leiding van Mozes en om de Egyptenaren te ontwijken trokken ze dwars door de woestijn. Midden in de woestijn kwamen ze bij de Berg waar ze de God van Israël zouden ontmoeten. Die God had hen bevrijd van de slavernij in Egypte, had hen ook bevrijd van de dood want op de dag dat ze werden bevrijd stierven alle eerstgeborenen van de Egyptenaren. Via Mozes stelt God aan het volk voor een verbond aan te gaan. Als zij zich aan het verbond zullen houden dan zal Israël het meest bijzondere volk onder alle volken worden. Het volk neemt het voorstel over, als uit één mond klinkt het: We zullen alles doen wat de Heer heeft gezegd. Opvallend is dat het niet geïsoleerd over het volk Israël gaat. De God van Israël spreekt zich direct uit als de eigenaar van de hele aarde. Alle volken wonen dus op grond die hen door de God van Israël is gegeven. Alleen in het volk Israël zal duidelijk moeten worden wat dat eigenlijk betekent.

We spreken over het verbond dat hier wordt aangegaan graag als over de leer van Mozes, de Tora. Maar Mozes is hier niet meer dan een loop jongen. Hij gaat de berg op en af met de boodschappen die de God van Israël hem geeft en de antwoorden van het volk daarop. Allereerst moet het volk zich heiligen. Voor ons een rare toestand, wij heiligen ons niet meer. Hooguit wordt er in de dagen voor pasen gevast, 40 dagen niet meer op internet is voor sommigen een vasten. Maar heiligen is iets anders. Het drukt uit dat de God van Israël het meest volmaakt is en dat je dus ook voor jezelf naar die volmaaktheid moet streven wil je die God kunnen ontmoeten. Nu worden de echte spelregels voor de heiliging pas later in het verhaal gegeven. De meeste vind je terug in het boek Leviticus, maar hier loopt God er al op vooruit. Heiliging betekent rein worden, schoon en zonder fouten. Wassen moet het volk zich dus en ook de kleren wassen. Onrein kan je worden door een vloeing van zaad of bloed, dus geen gemeenschap meer tussen man en vrouw.

Ook de Berg wordt heilige grond als God zal neerdalen op de Berg. Toen Mozes God voor het eerst ontmoette, bij de brandende braambos, had hij zijn schoenen moeten uittrekken omdat hij op heilige grond stond. Nu wordt het volk verboden om zelf de berg te betreden. Ook al hebben ze zich geheiligd, zijn ze rein, ze komen uit een onreine wereld, een wereld van dood en verderf, pas door het verbond met God kan het volk, kan de wereld bevrijd worden van de dood. Christenen geloven dat dat met Pasen nu juist is gebeurd. Onrein wordt je ook door een dode, mens of dier, aan te raken en die mensen die zich ter dood veroordelen door de berg op te gaan moeten gedood worden zonder dat ze worden aangeraakt. Zo zet het volk Israël zich apart voor de dienst aan de God van Israël. Dat verbond zal dan ook het karakter krijgen van een verbond dat een koning oplegt aan zijn onderdanen. Na Pasen is het ook aan de Heidenen de vraag of ze zich apart willen stellen voor de dienst aan de God van Israël, voor de dienst aan de naaste. Dat wassen kent de kerk ook, ze dopen. Een merkteken zie je ook nog wel, het askruisje. Maar het meest duidelijk is het in de dienst aan de naaste en daar kunnen we ons elke dag weer voor apart stellen, ook vandaag wel.

We worden geëerd en gesmaad

donderdag, 19 februari, 2015

2 Korintiërs 6:1-13

1 ¶ Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister ik naar je, op de dag van de redding help ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3 Om onze verkondiging niet te schaden, geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4 We willen juist laten zien dat we dienaren van God zijn, door altijd te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5 onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6 door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7 door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8 we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9 we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet ter dood veroordeeld, 10 we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles. 11 ¶ Wij zeggen u dit alles ronduit, Korintiërs, want wij hebben u in ons hart gesloten. 12 Niet wij schieten in onze genegenheid voor u tekort, maar u in uw genegenheid voor ons. 13 Nu dan, ik vraag u alsof u mijn eigen kinderen bent: sluit op uw beurt ons in uw hart. (NBV)

Paulus moet een beroep doen op de gemeente in Korinthe want net als in onze dagen waren er mensen die de gemeente af probeerden te houden van het werk van de Liefde. Ze verkochten een soort christelijk geloof dat direct voordeel bood voor de gelovige. Succes in het zakendoen was daarbij een bewijs van de zegen die de gelovige van God zou ontvangen. Paulus had daar al eerder mee te maken gehad. Hij had de rijken in Korinthe al eens moeten vermanen om te wachten tot ook de armen, de slaven vooral, aanwezig waren om samen de maaltijd te gebruiken. Paulus heeft alleen zichzelf en zijn lot om duidelijk te maken dat een geloof in de God van Israël, in Jezus van Nazareth als bevrijder, nu niet direct een maatschappelijk voordeel voor de gelovige oplevert.

Natuurlijk wordt hij geëerd. Er zijn tal van gemeenten door hem gesticht en gemeenten waar hij contact mee heeft en die hij bijstaat in de problemen die een nieuwe gemeenschap van gelijken in het Rijk van de ongelijkheid met zich meebrengt. Maar Paulus en zijn reisgezelschap worden ook in de gevangenis gegooid, ze zijn meestal arm en berooid, op reis met honger, schipbreuk, vervolging en alles wat er bij hoort. Dat kun je ook verwachten als je werkt voor het Koninkrijk van God. Gerechtigheid betrachten, mensen tot hun recht laten komen, daar gaat het om. Niet om de onverschilligheid voor het leven van de minsten die in het Romeinse Rijk heerste, waar slaven buiten de wet gesteld waren en waar dus wetteloosheid heerste als je het vanuit de gemeente bekeek die Paulus gesticht had.

Paulus benadrukt al de nadelen van het Christen zijn. Dan kun je wel eens door een dal voor duisternis gaan. Dan wordt het leven soms heel erg onzeker. Maar je wordt niet meer aan een kruis gespijkerd. Het lijden van Christus wijst altijd ook op zijn opstanding en daardoor wordt elk lijden voor hem, in dienst van hem, te dragen. Paulus zit in de gevangenis maar is toch vrij. Men kan hem laten sterven maar daarmee is hij nog niet ter dood veroordeeld. De liefde waar het om draait, de liefde die we ondanks onszelf verspreiden naar de minsten in de samenleving blijft bestaan, die liefde gaat door wat er ook gebeurd houdt Paulus ons voor. Dat risico moeten de mensen van Korinthe aan willen gaan. Ook op ons wordt een beroep gedaan aan het werk te gaan voor dat Koninkrijk van God waar alle tranen gewist zullen zijn, om niet te oordelen maar in ons werken voor de zwaksten te laten zien waar het in het geloof in de Messias om gaat. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw weer mee beginnen, ook vandaag weer.