Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2015

Een genadejaar van de HEER

woensdag, 21 januari, 2015

Jesaja 61:1-11

1 ¶ De geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan verslagen harten hoop te bieden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan geketenden hun bevrijding, 2 om een genadejaar van de HEER uit te roepen en een dag van wraak voor onze God, om allen die treuren te troosten, 3 om aan Sions treurenden te schenken een kroon op hun hoofd in plaats van stof, vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad, feestkledij in plaats van verslagenheid. Men noemt hen ‘Terebinten van gerechtigheid’, geplant door de HEER als teken van zijn luister.4 ¶ Wat eertijds vernield werd, zullen zij herbouwen, de lang verlaten streken weer bevolken; ze herstellen de vervallen steden, verlaten sinds mensenheugenis. 5 Vreemden staan je ten dienste en hoeden je schapen, vreemdelingen worden je dagloner of wijnbouwer. 6 En jullie worden priester van de HEER genoemd, dienaar van onze God zul je heten. Je zult je te goed doen aan de rijkdom door vreemde volken vergaard, je zult je met hun luister bekleden.7 De smaad die je verdiende loon werd genoemd, je schande wordt je dubbel vergoed. Daarom erven zij dubbel van het land en is eeuwige vreugde hun deel. 8 Want ik, de HEER, heb het recht lief, ik haat offers van roofgoed. Ik zal hen getrouw belonen, een eeuwig verbond sluit ik met hen. 9 Hun kinderen zullen vermaard zijn bij alle volken, heel de aarde kent hun nageslacht. Dan zullen allen die hen zien erkennen: ‘Dat zijn de kinderen die de HEER heeft gezegend.’10 ¶ Ik vind grote vreugde in de HEER, mijn hele wezen jubelt om mijn God. Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan, hulde mij in de mantel van de gerechtigheid, zoals een bruidegom een kroon opzet, zoals een bruid zich tooit met haar sieraden. 11 Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken. (NBV)

Het klinkt mooi vroom. De geest van God, de Heer, die op de profeet rust. God de Heer die de profeet zelf heeft gezalfd. De profeet mag vast wel preken, voor de zieligerds, de armen in de samenleving, daar heeft hij goed nieuws voor. Een genadejaar voor de Heer. Nou dat is prachtig maar wat hebben we er aan. Als we dit Bijbelgedeelte zo lezen dan hebben we de hele Bijbel niet helemaal begrepen. Of misschien wel helemaal niet. De profeet spreekt hier over een nieuw begin, een nieuwe start voor zijn samenleving. De ballingen zijn teruggekeerd uit de ballingschap, de Tempel en Jeruzalem zijn herbouwd en nu kan het beginnen, de samenleving zoals de God van Israël die altijd al heeft bedoeld. Dat is het goede nieuws, want eindelijk zal aan de armen recht worden gedaan.

Niet, net als bij ons de regering doet, de armen zelf de schuld geven van hun armoede, maar ze de kansen geven om uit de armoede te komen, ze uitdagen om aan de samenleving mee te doen en ze daar ook de ruimte voor te geven. Dan krijgen verslagen harten hoop, mensen die bij de pakken neer zitten en geen uitweg meer zien staan op en gaan weer aan de slag om er uit te komen. Mensen die gevangen zitten in hun ellende worden daarvan bevrijd, je zit niet langer vast aan je schulden, aan de fouten die je in je leven hebt gemaakt, de samenleving zorgt voor bevrijding en een nieuwe start. Ooit was het in Israël al beloofd, elke 50 jaar zou het genadejaar van de Heer worden uitgeroepen. Schulden werden kwijtgescholden, slaven vrijgelaten en als je familie het land was kwijtgeraakt dat onder Jozua was gegeven dan zou je dat weer terugkrijgen om een nieuwe start te kunnen maken. De nieuwbouw van de Tempel en de Stad is nu het sein om de treurenden om het verlies en de ballingschap te troosten. De profeet voelt zich meer en meer verbonden met de God die dat mogelijk heeft gemaakt.

In een nieuwe samenleving zoals die is beloofd, zoals die mogelijk is gemaakt zal gerechtigheid ontkiemen, daar zullen alle volken jaloers op worden. Veel later, in de donkerste uren van de Romeinse bezetting van Israël, zal Jezus van Nazareth zich deze woorden toeëigenen, blinden zullen zien, lammen zullen lopen, bedroefden worden getroost en bevrijding aan de armen verkondigd. Dat is het gevolg van zijn roep om een nieuwe samenleving op te bouwen. Een samenleving waartoe ook Johannes de Doper toe had opgeroepen. Dat gaat er dus gebeuren als we ernst maken met het heb Uw naaste lief als Uzelf, als we werkelijk weten te delen met de armsten in plaats van de armen nog armer te maken. Daarvoor zullen we deze regering misschien moeten afwijzen zodra we de kans daarvoor hebben. Daarvoor zullen we samen moeten gaan werken met iedereen die verlangt naar die rechtvaardige samenleving, Maar dat kunnen en mogen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Ik stel de vrede aan als wachter

dinsdag, 20 januari, 2015

Jesaja 60:15-22

15 ¶ Eens was je verlaten en gehaat en werd je door niemand bezocht, maar ik zal je eeuwige roem verlenen, geslacht op geslacht zul je een bron van vreugde zijn. 16 Je zult de melk van vreemde volken drinken, je wordt gezoogd door koninklijke borsten. Dan zul je beseffen dat ik, de HEER, je redder ben, je beschermer, de Machtige van Jakob. 17 In plaats van koper zal ik je goud brengen, in plaats van ijzer breng ik zilver, koper in plaats van bomen, ijzer in plaats van stenen. Ik stel de vrede aan als wachter en de gerechtigheid als het gezag. 18 Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen je grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Faam. 19 Overdag is het licht van de zon niet meer nodig, de glans van de maan hoeft je niet te verlichten, want de HEER zal je voor altijd licht geven en je God zal voor je schitteren. 20 Je zon zal niet meer ondergaan, je maan niet meer verbleken, want de HEER zal je voor altijd licht geven. De dagen van je rouw zijn voorbij. 21 Je volk telt enkel nog rechtvaardigen, zij zullen het land voorgoed bezitten. Zij zijn de eerste scheuten van wat ik heb geplant, ik heb hen gemaakt om mijn luister te tonen. 22 De geringste groeit uit tot een duizendtal, de kleinste tot een machtig volk. Ik, de HEER, zal dit spoedig volvoeren, wanneer de tijd is gekomen.(NBV)

..en gerechtigheid als gezag. In zo’n land wil iedereen toch wel wonen? Dat het vrede is is de garantie dat het vrede blijft. In onze dagen geldt nog steeds dat wie vrede wil voorbereid moet zijn op oorlog. Daarom hebben we een leger en een ministerie van defensie. Dat ondanks alle samenwerking, in Europees verband en in de Verenigde Naties. Wij gaan er van uit dat we nog steeds getroffen kunnen worden door oorlog en sturen soldaten de wereld rond om te vechten. Vrede als garantie voor vrede durven wij niet aan. Misschien komt dat ook omdat wij gerechtigheid niet erkennen als gezag. Voor ons is het gezag afhankelijk van het belang dat wordt gediend. Als het gezag in strijd is met het eigen belang dan komen we in opstand, zelfs geweld wordt gebruikt tegen hen die we als gezagsdrager hebben aangemerkt en de ene keer beschermt de regering de zwakken en de andere keer de rijken.

Recht en gerechtigheid gaan eigenlijk nooit van het gezag uit. Maar het zal duidelijk zijn dat Jesaja hier een ideale samenleving schetst. Een samenleving waar het voor altijd licht zal zijn, waar geen dagen van rouw meer voorkomen, een samenleving waar geen boeven meer voorkomen want er wonen alleen nog rechtvaardigen. Een land waar terroristen ontbreken omdat ook hun doelen zijn bereikt. Ooit was het land onder het volk Israël verdeeld en hield men er rekening mee dat elke familie om de vijftig jaar weer opnieuw zou moeten kunnen beginnen, dat is niet meer nodig want het land blijft voorgoed in het bezit. De rechtvaardigen uit de dagen van de profeet zijn de eersten, de rechtvaardigen uit onze dagen volgen en we weten maar al te goed dat er nog velen zullen moeten volgen voor we kunnen zeggen dat in onze wereldsamenleving alleen rechtvaardigen wonen. Het is geen reden om het maar op te geven.

Het ideaal van een samenleving waarin geen rouw meer is, waar alle tranen zijn gedroogd, waar hongerigen zijn gevoed en dorstigen voldoende drinken hebben gehad, waar geen kinderen meer sterven voor hun tijd en vrouwen niet meer worden verkracht, waar wapens zijn omgesmeed tot ploegscharen en waar alle volken het heb Uw naaste lief als Uzelf tot grondregel hebben verklaard, die samenleving is te mooi om waar te zijn maar ook te mooi om los te laten. Misschien is de tijd nog niet gekomen dat we er als mensheid aan toe zijn, maar altijd zijn er mensen die er voor opstaan, die er voor in beweging komen, die er zelfs hun leven voor over hebben. Als we niet als dood aan de kant willen blijven zitten kunnen we ook in beweging komen voor die samenleving, elke dag opnieuw, dat geeft pas zin aan het leven, ook vandaag weer.

Sta op en schitter

maandag, 19 januari, 2015

Jesaja 60:1-14

1 ¶ Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de HEER. 2 Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de HEER, zijn luister is boven jou zichtbaar. 3 Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel. 4 Open je ogen, kijk om je heen: ze stromen in drommen naar je toe; je zonen komen van ver, je dochters worden op de heup gedragen. 5 Je zult stralen van vreugde als je het ziet, je hart zal van blijdschap overslaan. De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot. 6 Een vloed van kamelen zal je land overspoelen, jonge kamelen uit Midjan en Efa. Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud. Zij verkondigen de roemrijke daden van de HEER. 7 Alle schapen en geiten van Kedar worden voor jou bijeengedreven, Nebajots rammen staan je ter beschikking; ze zijn weer welkom als offer op mijn altaar. Mijn tempel zal ik in alle luister herstellen. 8 Wie zijn het die daar zweven als een wolk, die komen aanvliegen als duiven naar hun til? 9 ¶ De kustlanden hebben hun hoop op mij gevestigd. De schepen uit Tarsis gaan voorop om je kinderen van verre terug te brengen; ze hebben zilver en goud bij zich ter ere van de HEER, je God, de Heilige van Israël, die jou deze luister heeft verleend.10 Vreemdelingen zullen je muren herbouwen, hun koningen staan je ter beschikking. Ik heb je geslagen in mijn woede, in mijn mededogen zal ik me over je ontfermen. 11 Je poorten zullen nooit gesloten worden, dag en nacht zullen ze openstaan, zodat de rijkdom van vreemde volken kan binnenstromen, met de koningen die worden meegevoerd. 12 Elk volk of koninkrijk dat weigert jou te dienen, zal ten onder gaan; al die volken zullen worden verdelgd en vernietigd. 13 De luister van de Libanon, den, kamperfoelie en cipres, ze zullen bij je komen, om mijn heiligdom luister bij te zetten; zo eer ik de plaats waar mijn voeten rusten. 14 Met gebogen hoofd zullen ze komen, de zonen van je onderdrukkers, en iedereen die jou verachtte zal zich aan je voeten neerwerpen. Ze noemen je ‘Stad van de HEER’, ‘Sion van de Heilige van Israël’. (NBV)

Het is natuurlijk verleidelijk om de oproep waarmee het gedeelte van vandaag begint als een gebod voor de individuele gelovige te beschouwen. Zo is en wordt er vaak ook in kerken over gepreekt. Mooi optimistisch en als je succes hebt dan bewijst dat maar weer eens dat God je handelen welgevallig is. Maar het slaat de plank over de betekenis van dit Bijbelgedeelte helemaal mis. De oproep is niet tot een mens gericht, zelfs niet tot een koning. De oproep is tot een stad gericht. Niet zomaar een stad, maar een bijzondere stad met een bijzondere taak. Het gaat hier om Jeruzalem, het Jeruzalem van na de ballingschap, het Jeruzalem waar de Tempel van de God van Israël weer herbouwd wordt. Wij vergeten zo gemakkelijk het uitermate bijzondere van die Tempel en daarmee van die stad.

Wij kennen in onze wereld geen overvloed van Tempels met godenbeelden, voor elk probleem een andere god met een andere Tempel en andere riten en andere offers. Daar tussen stond Jeruzalem met een Tempel waar je één God kon ontmoeten voor alle problemen die maar voorstelbaar zijn. Maar daar stond geen beeld van die God. De manier waarop de meeste problemen kunnen en konden worden opgelost was te vinden in de richtlijnen van die God voor een menselijke samenleving, die richtlijnen die in die Tempel werd bewaard als een heilig geschenk dat de mensheid had gekregen van die God. Voor een wereld vol van de Liefde, een wereld van delen, van recht en gerechtigheid, een wereld vol vrede en de keus voor het leven. Die richtlijnen maakte die Tempel tot het middelpunt van de aarde, die richtlijnen en die Tempel maakten dat Jeruzalem kon gaan schitteren voor alle volken.

Op de Tempelberg schitterde het licht voor alle volken en daarom heette de hele stad wel naar die berg, Sion van de Heilige van Israël. Ooit had Salomo als koning een eerste Tempel mogen bouwen en daarvoor de kostbaarste materialen uit de buurlanden laten komen. Soms zelfs kostbare bouwmaterialen van ver weg. De profeet voorspelt nu dat als de ballingen terugkomen van de ballingschap en de Tempel en de Stad weer herbouwen de buurvolken vrijwillig komen om kostbare bouwmaterialen aan te dragen. Dat doen ze omdat ze willen genieten van de schittering van de richtlijnen, omdat recht en gerechtigheid onder de volken alle mensen vrede zullen geven. En dat is in onze dagen natuurlijk niet anders. Vrede bevordert de welvaart en recht en eerlijk delen het welzijn van alle mensen. Als we dat weten op te brengen voor alle mensen op aarde dat breekt overal de vrede uit en zijn honger en ellende verdwenen, dan wordt eindelijk recht gedaan aan de armen. Dan hoeven niet alleen de voeten van God op aarde te rusten, dan kan God zijn tenten op deze aarde opzetten zoals in het boek Openbaring wordt beloofd. Wij mogen alvast aan die aarde werken, ook vandaag weer.

Beeld van God, de onzichtbare

zondag, 18 januari, 2015

Kolossenzen 1:12-23

12 ¶ Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de erfenis die alle heiligen wacht in het licht. 13 Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, 14 die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. 15 Beeld van God, de onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping: 16 in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen. 17 Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem. 18 Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk. Oorsprong is hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn:19 in hem heeft heel de volheid willen wonen 20 en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis. 21 Eerst was u van hem vervreemd en was u hem in al het kwaad dat u deed vijandig gezind, 22 maar nu heeft hij u door de dood van zijn aardse lichaam met zich verzoend om u heilig, zuiver en onberispelijk bij zich te brengen. 23 Maar dan moet u blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest zijn in de hoop die het evangelie brengt, het evangelie dat u gehoord hebt en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden. (NBV)

In de Bijbel spelen liederen een belangrijke rol. Er is zelfs een heel Bijbelboek vol liederen en gedichten, het boek van de Psalmen, maar ook in bijna elk ander boek van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament zijn liederen te vinden. In liederen zijn nu eenmaal andere dingen tot uiting te brengen dat logische redeneringen of feitelijke verhalen. In liederen kun je het gevoel tot uiting brengen dat de wereld om je heen oproept. Ook in onze dagen spelen liederen een grote rol. Er is een overvloed aan kerstmuziek dat gevoel van warmte en plezier oproept in een jaargetijde waarin het koud is en mensen op elkaar zijn aangewezen. In onze voetbalstadions is het samen zingen langzamerhand een belangrijk onderdeel van de wedstrijden geworden, het geeft de supporters het gevoel deel te krijgen aan het resultaat van het door hen bewonderde voetbalteam. Vandaag lezen we het lied dat aan de mensen in Kolosse in herinnering wordt gebracht. Het is een lied waarvan geleerden aannemen dat het gezongen werd in Joodse kringen waar het Grieks de belangrijkste voertaal was geworden. Voor ons is zo’n lied dan ook niet vanzelfsprekend mee te zingen.

Over wie gaat dit lied bijvoorbeeld? Het eerste deel, van de verzen 15 tot en met 20 zou over God gaan, maar vanaf vers 21 gaat het duidelijk over Jezus van Nazareth. Nu heeft de kerk pas na een paar honderd jaar uitgesproken dat de God van Israël en Jezus van Nazareth één in wezen waren, samen met de Heilige Geest overigens. Dat Goddelijke van Jezus van Nazareth is echter een beeld dat van begin af leefde bij de Christelijke gemeente. In het Nieuwe Testament kun je dat terugvinden als daar verteld wordt dat Jezus zei dat niemand de Vader kon zien dan door hem. Dat voor de Schepping van hemel en aarde God al zijn Wijsheid had lezen we in het boek Spreuken waar de Wijsheid als apart persoon, een vrouw, wordt gepresenteerd. Dat Jezus als, goddelijke mens, al voor de schepping bij God bestond is dan ook niet zo vreemd. Het lijkt heel erg op het begin van het Evangelie naar Johannes waar het Woord, denk maar aan de scheppingswoorden, vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Zo wordt Jezus van Nazareth bezongen.

Maar wat is dan de betekenis van een lied als dit. Het zingt over bloed en over verzoening, begrippen waar we tegenwoordig niet zo veel meer mee kunnen. Maar het zingt ook over de machten en de krachten, de heersers en de machthebbers in de wereld. Volgens dit lied zijn die allemaal onderworpen aan de macht van God, aan de kracht van Jezus die zich aan het kruis liet hangen. De gedachte er achter is dat de liefde van God, de liefde die we allemaal met onze naaste mogen delen, niet dood te krijgen is, door niks en niemand. Toen het volk Israël in slavernij in Egypte was moesten ze op een dag allemaal een lam slachten, het vlees roosteren en het bloed aan de deurposten smeren. Dat bloed zorgde er voor dat de dood aan hun deur voorbij ging en ze werden bevrijdt van slavernij. Zo zorgt het bloed van Christus aan het kruis dat de dood voorbijgaat aan zijn boodschap van liefde. In zijn Woord blijft hij leven en wij blijven in hem leven als we zijn Woord volgen, als wij ons leven inrichten zoals hij dat heeft aangegeven. De armen mogen we voorhouden dat hun onderdrukkers niet de macht in deze wereld hebben, hoeveel machtsvertoon ze ook ten toon spreiden. De liefde voor elkaar, het vormen van gemeenschappen waar iedereen zonder onderscheid aan mag meedoen, bevrijdt ons van de angst voor die machthebbers en daarmee bevrijdt het ons van armoede en onderdrukking. Zo mogen we ook vandaag dit lied meezingen.

U zult vrucht dragen

zaterdag, 17 januari, 2015

Kolossenzen 1:1-11

1 ¶ Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. 2 Aan de heiligen in Kolosse, gelovige broeders en zusters die één zijn in Christus. Genade zij u en vrede van God, onze Vader. 3 ¶ In al onze gebeden danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, voor u, 4 want we hebben gehoord dat u in Christus Jezus gelooft en alle heiligen liefhebt, 5 omdat u hoopt op wat in de hemel voor u gereed ligt. Daarover hebt u gehoord toen aan u de waarheid verkondigd werd en het evangelie 6 u bereikte. Overal in de wereld draagt het vrucht en groeit het, ook bij u, vanaf de dag dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep. 7 Onze geliefde medewerker Epafras, die zich als trouw dienaar van Christus voor u inzet, heeft u daarin onderwezen. 8 En hij heeft ons verteld over de liefde die de Geest in u opwekt. 9 ¶ Daarom bidden wij onophoudelijk voor u, vanaf de dag dat we dat gehoord hebben. We vragen dat u Gods wil ten volle mag leren kennen door de wijsheid en het inzicht die zijn Geest u schenkt. 10 Dan zult u leven zoals het past tegenover de Heer, hem volkomen welgevallig. U zult vrucht dragen door al het goede dat u doet, uw kennis van God zal groeien 11 en u zult door zijn luisterrijke macht de kracht ontvangen om alles vol te houden en alles te verdragen.(NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief aan de gemeente van Kolosse. Dat was een klein stadje dat lag in wat nu Turkije is. De stad bestaat niet meer want ze is voorzover bekend verwoest door een aardbeving. Aardbevingen, ook zware, komen vaak voor in Turkije weten we tegenwoordig. Maar in de dagen van Paulus lag hier een klein stadje waar ook een kleine Christelijke gemeente was ontstaan. Die gemeente kwam bij elkaar in het huis van Filemon en was gesticht door een bekende van Paulus, Epafras. Paulus had nogal wat ophef veroorzaakt in de gemeente van Kolosse. Hij zat zelf gevangen in Efeze dat niet zo heel ver van Kolosse vandaag lag. Op een dag kwam daar een weggelopen slaaf bij hem op bezoek. Een weggelopen slaaf was zijn leven niet zeker. Om het weglopen te ontmoedigen moesten weggelopen slaven gedood worden. Paulus schreef echter een briefje aan Filemon waarin hij vroeg om de slaaf, Onesimus heette die, weer op te nemen en wel als broeder in Christus. Dit briefje aan Filemon staat ook in de Bijbel.

Het kan niet anders of het verzoek van Paulus heeft grote opzien gebaard. In de Christelijke gemeente waren slaven en vrijen elkaars gelijken maar buiten die gemeenten zeer zeker niet. Het bevrijden van alle slaven zou een ernstige aanslag op de economie van het Romeinse Rijk betekenen. Vrijlating van slaven gebeurde dan ook bij uitzondering en de vrijgelaten slaaf bleef dan ook heel vaak in dienst van de eigenaar die hem had vrijgelaten. Maar duidelijk is geworden dat Filemon zijn broeder Onesimus hartelijk heeft ontvangen. Dat betekende ook een briefwisseling met de gemeente in Kolosse. Nu nemen zeer veel Bijbelgeleerden op goede gronden aan dat Paulus deze brief niet helemaal zelf heeft geschreven uit de gevangenis. De brief wordt toegeschreven aan een nauwe medewerker van Paulus, de jonge Timoteüs. In de aanhef van de brief lijkt het er al op of Timoteüs de brief heeft meegeschreven en ongetwijfeld zal er nauw contact geweest zijn over de inhoud en de onderwerpen die in de brief ter sprake komen.

De brief begint, zoals gebruikelijk, met een dankzegging over het goede dat er over Kolosse te melden valt. Dat je weggelopen slaven moet ontvangen en gewoon weer voor je laten werken, zelfs als je broeder behandelen, moest je in het Romeinse Rijk niet al te luid verkondigen. Maar de brief dankt de gemeente wel dat ze zo goed begrepen heeft wat de genade van God betekent. Het betekende in dit geval dat je een slaaf als je gelijke behandelde. Zijn fouten vergeeft zoals je mag geloven dat de God van Israël jouw fouten vergeeft. Kennelijk heeft het idee van Paulus dat in de Christelijke gemeente Joden en Heidenen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen gelijken zijn en als het ware samen één huis bewonen overal in het Romeinse Rijk ingang gevonden. Voor de Judeeërs soms een moeilijke zaak. Hun heilige boek werd elke week aan de Heidenen voorgelezen. Als dat verschil weg viel zonder dat die Heidenen de spijswetten hoeven te houden, zich hoefden te laten besnijden en ook nog het verschil tussen slaven en vrijen wegviel dan was de unieke positie van Judeeërs in gevaar. Wij moeten dat kunnen navoelen. In onze dagen wordt ons gevraagd om samen te leven met Moslims die zeggen in dezelfde God als Christenen en Joden te geloven. Dat is lastig, het tast de overheersing van de cultuur door het Christelijk erfgoed aan. Maar zoals de Christenen in Kolosse zullen ook wij de liefde voor de naaste voorop moeten zetten, elke dag opnieuw.

 

 

 

Hij zal ieder naar zijn daden vergelden

vrijdag, 16 januari, 2015

Jesaja 59:15b-21

Maar de HEER zag het, en het was slecht in zijn ogen dat er geen recht meer was. 16 ¶ Hij zag dat er niemand was, hij was geschokt dat niet één mens zijn zijde koos. Op eigen kracht bracht hij redding en zijn gerechtigheid spoorde hem aan. 17 Hij gordde het harnas van de gerechtigheid aan en zette de helm van de redding op zijn hoofd. Hij deed het kleed van de vergelding aan en hulde zich in de mantel van de strijdlust. 18 Hij zal ieder naar zijn daden vergelden: woede voor zijn vijanden, wraak voor zijn tegenstanders; ook op de eilanden wreekt hij zich. 19 In het westen zal men de naam van de HEER vrezen en in het oosten zijn majesteit. Want hij zal komen met de kracht van een rivier in een smalle bedding, voortgestuwd door de adem van de HEER. 20 Hij zal als bevrijder naar Sion komen, naar allen uit Jakobs nageslacht die met de misdaad breken- spreekt de HEER. 21 Dit verbond sluit ik met hen-zegt de HEER: mijn geest, die op jou rust, en de woorden die ik je in de mond heb gelegd, zullen uit jouw mond niet wijken, noch uit de mond van je kinderen, noch uit de mond van je kindskinderen, van nu tot in eeuwigheid-zegt de HEER. (NBV)

Als de mensen het niet doen dan moet God het zelf maar doen. Het is niet eerlijk, niet gerechtvaardigd, dat de wandaden van de bozen voortduren. Daarom het harnas van gerechtigheid aangetrokken, de helm van redding op het hoofd, het kleed van vergelding omgeslagen en gehuld in de mantel van strijdlust ging de God van Israël tekeer tegen het onrecht. Al die volken rond Israël, al die mensen in het land, die de God van Israël hadden bespot, die de teruggekeerde ballingen en vluchtelingen hadden uitgelachen werden op hun plaats gezet. Het volk van Israël werd eindelijk recht gedaan. Want de God van Israël zal naar Sion komen. Naar Sion? Het ging toch om Jeruzalem, de stad die met zoveel moeite was opgebouwd? Jazeker, maar in het midden van de stad ligt de heuvel Sion. En op die heuvel was vanouds de Tempel gebouwd. Daar werden de richtlijnen voor een menselijke samenleving bewaard. Daar draaide heel de godsdienst van Israël om, heb uw naaste lief als uzelf.

Die richtlijnen waren voor een deel zelfs in steen gehouwen, het waren de richtlijnen die het volk had gekregen, had ontdekt in de woestijn op de vlucht voor slavernij op weg naar een land dat zou overvloeien van melk en honing. Daar moet je je dus aan houden als je mee wil doen met de God van Israël. Het wordt beschreven als een verbond, een verdrag, een overeenkomst tussen twee partijen, het volk en de God van Israël. Bij andere goden moet je maar afwachten of die goden wat willen doen als je aan hen offert. Als je je hele leven in dienst stelt van de goden van winst en profijt moet je maar afwachten of je rijk wordt, de een lukt het wel de ander lukt het niet. De goden zelf zijn niet te beïnvloeden. Maar bij de God van Israël ben je er van verzekerd dat je het geluk ontmoet als je je aan zijn richtlijnen houdt. Je ziet het geluk in de ogen van hen die jouw hand nodig hebben en aan wie jij je hand uitsteekt. Je ziet de glimlach op de gezichten van de hongerigen met wie jij je voedsel hebt gedeeld, de opluchting van de dorstigen die jij hebt gelaafd, de warmte bij de gevangenen die jij hebt bevrijdt.

Alles wat jij doet in de geest van de God van Israël blijkt het goede te zijn en vraagt om meer van het goede. Je doet het dus niet voor jezelf. Je beloning is het geluk voor de anderen, is de betere wereld die er met jouw hulp ontstaat. Jij mag God dankbaar zijn dat je daaraan deel mag hebben, zelf zou je het niet hebben aangedurfd, zelf zou je er misschien niet eens opgekomen zijn. Daarom kan de profeet zeggen dat de woorden over het heb uw naaste lief als uzelf niet zullen wijken uit je mond, dat je het je kinderen wil leren en doorgeven, dat je oplet dat ook je kleinkinderen het te horen krijgen en zullen overnemen. Want dan komt er een nieuwe aarde, waar God zelf zijn tenten zal spannen, waar de God van Israël zelf wil wonen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Telkens weer zullen we er een stukje van mogen zien en ervaren. Elke dag als we weer werken aan de richtlijnen van die God, zijn richtingwijzers volgen, ook vandaag weer.

We zijn belust op bedrog en onderdrukking.

donderdag, 15 januari, 2015

Jesaja 59:9-15a

9 ¶ Daarom blijft het recht ver van ons en is gerechtigheid voor ons onbereikbaar. Wij hopen op licht, maar het is duister, op een sprankje licht, maar we dolen in het donker. 10 We tasten als blinden langs de muur, we tasten rond als iemand die niets kan zien. Op klaarlichte dag struikelen we alsof het schemert, in de kracht van ons leven lijken we dood. 11 Wij allen grommen als beren, we klagen en kreunen droevig als duiven. Wij hopen op recht, maar het is er niet, op redding, maar ze blijft ver van ons. 12 Want talloos zijn onze misdaden jegens u, onze zonden getuigen tegen ons. We zijn ons van onze misdaden bewust en erkennen ons wangedrag: 13 we zijn opstandig en de HEER ontrouw, we zijn afvallig van onze God, we zijn belust op bedrog en onderdrukking, zwanger van leugens brengen we onwaarheid voort. 14 Het recht is verdrongen en de gerechtigheid blijft ver van ons; de waarheid struikelt op straat en de oprechtheid krijgt nergens toegang. 15 Zo laat de waarheid verstek gaan, en wie het kwaad wil mijden, wordt uitgebuit. (NBV)

Dat is natuurlijk een boute uitspraak. De meeste mensen hebben een gloeiende hekel aan bedrog en aan onderdrukking willen we ons al helemaal niet schuldig maken. Nee recht en gerechtigheid spreken ons meer aan. Vrijheid hebben we hoog in ons vaandel staan en onze burgerrechten daar moet iedereen met de vingers van af blijven. Maar toch. Het is natuurlijk mooi dat we lezen dat volgens de profeet Jesaja zijn tijdgenoten na de ballingschap tot de ontdekking gekomen waren dat ze op de verkeerde weg waren maar dat ontslaat ons er niet van na te gaan of we misschien toch ergens net zo zijn als zij. En in onze geschiedenis zouden onze ogen geopend moeten zijn door de betogers voor democratie in Noord Afrika. We leren dat de angst voor de Moslimbroederschap die een theocratische moslimstaat met steun aan terroristen in Egypte zouden willen vestigen onterecht is, ze willen dat wel maar hun volk wil dat niet. Jarenlang zijn we met bedrog in de waan gelaten dat die Moslims in Egypte niet zouden deugen en dat een dictator daar de enige verzekering tegen was.

Onze angst heeft wel de dictator Mubarak in het zadel gehouden. En vanuit het democratische Christelijke westen hebben we wel al die dictators in het Midden Oosten gesteund, handel mee gedreven, bankrekeningen voor geopend, wapens geleverd. En nog steeds vragen we aan de machthebbers in het midden oosten, Egypte, Turkije, Syrië niet om democratie en persvrijheid als voorwaarden voor samenwerking. De demonstranten in Lybië werden doodgeschoten met kogels uit België die met exportsubsidie van Europa aan de dictator waren geleverd. Aan die subsidie hebben ook wij onze bijdrage geleverd. En waar pleiten onze politici voor? Voor recht en gerechtigheid? Worden de banden met de dictators verbroken nu ze zo onmenselijk reageren? Nee dus. We pleiten voor stabiliteit, voor rust en orde, voor gewoon door kunnen gaan met onze handel met de onderdrukkers. Inperking van burgerrechten als het recht op demonstratie, het recht op leven, het recht op vereniging en vergadering, het recht op een vrije drukpers zijn voor onze politici niet van belang.

Het is niet de Islam die de rechten inperkt. Het is een ongefundeerde angst voor de Islam die ons laat meewerken aan de inperking van die rechten zo blijkt. En als we er daar aan meewerken, als we ons door angst laten regeren, dan kan de dag niet ver zijn dat ook hier uit eenzelfde ongefundeerde angst meegewerkt wordt aan de inperking van onze eigen rechten. Wij kunnen nu nog opstaan en onze politici aanspreken op hun steun aan bedrog en onderdrukking. Wij kunnen nog actief worden bij Amnesty International. Wij kunnen nog luisteren naar de waarschuwing van Jesaja dat onze God, Heer van de wereld, dit onrecht ziet en het geroep van de verdrukten hoort. Wij weten dat onze God ons in beweging wil zetten voor een rechtvaardige samenleving in de hele bewoonde wereld. Wij mogen elke dag weer kiezen of we die God volgen of de heersers van de wereld die ons bedrog en onderdrukking voorhouden. Ook vandaag mogen we die keuze weer maken.

 

Waar zij gaan is geen recht te ontdekken.

woensdag, 14 januari, 2015

Jesaja 59:1-8

1 ¶ De arm van de HEER is niet te kort om te redden, zijn gehoor niet te zwak om te luisteren- 2 jullie wangedrag is het dat jullie en je God uit elkaar heeft gedreven; door jullie zonden houdt hij zich verborgen en wil hij je niet meer horen. 3 Want jullie handen zijn besmeurd met bloed, je vingers bezoedeld door wandaden, je lippen spreken leugens, je tong prevelt bedrog. 4 Geen aanklacht is nog zuiver, geen rechtszaak wordt eerlijk gevoerd. Ze vertrouwen op leegte en spreken bedrieglijke taal, ze zijn zwanger van onrecht en baren misdaad. 5 Ze broeden slangeneieren uit, ze weven spinnenwebben. Wie hun eieren eet zal eraan sterven; als er een wordt ingedrukt, komt er een adder uit. 6 Hun spinnendraden zijn ongeschikt voor kleding, wat zij maken kan niet worden aangetrokken. Hun daden zijn heilloze daden, hun handen staan naar geweld. 7 Hun voeten snellen naar het kwaad, ze haasten zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun plannen zijn heilloze plannen, verwoesting en rampspoed vergezellen hen. 8 De weg van de vrede kennen ze niet, waar zij gaan is geen recht te ontdekken. Ze begeven zich op kronkelpaden; wie daarop wandelt kent geen vrede. (NBV)

Waar gaat dit over? Dat is niet zo moeilijk, het gaat over onrecht en wandaden. Maar over wie gaat dit? Dat is wat ingewikkelder. De profeet Jesaja schreef niet een verhaal aan ons maar aan de mensen van zijn tijd. De mensen die terugkeerden uit de ballingschap in Babel en de mensen die teruggekeerd waren na hun vlucht uit Egypte. Ze hadden Jeruzalem weer opgebouwd, waren aan het werk en aan het handelen geslagen maar leken de opdracht de Tempel te herbouwen vergeten te zijn. Nu was dat ook niet zo vreemd. Jeruzalem was behoorlijk verwoest. Het opbouwen van de nieuwe samenleving ging ook met weerstand gepaard. De afstammelingen van de mensen die achter waren gebleven hadden hun eigen leven opgebouwd. Ze hadden er nooit meer aan gedacht dat hun land en hun volk een nieuwe start zouden kunnen maken. De omringende volken ergerden zich aan de pretenties. Was dit volk niet weggevoerd? Had die God waar ze altijd zo van opgegeven hadden hen niet in de steek gelaten? Was zelfs die prachtige Tempel in Jeruzalem niet samen met de stad verwoest?

Wat was er overgebleven van het idee dat die God van Israël de enige God op aarde was en dat de Tempel in Jeruzalem het middelpunt van de aarde zou moeten zijn waar alle volken zich naar moesten richten? Die weerstand had haar invloed op het volk. Van een gemakkelijke wederopbouw van het verwoeste land was geen sprake. Waar bleef die God dan die ze zo bejubeld hadden? In het gedeelte van vandaag lezen we het antwoord van de profeet. Het zal aan God niet liggen maar je moet er wel wat voor doen. Het zijn je eigen wandaden, leugens en onrecht, die de wederopbouw tegenhouden. Onrechtvaardige en oneerlijke rechtzaken, waar rijken bevoordeeld worden boven de armen. Gekonkel om machtsposities ten koste van de zwaksten. Geweld tegen weerlozen. Geen mens komt meer tot zijn recht in de samenleving die ze zijn begonnen.

We weten van de strijd die was ontbrand tussen de mensen uit Babel en de mensen uit Egypte. In plaats van samen te werken probeerden ze elkaar de loef af te steken. Door het benadrukken van de verschillen werd een kloof in de samenleving gedreven die de ontwikkeling tegen hield. En daar wordt de profeet universeel. Want onrecht, geweld, oneerlijkheid en het drijven van een kloof tussen groepen mensen zijn altijd al de wapens van machthebbers en dictators, tegenwoordig terroristen en populisten genoemd. Wie tegen hen is wordt neergesabeld. Wie niet achter hen aanloopt maar blijft geloven in een rechtvaardige en eerlijke samenleving waarin iedereen thuis kan zijn wordt verguisd. Daar ligt dus ook een keuze voor ons. Lopen wij achter dit soort machthebbers aan? Laten we ons inpakken door de goedkope rethoriek van populisten of ons bang maken door zogenaamde terroristische aanslagen? Of houden we vast aan het Koninkrijk van de God van Israël. Elke dag opnieuw hebben we die keuze, ook vandaag weer.

 

Jezus ken ik, en Paulus ook

dinsdag, 13 januari, 2015

Handelingen 19:13-20

13 ¶ Ook enkele rondtrekkende Joodse geestenbezweerders probeerden boze geesten uit te drijven door het uitspreken van de naam van de Heer Jezus. Ze zeiden: ‘Ik bezweer jullie bij Jezus, die door Paulus wordt verkondigd!’ 14 Het waren de zeven zonen van Skevas, een Joodse hogepriester, die dit deden. 15 Maar de boze geest gaf hun ten antwoord: ‘Jezus ken ik, en Paulus ook, maar wie zijn jullie?’16 De man die door de boze geest bezeten was, sprong op hen af en ging hen met zo veel geweld te lijf dat ze naakt en gewond uit het huis wegvluchtten. 17 Alle Joodse en Griekse inwoners van Efeze hoorden van dit voorval, dat hen met diep ontzag vervulde; allen prezen en eerden de naam van de Heer Jezus. 18 Veel nieuwe gelovigen kwamen in het openbaar hun praktijken opbiechten. 19 Onder hen waren ook velen die magie hadden bedreven, maar die nu hun boekrollen verzamelden en publiekelijk verbrandden. Toen de waarde ervan werd berekend, kwam men uit op een bedrag van vijftigduizend zilverstukken. 20 Zo zegevierde het woord van de Heer en vond het steeds meer gehoor.(NBV)

Het is commercieel zeer aantrekkelijk om veel mensen te genezen. Mensen betalen daar graag voor. Dat is niet alleen in onze dagen zo maar dat was ook al zo in de dagen van Paulus, en Jezus van Nazareth in wiens naam hij optrad. Er valt dan ook veel te verdienen aan de genezing van mensen. De zonen van Skevas de hogepriester hebben dat goed begrepen. Elke dag trad er wel zo’n zoon van Skevas op die op plechtige toon de toverspreuken uitspraken waarin de boze geesten in de naam van Jezus die door Paulus werd verkondigd bezworen werden. Maar het uitspreken van de naam van Jezus, het uitdrijven van boze geesten in de naam van Jezus is geen toverspreuk. Daar genees je niet van. De boze geest van de man die zelfs de burgerlijke kleding van de beschaafde samenleving niet meer kon verdragen had dat goed door. Jezus moest je navolgen, daar hoefde je niet voor te betalen daar mocht je van delen en die Paulus werkte er bij als riemensnijder, voor tenten, die vroeg ook nooit geld, hooguit voor armen die niets hadden.

De zonen van Skevas komen er berooid van af. Helaas geld dat niet voor de zogenaamde genezers die Jezus naam misbruiken om in een show te doen of ze bidden en dezelfde formuleringen als toverspreuken gebruiken als de zonen van Skevas deden. Je zou ze de mooie pakken die ze dragen van het lijf willen trekken zodat er kleding komt voor de naakten, huisvesting voor de daklozen, gastvrijheid voor de vreemdelingen. Genezing in het nieuwe Testament is niet zozeer bevrijding van de ziekten zelf maar veel vaker bevrijding van de rol waarin je als zieke of gehandicapte door de samenleving gedwongen wordt. Je mag door de Bijbelse genezing weer meedoen zoals je bent, je hoeft niet te bedelen, je bent niet meer afhankelijk van de aalmoezen van de mantelzorgers maar het volk, de samenleving staat klaar om jouw tekorten aan te vullen zodat je volwaardig mee kan doen. In onze samenleving is dat besef langzaam aan het uitsterven. Bij ons betekent mee kunnen doen, zelfstandig kunnen wonen dat je afhankelijk wordt van gunsten, gunsten van mantelzorgers en als die er niet zijn de gunst van de overheid. Tot je recht komen is er niet meer bij.

Ook in onze dagen is het verdienen aan de zorg, aan zieken en gehandicapten, een begeerlijke zaak. Bestuurders van ziekenhuizen en zorginstellingen die hoge salarissen opstrijken, dokters die tegen hoge bedragen aan het uiterlijk van mensen sleutelen en niks doen aan de genezing van hun minderwaardigheidsgevoelens, medicijnindustrieën die meer belang hechten aan de winsten die ze hun aandeelhouders kunnen uitkeren dan aan de zorg voor mensen die een zeldzame ziekte hebben. Door de rijken worden de kosten van de gezondheidszorg een last genoemd die bijna niet meer te dragen is. Als er dan via wetgeving geprobeerd wordt wat aan de exorbitante zelfverrijking in die sector te doen dan liggen de vertegenwoordigers van die rijken dwars en zoeken ze wegen om toch onder de regels uit te komen. Ze worden daarbij geholpen door zogenaamde Christenen die denken dat dat Christenen er zijn om de belangen van de rijken te beschermen. Gelovigen in de weg van Jezus van Nazareth weten dat het anders kan, de toverspreuken, de belangen van de zelfverrijkers, kunnen worden verbrand. Dat lijkt veel te kosten, ook in het verhaal dat we vandaag lazen, maar de winst voor de wereld waarin we leven is onbetaalbaar. Aan het werk voor die Weg dus.

In de school van Tyrannus

maandag, 12 januari, 2015

Handelingen 19:8-12

8 ¶ De volgende drie maanden ging hij regelmatig naar de synagoge, waar hij vrijmoedig met de bezoekers sprak over het koninkrijk van God en hen met zijn uiteenzettingen trachtte te overtuigen. 9 Maar toen sommigen zijn boodschap halsstarrig bleven afwijzen en de Weg bij iedereen belachelijk maakten, vertrok hij en nam de leerlingen met zich mee. Voortaan sprak hij dagelijks in de school van Tyrannus, 10 iets dat hij twee jaar bleef doen, zodat alle inwoners van Asia kennismaakten met de boodschap van de Heer, Joden zowel als Grieken. 11 Door Gods toedoen verrichtte Paulus buitengewoon grote wonderen: 12 zelfs de doeken en de werkkleren die hij gedragen had werden naar de zieken gebracht, zodat ze genazen en de boze geesten hen verlieten.(NBV)

Het is geen tovenarij. Het was geen tovenarij toen Jezus van Nazareth boze geesten uitdreef en het was geen tovenarij toen Paulus en de Apostelen boze geesten uitdreven. Wat wij nu ziekten en handicaps noemen waren in de tijd van de eerste Christengemeenten boze geesten. Mensen hadden geen andere mogelijkheid tot overleven dan te bedelen en een beroep te doen op het medelijden van aardige medemensen. Christenen weigerden daar op in te gaan. Volgens Christenen konden ook zieken en gehandicapten normaal met de samenleving meedoen. Blinden konden zien, doven konden horen en lammen kunnen lopen. Je moet niet kijken naar wat mensen niet kunnen maar naar wat ze wel kunnen. Daarom kunnen zogenaamde gebedsgenezers, in het gedeelte dat op het gedeelte van van vandaag volgt de zonen van een hogepriester, en magiërs, die mensen met die dure boeken, de boze geesten ook niet uitdrijven.

En in onze dagen? Heeft de regering dan gelijk om de sociale werkplaatsen te sluiten en de gehandicapten die daar werken maar naar de vrije markt te verwijzen? Integendeel, de manier waarop deze regering met gehandicapten om dreigt te gaan is nog harder dan gebedsgenezers die zieken die niet genezen verwijten dat ze te weinig geloof hebben. Iedereen moet maar voor zichzelf zorgen is het devies van liberalen en Christen Democraten. Die sociale werkplaatsen die we hebben zijn juist opgericht om gehandicapten dat te laten doen wat ze nog wel kunnen. Ze hebben daar een normale arbeidsplaats die hen de gelegenheid geeft te doen wat ze kunnen. Dat wordt ze ontnomen als ze maar voor zichzelf moeten zorgen. Binnen de Christelijke gemeente zorgen we voor elkaar, staan we voor elkaar in, zorgen we er samen voor dat blinden kunnen zien en doven kunnen horen. Zonder dat worden ze zielige bedelaars.

Het duurt overigens wel even voordat Paulus echt een gemeente heeft gesticht en iedereen heeft bereikt. Als je soms hoort vertellen over de reizen van Paulus rond de Middellanse Zee, waar hij overal gemeenten stichtte, dan lijkt het er wel eens op of hij met een modern cruise schip een reist gemaakt heeft. In elke plaats stak hij een preek af en hup daar was weer een gemeente. Zo ging het dus niet. Die reizen van Paulus gingen te voet of te paard, soms met kleine schepen die gemakkelijk verongelukten. En in elke plaats bleef hij geruime tijd, hier is sprake van ruim twee jaar. Eerst ging Paulus steeds naar de Synagoge, maar op den duur werd hij daar uitgelachen, net zoals de vrijwilligers van onze dagen, de mantelzorgers, de mensen van de voedselbank, de briefschrijvers voor Amnesty maar vaak worden uitgelachen als theedrinkers en softies. Paulus zette zijn werk voor in de school van Tyrannus staat er dan. Dat is niet een school zoals wij die kennen maar een school van filosofen. Daar kwamen mensen om te leren hoe ze beter zouden kunnen leven en kennelijk gaf Paulus les. Mensen die nadenken, lijkt er te staan, komen tot de ontdekking dat die klassenloze samenleving, waar afkomst en inkomen er niet toe doet, de samenleving die Paulus probeert te vormen, nog zo gek niet is. En die boodschap is ook vandaag nog geldig. Een samenleving waar iedereen aan mee kan doen heeft ook beschutte plekken waar mensen zichzelf kunnen zijn zonder verplicht te zijn zich aan het moordend tempo van de meerderheid te onderwerpen.