Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2014

Laat wie luistert zeggen: “Kom!”

woensdag, 31 december, 2014

Openbaring 22:8-21

8 Ik, Johannes, was het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik alles gehoord en gezien had, wierp ik me neer aan de voeten van de engel die me deze dingen liet zien, om hem te aanbidden. 9 Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en je medeprofeten, en zoals degenen die zich houden aan wat er in dit boek staat. Je moet God aanbidden.’ 10 Verder zei hij tegen me: ‘Houd de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij. 11 Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten, en wie onrein is zal nog onreiner worden. Wie goed doet zal nog meer goed doen, en wie heilig is zal nog heiliger worden.’ 12 ‘Ik kom spoedig, en heb het loon bij me om iedereen te belonen naar zijn daden. 13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.’ 14 Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan. 15 Buiten is de plaats voor de honden die zich bezighouden met toverij en ontucht, met moord en afgodendienst, voor iedereen die de leugen koestert en ernaar handelt. 16 ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster.’ 17 De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft. 18 Ik verklaar tegenover eenieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn. 20 ¶ Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’ Amen. Kom, Heer Jezus! 21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen. (NBV)

Het gevaar van een boek als Openbaring is dat we het boek als troost gaan lezen. Ooit komt er een dat we allemaal gelukkig zijn, verlost van de ellende waar we elke dag mee te maken hebben. Een droom die ons op de been houdt en ons de ellende helpt te verragen De gevangene van Patmos heeft in zijn ellende van dwangarbeid in de gloeiend hete zon op dat kleine eiland voor de kust van Griekenland als geen ander gezien waar die droom op zou moeten uitlopen. De oude droom van de rechtvaardige koning zou waar worden, de telg van David. Maar daar is dat boek van Johannes eigenlijk helemaal niet voor bedoeld. Het is geen boek van “stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw” Integendeel, het is een boek dat ons aan het werk zet. We moeten God aanbidden zegt de engel tegen Johannes, en als Christen weet hij dat God liefhebben boven alles hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Dat wie goed doet nog meer goed gaat doen en wie heilig is nog heiliger zal worden komt dan ook niet als een verrassing.

Dat is het tegendeel van wat er zal gebeuren met de Keizer van Rome die de Tempel in Jeruzalem had verwoest. Wie onrein is zal onreiner worden, wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten. Je hoeft dus niet te schrikken van de groeiende weerstand tegen gemeenschappen die proberen gestalte te geven aan hetgeen Jezus van Nazareth zijn volgelingen had op te trekken. Niet langer hoef je op te trekken naar de tempel, het staat al geschreven wat we moeten doen. We mogen nu al leven of Jezus van Nazareth elke dag zou kunnen komen, dat mogen we zelfs volhouden in de grootste ellende. De alfa en de omega, de eerste en de laatste letter van het Griekse alphabet vertellen ons dat. Van A tot Z ligt het vast. Dat is pas God aanbidden, meer is er niet. Daarom blijft voor ons het parool te blijven denken aan de minsten op aarde, aan de hongerigen in Afrika en de slachtoffers van natuurrampen, nooit zullen we een van hen in de steek mogen laten.

Er wordt gesproken over het wassen van kleren, alle vuil verwijderen en schoon en fris opnieuw beginnen. Dat is niet iets wat je moet uitstellen tot na je dood, zoals in sommige kringen wel eens wordt beweerd. De komst van het Koninkrijk is niet voor de doden bestemd maar voor de levenden, er staat in de Bijbel zelfs dat de God van Israël geen God van de doden is maar een God van de levenden. Dat wassen van kleren doet je denken aan het afschudden van het stof aan je voeten. Dat moesten de leerlingen doen als ze ergens kwamen waar het woord van Jezus werd verworpen. Gewoon doorgaan, armen zijn er altijd om goed voor te doen. Eigenlijk roept een boek als Openbaring ons op voortdurend om ons heen te kijken, die ellende die er in beschreven wordt die kennen we wel. Maar zien we mogelijkheden om ergens iets van die ellende te verminderen, kracht krijgen we er voor, we mogen nu al drinken van het water dat leven geeft. we mogen ons en onze kinderen laten dopen en gemeenschappen stichten waar geen onderscheid meer is tussen slaaf en vrije, tussen mannen en vrouwen, tussen oud en jong, tussen arm en rijk, tussen allochtoon en autochtoon. Elke dag opnieuw mogen we daaraan werken, alsof Jezus morgen zal komen en ons aantreft al bouwende aan zijn Koninkrijk.

Ik kom spoedig!

dinsdag, 30 december, 2014

Openbaring 22:1-7

1 ¶ Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2 In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing. 3 Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren 4 en hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd. 5 Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid. 6 ¶ Toen zei hij tegen mij: ‘Wat hier gezegd is, is betrouwbaar en waar. De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.’ 7 ‘Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek. (NBV)

Op verschillen de plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel klinkt de belofte door dat uiteindelijk de mensen weer in het Paradijs zullen wonen. Dat Paradijs kent dan het water dat leven geeft, als tegenstelling met de zee als water die de dood brengt, en de levensboom waarvan het eten van de vruchten eeuwig leven geeft en de bladeren genezing voor alle volken. De profeet Ezechiël spreekt er al over. Maar in de Hebreeuwse Bijbel stroomt het water van het leven en staat de boom met de genezende bladeren en de vruchten die eeuwig leven brengen in de Tempel in Jeruzalem. Voor onze schrijver op Patmos was er helemaal geen Tempel meer in het nieuwe Jeruzalem dat hij uit de hemel zag dalen. God woonde immers zelf in die stad, de rivier met levenswater ontspingt daarom in het verhaal van Openbaring aan de Troon van God en langs die rivier staan de levensbomen die elke maand een eigen vrucht geven en bladeren hebben die de volken genezing brengen.

Het wordt in het gedeelte van vandaag nog eens benadrukt. De troon van God zal in dat nieuwe Jeruzalem staan. Nu had ook de Hebreeuwse Bijbel het al gehad over de troon van God. Als die God groot werd gemaakt werd die troon een voetenbank, maar die troon of voetenbank stond in de Tempel in Jeruzalem. Het was de Ark van het verbond die als troon of als voetenbank voor God diende. In die Ark lagen de stenen platen waarop God zelf zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving had gegrifd. Als die richtlijnen over de Wereld verspreid zijn en overal tot richtlijn voor het inrichten van de samenleving dienen dan ontstaat op de wereld een situatie die paradijselijk kan worden genoemd, dan is het overal vrede en hoeft niemand meer te sterven voor de tijd die daarvoor is gesteld. Als je de inhoud van de Ark als rivier benoemt dan zijn de bladeren de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen. Zo is ook de indeling van de Hebreeuwse Bijbel, eerst de Torah, de leer die Mozes gegeven heeft, dan de profeten en tot slot de geschriften. Ze brengen alle volken genezing, we geloven dat nog steeds.

Maar dat Lam, en die bewering dat het spoedig komt! Het Lam herinnert niet aan de zondebok, de bok waarop de priester jaarlijks zijn handen legde zodat de zonden van het volk op de bok werd overgebracht waarna de bok de woestijn werd ingestuurd. Het Lam herinnert aan het lam dat werd geslacht en geroosterd op de laatste avond van de slavernij in Egypte. Het bloed van het Lam was aan de deurposten gesmeerd zodat ook de eerstgeborenen van Israël in leven bleven, in tegenstelling tot die van Egypte, daar moesten ze sterven. Het volk moest de maaltijd staande eten want elk moment kon de bevrijding komen. En kennelijk moeten we er nog steeds op beducht zijn dat elk moment de vrede voor de wereld kan aanbreken. We vragen er om, we komen er voor in beweging, we proberen mensen er voor warm te laten lopen, elke dag weer. En elke dag als we bezig zijn met de voorbereiding op de komst van dat Koninkrijk, de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven, de naakten te kleden, de gevangenen te bezoeken, de zieken te verzorgen, weten we dat de komst van dat Koninkrijk weer een stukje dichterbij gekomen is. We moeten nog een hele woestijn door maar het komt er aan, ook vandaag weer.

De straten van de stad waren van zuiver goud

maandag, 29 december, 2014

Openbaring 21:9-27

9 ¶ Een van de zeven engelen met de offerschalen die gevuld waren met de laatste zeven plagen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’10 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. 11 De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. 12 Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. 13 Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie. 14 De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. 15 Degene die met mij sprak had een gouden meetstok om daarmee de stad, de poorten en de muur op te meten. 16 De stad was vierkant, even lang als breed. Hij mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie, zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte. 17 Hij mat de stadsmuur: honderdvierenveertig el, in gewone mensenmaat, die ook engelenmaat is. 18 De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. 19 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, 20 de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. 21 De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. 22 Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. 23 De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht. 24 De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. 25 De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. 26 De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen. 27 Maar alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat, komt de stad niet binnen, alleen zij die in het boek van het leven staan, het boek van het lam. (NBV)

Zeven schalen met zeven plagen. Daar begint dit gedeelte uit het boek van de Openbaringen mee. De gevangene op het Griekse eiland Patmos, die de hele dag in de brandende zon op de kale rotsen dwangarbeid moest verrichten en wist dat ook zijn geloofsgenoten in het Romeinse Rijk aan grote verdrukking blootstonden, ziet in de eerste plaats nog meer ellende. De rampspoed die het volk Israël de Christenen uit de Heidenen heeft getroffen is niet zomaar voorbij. Maar heeft volhouden zin? Komt er een eind aan het lijden? Het is een vraag die ook na twee eeuwen Christendom in de wereld meer dan brandt. We worden weliswaar bang gemaakt voor de Islam maar vlak het Christendom niet uit. In onze streken werd het Christendom in de dagen van Karel de Grote met vuur en zwaard gebracht. Vreedzame dorpen werden verbrand en wie weigerde gedoopt te worden werd gedood. Toen een paar eeuwen later Amerika werd ontdekt werd Latijns-Amerika gekerstend met ongekende wreedheid, in Noord Amerika werden de Heidense Indianenstammen nagenoeg uitgeroeid.

Ook de slavernij die vervolgens werd ingevoerd werd goedgepraat met zogenaamde Christelijke argumenten en de Apartheid in Zuid Afrika werd tot diep in de vorige eeuw ook in ons parlement met Christelijke argumenten goedgepraat. Kun je dan blijven volhouden dat het geloof van die gevangene op Patmos een zinvol geloof is? Hij droomt van een stad met twaalf poorten, waar iedereen uit de hele wereld welkom is dus. Een stad waar alle rijkdom en schoonheid van de wereld te vinden is. Een stad die rust op de grondstenen van de apostelen en daarmee op het verhaal van Jezus van Nazareth, op de richtlijnen die God had gegeven voor de menselijke samenleving. Een stad met gouden straten die schitteren als glas. In die stad is alle geld waardeloos geworden. Het goud ligt immers op straat. Daar is geen economische concurentie meer. . Niet langer worden mensen uit hun huis gezet omdat het huis onbetaalbaar is geworden, niet langer is voedsel te duur om je kinderen te voeden. Het is ook vandaag een droom die het waard is nagestreefd te worden en tot werkelijkheid gemaakt. Het lijden van al die mensen vandaag nog steeds zou ons dubbel zo hard moeten laten werken om deze droom tot werkelijkheid te brengen.

De droom van de stad van gerechtigheid heeft sinds de schrijver van Patmos de mensen altijd bezig gehouden. Vaak zijn de mensen afgegaan op alle vreselijke dingen die in het boek Openbaring te vinden zijn. Daarbij wordt vergeten, of verzwegen, dat die vreselijke dingen al sinds de dagen van de gevangene van Patmos tot op onze dagen in de wereld te vinden zijn. Of het nu de vervolging van Christenen onder Romeinse Keizers, de kerstening van Germaanse en Friese stammen onder Karel de Grote, de strijd tegen de Islam tijdens de kruistochten, de verovering van Indië tijdens de VOC, de slavernij en de Apartheid, de holocaust in de vorige eeuw, de strijd en de verkrachtingen rond Darfur zijn. De opsomming kan maar een zeer klein deel van al het leed en de ellende bevatten die de volken overkomen zijn en die je terug kan vinden in de gruwelijke beelden die beschreven staan in het boek Openbaring. Als ooit de Liefde zelf regeert op aarde, dan zijn de richtlijnen van God vervult. Dan spreekt het vanzelf dat ieder de naaste liefheeft als zichzelf. Dan is er geen duisternis meer waar je doorheen moet en waar je de steun nodig hebt van iemand die met je meegaat. Juist vanuit lijden en onderdrukking wordt duidelijk hoe hard we moeten werken aan zo’n wereld. Daarom zijn er mensen die onophoudelijk roepen dat we niet genoeg doen en dat we misschien te laat zijn. Er zijn nog mensen die zwelgen in eigen gelijk, die winst en profijt voor zichzelf belangrijker vinden dan delen met de minsten, ze verafschuwen de hulp die aan de minsten wordt gegeven. De duistere figuren waarmee afgerekend dient te worden. Zij komen de stad niet in, tenzij ze zich bekeren en laten leiden door de Liefde. Laten wij het voorbeeld zijn.

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

zondag, 28 december, 2014

Openbaring 21:1-8

1 ¶ Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. 2 Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. 3 Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. 4 Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’ 5 Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw!’ -Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf het op, want wat hier wordt gezegd is betrouwbaar en waar.’ 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft. 7 Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn. 8 Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.’(NBV)

We lezen de Bijbel graag zoals we een geschiedenisboekje lezen. En het bijzondere is dan dat de Bijbel niet alleen de jaartallen van het verleden beschrijft maar ook het heden en de toekomst. Als je zo de Bijbel leest kom je snel in problemen. De wetenschappelijke geschiedenisboekjes geven vaak andere feiten over gebeurtenissen als de Bijbel en heel vaak zijn er van de verhalen uit de Bijbel nauwelijks of geen sporen in de wetenschappelijke geschiedenis te vinden. En waar dan in al die verhalen die in het verleden over de toekomst zijn geschreven ons heden te vinden is blijft al helemaal een raadsel laat staan dat de toekomst zich al herkenbaar in de verhalen bevindt. Neem nu het verhaal van vandaag. De profeet Jesaja had daar ook over gesproken, waar loopt de menselijke geschiedenis op uit. Maar Jesaja had niet durven opschrijven dat de dood niet meer zou zijn zoals Johannes schrijft, Jesaja schrijft dat niemand sterft voor de honderdste geboortedag en wie dat wel doet vervloekt is, geen kind sterft meer voor de ouderdom en geen ouder hoeft een kind groot te brengen voor een vredelijk lot.

De Bijbel heeft een eigen boodschap en gaat niet over de geschiedenis zoals de wetenschap die kan en moet vastleggen maar gaat over de verhouding tussen God en de mensen en hoe die verhouding zou moeten en kunnen zijn. En dan zijn Jesaja en Johannes het roerend met elkaar eens. De geschiedenis van God met de mensen loopt onontkoombaar uit op een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. Die hemel gaat op aarde wonen en wat wij ons allemaal bij de hemel kunnen voorstellen gaat op aarde gebeuren. God woont nu in de hemel zeggen we voor het gemak, we weten niet helemaal meer waar dat dan zou moeten zijn maar als God volmaakt is dan is ook zijn verblijfplaats volmaakt. Voor ons is God tegelijkertijd veraf en dichtbij, God gaat dan ook alle verstand te boven. Maar er komt dus een tijd dat we weer met God kunnen wandelen zoals van Adam en Eva en van Henoch wordt verteld in de Bijbel. De zee is in de Bijbel het symbool van de dood, afdalen in de zee overleef je niet, zelfs niet als een grote vis je opslokt. Vluchten voor God brengt je dan ook in de dood en op die nieuwe aarde kan dat niet meer, de zee is er niet meer, de dood dus ook niet.

Jesaja en Johannes schrijven in verschillende omstandigheden. Bij Jesaja breekt er een nieuwe tijd aan voor het volk Israël in nauwe verbondenheid met de God van Israël. De ballingen keren terug en zij hadden de ballingschap gebruikt om het verhaal van God en de mensen bij elkaar te brengen en voor zover mogelijk op te schrijven. Als Jeruzalem en de Tempel klaar zijn zullen ze de richtlijnen van die God voor het inrichten van de samenleving dan ook in zijn geheel voorlezen voordat het land weer een land van het volk wordt. Er moet dus wel iets nieuws beginnen volgens Jesaja en dat is al begonnen toen God ging werken aan die terugkeer. Voor Johannes is de situatie helemaal anders. Hij is na vervolging oorlog en opstand op een klein eiland terecht gekomen waar hij nog steeds vanwege zijn geloof over zijn schouder moet kijken. Het is niets dan ellende dat zijn volk meemaakt, en voor de volgelingen van Jezus van Nazareth is het zo mogelijk nog erger. De Tempel in Jeruzalem is verwoest, de stad ligt in puin en het volk is over het Romeinse rijk verspreid. Zo kan dat verhaal met die God die nooit het werk van zijn hand laat varen niet aflopen. Jezus van Nazareth had niet voor niets beloofd met zijn volgelingen te zijn tot de aarde voltooid zou zijn. Er moet dus wel iets nieuws beginnen, een hele nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Voor Johannes kan het niet lang duren, het zal spoedig zijn. En als wij om ons heen kijken kan het nog steeds niet lang duren, verwoestende oorlogen in Syrië, Iran, Irak, Palestina en Israël en ziekten als Ebola teisteren de aarde. Wij hebben geleerd dat ook wij ons die richtlijnen van de God van Israël steeds weer moeten laten voorlezen en steeds opnieuw moeten beginnen om ze in de praktijk te brengen. Zo beginnen we alvast met dat nieuwe, nu en in het nieuwe jaar weer.

Hij oordeelt de volken

zaterdag, 27 december, 2014

Psalm 96

1 ¶ Zing voor de HEER een nieuw lied, zing voor de HEER, heel de aarde. 2 Zing voor de HEER, prijs zijn naam, verkondig van dag tot dag dat hij ons redt. 3 Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden. 4 Groot is de HEER, hem komt alle lof toe, geducht is hij, meer dan alle goden. 5 De goden van de volken zijn minder dan niets, maar de HEER: hij heeft de hemel gemaakt. 6 Glans en glorie gaan voor hem uit, macht en luister vullen zijn heiligdom. 7 Erken de HEER, stammen en volken, erken de HEER, zijn majesteit en macht, 8 erken de HEER, de majesteit van zijn naam, draag geschenken zijn voorhoven binnen. 9 Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie, huiver, heel de aarde, als hij verschijnt. 10 ¶ Zeg aan de volken: ‘De HEER is koning. Vast staat de wereld, zij wankelt niet. Hij oordeelt de volken naar recht en wet.’ 11 Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen, de zee bruisen en alles wat daar leeft. 12 Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit, laten alle bomen jubelen 13 voor de HEER, want hij is in aantocht, in aantocht is hij als rechter van de aarde. rechtvaardig zal hij de wereld berechten, de volken oordelen, trouw aan zijn woord.(NBV)

De almachtige God, schepper van hemel en aarde doet het tegenwoordig niet meer zo goed. Als je God almachtig noemt dan rijst direct de vraag waarom die zo machtige God al dat leed en ellende toelaat. Die vraag is met name opgekomen na de Tweede Wereldoorlog toen het langzaam doordrong dat er 6 miljoen Joden vermoord waren. En daarnaast Zigeuners, Jehova’s Getuigen, Vrijmetselaars, Homosexuelen en politieke tegenstanders van de Nazi’s. Die Joden hoorden toch tot het door God uitverkoren volk? In de geschiedenis van de Kerk was er wel gesproken over straf die Joden verdiend zouden hebben voor de kruisiging van Jezus van Nazareth, maar de moord op 6 miljoen Joden, jongeren, ouderen, mannen, vrouwen, kinderen, zieken en gezonden, stond in geen verhouding met de Lijdende Knecht des Heren die volgens diezelfde christelijke kerkgeschiedenis ook de zonden van de Joden op zich had genomen.

Toch zingen we vandaag met de kerk mee een psalm waarin God als de Heer van hemel en aarde wordt bezongen. Hoe zit dat dan? De sleutel zit misschien in het noemen van de goden van alle volken. Het bestaan van andere goden wordt in de Bijbel vaak niet ontkend. Maar de God van Israel is altijd machtiger, de goden van de volken zijn minder dan niets. Die God die kan wat. Maar kennelijk toch niet de Holocaust tegenhouden, of de Tsunami die we gisteren hebben herdacht. Holocaust en Tsunami zijn twee heel verschillende verschijnselen. Bij de Holocaust ging het om een plan van mensen. Mensen die dat plan ten uitvoer lieten brengen en mensen die zich tot die uitvoering lieten leiden. Maar ook mensen die zich tegen die uitvoering verzetten en mensen die zich niet tegen die uitvoering hebben verzet. Nog steeds worden in Israel de rechtvaardigen uit de volken herdacht en nieuwe rechtvaardigen uit de volken genoemd. Rechtvaardigen uit de volken zijn die mensen die met inzet en gevaar voor eigen leven Joodse levens hebben gered van de Holocaust.

Bij de Tsunami ging het om een van de natuurrampen die nu eenmaal voorkomen, maar waardoor we geroepen worden tot hulp. Als we in deze Psalm lezen dat God de volken zal oordelen dan betekent dat dus dat van alle volken geweten zal worden of die wilden delen met de minsten in de wereld, met de hongerigen, de naakten, de zieken, de slachtoffers van oorlog en geweld. Ieder volk mag zich afvragen hoe dat oordeel zal uitvallen. Van individuele mensen wordt gevraagd dat ze doen wat ze kunnen en dat ze daar telkens weer opnieuw mee mogen beginnen. Een volk dat het houden van je naaste als van jezelf tot norm en regel heeft verheven is daar natuurlijk een steun bij en een lichtend voorbeeld voor andere volken. Het zou natuurlijk fantastisch zijn als de volken van de wereld de handen in elkaar zouden slaan en de armoede de wereld uit zouden helpen. We leven in een tijd dat de volken besloten hebben de armoede te halveren. Dat is één stap, laten wij werken aan de volgende stap, zingend van deze psalm.

 

Het Woord is mens geworden

vrijdag, 26 december, 2014

Johannes 1:14-18

14 Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. 15 ¶ Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’16 Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. 17 De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.(NBV)

Het nieuwe testament, het verhaal over Jezus van Nazareth en zijn volgelingen, rekent radicaal af met de onzinnige vraag hoe God er eigenlijk uit ziet. Kijk maar naar de mens Jezus van Nazareth is het antwoord, eigenlijk zegt het nieuwe testament: kijk maar in de spiegel, of nog beter kijk maar naar de minste uit je eigen omgeving, de zwerver, de verkoper van straatkranten. Dat God mens is geworden en onder ons heeft gewoond is van begin af aan ook een idee waaraan men moeilijk kon wennen. Een God kon immers niet lijden, een God kon toch niet sterven en in een graf worden gelegd? De God van Israël gaat alle verstand te boven en die grootheid bepaald onze voorstelling van God. Maar de God die als een oude man met een lange baard op een wolk rondzweeft is een uitvinding van Michael Angelo, zo heeft hij God geschilderd in de Sixtijnse kapel in Rome. De Bijbel spreekt er heel anders over.

De grootheid van de God van Israël werd duidelijk in de mens Jezus van Nazareth een mens vol van goedheid en waarheid, daarin werd de grootheid van God, van de enige Zoon van een God die onze vader wil zijn, duidelijk. Uitdrukkelijk een mens dus, een mens die je kan volgen en die je kan verwerpen. Zoveel goedheid kan er nooit zijn. Iemand die het hele volk geneest, die als Mozes richtlijnen geeft voor het inrichten van je samenleving, heb je vijanden lief en zo, die zal alle macht in hemel en op aarde naar zich toe willen trekken, dat is immers menselijk. De bedreiging die hij vormde voor wereldlijke en religieuze machten heeft uiteindelijk tot zijn dood geleid. Een slavendood aan een kruis. Een dood die tegelijk duidelijk maakte dat hij er niet op uit was een opstand te ontketenen, zijn macht te gebruiken om geweld uit te lokken. Integendeel, aan het kruis vroeg hij zijn vader vergeving voor zijn beulen die niet zouden weten wat ze aan het doen waren. Het was zijn liefde die hem door de dood heen liet opstaan, liet verschijnen aan zijn volgelingen en het was die Geest van liefde die hen dreef tot aan de uiteinden van de aarde om dat Woord, dat vlees was geworden te vertellen aan alle mensen op aarde.

De Evangelist Johannes heeft het nergens over Johannes de Doper. In plaats daarvan legt de Evangelist de nadruk op de profetieën uit de Hebreeuwse Bijbel, die wij ten onrecht Oude Testament noemen. In dat verhaal over God en de mensen werd de bevrijder van het volk aangekondigd die niet alleen het volk zou bevrijden van onrecht en ellende maar de hele wereld zou bevrijden en vrede op aarde zou brengen. Als wegbereider trad Johannes, door de andere evangelisten de doper genoemd, op. Die haalde de gedeelten uit de boeken van de profeten aan waar al gesproken werd over die komende bevrijder. Vooral het lied uit het boek van de profeet Jesaja over “de lijdende knecht van de Heer” speelde daarin een rol. Die lijdende knecht zou alle ellende van de wereld op zich nemen. Zelf totaal onschuldig aan welk misdrijf of welke overtreding dan ook zou hij zich laten doden door de heersende machten. Elk doden van een mens door een staat zou daarmee tot een moord worden. Tegelijk laat de Evangelist zien dat de opvatting dat een God niet kan lijden en daarom Jezus van Nazareth niet gekruisigd was onzin is. Daarover werd vanouds gesproken. Niemand heeft dus ooit God zelf gezien, we mogen het doen met de mens waarin het Woord van die God vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Door hem weten we dat we ook onze samenleving kunnen inrichten volgens de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf, zo verlost Jezus van Nazareth ook ons van onrecht en ellende, elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

Alles is erdoor ontstaan

donderdag, 25 december, 2014

Johannes 1:1-13

1 ¶ In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Het was in het begin bij God. 3 Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. 5 ¶ Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. 6 Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. 7 Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. 8 Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: 9 het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. 10 Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. 11 Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. 12 Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. 13 Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God. (NBV)

Het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes wordt meestal op de eerste Kerstdag gelezen, nadat in de Kerstnacht het verhaal uit Lucas 2 is gelezen. Niet zo verwonderlijk. De profeet Jesaja had ooit al eens geschreven dat een licht zou opgaan over de volken en dat als teken daarvan een kind geboren zou worden. In Jezus van Nazareth herkennen veel mensen dat licht dat nooit zal doven. Maar Johannes vertelt ons meer. Hij vertelt ons zelfs van discussies waar we misschien niets meer van weten. Er waren in zijn dagen mensen die vonden dat de God van Israël een andere God was als de God van Jezus van Nazareth. Die mensen zijn er soms nog wel, ze doen of ze Christelijk zijn maar eigenlijk verwerpen ze de Wet van eerlijk delen en je naaste liefhebben als jezelf.

Johannes schrijft in de eerste zinnen van zijn Evangelie dat er helemaal geen verschil is, zoals de God van Israël zei “Er zij licht, en er was licht” zo is alles van die God uitgegaan, ook het Woord, zoals Jezus van Nazareth zich soms noemde. Dat Woord waarvan de profeet Jesaja schreef dat het gerechtigheid bevat en dat die God van Israël had gezworen nooit iets er van terug te nemen. Dat licht schijnt nog steeds in de duisternis en de duisternis heeft het nog steeds niet in haar macht gekregen. Johannes de Evangelist laat zijn Evangelie beginnen met het verhaal over een naamgenoot. We weten uit de andere Evangeliën dat die immens populair was geweest. We kunnen in het boek van de Handelingen van de Apostelen lezen dat er overal in het Romeinse Rijk nog jaren later gemeenschappen van volgelingen van Johannes de Doper waren geweest. Johannes de Evangelist benadrukt nog eens dat deze Johannes de Doper zelf de bevrijder niet was.

Maar Jezus van Nazareth was dat wel. Hij werd weliswaar ook niet herkend, maar die mensen die in hem zijn gaan geloven zijn kinderen van God geworden. Tegen al die aanhangers van Johannes de Doper vertelt Johannes de Evangelist nu dat de man over wie Johannes de Doper sprak Jezus van Nazareth was. Johannes de Doper deed weer dezelfde oproep als de profeet Jesaja, om van het volk weer een volk van recht en vrede te maken, om zich af te keren van collaboratie met de Romeinen en van oorlog met de Romeinen, maar de Weg van God te gaan, de Weg van je naaste liefhebben als jezelf. Wat dat betekent kunnen we leren uit het leven van Jezus van Nazareth., vol van goedheid en waarheid. De richtlijnen voor een menselijke samenleving van je naaste liefhebben als jezelf was er al sinds de dagen van Mozes. Nu weten we wat hongerigen voeden, naakten kleden, zieken verzorgen, gevangenen bezoeken, zorgen voor de minsten onder ons is. Maar weten is niet genoeg, doen daar komt het aan. Dat vieren we nog eens extra met Kerstmis, als zelfs een kind in een voederbak ons kan bevrijden.

Buiten mij is er geen god

woensdag, 24 december, 2014

Jesaja 45:20-25

20 ¶ Laten de ontkomen volken zich verzamelen, laat hen allen naderbij komen. Wie een houten godenbeeld ronddraagt, heeft geen verstand. Wie bidt er nu tot een god die niet redt? 21 Kom hier, overleg met elkaar en vertel: Wie heeft dit van meet af aan laten horen, wie heeft het lang tevoren aangekondigd? Was ik dat niet, de HEER? Buiten mij is er geen god. Alleen ik ben een rechtvaardige God, alleen ik breng redding. 22 Keer terug naar mij en laat je redden, ook jullie aan de einden der aarde; want ik ben God, er is geen ander. 23 Ik heb bij mijzelf gezworen: Uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat ik spreek wordt niet herroepen. Voor mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal bij mij zweren. 24 ‘Alleen bij de HEER, ‘zal men zeggen, ‘is gerechtigheid en macht te vinden.’ Allen die zich tegen hem keerden zullen tot hem komen en beschaamd staan. 25 Heel het nageslacht van Israël zal bij de HEER recht vinden en zich gelukkig prijzen.(NBV)

Plotseling gaat het in het boek van de profeet Jesaja niet meer alleen over het volk Israël. Elk volk kan de ellende van onderdrukking en geweld overkomen. Grootmachten liggen overal op de loer om nog grotere machten te worden. Vroeger heten ze koningen en keizers, tegenwoordig presidenten en dictators, maar verschillen doen ze niet. Welke opvatting je ook aanhangt, welke leus je ook achterna loopt je ontkomt niet aan de ellende die mensen elkaar aandoen. Altijd zijn er rijken die nog rijker willen worden en altijd zijn er armen van wie zelfs het laatste dat ze nog hebben wordt afgepakt. Natuurlijk zijn er rijken die af en toe een klein deel van hun vermogen uitdelen aan armen om het ongenoegen dat het verschil oproept wat te matigen. Ze worden meestal dan aardig gevonden, er worden meer producten van hen gekocht en hun macht, rijkdom en invloed nemen alleen maar toe. Waar is redding uit deze chaos te vinden, waar is het recht dat de armen toekomt? Juist, voor lezers in de Bijbel is dat te vinden bij de God van Israël.

Het is een misverstand te denken dat er dan een arm uit de wolken gestoken wordt die de dictators en misdadige presidenten tot moes knijpt. Het is een misverstand om te denken dat zonder dat de armen er zelf wat aan doen de bevrijding vanzelf aanbreekt. Juist de armen moeten beseffen dat zij het zelf zijn die de de chaos en de ellende in de wereld in stand houden. Als er niemand meer naar de oorlog zou gaan zou elke oorlog vanzelf ophouden. Komende nacht wordt in talloze kerken in de wereld een verhaal vertelt dat een prachtig voorbeeld is van hoe de armen op een geweldloze manier de macht van machtige Keizers, in onze dagen dictators, kunnen breken. In de dagen dat het Romeinse Rijk de wereld beheerste en de bekende wereld van Schotland tot Ethiopië had veroverd wilde de Keizer van dat Rijk iedereen laten tellen zodat er belasting van alle inwoners geheven kon worden. Iedereen moest daarvoor thuis blijven, huis aan huis zou worden geteld. Soldaten zagen er op toe dat iedereen zich aan die regel zou houden.

Dat deden de meeste mensen dan ook. Maar niet de herders, die moesten immers hun kudden beschermen tegen wilde dieren. Zelfs in de nacht. Maar ook mensen uit Israël verstonden het beval van die Keizers anders dan was bedoeld. Ooit had de God van Israël beloofd dat armen een stukje grond kregen in Israël en als ze dat kwijt raakten door misoogst of ellende dan kregen hun nazaten dat na vijftig jaar weer terug. Omdat uit de mond van die God gerechtigheid voortkomt en hij had gezworen dat hij het woord dat hij had gesproken niet zou herroepen gingen arme mensen naar de plaats die God hen had gewezen, de akker die ooit aan hun voorgeslacht gegeven was. Toen daar zelfs een kind werd geboren was de hele volkstelling bij voorbaat mislukt. Het volgen van het Woord van de God van Israël brengt bevrijding, dat brengt de hemel op aarde, vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Zelfs die herders hoefden niet meer bang te zijn, zij telden mee door wat ze deden met hun kudde. Dat kind werd de bevrijder van Israël genoemd, God met ons, Immanuël. Vier het vannacht gerust mee in een protestantse kerk in de buurt, de boodschap is nog steeds niet anders dan toen.

Een God die zich verborgen houdt

dinsdag, 23 december, 2014

Jesaja 45:14-19

14 Dit zegt de HEER: De Egyptenaren met hun schatten, de Nubiërs met hun rijkdom en de rijzige Sabeeërs, zij zullen komen en jullie toebehoren. Ze komen in ketenen en volgen je, ze buigen voor je en belijden: ‘Bij u alleen is een God, er is geen andere god, niet één.’ 15 En: ‘Voorwaar, u bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël, die redding brengt.’ 16 De ambachtslieden met hun godenbeelden staan te schande en worden gehoond, ze worden samen te schande gemaakt. 17 Maar Israël wordt door de HEER gered, hij brengt redding voor eeuwig. Jullie staan niet te schande en worden niet gehoond, in alle eeuwigheid niet. 18 Dit zegt de HEER, die de hemel geschapen heeft-hij is God! -, die de aarde gemaakt en gevormd heeft en die haar heeft gegrondvest- niet als chaos schiep hij de aarde, maar om te bewonen heeft hij haar gevormd: Ik ben de HEER, er is geen ander. 19 Ik heb niet in het verborgene gesproken, ergens in een duister oord, ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd: ‘Zoek mij in de chaos.’ Nee, ik ben de HEER, al wat ik zeg is rechtvaardig, wat ik aankondig is waarachtig.(NBV)

Denk nu niet dat profeten toekomstvoorspellers zijn. Dan zouden ze door de mand gevallen zijn met het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek van de profeet Jesaja. Want we kunnen ons toch niet echt voorstellen dat de Egyptenaren, Ethiopiërs en Eritreërs in ketenen naar Judea zijn gekomen om hun rijkdom en hun diensten aan te bieden aan de Judeërs omdat die nu eenmaal volgelingen zijn van de enige God die in de wereld telt, maar die zich verborgen houdt voor de volken die buiten Judea wonen. Sommigen zouden zeggen dat die woorden van Jesaja toch een voorspellende waarde hebben want misschien noemen ze de God van Israël niet bij dezelfde naam als de Judeeërs, maar erkennen ze dezelfde God op grond van het woord van een andere profeet die de ene God van Israël, schepper van hemel en aarde, op een wat andere manier aan hen heeft verkondigd. Zelf beschouwen de volgelingen van die profeet hun God in elk geval als dezelfde als de God van Joden en Christenen.

Het gaat Jesaja hier niet om de toekomst maar om het heden. De terugkeer van de ballingen was een angstige zaak. Grootmachten blijven door de geschiedenis heen altijd kleine zwakke landjes bedreigen. Voordat je openlijk in oorlog gaat met zo’n grootmacht moet je toch wel heel erg wanhopig zijn want voor je het weet is je volk dood en verdwenen. Egypte was op het eind van de ballingschap toch de grootmacht aan wiens grens de herbouw van Jeruzalem en de Tempel plaatsvond. Jesaja roept dus tegen de teruggekeerde ballingen dat ze niet bang hoeven te zijn. Een God die een Heidense Koning als Cyrus kan bewegen toestemming te geven voor de terugkeer naar het land Israël en hen zelfs het bevel gaf hun hoofdstad en Tempel te herbouwen die zie je misschien niet maar die God kan ook die bedreigende grootmachten aan, als je maar op die God blijft vertrouwen door je nieuwe samenleving in te richten volgens de richtlijnen van die God.

Wij blijven dan strijden over de uitspraken van de profeet dat die God van Israël de aarde heeft geschapen. De profeet heeft het hier echter uitdrukkelijk niet over de natuurkunde, of welke menselijke wetenschap dan ook, maar over de verhouding tussen de God van Israël en de mensen. De aarde was en is een chaos, de ene ramp volgt op de andere en we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Vrede op aarde mogen we met kerst zingen en honderd jaar geleden kwamen zelf soldaten in een grote oorlog uit hun loopgraven om samen van de kerst en de vrede op aarde te zingen, maar de drie jaar er na bleven ze ook met kerst op hun vijanden schieten. Ook nu is zelfs Kerst niet een feest met vrede op aarde, overal op aarde gaat de oorlog door, zo hier en daar onderbroken door een paar vrije dagen. De rol van de God van Israël is die aarde bewoonbaar te maken voor mensen. Daar is zijn richtlijn van Gij zult niet doden voor. Daarvoor is nodig dat iedereen kan meedoen, zijn hele richtlijn laat zich samenvatten als heb je naaste lief als jezelf, zelfs als dat je vijand is. Ook wij zullen moeten inzien dat alleen het volgen van die richtlijnen ons vrede op aarde en in mensen een welbehagen kan brengen.

Laat gerechtigheid neerregenen

maandag, 22 december, 2014

Jesaja 45:8-13

8 Hemel, laat gerechtigheid neerregenen, laat haar neerstromen uit de wolken, en laat de aarde zich openen. Laten hemel en aarde redding voortbrengen en ook het recht doen ontspruiten. Ik, de HEER, heb dit alles geschapen. 9 Wee degene die de strijd aanbindt met hem door wie hij gevormd is- een potscherf tussen de potscherven. Zegt klei soms tegen wie hem vormt: ‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’ of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’ 10 Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder: ‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’ 11 ¶ Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen? 12 Ik ben het die de aarde maakte en de mens op aarde schiep; mijn handen hebben de hemel uitgespannen, ik riep het sterrenleger te voorschijn. 13 Ik ben het die Cyrus laat komen in gerechtigheid, steeds opnieuw baan ik voor hem de weg. Hij zal mijn stad herbouwen; hij geeft mijn ballingen de vrijheid terug, zonder betaling of steekpenningen te eisen- zegt de HEER van de hemelse machten.(NBV)

Gerechtigheid, dat is wat de God van Israël ons geeft. Gerechtigheid in de zin dat ieder tot zijn of haar recht komt. Die hemel is ooit door God boven ons gezet als een bescherming, een schild tegen de wateren van boven. En wateren kunnen dodelijk zijn. In de taal van het volk Israël staat het water vaak voor de dood. Denk maar eens aan het verhaal over Noach toen God opnieuw wilde beginnen met de aarde en de mensen voor wie God die aarde en de hemel er boven gemaakt had. Die gerechtigheid staat niet ter discussie. Voor sommige mensen is dat wel beangstigend. Zij vinden zichzelf maar slecht en als ze tot hun recht moeten komen dan blijft er maar weinig van hen over. Ze zijn niet in staat tot enig goed dus het kwaad wordt in het zichtbaar als de gerechtigheid van de God van Israël hen treft. Maar het is niet anders. Met de moderne technologie kunnen we niet meer zeggen dat wij mensen niet kunnen bepalen wanneer het wel of niet regent, maar daar maken we zo weinig gebruik van dat je rustig kunt zeggen dat je de regen niet kunt ontlopen. God laat het over de goeden en de slechten regenen.

Maar in dit gedeelte van het boek van de profeet Jesaja gaat de God van Israël tekeer tegen die mensen die zich zo slecht vinden. God heeft toch geen slechte mensen geschapen? Toen God de mens had geschapen, man en vrouw schiep hij hen, zag God dat het goed was. Maar het waren mensen die zelf wel wilden uitmaken wat goed en wat slecht was. Als ze dat konden waren ze immers gelijk aan God geworden. Ze gedragen zich als de klei die tegen de pottenbakker zegt dat de pot die gemaakt is geen oren heeft, of de baby die aan de vader en moeder vraag wat ze eigenlijk hebben voortgebracht. Belachelijk als je het zo stelt. Maar dat doen mensen die over zichzelf en over anderen een oordeel vellen. Ze ontkennen de God van Israël zoals de Bijbel ons die leert kennen. Een God die bevrijdt, ondanks het slechte dat mensen doet. Een God die barmhartig en genadig is, zoals Mozes zag toen hij de richtlijnen voor de menselijke samenleving kreeg. Als mensen die richtlijnen volgt dan merken ze dat ze het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Die God van Israël maakt zelfs het slechte goed. Die Cyrus van Perzië was geen gelovige van de God van Israël. Dat hij iets zou weten van de grootheid van die God, van het machtige dat die God kan doen is zeer onwaarschijnlijk. Maar hij doet wat de God van Israël wil, hij bevrijdt het volk uit de ballingschap en zorgt er voor dat ze terugkeren naar hun land en daar de Tempel en Jeruzalem weer herbouwen. Er zullen overigens een heleboel Judeeërs blijven wonen in het land van hun ballingschap. Ze hebben daar immers hun bestaan opgebouwd. Maar het zijn niet langer ballingen, het zijn vrije mensen geworden. Vrije mensen die het vrij staat hun God te dienen en hun Godsdienst te belijden. Zij zijn het die zorgen dat mensen tot hun recht komen, zij zijn het die hun naaste liefhebben als zichzelf, die oog hebben voor de zieken en gehandicapten en aandacht en recht vragen voor de weduwe en de wees. Door Jezus van Nazareth kunnen wij ons aansluiten bij hun gemeenschap en het goede doen en niets dan het goede. Daartoe worden wij geroepen elke dag opnieuw, ook vandaag weeer.