Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2014

Om mijn naam niet te ontwijden

dinsdag, 30 september, 2014

Ezechiël 20:1-12

Zeven jaar heeft Ezechiël de ballingen voorgehouden dat ze anders moeten gaan leven wil die ballingschap ophouden. En dan op een goede dag komen de oudsten van het volk bij Ezechiël om hem raad te vragen. De oudsten van het volk kennen we uit het boek Genesis waar de oudsten van het volk samen met Mozes de berg beklimmen om de richtlijnen van God in ontvangst te nemen waarmee ze hun samenleving in het beloofde land zouden moeten inrichten. Nu komen de oudsten bij de Profeet om het Woord van de God van Israël te horen. Wat ze precies gevraagd hebben weten we niet. Enkele geleerden denken dat ze gevraagd hebben hoe ze de godsdienst van Israël levend konden houden in de ballingschap, maar er staat niets over in het gedeelte dat we vandaag lezen. Ezechiël krijgt wel een boodschap van zijn God. Maar dat is niet een plezierige boodschap. De oudsten zullen geschrokken zijn want de boodschap van Ezechiël klinkt hard: “Zo waar ik leef, ik zal me beslist niet door jullie laten raadplegen” spreekt de Heer. En als er “Heer” staat dan staat in de Hebreeuwse tekst de naam van God die we niet uitpreken.

Gelukkig voor de oudsten, maar ook gelukkig voor ons, legt God bij monde van Ezechiël ook uit waarom er zo’n hard klinkend antwoord komt. Want wil die God van Israël dan niet meer de God van Israël zijn? Is het afgelopen, is de Bijbel uit, kunnen we het boek nu sluiten? Het lijkt er niet op want zelfs Ezechiël houd niet op bij de afwijzing nog langer raad te geven. Ezechiël moet ze van God duidelijk maken welke gruweldaden hun voorouders hebben begaan. We krijgen dus geen raad voor de oudsten te horen maar krijgen een geschiedenisles. Die les begint in Egypte, het land van de dood en van de dodencultus. De afgoden van Egypte waren de goden van de dood die gesmeekt en verleid moesten worden weer leven aan het volk te geven. Ze moesten de Nijl laten stijgen zodat het land bevloeid kon worden en er weer graan en wijn voor de goden kon worden geproduceerd. Daar woonde het volk in slavernij. Om iedereen op de wereld te laten zien hoe het anders kan heeft de God van Israël de slaven bevrijdt en uit de tempels van de slavernij, het diensthuis, geleid, de woestijn in.

Daar kregen ze de regels waarmee ze in vrijheid een samenleving van vrije mensen zouden kunnen inrichten. Met elke zeven dagen een dag waarop niemand hoefde te werken, niemand slavenarbeid zou hoeven te verrichten, geen arbeid om in leven te blijven, geen arbeid voor de goden, geen arbeid voor wat dan ook. De mens is geen slaaf van goden, geen slaaf van arbeid, de mens is vrij. Dat is de betekenis van de Sabbat. Maar ze bouwden liever een gouden kalf om de vruchtbaarheid zeker te stellen. Ze maakten zich slaaf van een afgod en slaaf van altijd maar moeten werken. Door de richtlijnen voor de menselijke samenleving niet te volgen maakten ze een volk, een land dat net is als alle andere volken, net als alle andere landen. Daardoor kwamen ze in ballingschap, daardoor is de lust aan God vergaan om ze nog langer raad te laten geven. Maar die geschiedenisles is dus een raad in zichzelf. Als de voorouders zo gruwelijk gehandeld hebben dan is er geen reden om dat te herhalen. Die richtlijnen van heb uw naaste lief als uzelf en laat zich geen slaaf te zijn van de goden van winst en profijt, hadden die oudsten ook. Sterker nog ook wij hebben die richtlijnen, ook wij kunnen onze samenleving bouwen op liefde en recht, ook wij kunnen die ene dag zonder werk  weer invoeren en handhaven. Wij kunnen beginnen met onze samenleving op die manier in te richten. Dat zal pas echte vrede brengen, dat brengt recht voor de armen, dat zal alle tranen drogen. Tijd om aan het werk te gaan dus.

Dit is een klaaglied

maandag, 29 september, 2014

Ezechiël 19:1-14

Vandaag lezen we een klaaglied dat in het boek van de profeet Ezechiël opduikt. Het zou gemakkelijk zijn om nu een verhaaltje te beginnen over het verdriet dat goede mensen kan overkomen. Op het ene moment gaat het je goed en voel je je sterk en dan veranderen de omstandigheden en raak je alles kwijt en je zou werkelijk niet weten wat je er aan zou moeten doen. Maar dat zou erg gemakkelijk zijn. Dit klaaglied gaat over een volk. Een volk waaruit sterke leiders voortkwamen. Leiders die indruk maakten op andere volken. Zo veel indruk dat die andere volken die leiders onschadelijk kwamen maken. Wij noemen het een klaaglied maar we lopen daarmee de kans de werkelijke betekenis een beetje uit het oog te verliezen. Wij klagen wat af in onze dagen nietwaar. Een klaaglied in de Bijbel is een lied dat gezongen wordt bij een begrafenis, een rouwlied, er is iets of iemand die dierbaar was, die geliefd werd gestorven. Hier is het rijk Juda gestorven. In Genesis 49 wordt Juda al omschreven als een leeuw, een sterke leeuw die wijnstokken bezit. Dat beeld vind je hier terug. Een soort beeld dat ook wij wel kennen want ook wij zingen af en toe dat we de leeuw niet in zijn hempie willen laten staan.

In het lied wordt gezongen over een moeder leeuw die kleine leeuwen groot brengt. Daaruit komen minstens twee sterke leeuwen voort die brullend rondgaan en overal gevreesd worden, iedereen wordt bang van die brulapen. De volken om Juda heen komen dan ook in actie en zo wordt de eerste leeuw naar Egypte gebracht als gevangene. Nogal vernederend zo wordt hier beschreven want een haak door de neus of de bovenlip kennen we niet van de leeuwenjacht maar wel uit de oorlogen waarbij de overwonnen, liefst de overwonnen koning of generaal, met een haak door de neus of de bovenlip achter de strijdwagen van de Koning of de winnende generaal in optocht werd getoond aan het winnende volk. Een pijnlijke vernedering. Bijbelgeleerden zijn dan ook op zoek gegaan naar die koningin-moeder en de twee koningszonen waarover dit rouwlied zou kunnen gaan. In het boek 1 Koningen zou je ze misschien tegen kunnen komen. De vrouw van Koning Josia zorgt er na zijn dood voor dat haar zoon koning wordt en die koning wordt gevangen en naar Egypte gebracht. Ze zorgde er vervolgens voor dat een andere zoon koning werd en die werd naar Babel in ballingschap gebracht.

Maar Ezechiël noemt deze personen niet. En die Koningin-moeder is ook geen wijnstok die aan levend water is gepland zoals het rouwlied zingt, verwijzend naar de Psalmen waar het dan over de rechtvaardigen gaat. En dat juist Ezechiël hier geen namen noemt moet ons te denken geven. Die profeet neemt over het algemeen geen blad voor de mond en noemt volken, stammen, rijken en koningen bij naam en toenaam. Maar hier in dit rouwlied gaat het over volken die dit kan overkomen. Het is een rouwlied en het zal een rouwlied worden staat er als laatste regel. Dat betekent dat ook wij moeten uitkijken. Kennen wij de zogenaamde sterke die zich als brulapen op de borst kloppen en zich beter achten dan wie dan ook? Die niet bekend staan om hun liefde voor de armen, om hun rechtvaardigheid, om de bescherming van de weduwe en de wees. We herkennen ze uit de geschiedenis en uit onze eigen dagen. Altijd weer treden er mensen op als leiders van volken en gemeenschappen die het gelijk onvoorwaardelijk aan hun kant hebben. Ezechiël wijst ons er op dat een dergelijke houding, dat het gebrul en gebral leidt tot de dood, tot de dood van volken en gemeenschappen, tot ballingschap voor de armen en de zwakken. En ballingen, vluchtelingen noemen we ze vandaag, zijn er in overvloed op de wereld. Tijd om niet langer de leeuwen te volgen maar de God van Israël, daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Zijn júllie het niet die onrechtvaardig zijn?

zondag, 28 september, 2014

Ezechiël 18:21-32

Het is glashelder wat Ezechiël ons voorhoudt. Doe het goede of val dood. Iedereen die het goede doet zal leven en iedereen die het kwade doet kan doodvallen. En als je het kwade hebt gedaan en je hebt berouw en je wilt voortaan het goede doen? Dan kies je voor het leven en dan zal je leven. En als je altijd het goede hebt gedaan maar dat geef je op en je leeft voortaan alleen voor jezelf? Dan kun je doodvallen, dan ben je voor de gemeenschap, dus ook voor de gemeenschap van God met de mensen, van nul en generlei waarde. Zijn nu de goede mensen altijd goed en de kwade mensen altijd kwaad? Als je Ezechiël leest niet. Die roept iedereen op tot inkeer te komen en te leven. In kerktaal noemen we dat genade. Ook al doe je verkeerd, als je dat inziet en het voortaan anders wil gaan doen dan mag je weer mee doen, dan krijg je genade. Eigenlijk horen we dat in onze samenleving dan ook toe te passen. De doodstraf is daarbij helemaal uit de boze. Iemand aan wie de doodstraf is voltrokken kan immers nooit meer antwoorden op de oproep van Ezechiël tot inkeer te komen en te kiezen voor het leven.

In ons land geldt dat ook een beetje voor een levenslange gevangenisstraf. Die is ook echt levenslang en alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan de Koning gratie verlenen. Gratie is een ander woord voor genade. Er wordt nu gepleit om de rechter na verloop van tijd, een lange tijd, nog eens te laten kijken naar de rechtvaardigheid van een gevangenisstraf tot de dood er op volgt. Soms kan dat niet anders, maar vaker nog zeggen mensen als ze het individuele geval kennen dat genoeg genoeg is en dat als iemand lang gestraft is geweest en tot inkeer is gekomen de straf onmenselijk wordt. En als God vergeeft wie zijn wij dan om dat onmogelijk te maken. Bij een TBS is het al geregeld. Daar moet een rechter elke twee jaar een oordeel vellen over verlenging van de maatregel. Soms maken TBS gestelden het de rechter moeilijk door te vragen hen te laten zitten. Ze zijn tot het inzicht gekomen dat hun daden absoluut verkeerd waren maar zijn bang terug te vallen in hun oude fouten, de verleidingen niet te kunnen weerstaan en vragen om voortzetting van de bescherming.

Het aller moeilijkst hebben het de mensen die na een afzienbare straf weer vrij komen en weer aan onze samenleving moeten deelnemen. In plaats van hen te waarderen om hun inkeer blijft onze samenleving hen de fouten uit het verleden nadragen. Zelfs half weg huizen, half weg tussen gevangenis en samenleving, als die van Exodus kunnen nauwelijks een plaats vinden in buurten en wijken. Laat staan dat ex gedetineerden zelf een woning kunnen vinden waar ze een nieuw leven in eerlijkheid kunnen beginnen. Er wordt met veel professionele en vrijwillige hulp de nodige steun en begeleiding geboden. Vanuit de kerken zijn er vaak veel vrijwilligers te vinden die mensen willen helpen op het rechte pad te blijven en een leven te leiden waarmee ze een nuttige bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Maar onze samenleving kent maar weinig genade, weinig kansen op een nieuwe start. Eigenlijk vraagt Ezechiël ons dus vandaag ook eens na te gaan hoe het zit in onze gemeente met de acceptatie van Exodus en de arbeidsplaatsen voor ex-gedetineerden in het bedrijf waar we werken.

Die zoon is mij trouw geweest

zaterdag, 27 september, 2014

Ezechiël 18.14-20

Die Ezechiël zou vandaag de dag onder ons kunnen leven. Overal zijn gemeenten bezig zich af te vragen hoe ze de hulp voor jongeren kunnen organiseren. Veel gemeenten hebben de indruk dat het beter zou gaan als ze de gemeenschap zouden kunnen activeren waar de jongeren in leven. Maar de vragen van ontspoorde jongeren en de verantwoordelijkheid voor hen blijven. En de zorg en verantwoordelijkheid voor kinderen van criminelen spelen volop in de maatschappelijke discussie. Heeft Ezechiël ons daarbij iets te zeggen? Wis en waarachtig wel! Jongeren die alles doen wat God verboden heeft, een uitdrukking die ook in onze taal gemeengoed is geworden, plaatsen zichzelf buiten de samenleving, ze zijn “dood” in de taal van Ezechiël, op straat zeggen we dan dat ze kunnen doodvallen. Maar als ze als criminelen zelf kinderen hebben, moeten we die dan de misdaden van hun ouders aanrekenen? Nee natuurlijk niet zegt Ezechiël. En doen we dat ook niet? De zorg voor kinderen van gevangenen ontbreekt helemaal.

Het komt voor dat tieners met broertjes en zusjes in de basisschoolleeftijd thuis de verantwoording voor opvoeding en huishouding op zich moeten nemen als de hen verzorgende ouders wegens een misdrijf in de cel beland zijn. Niemand vraagt naar ze en de zorg voor zulke kinderen is bij ons niet geregeld. Het is alsof ze zelf ook kunnen doodvallen en dat was niet de bedoeling. We hebben met elkaar dus een grote verantwoordelijkheid voor kinderen in onze omgeving. We moeten er allereerst zoveel mogelijk aan doen om te voorkomen dat ze ontsporen. Zorgen dat ze niet spijbelen, dat er goed onderwijs gegeven wordt in onze wijken en buurten, dat er buiten schooltijden iets te doen is, dat ouders tijd krijgen en tijd hebben om door te brengen met hun kinderen en dat kinderen van ouders die niet goed voor ze kunnen zorgen opgevangen worden. Omdat we al die zorg aan instellingen voor Jeugdzorg overlaten is het geen wonder dat het mis gaat.

Van Marokkanen kunnen we daarbij nog wel wat leren. Als er in een buurt overlast van Marokkaanse jongens dreigt blijken Marokkaanse buurtvaders daar een uitstekend recept voor te hebben. Ze gaan twee aan twee de wijk in en spreken hun zonen aan op hun wangedrag daar waar dat plaats vindt. Ze doen dat zonder angst. Het is jammer dat dat beperkt blijft tot Marokkaanse buurtvaders. We zouden zulke ouders, want waarom alleen vaders, vaak kunnen gebruiken. En waarom alleen ouders? Grootouders, buren en vrienden mogen natuurlijk ook. Waarom laten we de veiligheid in de buurten alleen over aan een overbelaste politie. Waarom steken zo weinig mensen de handen uit de mouwen als het gaat om het opbouwen van een samenleving waarin voor iedereen plaats is en niemand bang hoeft te zijn. Ezechiël sprak niet alleen tegen de autoriteiten in zijn samenleving, hij had het tegen iedereen, ook tegen ons vandaag.

Zo iemand is rechtvaardig

vrijdag, 26 september, 2014

Ezechiël 18:1-13

Bij alle discussies over de jeugdzorg hoor je dat bij ons ook wel eens vertellen: als de ouders kwaad doen straft God de kinderen. Maar God straft niet en zeker niet hen die het kwaad niet bedreven hebben zegt Ezechiël. Eigenlijk roept hij mensen op om op te houden met elkaar te beschuldigen. Als je geen kwaad hebt gedaan ben je ook niet verantwoordelijk voor het onheil. Alleen als je kwaad gedaan hebt dan zet je jezelf buiten de gemeenschap, in Bijbelse termen: dan kun je sterven. Maar als je mensen tot hun recht laat komen dan zal je dat niet overkomen en zeker je kinderen niet. Het soort rare spreekwoorden dat een volk kan ontwikkelen moet je maar vergeten zo roept de profeet ook ons toe. Want we weten er wat van. Als er hangjongeren zijn die de kans krijgen van kwaad tot erger te vervallen dan “weigeren de ouders hen op te voeden”. Als alleenstaande moeders niet werken maar voor hun kinderen die naar de basisschool gaan zorgen dan overtreden ze de wet. Of er kinderopvang is of niet, die moeders moeten werken.

Op tienerwerk bezuinigen we, tieners mogen ook de meest gewelddadige films op tv zien, geweldsspelletjes op hun computer spelen en rondhangen op straten waar volwassenen vrolijk alle snelheidsregels met hun auto’s aan hun laars lappen. Als ze dan ook nog elkaar opzoeken en in groepjes bij elkaar schuilen dan wordt iedereen bang en hebben we een probleem. Sinds het eind van de jaren 50 van de vorige eeuw horen we al van die problemen. We hadden de pleiners en de dijkers, de nozems en de hippies en nu hebben we de hangjongeren en de Marokkaantjes. In de jaren 20 van de vorige eeuw hadden ze vergelijkbare problemen in de Verenigde Staten, vooral met emigranten uit Italië. De problemen daar bleken achteraf de voedingsbodem voor de maffia. Begin jaren 60 bij de komst van de eerste gastarbeiders werd daar ook hier voor gewaarschuwd. Wat een verrassing dat, nu, nadat we veertig jaar alle waarschuwingen hebben genegeerd, er een probleem is. Wie schaft ons goede raad? Wellicht Ezechiël vandaag. Hij roept ons op ons aan de wetten van fatsoen en recht te houden. Weg met geweld en vrouwenhandel.

En wat betreft het recht wordt het tijd er alles aan te doen om mensen tot hun recht te laten komen en een echte plaats te geven in onze samenleving. Dat betekent dat niemand, ouders en leerkrachten niet, het meer moet pikken dat er van school gespijbeld wordt. Ook als Uw eigen kinderen niet spijbelen, ook als je klasgenoten spijbelen, pik het niet van anderen. Het idee dat je niet voor elkaar hoeft te zorgen is het begin van de ellende in veel wijken en steden. Schaam je er dus ook niet voor als je eigen kind de verkeerde weg kiest. Vraag hulp, eis desnoods hulp, niet alleen van instanties en professionals maar ook van vrienden, familie, buren en als je lid bent van een kerk van je zusters en broeders. Jouw kind hoeft niet buiten de gemeenschap te komen, hoeft dus niet te sterven, maar als niemand er wat aan doet gaat het vanzelf. Laat dus mensen tot hun recht komen en geeft ze het goede voorbeeld. Dat gold in de dagen van Ezechiël dat geldt vandaag de dag niet anders.

Gegrondvest in de liefde blijven.

donderdag, 25 september, 2014

Efeziërs 3:14-21

Alles wat je doet laten bepalen door de liefde. Dat is het centrale thema in de boodschap van Paulus. Niet door angst, niet door hebzucht, niet door een zucht naar macht, maar alleen door liefde moet je je laten regeren. Dat is moeilijker dan het lijkt. Wij laten ons nog wel eens leiden door wat anderen van ons zeggen. Wij houden meestal ook niet zoveel van onszelf zodat we ook niet veel van anderen kunnen houden. En dan zijn er nog gewoonten die ons gedrag bepalen, cultuur ook. Ook regels en wetjes van een overheid kunnen ons sturen. En het gevoel van onmacht, wie pakt grote instellingen en bedrijven aan, laat staan regeringen. Maar Paulus zegt ons in dit gedeelte dat de macht van de liefde in staat is oneindig meer te doen dan wij vragen of denken. Bij alles wat de liefde van ons vraagt en wat we niet doen moeten we ons dus afvragen wat ons in vredesnaam tegenhoud.

Om regeringen aan te pakken zijn er toch organisaties als politieke partijen en Amnesty International. Om handelsverhoudingen te veranderen zijn er toch organisaties als Fair Trade, Max Havelaar en wereldwinkels. Om respect en liefde voor dieren te bevorderen zijn er toch organisaties als Wakker Dier en de dierenbescherming. Zo zijn er organisaties die kinderarbeid aan de kaak stellen en bestrijden, die onrechtvaardige huisvestingssituaties in Nederland aan de kaak stellen, die zelfs huizen bouwen in arme landen, die artsen sturen daar waar niemand meer durft te gaan, die voor onderwijs aan kinderen zorgen waar iedereen het af laat weten. Al die zaken van armen en verdrukten die we eigenlijk zouden willen veranderen kennen organisaties en bewegingen van mensen die er tegen te hoop lopen en de bevrijding brengen die het Evangelie ons belooft. We moeten ons alleen bij die messiaanse bewegingen durven aansluiten.

We moeten ons ook niet laten afschrikken door tegenslagen en tegenkrachten. Gegrondvest blijven in de liefde noemt Paulus dat. Paulus beroept zich op de opgestane Heer. Het geloof dat Jezus  van Nazareth na zijn kruisdood opstond uit het graf is voor Paulus de grootste drijfveer om de Liefde vast te houden. Je moet het geloven. Maar kijk eens om je heen, als je die opstanding gelooft dan kun eigenlijk gemakkelijk geloven dat die aarde waar alle tranen verdwenen zijn er ook komt. Dat ooit al het leed dat je raakt verdwenen zal zijn en dat iedereen mag meedoen. Het mooiste is dat we er elke dag en elk moment weer opnieuw mee aan mogen beginnen te bouwen. Aan het begin van elke nieuwe dag kunnen we alles weer eens op een rijtje te zetten en kiezen bij welk stroompje van de brede messiaanse beweging we ons opnieuw zullen aansluiten. Maak een keuze en ga aan de slag.

 

Dat de heidenvolkeren mede-erfgenamen zijn

woensdag, 24 september, 2014

Efeziërs 3:1-13

Wij lezen vandaag nog eens hoe Paulus benadrukt dat het verhaal van de bevrijding, zoals Israël dat door de woestijn heen had beleeft, ook voor de Heidenen geldt. Ook wij Heidenen worden uitgenodigd om, door mee te gaan in het verhaal van Jezus van Nazareth, aan die bevrijding deel te gaan nemen. Zodat uiteindelijk alle volken op aarde mee gaan doen aan dat geweldige verhaal van eerlijk delen. Een verhaal waarin alle mensen gelijk kunnen meedoen, waar geen onderdrukking meer is, waar geen sprake is van arm of rijk, maar iedereen deelt, waar geen sprake is van machtig of onderdrukt, maar iedereen ook de macht en verantwoordelijkheid deelt. We weten het uit het kerstverhaal, dan is er vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Dat lied wat Lukas toeschrijft aan de engelen klinkt ook in deze brief van Paulus door. Paulus schrijft deze brief overigens in gevangenschap. Dat brengt in zijn boodschap geen verandering. Jezus van Nazareth ging immers door de dood heen en dat bracht de beweging alleen nog maar meer op gang.

Die gevangenschap van Paulus waar hij hier mee begint moet je dan ook dubbelzinnig lezen. Hij zou kunnen bedoelen dat hij in de gevangenis zit, en dat was Paulus al een aantal keren overkomen, ook in Efeze wisten ze daarvan mee te praten, maar hij zou ook kunnen bedoelen dat hij gevangene is van Jezus de Christus. En die laatste gevangenschap is bevrijdend. Mensen kunnen je in een cel stoppen, je martelen, je doden, maar mensen kunnen nooit je geloof afnemen, dat kun je alleen zelf loslaten. Het sterkste geloof is het geloof in de overwinning van Christus op de dood. De kans dat we dood gaan is geen reden meer om bang te zijn en dus ook geen reden meer om onze mond te houden en niet langer op te komen tegen onrecht en aandacht te vragen voor de mensen in de wereld aan wie geen recht wordt gedaan.  Dat is het geheim van de onverzettelijkheid van Paulus. Hij blijft maar doorgaan. Zelfs al moest hij, zoals in Efeze gebeurd was, met een mand over de stadsmuur geholpen worden zodat hij kon ontsnappen, de gemeente in Efeze wordt door hem niet in de steek gelaten. Die stad moet voor Christus gewonnen worden, daar moet recht worden gedaan aan armen, aan slaven, aan de zwaksten en de minsten.

Efeze was een bedevaart centrum en een handelscentrum. In het boek van de Handelingen der Apostelen wordt verteld over het verblijf van Paulus in die stad. Hij kreeg ruzie met de makers van religieuze voorwerpen. Zilveren tempeltjes met de afbeelding van de jachtgodin Diana waren een belangrijke bron van inkomsten. Dat scherpe religieuze karakter van een dergelijke stad trok, en trekt, mensen van allerlei slag. Ook mensen die geloven dat je de geesten en krachten die bovennatuurlijk zijn tevreden moet stellen. Paulus zegt hier dat hij dat prima vindt. Als je dat wil geloven dan moet je dat maar doen. Maar de gemeente van Jezus van Nazareth laat zien, in het dagelijks leven, dat de Christus ook de baas is van al die bovennatuurlijke machten en krachten en dat je je daar dus niet mee bezig hoeft te houden. Als die gemeente een gemeente is waar geen verschil meer is tussen arme en rijk, tussen slaaf en vrije, tussen Jood en Heiden, dan bloeit er een nieuw soort gemeenschap op waar heel de wereld beter van wordt. Dat is waar het om draait. Wij weten inmiddels dat je er elke dag weer opnieuw mee moet beginnen. Dat veel mensen de moed opgeven maar dat door de eeuwen heen ook steeds weer mensen de fakkel overnemen en onvoorwaardelijk voor hun naaste gaan zorgen.

Die de muur van vijandschap heeft afgebroken

dinsdag, 23 september, 2014

Efeziërs 2:11-22

Paulus en de andere apostelen zaten aanvankelijk met een groot probleem. Het volk Israel had vanouds de Tora, ooit in de Woestijn ontvangen, die de wet zou moeten bevatten voor het volk. Die was, zoals dat met wetten gaat, in de loop van de tijd uitgegroeid en aangevuld met ontelbare regels en regeltjes. Voor iedere situatie was een nieuwe toepassing bedacht die op zich dan weer een nieuw regeltje werd. Jezus van Nazareth had er herhaaldelijk op gewezen dat de liefde uit dat systeem was verdwenen. Het doel van die Tora, die het volk in de Woestijn had ontdekt, was verdwenen. Dat doel was een eenvoudig stelsel van gedragsregels te geven waarmee mensen samen een gemeenschap konden vormen. In de woestijn ben je immers bij uitstek op elkaar aangewezen en kun je niet overleven als je het niet echt samen doet. Houden van je naaste als van jezelf is daarom een goede samenvatting.

Na het verdwijnen van Jezus van Nazareth kwamen er heel veel mensen op zijn nieuwe beweging af. Heidenen waren het ook die van de God van Israël noch van wat de Judeeërs de geboden noemden iets afwisten. Om die nu te belasten met dat systeem van wetjes en regeltjes ging de apostelen, en ging met name Paulus toch iets te ver. Daar zou geen gemeenschap uit groeien. Ze kwamen niet om hert mensen moeilijk te maken maar om mensen te bevrijden aan de gevangenschap van zelfgemaakte goden die door mensen gevoed moesten worden en die je het zicht ontnamen op de armen en de minsten in de samenleving. Zet de liefde centraal en mensen snappen weer waar het in het leven om gaat. Met dat leven in Liefde werd de muur van vijandschap tussen Joden en Heidenen afgebroken. Wie opgegroeid is met het systeem van regeltjes en wetten moet er vooral mee doorgaan maar wie dat niet kent zal de liefde moeten leren kennen is de boodschap van Paulus.

Dat bouwt een nieuwe Tempel op waar de Tora weer centraal staat, zoals in de woestijn was bedoeld. Het fundament is gelegd door die Tora en de Profeten die eeuwenlang het onrecht aan de kaak stelden. Daarom werkt een discussie over normen en waarden ook niet. Dat wordt een discussie over stropdassen en hoe oud je moet zijn om te blijven zitten in de tram. De discussie gaat niet over het doel, hoe we een dragelijke samenleving vormen waar iedereen zonder angst en zonder geweld aan kan mee doen. De discussie over normen en waarden geeft voeding aan de angst en vreemdelingenhaat, waar een populist eens negen zetels in de kamer mee haalde. Werkelijk een rechtvaardige samenleving vormen waar de muren van vijandschap zijn afgebroken is moeilijker, maar ook meer de moeite waard. Het mooiste is dat we er elke dag opnieuw mee mogen beginnen, ook vandaag.

Niemand kan zich erop laten voorstaan

maandag, 22 september, 2014

Efeziërs 2:1-10

Je hoort het onder gelovigen nog wel eens, hoe kun je nu samenwerken met ongelovigen als het gaat om het brengen van recht en gerechtigheid, als het gaat om het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het recht doen aan de armen. Dat kan toch alleen met de hulp van God,  dan kan alleen in de Geest van Jezus van Nazareth. Het antwoord is natuurlijk dat God met de onderdrukten is, met de hongerigen, met de armen en dat het om hen gaat en niet om de vraag wie er wel of niet geloofd. Maar het misverstand over de gelovigen is er al sinds de dagen van Paulus. “Wij geloven dus zijn wij goed”. Dat is wat er is gemaakt van de brief van Paulus aan de mensen in Efeze. Dat niemand zich kan laten voorstaan op de liefde die men heeft voor de naaste en het streven onophoudelijk in de liefde te leven wordt dan gemakshalve vergeten. De woorden van Paulus klinken weer mooi en hoog verheven. Dat komt natuurlijk ook omdat ze in de loop van de eeuwen zo vaak los zijn gebruikt van de maatschappelijke werkelijkheid, dat ze leeg en zonder betekenis zijn geworden. Het is het geloof dat Karel de Grote gebruikte toen hij de Germanen voor de keus stelde zich te laten dopen of te sterven. Het is het geloof dat IS hanteert bij de inrichting van haar Islamitische Staat. Het heeft met Christendom of Islam niets te maken.

Laten we eens zien wat de woorden van Paulus vandaag de dag wel zouden kunnen betekenen. Paulus begint met te vertellen over de god van deze wereld, de heerser over de machten in de lucht en de geest die werkzaam is in hen die de God van Israël ongehoorzaam zijn. In onze wereld gaat het over macht en profijt. Geesten kennen we niet meer, en vogels die de toekomst voorspellen ook niet meer. Dat waren machtsinstrumenten van de Romeinse Keizers. Maar door de lucht komt nog van alles op ons af dat ons op de weg van winst en profijt brengt. Via radio en televisie worden we dag aan dag gebombardeerd met reclame voor producten waarvan we niet veel meer weten dan dat ze bestaan. Of ze gemaakt worden in vrijheid door volwassenen en niet door slaven of kinderen wordt er niet bij verteld, of ze zuinig omgaan met grondstoffen en het milieu niet onnodig vervuilen wordt er niet bij verteld, of er voor de grondstoffen in de derde wereld een eerlijke prijs wordt betaald zie of hoor je niet terug in de reclame. Alle vergrijpen tegen de wetten van eerlijk delen, zonde noemt de Bijbel dat, worden verzwegen en wij worden verleid om ons te laten beheersen door de begeerte naar de producten zelf, om ons te laten beheersen door het hebben van dingen in plaats van door het liefhebben van mensen.

Maar, zegt Paulus, omdat we nu eenmaal elk moment opnieuw kunnen beginnen en de liefde voor onze naaste ons de ogen opent voor wat eerlijk en rechtvaardig is kunnen we opstaan uit de dood van de consumptiemaatschappij en tegen die krachten in het geweer komen. Zelfs eeuwen nadat Paulus zijn brief schreef, in de Romeinse Keizerlijke veel goden samenleving,  kunnen wij nog herkennen waar het leven is en waar de dood. We moeten dan wel gevoelig worden voor de propaganda. Dat de aanhangers van IS dingen doen die fout zijn is duidelijk. Maar wij zijn niet beter, wij blijven Karel de Grote een grootheid noemen. Zo hebben moslims in hun geschiedenis ook voorbeelden van de verbreiding van het geloof met het zwaard, voorbeelden die de overgrote meerderheid van de moslims vandaag niet meer zouden willen volgen, zoals wij het beleid van Karel de Grote zeer zouden afkeuren. Dat we het onnodig angst zaaien mogen herkennen maakt ons niet tot betere mensen maar tot mensen die ook anderen mee kunnen nemen op die nieuwe weg, de weg van het leven, van Fair Trade, eerlijk delen en zorgen dat iedereen mee kan doen. In het vertrouwen die niet het kwaad zal overwinnen maar het goede. We mogen er vandaag weer mee beginnen.

Dat leiders hun macht misbruiken

zondag, 21 september, 2014

Matteüs 20:17-34

Het contrast tussen wat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling en wat we zagen op de derde dinsdag in september, had niet groter kunnen zijn. Niet de mensen waarvoor de machtigen in ons land zouden moeten zorgen staan op die dag centraal maar de machtigen zelf. Pracht en praal bepalen het beeld. Zwervers, verslaafden, patiënten uit verpleeghuizen, gehandicapten, vluchtelingen, jongeren met veel problemen, slachtoffers van geweld en misdrijven, zie je bij de presentatie van een nieuwe begroting niet. Zij paraderen niet op het Binnenhof om te laten zien waar het om gaat. Ook het woord van Jezus dat heersers hun volk onderdrukken en leiders hun macht misbruiken klinkt niet terug in de troonrede. Er wordt nog wel eens gezeurd over de zogenaamde bede die wel of niet in de troonrede zou moeten. Het besef van volksvertegenwoordigers en regeerders dat het dienen van de zwaksten en de armsten in de samenleving op de allereerste plaats zou moeten staan zou vooraan in de troonrede moeten staan. En denk daarbij niet alleen aan de zwaksten in eigen land maar ook aan de hongerigen, de slachtoffers van geweld en uitbuiting in de rest van de wereld.

Het was immers dag van de verantwoording hoe het geld dat we met z’n allen verdienen in dit land wordt verdeeld over iedereen zodat iedereen ook werkelijk deel kan hebben aan de rijkdom van ons land. Duidelijk is dat het delen met de allerarmsten in de hele wereld en het eerlijk handeldrijven daar ook bij hoort. Een dag van democratie, wat Prinsjesdag toch eigenlijk is, zou toch niet moeten laten zien hoe mooi soldaten er uit kunnen zien, maar hoe goed we voor verpleegkundigen en onderwijskrachten willen zorgen. Wie echt de eersten onder ons zijn, de belangrijksten voor ieder van ons, zijn zij die willen dienen, dag en nacht en soms met gevaar voor eigen leven. Wat er op de derde dinsdag in september gebeurt in Den Haag is misschien mooi om naar te kijken, maar heeft geen enkele betekenis, het is klatergoud en leeg theater. Beter zou het zijn de bovenstaande passage uit de Bijbel voor te lezen, want daar gaat het over macht en de reactie van de machthebbers op hen die macht onderuit willen halen. Om te laten zien hoe dat kan was het beloofde land bedoeld. De eerste stad die van het volk Israel werd toen ze uit de woestijn het beloofde land introkken was Jericho. Het verhaal van de inname van die stad is overbekend. Het volk trok er zeven maal zwijgend om heen en toen het na de zevende maal de tromptetten liet klinken en een groot gejuich aanhief storten de muren van de stad ineen. Geweldloos werd de stad ingenomen.

Jeruzalem was de stad van Koning David, die had de vrede in Israel gebracht, Na hem had zijn zoon Salomo de Tempel gebouwd waar de Tora werd bewaard. Jezus van Nazareth nu gaat het verhaal dat we vandaag lezen van Jericho naar Jeruzalem. Dat staat er niet zomaar. Die weg is een Koninklijke weg. Zo ga je als je het gehele land Kanaän in bezit wilt nemen en daar je rijk wil vestigen.  Dan zitten er twee blinden langs de kant van de weg. Bedelaars die niet kunnen zien wat er zich in de wereld afspeelt. Ze kunnen roepen naar de mensen die voorbij komen: “heb medelijden met ons” Maar deze blinden zien meer dan we denken. Deze blinden roepen niet alleen om medelijden, ze weten best dat Jezus van Nazareth er aan komt en ze roepen hem uit tot Koning van Israel. “Heer, Zoon van David”, zo spreken ze hem aan. Daarom vraagt Jezus van Nazareth wat ze daarmee willen. En blinden willen zien, willen de ogen geopend hebben. Voor veel gelovigen gaat het hier in dit verhaal niet om het letterlijke zien, maar om het zien zitten, snappen wat er aan de hand is. De vraag is dus of Jezus van Nazareth die Koning is of niet? Eigenlijk blijft het antwoord verborgen. Jezus van Nazareth kreeg medelijden met hen. Als ze zo graag een koning wilden dan krijgen ze er een en hij opende hen de ogen en terstond volgden ze hem. Hier is dus niet een Koning die een mooi pak aantrekt.. Gewoon langs de kant van de weg, op weg van Jericho naar Jeruzalem, reageren op geschreeuw dat de aandacht trekt. Terloops vindt er een genezing plaats. Als we Jezus van Nazareth willen volgen dan hoort onze aandacht dus niet bij de grote podia, de glitter en het klatergoud, maar naar de kant van de weg.