Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2014

Maar geen Judees.

donderdag, 21 augustus, 2014

Nehemia 13:23-31

Vandaag een lezing uit het boek Nehemia met een verhaal dat vaak wordt overgeslagen omdat we het eigenlijk onfatsoenlijk vinden. In onze dagen lijken de grenzen tussen mensen afkomstig uit verschillende volken vervaagd. Het is niet raar als je met een zogenaamde buitenlander of buitenlandse trouwt. Dat is trouwens nog niet zo lang want nog maar een paar decennia geleden werd door veel mensen gevonden dat het eigenlijk niet hoorde, trouwen met een vreemdeling of vreemdelinge. Wie de verhalen van Indische Nederlanders kent bijvoorbeeld hoort vertellen over zogenaamde gemengde huwelijken, verbintenissen die vaak verborgen moesten blijven en waarvoor de blanke Nederlandse helft zich schaamde. Ook in Suriname was het lang de gewoonte om niet buiten de eigen etnische groep te trouwen. En bij de Joden geld nog vandaag de dag dat alleen het kind van een Joodse moeder als Jood geldt, het kind van een Joodse vader en een niet Joodse moeder moet zich eerst tot het Jodendom bekeren en de daarbij horende procedure volgen voordat het als Jood kan worden geaccepteerd. Die Joodse vader telt daarbij niet mee. Het gaat terug op Nehemia en het verhaal dat we vandaag lezen.

Dat we er verlegen mee zijn geraakt komt door de Tweede Wereldoorlog. De nadruk die toen werd gelegd op de etnische afstamming, de biologische afstamming had in de dagen van de nazi’s tot uiterst ongewenste en onmenselijke toestanden geleid. Niet alleen met Joden, maar ook met Zigeuners en mensen uit Oost-Europa, die als minderwaardig werden beschouwd. Elk mens is evenveel waard is de geldende opvatting, overigens ook de opvatting die je overal in de Bijbel tegenkomt. Maar de waarde van een mens is niet het probleem waar Nehemia tegen aan loopt. Het is een probleem waar we ook in onze samenleving tegen aan lopen en waar we een indringende discussie en splitsing van opvattingen aan te danken heeft. Nehemia ontdekt namelijk dat er Joodse mannen zijn die met vrouwen van de buurvolken zijn getrouwd. Vrouwen uit Asdod, Moabitische vrouwen en Ammonietische vrouwen. Dat zou op zich niet zo erg zijn maar hun kinderen spraken geen Hebreeuws meer. Het voorlezen van de Thora, waar Nehemia met de Levieten zich voor had ingespannen had geen effect meer. Van een integratie in het volk Israël was geen sprake en daar marcheerden de vreemde goden het land Israël binnen en dat accepteren van vreemde goden, ja zelfs het aanbidden van die vreemde goden was de oorzaak geweest van de ballingschap.

In de negentiende eeuw dichtte de Nederlandse Hofdichter Tollens nog in het volks lied dat bij Nederland horen “Wien Neerlands bloed door d’aderen vloeit, van vreemde smetten vrij. Pas in de jaren 30 van de vorige eeuw werd dat volkslied vervangen door het Wilhelmus, waar Duitsland, Frankrijk en Spanje naast het geloof in Christus in rondspoken. De discussie over integratie is door de nazi’s een moeilijke geworden. We geven wel taallessen aan ouders van allochtone kinderen, we geven die kinderen extra onderwijs als ze taalachterstanden hebben maar velen zouden willen doen wat Nehemia deed, ze terugsturen naar het land van herkomst van hun ouders. Nu in de eenentwintigste eeuw weten we dat we ook gewoon twee generaties kunnen wachten voor men zich is gaan aanpassen en als we mensen blijven aanspreken op hun afkomst we ze meer bevestigen in hun vreemd zijn dan in hun integratie in onze eigen cultuur. Nehemia had voor het vormen van een volk dat terugkeerde uit de ballingschap in vreemde landen het nodig om duidelijk de eigenheid van dat volk te benadrukken. Anders zouden anderen, Tobia bijvoorbeeld, het door de ballingen opgebouwde wel eens snel kunnen overnemen. Wij mogen van de Bijbel bij de opbouw van de samenleving ook best op de verschillen letten, als we mensen maar de kans geven om zich zo aan te passen aan onze samenleving dat ze er met hun eigen cultuur bij gaan horen, integratie heet dat. Er is ook versmelting, assimilatie, dat wordt nergens gevraagd en de verschillen blijven benadrukken leidt tot toestanden als die van de nazi’s. Maar ook moeten we beseffen dat we mensen kansen moeten geven en niet onthouden.

Wat doet u voor schandaligs.

woensdag, 20 augustus, 2014

Nehemia 13:15-22

Het is nu eenmaal niet gewoon, één  dag van de week waarop er niet gewerkt mag worden, niet door de gelovigen, maar ook niet door de ongelovigen. Niet door de dienstmeiden en dienstknechten maar ook niet door de slaven, zelfs niet door de vreemdelingen. Het gebod van het niet werken op de Sabbat strekt zich zelfs uit tot de dieren. Het is wel een heel raar gebod dat de gelovigen in de God van Abraham gekregen hebben. Op vrijdag houden de  Moslims dit gebod, op zaterdag de Joden en op de zondag  de Christenen. De  Heidenen proberen overal juist dit gebod af te schaffen. Nehemia moet bijna geweld gebruiken om naleving van het gebod van de Sabbatsrust af te dwingen. De poorten moeten gesloten worden, de kooplieden die buiten de muren overnachten worden weggejaagd, ze blijven immers ook daar kooplieden en het zijn de levieten die belast worden met de bewaking van de poorten. Geen handel in Jeruzalem op de Sabbat.

Maar waarom altijd dat fanatisme rond het houden van de Sabbat. In de Bijbel worden twee elementen genoemd die geleid hebben tot het instellen van de Sabbat. De eerste is de belijdenis dat God de schepper is van hemel en aarde. God zag dat de aarde goed was en gaf de mens de aarde om te bewerken en er van te leven. Maar op de zevende dag rustte God uit van het scheppen, er moet ook genoten kunnen worden. Al dat werk en al die handel, de wijn die wordt geperst, de vis die wordt gevangen zijn dus niet het gevolg van de inspanning van mensen maar valt de mens uiteindelijk toe van God. Al moet de mens dat alles natuurlijk wel met de nodige inspanning weten te verwerven. De Sabbat is er dus ook om jezelf niet op de borst te kloppen voor alles wat je weer bij elkaar hebt weten te werken maar om God te danken voor alles wat je is toegevallen.

Het tweede element dat in de Bijbel wordt genoemd als reden voor de instelling van de Sabbat is de slavernij in Egypte. Daar moest het volk werken, vrijwel dag en nacht en toen vertegenwoordigers van het volk vroegen om tijd om de God van Israël te aanbidden werd het werk nog verzwaard en kwamen er extra taken. De mens is echter geen slaaf van productie en consumptie. De mens is bevrijd door de God van Israël juist om in vrede en samen van het goede van die aarde te genieten. Daarom is het gebod van de Sabbat ook bestemd voor de ongelovigen, zelfs voor de dieren, alles wat leeft, alles wat adem heeft mag de God van Israël loven en prijzen om de bevrijding van de slavernij, de bevrijding van de dood. In elk geval mag iedereen er van genieten. Daarom wordt ook in onze dagen soms te fanatiek gestreden tegen koopzondagen en de 24uurs economie. Ook nu zijn mensen geen slaven van werken en consumeren, niet alleen als individuen maar ook als volk. Samen zijn we op de zondag, onze traditie nu eenmaal, bevrijd van de slavernij, zodat we beseffen dat alles ons toe valt uit Gods hand en we God kunnen danken.

Dat de Levieten hun aandeel niet kregen.

dinsdag, 19 augustus, 2014

Nehemia 13:4-14

De armen zijn niet heilig. Dat wordt nog wel eens vergeten als er in noodsituaties hulp moet worden verleend. We zien dan hongerende kindertjes en huilende moeders op de Televisie, storten geld, om na een jaar tot de ontdekking te komen dat de helft van het geld is opgegaan aan corruptie en diefstal. Zo gaat dat nu eenmaal, het zou geen reden moeten zijn om niet meer te geven maar om je gift te verdubbelen. Het ging namelijk ook al zo in de dagen van Nehemia. Dat was een hoge ambtenaar van het Perzische rijk waarheen de Judeeërs in ballingschap waren gevoerd. Koning Cyrus had bedacht dat hij de volken die in ballingschap waren gevoerd door zijn voorgangers beter tot vrienden kon maken door ze terug laten gaan met de opdracht om hun steden en Tempels weer op te bouwen. Hij had Nehemia belast met de taak om Jeruzalem te herbouwen en de Tempel van de God van Israël weer in ere te herstellen. Dat was gelukt. Er was wel oppositie geweest, lasterpraat en smerige geruchten verspreid door mensen van onduidelijke afkomst, Tobia bijvoorbeeld, maar de Tempel en de muren rond Jeruzalem waren met feestgedruis en groot vertoon in gebruik genomen. Nehemia vertrok toen weer naar de hoofdstad.

Als je in de Tempel woont dan ben je dicht bij de God die in de Tempel wordt vereerd. Dat is het Heidense denken dat je ook tegenwoordig nog wel tegenkomt. De Tempel in Jeruzalem was niet zo’n Tempel, God woonde daar niet maar gebruikte de Tempel hooguit als zijn voetenbank. Die Tempel was het centrum van de vervulling van de Thora. Daar werden de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard. Daar zongen de Levieten ter ere van de God van Israël. Daar kon het volk delen van wat hen was toegevallen met de Priesters, de Levieten, de armen en de vreemdelingen die bij hen woonden. Er was daarvoor een voortdurende stroom voedsel dat naar de Tempel stroomde. Op den duur zou er zelfs een levendige handel ontstaan die elke gedachte aan delen met elkaar zou verdringen. Jezus van Nazareth zou al die handelaars nog eens de Tempel uit slaan. Toen Nehemia weer terug kwam zag hij een vergelijkbare situatie. Die opposant Tobia had van de Priesters een woonvertrek gekregen op de plaats die bestemd was om het voedsel voor de Levieten op te slaan. Die Levieten kregen niks en de koren van de Levieten dreigden weer terug te gaan naar huis om zelf maar voedsel te gaan verbouwen.

Die Tobia handelde dus net als de Ammonieten. Toen die in de woestijn het volk Israël tegenkwamen hadden ze geweigerd om brood en water met  de woestijnzwervers te delen. Oorlog was het gevolg. Nu zorgde weer een Ammoniet dat er niet gedeeld werd in de Tempel in Jeruzalem. Die Tobia was dus een Ammoniet en ze hadden net in de Thora gelezen dat je nooit een Ammoniet of Moabiet tot je volk moest toelaten want dat was volk dat weigerde te delen. Nehemia gooide het huisraad van Tobia de Tempel uit, herstelde het delen met de Levieten en sprak de Priesters aan op het doel van de Tempel, daar was letterlijk de praktische godsdienstoefening, niks was alleen voor jezelf, alles was om te delen. Wie dat verhinderde moest er worden uitgegooid. We kunnen er nog wat van leren. Controle op de internationale hulpverlening is dus hard nodig. Als zelfs in de dagen van Nehemia dit soort fraude voorkwam dan zijn wij er echt niet vrij van. Maar het mag nooit het delen met de hongerigen in de weg staan, het mag nooit verhinderen dat de dorstigen gelaafd en de naakten gekleed worden. Desnoods moeten we onze giften verhogen om ook de controle te betalen. Pas als we alleen de God van Israël als heilig ervaren en weten dat mensen nu eenmaal ook fout kunnen handelen kunnen we blijven bouwen aan dat Koninkrijk van recht en vrede waar Nehemia en zijn ballingen al aan begonnen waren.

Ze schonken heilige gaven aan de Levieten

maandag, 18 augustus, 2014

Nehemia 12:44-13:3

Mooi is dat, heilige gaven schenken. Je ziet het voor je, boeren in hun mooiste kleren die eerbiedig de Levieten benaderen om hen plechtig de belasting te overhandigen. Ze schepten er nog een eer in ook lees je. Maar dan lees  je het verhaal toch met Heidense ogen. In Heidense godsdiensten speelt het uiterlijk vertoon een grote rol, zo niet in de Godsdienst van Israël en tussen de regels door kun je de godsdienstige betekenis van dit verhaal lezen. Allereerst natuurlijk de positie van die Levieten. Dat zijn niet de Priesters van de Tempel. Die Priesters worden in dit verhaal aangeduid als de kinderen van Aaron. Nee de Levieten zijn de afstammelingen van de stam Levi. Toen bij het ontvangen van de Thora het volk Israël zichzelf een God hadden gemaakt in de vorm van een gouden kalf keerden de Levieten zich daarvan af en kozen ze de kant van Mozes. Van de God van Israël maak je geen beeld, die openbaart zichzelf en zoals die God dat wil, soms in de storm, soms in het vuur en soms in het zacht suizen van de wind. Als beloning kregen de Levieten tot taak de Priesters te helpen, daar kwamen die koren vandaan die de Levieten hadden gevormd, en ze moesten recht spreken, de Thora uitleggen. In het verhaal van Nehemia doen ze dat ook voortdurend. Daarom kregen ze die geheiligde gaven van het volk.

Nu is “heilig” in de loop van de eeuwen een woord geworden waar wij hele andere betekenissen zijn  gaan toekennen dan oorspronkelijk werd bedoeld. Wij denken dat iets heilig is als het volmaakt is. Als er niets op aan te merken valt. Een mens kan daarom niet heilig zijn volgens de Protestantse traditie. De offers waar hier over wordt gesproken zijn ook geheiligd. Nu staat er in de Bijbel wel dat je het beste van het beste moet bestemmen voor de offers maar in het verhaal dat we vandaag lezen staat nog eens heel uitdrukkelijk dat de offers niet bedoeld zijn om de God van Israël te eten te geven maar om de Levieten in leven te houden. Omdat hun taak in verzorgen van de Tempel en de uitleg van de Thora lag hadden ze geen land gekregen om te bewerken. Ze waren vrijgestelden om orde en vrede te brengen en te zorgen voor de zwaksten in de samenleving. Het volk leren te delen was hun voornaamste taak. Zelf deelden ze met de Priesters. Drie maal per jaar trok het volk op naar de Tempel om daar te delen met de Levieten, de Priesters, de familie, de meiden en de knechten van het volk, de armen en de vreemdelingen die in hun midden waren.

Om ons duidelijk te maken waarover dit verhaal nu eigenlijk gaat staat er iets bijzonders over vreemdelingen in het verhaal. Niet alle vreemdelingen mochten meedelen. Ze mochten zelfs niet meehelpen onder het volk. De kans dat die vreemdelingen bij de rituele maaltijd aan zouden zitten was dus eigenlijk klein maar in de dagen van Nehemia moest alles opnieuw geleerd worden en de Thora opnieuw in de praktijk worden gebracht.  In de Thora stond dat de Ammonieten en de Moabieten niet opgenomen mochten worden in het volk omdat ze geweigerd hadden te delen. In de woestijn hadden ze geprobeerd het volk om te laten komen van honger en dorst. Zulke vreemdelingen kennen wij in onze dagen ook nog en als we niet uitkijken horen we bij vreemdelingen die weigeren mensen te eten en drinken te geven die dreigen om te komen van honger en dorst. Theedrinken is immers te slap en als mensen als bedreigend overkomen moet je met hen in oorlog gaan, zo deden de Moabieten en de Ammonieten. Dat de Bijbel hier niet een wet van Meden en Perzen van heeft gemaakt blijkt ook uit het verhaal. De grootmoeder van Koning David was immers een Moabitische, Ruth wordt in de Bijbel steeds als Moabitische aangeduid. Dit verhaal gaat dus over een volk dat helemaal gericht is op het delen van de opbrengst van het werk dat verricht wordt. Delen met de Levieten, delen met de Priesters, delen met de armen en delen met de vreemdelingen die zelf ook willen delen. En het verhaal stelt ons voor de vraag of wij ook een volk zijn dat bereid is om te delen, te delen met de armen en de vreemdelingen onder ons. Of gaan we roepen dat die vreemdelingen bedreigend zijn en weggejaagd zouden moeten worden. Wie wil weten wat Christelijk is moet dit verhaal uit het boek Nehemia nog maar eens nalezen.

Iedereen was vrolijk

zondag, 17 augustus, 2014

Nehemia 12:27-43

Het mag gerust een beetje aan onze bevrijdingsfeesten herinneren. Na de Tweede Wereldoorlog toen Nederland arm was en een groot deel van het land in puin lag. Toen werd er gefeest. Toen doken de orkesten op uit donkere gaten. Muziekkoepels in parken en op pleinen vormden het middelpunt van dansende menigten, soms dagen achtereen. We waren vrij en verlost van de angst en de onderdrukking. Elk jaar rond de Bevrijdingsdag komen de herinneringen aan die feesten weer boven. De Bevrijdingsdag in mei dan wel te verstaan want bij  de Bevrijdingsdag in augustus, toen de Tweede Wereldoorlog echt voorbij was, klinken er altijd valse tonen door de muziek. Nederland werd van bevrijder onderdrukker. De mensen die uit de kampen in de Oost waren bevrijd werden hier vaak met de nek aangekeken. Zo erg was het toch niet om in tropen de hele dag in de zon te mogen zitten? Bovendien was daar een oorlog uitgebroken. Indië wilde Indonesië worden en voor Nederlanders was daar geen plaats. De muziekkorpsen en de koren zouden daar pas na 1947 rondtrekken, toen wij ons er bij hadden neergelegd dat bevrijding ook zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid betekent.

In de dagen van Nehemia brak het feest los toen de herbouw klaar was. In de dagen na de mei bevrijding in 1945 begonnen wij pas met de herbouw toen het feest was geluwd. Bij Nehemia gebeurde er ook iets bijzonders. Allereerst werden de Levieten naar Jeruzalem ontboden. De koren rond de Tempel, de Korachieten bijvoorbeeld, woonden kennelijk niet in Jeruzalem maar hadden hun eigen dorpen gebouwd waar ze ongestoord konden oefenen voor de diensten die ze bij toerbeurt in de Tempel moesten vervullen. Hen was ook gevraagd om hun muziekinstrumenten mee te nemen. Harpen waren dat kennelijk, David speelde immers op de harp en die wordt hier uitdrukkelijk genoemd. Er werden optochten gevormd die naar twee kanten over de muur liepen, al zingend en spelend. Maar waarom? Waarom deze Tempelvertoning op de muren van de stad. Van poort tot poort trokken ze voort. de Godsdienst van Israël was toch niet een godsdienst van magische krachten en het op magische wijze inroepen van de krachten van God. Een wijding van huizen en stadsmuren was helemaal niet aan de orde bij Israël. Je moest de geboden op de deurposten van je huis timmeren. En dat gebod samen met die poorten geeft ook een aanwijzing van hetgeen Nehemia wilde bereiken.

Het feest was immers begonnen met het voorlezen van de Thora, die moest in die nieuwe stad worden vervuld. In de twaalf poorten van de stad moest recht gesproken worden voor de hele wereld, uiteindelijk zouden alle volken zich naar Jeruzalem moeten keren. De stad was dus niet gebouwd als een stad van winst en profijt, een oord van arbeid en vermaak. Het was een stad die bestond bij samen delen, samen volk zijn, samen maaltijd houden en alle mensen tot hun recht laten komen. Dat begon al bij de muren van de stad. Die muren waren er niet om mensen buiten te sluiten maar om de Thora die er in de Tempel werd bewaard te beschermen. Daar ging het licht van de God van Israël van uit voor alle volken op de aarde. Dat zou op de hele aarde vrede brengen geloofde men. Dat die Wet van recht doen aan mensen, van samen delen met mensen, van Gij zult niet doden en niet stelen en niet liegen en niet willen hebben wat van je naaste is ook echt vrede kan brengen zien we vandaag de dag nog om ons heen. Het zou heel veel leed, ellende en oorlog hebben kunnen voorkomen als iedereen op aarde zich zou bezig houden met het vervullen van de Thora. Misschien moeten ook wij eens optochten houden met Psalmen en muziek rond onze eigen muren. De muren die we oprichten om vreemdelingen buiten te sluiten, om handelsbarrières op te werpen, om grenzen te trekken rond wat we vinden dat van ons is. Als we er zeven keer omheen lopen storten de muren in en komt er vrede. Laten we elke dag proberen om mensen mee te krijgen in die optocht, dan wordt echt iedereen vrolijk.

Ik heb nagedacht over de weg die ik ga

zaterdag, 16 augustus, 2014

Psalm 119:57-64

Iedere keer als we in deze Psalm lezen over de Wet, over de Thora, of zoals hier over de richtlijnen, moeten we niet vergeten dat de Thora een Wet is die je in beweging zet. Dat de richtlijnen net ANWB borden voor het leven zijn. En dan niet voor iedereen individueel. Je kunt immers de hele wereld niet op je nek nemen en het gaat er om dat iedereen op de wereld mee kan gaan doen. Soms kun je zelf alleen maar één mens redden, zoals Jozef en Maria hun kind van de dood hadden gered door naar Egypte te vluchten. Maar als je met elkaar een gemeenschap vormt dan kun je veel meer aan. Kerken, gemeenschappen, maar ook organisaties voor internationale hulpverlening of verenigingen als Amnesty International kunnen je helpen vorm te geven aan het vervullen van de Thora. Zij kunnen echt iets betekenen voor het voeden van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het bevrijden van de armen.

Uiteindelijk gaat het er om dat alle volken zich naar Jeruzalem keren. Dat alle wegen zich niet naar Rome laten leiden maar naar Jeruzalem. In Rome zat de wereldlijke Keizer die dacht dat hij macht had, daar zit nu de Paus die denkt dat hij het voor het zeggen heeft. Maar in Jeruzalem werd de Thora bewaard, de Wet van eerlijk delen. Dat is in onze dagen de stad waar alle geloven in de God van Abraham bij elkaar komen. Joden, Moslims en Christenen geloven elk op geheel eigen wijze dat ze met die God op weg zijn gegaan. Voor Joden, Moslims en Christenen geldt dat ze moeten delen met de armen. Voor Christenen geldt in elk geval dat ze voortdurend er op bedacht moeten zijn hoe hun daden uitwerken op de minsten, die moet je zeker niet te kort doen. Maar omdat het eigenlijk voor ons allen geldt kan de psalmdichter hier zingen dat hij een vriend is van allen die God vrezen, van allen die zich aan de Wet van de Liefde houden.

In de tijd dat deze Psalm werd geschreven waren er nog geen Christenen en waren er ook geen Moslims. Maar ook de Hebreeuwse Bijbel roept voortdurend alle volken op zich naar Jeruzalem te wenden en zich aan die Wet te Thora. Talrijk zijn dan ook de voorbeelden van vreemdelingen die een rol gingen meespelen in het verhaal van het volk Israël. Koning David, aan wie veel Psalmen worden toegeschreven, stamde af van Ruth, de Moabitische, een weduwe die volgens de wetten van Israël in bescherming werd genomen door een huwelijk met Boaz. Haar verhaal werd een eigen Bijbelboek, zij kwam later terecht in de stamboom van Jezus van Nazareth. Nu kunnen we zeggen dat we vrienden willen zijn met allen die zich willen houden aan de Wet van Liefde, Joden, Christenen en Moslims. Het is de God van Abraham die allen die Wet voorhoudt, zijn Thora heeft geschonken, een Wet die een weg biedt om te gaan voor iedereen.

Help mij

vrijdag, 15 augustus, 2014

Matteüs 15:21-39  

Er zijn allerlei manieren om mensen te helpen. Je kunt mensen negeren. Soms helpt dat. Uit onderzoek naar mensen die op een wachtlijst bij de Geestelijke Gezondheidszorg stonden bleek dat een flink deel van die mensen zonder verdere hulp al genas. Erkenning van een probleem, ook door henzelf was al genoeg om hen aan een oplossing te doen werken. Je kunt ook mensen helpen om er maar vanaf te zijn. Zoals de leerlingen van Jezus in het  verhaal van hierboven proberen, zo van ze roept zo hard, dat staat kennelijk lelijk, dat trekt maar ongewenste aandacht. We zien die vorm van hulpverlening nog wel eens bij politici. Dan moeten ineens alle zwervers geholpen worden. Niet met hun probleem, dat kan nog heel verschillend en ingewikkeld zijn, maar met hun gezwerf, geen gezicht, dus: of naar een inrichting of naar een deel van de stad waar ze niet worden gezien. Je hebt ook nog de zogenaamde Rode Kruis agressie. Problemen voor mensen oplossen omdat je het gevoel hebt dat het moet, daar ben je toch voor. Het spreekwoord dat je beter iemand kan leren vissen dan een vis geven helpt dan niet. Toch is het natuurlijk altijd goed om je af te vragen wat helpen in een bepaalde situatie echt betekent. Help je iemand door alles over te nemen, of help je iemand door te laten zien dat die het zelf ook kan oplossen?

De geleerden zijn het er niet over eens wat hier uiteindelijk van Jezus gevraagd wordt. De nieuwe vertaling heeft het over wegsturen, maar de oude Statenvertaling had het over laten gaan. Het oorspronkelijke Grieks zou misschien ook met bevrijden vertaald kunnen worden en dan hebben de leerlingen meer door dan de Nederlandse vertaling ons wil doen geloven. Het brengt Jezus wel in gesprek met de vrouw. Een buitenlandse, een Kanaänitische, en dat staat vaak voor buitenlands van het ergste soort. Jezus gaat eerst na wat voor hulp gevraagd wordt. Is dit een moeder die het probleem dat een dochter kan zijn op een ander wil afwentelen? Kennelijk niet want de moeder is bereid zelf voor haar dochter door het stof te gaan. Dat maakt het Jezus mogelijk iets te doen. En wat dan? Wat de dochter mankeert blijft buiten het verhaal. Ze was genezen omdat haar moeder wilde dat ze genas. De inzet van ouders voor hun kinderen kan groot zijn. Dat betekent niet dat ongeneeslijk zieke kinderen genezen als hun ouders maar genoeg van ze houden, integendeel. Kinderen die ongeneeslijk ziek zijn genezen niet, hoezeer hun ouders ook van ze houden, maar die liefde maakt wel dat de kwaliteit van leven omhoog kan gaan. Wetenschappelijk onderzoek, voorzieningen voor zieken en gehandicapten, instellingen en ziekenhuizen, het is er vaak door de inzet van zulke ouders gekomen. Die ouders gaan niet alleen door het stof voor hun eigen kind, maar voor alle kinderen. Alleen zulke onvoorwaardelijke liefde voor mensen helpt, maar hulp vragen is eigenlijk heel gewoon.

Getallen staan er in de Bijbel soms niet zomaar. Als we ergens 12 zien staan denken we aan de 12 zonen van Jacob die hun namen gaven aan de 12 stammen van Israël. Jezus zocht later 12 zendelingen uit die als de Apostelen er op uit werden gestuurd om zijn verhaal te vertellen. Er is nog zo’n getal is dat is 7. Het wordt wel het heilige getal genoemd en het staat voor de volmaakte wereld, de hele wereld, maar dan zoals die bedoeld is. Daarvan staat in het begin van de Bijbel dat God er naar keek en zag dat het goed was. In het verhaal waarnaar hierboven wordt verwezen bleven er zeven manden over. Genoeg dus om de hele wereld te eten te geven. Niet zo vreemd natuurlijk als je eerst de kruimels van de tafel voor de buitenlandse bestemd. En natuurlijk net als in het eerste verhaal over het te eten geven van het volk, waren ook hier de vrouwen vergeten die na drie dagen nog te eten hadden, zij werden niet meegeteld. Maar vrouwen gaan niet op stap zonder proviand, zeker niet als ze ook nog hun kinderen mee nemen, mannen wel, die rennen zo de deur uit en zien wel. Vijf broden en een paar visjes brachten de leerlingen ter tafel. Er is dus echt genoeg te eten voor de hele wereld.

Dit volk eert mij met de lippen

donderdag, 14 augustus, 2014

Matteüs 15:1-20  

Iemand heeft eens gezegd dat de regels voor de anderen zijn en de uitzonderingen voor wie de regels heeft gemaakt. Multatuli schijnt eens gezegd te hebben dat principes regels zijn om dingen waar je een hekel aan hebt na te kunnen laten. Twee voorbeelden die laten zien dat het met de regels in alle samenlevingen nogal scheef kan toegaan. Jezus kwam dat tegen toen hij er op gewezen werd dat zijn volgelingen hardnekkige wetsovertreders waren. In het verhaal dat hierboven staat mept Jezus met dezelfde regels terug. Wie vader en moeder niet eert moet ter dood worden gebracht, en dan niet schijnheilig dat wat van vader en moeder was, of voor vader en moeder bestemd, bestemmen voor het offer in de tempel. Klinkt wel vroom maar je spaart je eigen bijdrage aan de tempeldienst uit en vader en moeder verhongeren evengoed wel. Daarmee is het ook het hart van de regels blootgelegd. De mensen zijn er niet voor de regels maar de regels zijn er voor de mensen. Zoals in deze dagen hoog bejaarden en dementen op straat komen te staan omdat de zorg te duur zou worden voor hen die een hoog inkomen hebben en dus veel belasting moeten betalen.

We moeten dat voorzichtig zeggen want hard spreken over falende politici moeten we aan Jezus overlaten.  Zoals over de Farizeeën: “huichelaars”, zo scheld hij hun uit. Natuurlijk hoef je niet te zwijgen, maar vraag je steeds af of je iets oplost of dat je een probleem veroorzaakt. Als je moet wachten op een smalle gracht omdat er iets uitgeladen moet worden, waarom dan niet even helpen met uitladen? Wel eens zien gebeuren? Heb je naaste lief als jezelf, jezelf niet vergeten lief te hebben en van binnenvetten wordt je maar dik, maar er is niets tegen af en toe een hand uit te steken, het is vaak vruchtbaarder dan een grote mond op te zetten. Dat is ook het bezwaar tegen die hele discussie over fatsoensnormen. Daarbij lijkt het er op dat de normen zelf belangrijker zijn dan de mensen en de pijn die verkeerde normen mensen kunnen aandoen. Wie geen geld heeft om kleding te kopen kan zich moeilijk kleden naar de geldende normen. Wie nauwelijks geld heeft om eten te kopen kan moeilijk uitgaan in een duur restaurant. Aardig zijn voor elkaar alleen omdat het zo hoort neemt problemen niet weg. Proberen tot overleg te komen ook al is dat pijnlijk is een vruchtbaarder weg. Een hand uitsteken naar iemand die dat nodig heeft is pas echt fatsoenlijk.

Nederland en haar vroegere koloniën zijn al weer meer dan 60 jaar vrij van vreemde bezetting, morgen herdenken we het echte einde van de Tweede Wereldoorlog. Die koloniën moesten daar soms nog een paar jaar voor door vechten, tegen de Nederlanders ook. Direct na de Tweede Wereldoorlog riepen de Indonesiërs weliswaar de onafhankelijkheid uit maar Nederlanders dachten dat de inlanders daar het bestuur niet zouden aankunnen. Vierhonderd jaar hadden wij uitgemaakt wat goed voor hen was. Het zal duidelijk zijn dat ze in ruim 60 jaar de schade nog niet geheel hebben ingehaald. Voor Suriname geld dat overigens ook. En we vergeten maar al te gemakkelijk dat Surinamers hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid, hier in Europa en in de Oost. De Bevrijdingsdag in augustus trekt overigens van Nederlanders altijd al maar weinig aandacht. Als de een zich beter acht dat de ander dan krijg je dat. Het is een dag om te blijven gedenken, al was het alleen maar omdat we nog steeds soldaten er op uit willen sturen om te vechten voor de vrede. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, soms kan het niet anders, maar het vergt goede beslissingen ontdaan van propaganda. Het instituut van een Veiligheidsraad, waar unanieme beslissingen genomen moeten worden, is tot nu toe een goede garantie gebleken tegen verkeerde oorlogen. Alleen trekken we ons niet altijd evenveel van de garantie aan. Propaganda wordt in het bovenstaande Bijbelstukje als het meest onrein beschreven. Dat wat uit de mond komt is verkeerd, niet wat er in gaat. Jezus had nog steeds discussies met de leiders van tempel over het houden van de Thora.  Er zullen morgen ook weer veel mooie woorden gesproken worden over de strijd in Indië, maar hoeveel daarvan zijn gevormd door boze gedachten?

 

Elk jaar opnieuw

woensdag, 13 augustus, 2014

Nehemia 10:35-40

Rondom de Tempel werd de nieuwe samenleving van Israël opgebouwd. De Tempel zelf stond in Jeruzalem maar de Levieten vestigden zich in de steden en dorpen verspreid over het land. Daarom mochten de Levieten belasting heffen in het gebied waar zij woonden. Zij immers waren verantwoordelijk voor de uitleg en de toepassing van de Thora. Ze hadden zelf geen grond dus geen inkomen maar ook geen belang bij de verdeling van water of bij de handel. Maar ook Levieten moesten belasting betalen voor de Tempel, 10 procent van wat ze ophaalden. Levieten mochten zelf hun belasting ophalen maar moesten dan vergezeld worden door een Priester. Alles in eigen zak steken was er dus niet bij. De eerstelingen van alle oogst werd naar de Tempel gebracht. Eerst kwam de God van de Wet aan bod en dan pas het volk. Daarbij moet je bedenken dat het brengen van de oogst naar de Tempel een heel feest was, later werd dat het Wekenfeest, dat wij kennen als het Pinksterfeest, het feest van de eerstelingen van de Tarweoogst.

Maar op dat feest werd ook een maaltijd aangericht, met de familie, de Levieten, de armen en de vreemdelingen uit hun midden. Als er dan nog knechten en meiden in dienst waren deden die ook mee. De samenleving was er een van Samen Doen. Daarmee werd die samenleving een totaal andere dan de samenlevingen uit de omgeving. Want we kennen maar al te goed de samenlevingen van ieder voor zich, van geloof maar wat ik geloof en vertrek anders. Let goed op het boek Nehemia. Het volk Israël zonderde zich af van de vreemdelingen die in hun land woonden, ze beloofden ook hun zonen en dochters af te zonderen, maar ze dwongen op geen enkele manier die vreemdelingen om met hen mee te gaan doen. Zelfs het betalen van belastingen door vreemdelingen is er niet bij. Nee, alleen bij het delen en bij het kwijtschelden van de schulden werden de vreemdelingen betrokken bij de eredienst. Want zorg voor de armen, delen van wat je hebt, kwijtschelden van schulden, niet uitputten van de grond, waren allemaal zaken van de eredienst voor God.

Centraal in de Tempel stond niet een beeld van de God van Israël maar een kist met daarin de hoofdregels voor de menselijke samenleving uit de Thora, de tien woorden die iedereen moest bestuderen en iedereen moest vervullen. Die regels van “Gij zult niet doden” en zo die nog steeds het hart van de Joodse en Christelijke godsdienst uitmaken. Centraal in de Godsdienst van het Israël van Nehemia stond de dienst die door de Thora werd voorgeschreven, de dienst aan de naaste, zoals beschreven in het midden van het middelste van de vijf boeken van de Thora, het boek Leviticus . Voor die dienst was de Tempel ingericht, voor die dienst werden Priesters, Levieten, zangers en tempelwachters afgezonderd. Voor die dienst bracht je zelfs je oudste kinderen naar de Tempel. En voorraadkamers waren er om te zorgen dat Priesters en Levieten te eten hadden buiten de oogsttijd. Nooit werd er gedaan alsof die God van hen zelf het eten zou consumeren, dat zou afgoderij zijn. Nee het beeld van God was te zien in de mens naast je, ook in de vreemdeling! En ook dat is vandaag de dag nog steeds niet anders.

Alle schulden kwijtschelden.

dinsdag, 12 augustus, 2014

Nehemia 10:1,29-34

Het volk neemt de verplichting op zich de Thora weer te gaan houden en juist door het houden van de Thora zich te onderscheiden van de andere volken. Dat is niet gemakkelijk. De Thora houden betekent die vervullen, de samenleving zo inrichten dat er voor iedereen plaats is, dat er geen angst is voor de dood, dat de hongerigen worden gevoed en dorstigen gelaafd, dat de naakten worden gekleed en de lammen leren lopen. Er zijn geen volken die dat kunnen waarmaken. De anderen houden de Sabbat niet, ze kennen niet een dag in de week waarop niet wordt gehandeld of gewerkt. De anderen hebben meerdere goden, goden van vruchtbaarheid en het volk Israël kenmerkt zich door het hebben van een God zonder naam en zonder gezicht. Zij hebben een God die er is, die met hen meeging in ballingschap en hen terugbracht toen zij zich die Thora weer herinnerden. De meest merkwaardige regel die ze aannamen was die van het zevende jaar. Dan werd er niet gewerkt, niet geploegd, niet gezaaid, niet gemaaid. Bovendien werden dan de schulden kwijtgescholden.

Dat je het land in het zevende jaar met rust moet laten was al een oude regel. Die was er al voor de ballingschap. Maar dat kwijtschelden van schulden was nieuw, tenminste in het zevende jaar. In de oude belofte van vrijheid was het kwijtschelden van schulden en de mogelijkheid weer opnieuw te beginnen een zaak van het vijftigste jaar, het bijzondere jaar dat het jubeljaar werd genoemd. Natuurlijk moet er ook voor de Tempel gezorgd worden. Daar werd de Thora bewaard en daar kwam je bij elkaar om de Thora te leren en te horen hoe die Thora ook soms als wet in de dagelijkse praktijk moet worden toegepast. In onze samenleving kennen we de wetten van het land meestal maar met mate. Zelfs als de verkeersregels een beetje worden veranderd moet het Openbaar Ministerie vaststellen dat zeer veel automobilisten de kennis over verkeersregels kwijt zijn geraakt. Wij hebben ook geen plaats om bij elkaar te komen om de wetten van het land te horen uitleggen en te helpen dragen.

Daarom hebben politie en justitie het soms moeilijk en worden ze bedreigd door mensen die zich beperkt voelen door de wetten die we hebben en die hen voor hun gevoel willekeurig worden opgelegd. Dat iedereen gelijk mag meedoen in ons land wordt door lang niet iedereen ook zo ervaren. In het Israël van Nehemia nam iedereen op zich om elk jaar belasting te betalen. Er staat dat ze voor de offers bij de Tempel zijn, maar wie nog eens terugbladert in de boeken van de Thora, de eerste vijf van onze Bijbel, die waren uitgelegd aan het volk zal zien dat die offers uiteindelijk het voedsel voor de Priesters en Levieten zijn. Belasting is voor Israël dan ook geen last maar een vreugde omdat ze een Thora hadden waar ze allemaal een beroep op konden doen. Daar was die Tempel voor. Daar waren die Priesters en Levieten voor. Zodat er een rechtvaardige samenleving zou ontstaan waar zorg voor mensen en respect voor het land voorop zouden staan. Niemand hoefde daar bang te zijn aan de kant komen te staan. Wij kunnen er misschien nog eens een voorbeeld aan nemen.