Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juni, 2014

Dan zal ze weer leven.

vrijdag, 20 juni, 2014

Matteüs 9:18-26

Je moet maar durven. Iedereen denkt dat het meisje dood is. De begrafenisonderneming is al bezig met de eerste fase van het begrafenisproces, het huilen en de openbare rouw. Zo ging dat in de tijd van Jezus van Nazareth. Alleen de vader van het meisje deed niet mee. Die was de leider van de synagoge, zeg maar de kerk van het dorp, daar waar elke dag uit de Wet werd voorgelezen en een keer in de week de Wet ook kon worden uitgelegd. Hij geloofde dat Jezus van Nazareth haar weer tot leven kon brengen. Als je onvoorwaardelijk van mensen houdt dan kun je veel en daar ging de hele stoet. Jezus, de 12 apostelen en al die leerlingen die steeds achter hem aan gingen. Het was een gedrang van jewelste. Geen wonder dat er zelfs mensen waren die hem niet lastig wilden vallen. Vrouwen hebben vanouds die neiging. Niet klagen, niet zeuren, flink zijn en doorgaan, ook al ben je dood en doodziek. Zo’n vrouw kwam Jezus tegen, als je die man alleen maar aanraakt ben je al beter dacht ze, hij gaat met de belangrijke mensen mee. Maar Jezus van Nazareth zag ook haar en haar geloof dat ze beter kon worden.

Zien wij de gewone mensen langs de kant van de weg ook?  Zo vaak gebeurd het dat we zieke mensen niet echt zien zitten. De bezuinigingen op de zorg zullen mensen treffen in het mogelijk maken deel te nemen aan de samenleving. Huiswerkbegeleiding voor kinderen die niet in staat zijn op school stil te blijven zitten en het thuis zelf te doen. Vervoer en hulp voor thuiswonende ouderen. Nee mensen achter de geraniums laten zitten, op bed laten liggen of ziek en getekend langs de weg laten gaan is waar we naar terug gaan.  We lezen in dit Bijbelgedeelte over twee zieken, een meisje dat het leven liet en een vrouw die aan bloedverlies leed. Voor ons zijn dat verschillende zaken. Maar als je weet dat het leven van een mens huist in het bloed dan gaat het twee keer over hetzelfde, bij de een is het leven geweken en bij de ander vloeit het leven langzaam weg. Wij lijken het leven voor veel mensen vaak onnodig zwaar te maken, werk en sociale contacten zijn immers voor ons leven wat het bloed was voor mensen in de dagen van Jezus van Nazareth. Voor Jezus was het een kwestie van opstaan, wie contact zoekt met de levende gaat zelf leven. Wie opstaat tegen de dood zal leven. Jezus greep het meisje bij de hand, ze slaapt riep hij, en ze stond op.

Maar zijn wij bereid de gehandicapten, de Wajongers, de zieken van vandaag de hand te reiken en ze te laten opstaan tegen een bezuinigende overheid? Laten we wakker blijven vandaag. En er is nog een aspect in het verhaal. Het begint in de synagoge, bolwerk van mannelijke godsdienstigheid. Eén van de regels was dat je een vrouw die haar maandelijkse bloeding had niet mocht aanraken. Maar je weet het niet dus raak je een vrouw niet aan, vrouwen worden dan de onaanraakbaren en een vrouw die dat niet pikt geeft al haar geld uit om er maar onderuit te kunnen komen, tot Jezus haar duidelijk maakt dat die aanraking zonder verdere seksuele bedoeling niet tot onreinheid leidt maar tot sociaal contact. Een meisje van 12 jaar, die leeftijd wordt uitdrukkelijk genoemd, staat op het punt die maandelijkse bloedingen te krijgen. Je zal dan een vader hebben die het  toppunt van godsdienstigheid is. Niet eten is dan een mogelijkheid om dat onaanraakbare te ontlopen. Maar daar ga je aan dood. Jezus doorbreekt dat nog een keer door haar een hand te geven, en  te eten. Aan ons om na te denken wie wij tot onaanraakbaren maken en of dat wel terecht is.

Terug naar zijn eigen stad

donderdag, 19 juni, 2014

Matteüs 9:1-8

In het algemeen spreekt men graag over de wonderen die Jezus van Nazareth heeft gedaan, maar als je het op je in laat werken is het vaak veel wonderbaarlijker dat we er zelf zo weinig van bakken. Stel je nou voor dat vrienden een zieke bij je brengen. Een zieke die gelooft dat de ziekte komt door wat de ouders fout gedaan hebben, en wat de zieke zelf zoal fout heeft gedaan. Wij weten wel dat ziekte volstrekt niet komt door wat je fout gedaan hebt. Dat was wel de vraag bij de zieke die bij Jezus van Nazareth werd gebracht. Jezus van Nazareth begon gewoon met iets aardigs te zeggen, je zonden zijn je vergeven. Natuurlijk God straft niet met ziekten en kwalen en wat je fout hebt gedaan weet je zelf als eerste en pas op het einde der tijden komt ook de eindafrekening. Maar daar werd zo over gemopperd dat het bijna een rel werd. We kennen het wel, hoe kunnen we nou aardig zijn voor iemand die dat niet verdient, hoe kunnen we opkomen voor een asielzoeker of een ex-gedetineerde bijvoorbeeld.

Toen Johannes de Doper gevangen was genomen was Jezus ondergedoken in Kafernaüm, dat betekent “huis van troost”. En troost wordt daar gegeven. Zieken, vooral chronisch zieken, hebben het ook in onze samenleving niet gemakkelijk. Ze zitten vast aan een eigen risico en ondanks toezeggingen in de Kamer krijgen ze eigenlijk niks terug. En chronisch zieken kunnen hun ziektekosten niet beïnvloeden, ze zijn er soms voor hun leven van afhankelijk. Vrienden zijn dus heel erg belangrijk om een plaats in de samenleving te kunnen behouden. Voor veel zieken geld overigens dat er veel vrienden zijn en dat zij zich niet beschroomd hoeven te voelen een beroep te doen op die vrienden, de meeste vrienden doen het graag en worden zelfs boos als ze niet om hulp worden gevraagd wanneer die hulp nodig is. Wij noemen dat mantelzorg en van de bereidheid mantelzorg te geven wordt ruim misbruik gemaakt door de rijken die de professionele zorg voor anderen te duur vinden worden. Om echte zorg te organiseren moeten we misschien af van mantelzorg maar onze stem verheffen en de samenleving baseren op delen voor en met elkaar.  Maar de hele samenleving vernieuwen is nog wat anders nietwaar.

Toch volgt op die verhalen de geschiedenis van Matteüs. Een belastinggaarder. Tollenaar staat er in de diverse vertalingen en dat woord heeft bij ons een slechte klank. Toch koesteren wij ook onze historische tolhuisjes. Belasting heffen op de goederen die langs de weg worden vervoerd is al eeuwen oud. Wat ons er van is overgebleven is de douane. Het wordt Calvinisten, overtuigde protestanten, nog wel eens verweten dat ze niet kunnen genieten, dat ze geen feest kunnen vieren. Als ze dat wel doen wordt ze overigens snel verweten dat ze geen echte protestanten zijn. Beide is onterecht. Gelovigen zorgen dat ze bij bewustzijn blijven, onmatig eten en drinken is er niet bij, maar genieten van eten en drinken wel degelijk. Gelovigen amuseren zich niet ten koste van anderen, anderen gebruiken als lustobject is er bijvoorbeeld absoluut niet bij. Gelovigen genieten nog het meest als het iemand in nood weer goed gaat, als iemand die aan de grond zat weer opstaat en verder kan in het leven, als iemand die het niet meer zag zitten weer een weg ziet in het leven. Dat is genieten zoals Jezus van Nazareth dat deed. En dan mag je best een feest bijwonen, alles is geoorloofd al is niet alles nuttig.

Zijn leerlingen volgden hem

woensdag, 18 juni, 2014

Matteüs 8:18-34

Storm op zee is vanouds een uitermate beangstigend gebeuren. In de Joodse cultuur gold de zee als een sterk symbool voor de dood. Zelfs op een meer kan het gevaarlijk zijn. Het is dan ook geen wonder dat de volgelingen van Jezus buitengewoon bang werden toen ze naar de overkant van het meer voeren en er storm op stak. Maar angst is een slechte raadgever. Vroeger stond er op de brandinstructies die in het warenhuis Vroom en Dreesman hingen: “Paniek is erger dan brand”. Warenhuizen hadden daar ervaring mee, als er brand uitbreekt komen er vaak meer mensen om omdat ze onder de voet worden gelopen of anderszins door de uitgebroken paniek geen uitweg meer zien dan dat er daadwerkelijk door brand of rook omkomen. Jezus maant zijn volgelingen dan ook tot kalmte, en stilt de storm. Het onder ogen zien van de werkelijke situatie, de mogelijkheden onderzoeken is altijd vruchtbaarder dan je laten leiden door angst en te neer te laten slaan door de onmogelijkheden. Is daarom dit verhaal een verhaal van persoonlijke groei? Dat zou gemakkelijk zijn, als jij bang bent en het ongeluk grijpt je ben jij alleen verantwoordelijk. Maar zo zit het niet.

Tot de volgelingen van Jezus behoren een aantal ervaren vissers. Zij waren gewend om onder alle omstandigheden het meer te bevaren. Ze weten dan ook wat te doen tijdens de storm. Maar de angst en paniek kunnen totale verlamming tot gevolg hebben. Jezus roept hen tot de werkelijkheid door ze uit te schelden voor kleingelovigen. Wij kunnen elkaar tot de werkelijkheid terug roepen. En twee weten meer dan een. Het vinden van oplossingen is een zaak van samen en niet van alleen, het is een zaak van mogelijkheden verkennen en niet van angst en paniek. Dat wil niet zeggen dat het altijd even gemakkelijk is, dat oplossingen voor de hand liggen, dat het altijd goed af zal lopen, maar er wordt meer mee gered dan bij het ieder voor zich.  Maar wat heeft die bootreis nu te maken met varkens?  Je hebt van die mensen die zich voortdurend aangevallen voelen. Ze zijn zelf ooit zo erg beschadigd dat ze zich niet meer voor kunnen stellen dat er iemand om hen geeft. Ruzie maken en uitdagen is het enige wat ze nog kunnen. Elke vriendelijke opmerking zullen ze omdraaien tot het een belediging is. Twee van die mensen woonden in het 10 stedenland, een verbond van 10 steden aan de overkant van de Jordaan onder leiding van Damascus. Een onrustig en betwist gebied, tot op de dag van vandaag.

Toen Jezus het meer was overgestoken en geland was ontmoetten ze die mensen. Matteüs schrijft tenminste dat er twee waren, maar Matteüs schrijft bijna overal in zijn boek dat er twee zijn als het belangrijk is. De twee begonnen gelijk te schreeuwen en te dreigen, zich ook te verdedigen, “kom jij ons pijn doen voor het daarvoor tijd is?” zo riepen ze.  Jezus was niet beledigd, hij verdedigde zich niet, hij luisterde slechts, want toen uiteindelijk de mannen vroegen of hun gekkigheid in een kudde varkens mocht komen hoefde Jezus slechts “Vooruit” te roepen en de kudde varkens zette zich in beweging en stortte zich van een rots, de gekte was over. Varkens zijn immers net zo onrein als die gekkigheid. Je kunt je de schrik van de varkenshoeders wel voorstellen toen hun kudde zich ineens in beweging zette en niet meer te stoppen was. Je zou willen dat in datzelfde gebied vandaag de dag mensen zouden willen luisteren op de manier waarop Jezus naar mensen luisterde. Niet de gekkigheid voorop zetten. Niet zich bijvoorbaat aangevallen voelen, beledigingen beledigingen laten en op zoek gaan naar het goede, het menselijke in de mensen. Er zijn Joden en Palestijnen die dat zouden willen, maar ergens staat ook geschreven dat pas als alle mensen op deze manier met elkaar om zouden willen gaan het daar ook zal lukken. Aan ons dus om er een begin mee te maken.

Mijn slaaf ligt thuis verlamd

dinsdag, 17 juni, 2014

Matteüs 8:2-17

Wie al eens in het boek Leviticus heeft gelezen zal begrijpen dat Jezus van Nazareth eigenlijk als Priester optreed. Er staan daar heel nauwkeurige voorschriften voor de reiniging van huidvraat, de vele huidaandoeningen die er zijn, waaronder melaatsheid. Huidvraat is eng en we hebben de neiging dat wat eng is buiten te sluiten. Wat eng is moet wegwezen, terug naar de Antillen, of naar Marokko of zo. Als je ernstig en langdurig ziek bent dan moet je naar de bijstand, in elk geval niet meer naar je baas. Jezus van Nazareth pakt dat anders aan. Hij volgt de geboden uit de wetten van Mozes en stuurt de patiënt naar de tempel, om zich door de priester te laten keuren en te reinigen en het offer te brengen als betaling daarvoor. Over genezen en over wonderen van Jezus mag hij absoluut niet praten. Door deze opdrachten komt de patiënt weer onder de mensen, te beginnen in het hart van de samenleving. Niks eng, weer gewoon meedoen, dat is de kern van de Richtlijnen voor de menselijke samenleving die na koning David in de Tempel werden bewaard.

Die richtlijnen vormen de grondslag van een volk waar mensen van mensen houden en waar medemensen dus nooit eng kunnen zijn. Tegenwoordig kunnen lepralijders met medicijnen worden genezen. Maar in arme landen worden die enge lepralijders nog steeds buiten de samenleving geplaatst. Daarom is het goed dat we de Leprastichting hebben, die niet alleen zorgt voor medicijnen maar ook voor opleidingen en werk, zodat de lepralijders weer opgenomen kunnen worden in de samenleving. Als U wat kunt geven aan de Leprastichting moet U het niet laten. Soms moeten we namelijk onszelf reinigen van de weerzin tegen enge mensen. Vreemdelingen kunnen eng zijn, vooral als zij onderdeel uitmaken van een bezettingsmacht. Nou was Jezus van Nazareth niet direct bang van iets dat eng is. Hij had immers net nog iemand met huidvraat aangeraakt. En die centurio, de hoofdman over 100, officier in het Romeinse leger kan nooit zo eng zijn als het klinkt. Hij komt op voor een slaaf en dat is zeer uitzonderlijk. Hij gaat er op uit voor zijn slaaf en verwacht dat niet van een ander. De onreinheid van de huidvraat kan ook op een huis rusten weten we uit het boek Leviticus en aangezien de Priesters een huis van een ongelovige niet mochten inspecteren moest iedereen er volgens de Farizeeën van uitgaan dat het huis van een ongelovige onrein is.

Alles over één kam scheren noemen we dat. Maar is deze centurio een ongelovige? Volgens Jezus van Nazareth kennelijk niet.  Direct zegt deze namelijk dat hij mee zal gaan naar het huis van deze Romeinse bezetter.  En daar ging het Jezus om in dit verhaal, duidelijk maken wanneer je een gelovige bent. De grote zorg die deze officier in het Romeinse leger voor zijn slaaf heeft, het risico dat hij neemt door gezien te willen worden met een volksmenner als Jezus, maakt dat hij zijn naaste dus kennelijk net zo lief heeft als zichzelf. Het gaat hem daarbij ook niet om zichzelf, hij is het niet waard dat Jezus om hem de wet overtreed, het gaat om zijn slaaf. En daar valt Jezus bijna om van verbazing. Al die deftige leiders van het volk, geleerden uit de Tempel, die zo nauwkeurig met elkaar vaststellen met wie je wel en met wie je niet om hoort te gaan, halen het niet in gehoorzaamheid aan de grondslag van het volk bij deze Heiden, de buitenstaander, deze bezetter. Die Heiden hoort dus ook bij het Koninkrijk van God, waar die grondslag de boventoon voert, de deftige leiders plaatsen zich daar buiten. De keus is duidelijk, de gelovigen zijn zij die kiezen voor de lijdenden, de zwakken, niet voor de letters van welke wet dan ook. Vandaag voor vrouwen met erfelijke borstkanker of vreemdelingen die gevangen zijn zonder dat zij wegens een misdrijf veroordeeld zijn en morgen voor de hongerenden in de wereld.

Ik sta ten dienste van alle volken

maandag, 16 juni, 2014

Romeinen 1:8-15

Paulus wil zo vreselijk graag naar het hart van het Keizerrijk. Hij zou er uiteindelijk komen, volgens het verhaal dat in de Bijbel over Paulus wordt verteld zou hij er komen als gevangene. Twee jaar kreeg hij daar huisarrest met de vrijheid te ontvangen wie hij wilde en te corresponderen met wie hij wilde. Maar met soldaten voor de deur. Je moet soms wat over hebben voor je idealen. En wat een ideaal had die Paulus. Het ging uiteindelijk om het omverwerpen van het Rijk. Niet door geweld, niet door manipulaties maar door liefde. Het ideaal greep terug op oude profeten van Israël als Jesaja en Jeremia die bij het begin van de ballingschap gewelddadig verzet tegen de vijand ten stelligste afgeraden hadden. Tijdens de ballingschap hadden ze de ballingen bemoedigd en aangeraden de Thora, de richtlijnen van Liefde te bestuderen en daaraan trouw te blijven. Uiteindelijk werd het de ballingen toegestaan terug te keren, hun Tempel weer te bouwen en Jeruzalem opnieuw te bevolken. Het duurde echter wel een tijdje.

Ook voor de Christenen zou het een paar honderd jaar duren voor ze een Keizer zover kregen dat hij zich bekeerde tot het Christendom. Die Keizer merkte dat hij daardoor een oorlog kon winnen, iedereen had schrik van een religie die ondanks wrede vervolgingen alleen maar groeide. Maar het Christendom had zich toen al zo vermengd met het Heidendom dat ook door de hele Christelijke geschiedenis profetische geluiden terug moeten grijpen op het oorspronkelijk ideaal. In onze tijd is de wereld een stuk groter geworden, maar tegelijkertijd zijn de afstanden tussen mensen een stuk kleiner geworden. De Romeinen kenden nog een verdeling in volken die werden vergeleken met hun eigen cultuur. Er waren beschaafde volken, die Grieks of Latijn spraken, volken die zelf een schrift hadden ontwikkeld zoals de Perzen en daarom geletterd werden genoemd en er waren barbaren die niets anders konden dan brabbelen. Die Romeinen moesten eigenlijk niets van die onbeschaafde en barbaarse volken hebben. Ze waren niet veel beter dan dieren, maar soms goed voor het leger of het vermaak.

De stad Rome wemelde van slaven die uit al die verschillende volken afkomstig waren en Paulus verklaart hier zich voor hen in te willen zetten. Kennen we dat niet, het beoordelen van mensen naar onszelf? Ingeburgerde mensen, blanke mensen, christelijke mensen, mensen die onze taal spreken maar niet christelijk zijn, mensen die onze taal spreken maar iets geheel anders geloven, mensen die een taal spreken die we nooit hebben geleerd op school. Zetten wij ons ook voor al die mensen in? Willen ook wij al die mensen tot hun recht laten komen? Beschouwen wij al die mensen als kinderen van God? Hoe vreemd of anders ze zich ook gedragen? Paulus gaat het om de goede boodschap van de bevrijding van de armen. Gaat het ons daarom ook? Of gaat het om het vasthouden aan onze eigen manier van leven met uitsluiting van anderen? Zelfs als die anderen met hun vreemde taal en gewoonten hardnekkig volhouden dat hun vreemde geloof uiteindelijk een geloof is in de dezelfde God als waar Christenen en Joden in geloven, als ook voor hen het delen met de armsten in de wereld een pijler is waarop hun geloof rust?

Genade zij u en vrede

zondag, 15 juni, 2014

Romeinen 1:1-7

Vandaag beginnen we te lezen in de beroemde Romeinenbrief. Een Bijbelboek dat in de Protestantse Kerken een grote rol speelt. Voor veel Protestantse geleerden namelijk, dat begon al bij de Reformator Maarten Luther, wordt in deze brief een Christelijke leer uiteengezet die fundamenteel afwijkt van hetgeen in de Roomse zogenaamde kerk wordt geleerd. Men neemt aan dat de brief omtrent het jaar 56 vanuit het Griekse Korinthe aan de gemeente in Rome is gestuurd. De gemeente in Rome was niet door Paulus gesticht maar Paulus wilde graag naar Rome, overigens als tussenstop voor een reis naar Spanje. Om de brief goed te kunnen begrijpen moeten we ook iets weten van de geschiedenis van de tijd waarin de brief is ontstaan. In 54 was Keizer Claudius opgevolgd door Keizer Nero. In 50 had Keizer Claudius een heleboel Joden verbannen uit Rome maar die mochten nu weer terugkomen. Inmiddels was daar ook een bloeiende Christelijke gemeente gesticht juist door Joden uit Palestina.

Die Joden vormden één gemeente met de Heidenen die zich op de Weg van Jezus van Nazareth hadden begeven. Dat gaf een groot conflict tussen Joden en Christenen en dat conflict gaf Paulus nog eens aanleiding om het eigen standpunt van de mensen van de Weg, de volgelingen van Jezus van Nazareth, uiteen te zetten. De brief begint met een formele groet zodat de brief ook in andere gemeenten kon worden gelezen. Centraal staat de verkondiging van gehoorzaamheid aan Christus, de Bevrijder, en het geloof in zijn overwinning op de dood, aan alle volken. Dat staat centraal bij Paulus, niet alleen in zijn brieven maar in heel zijn werk. Hij was een rondreizend evangelist die wilde dat alle volken zich naar Jeruzalem zouden keren. De weg van Jezus van Nazareth zou door zijn dood heen verder gaan. Als alle volken zich naar Jeruzalem zouden keren, leven volgens de uitgangspunten van de menselijke samenleving, dan zou pas vrede aanbreken. Ondanks alle ellende die mensen elkaar konden aandoen was dat toch mogelijk die vrede. Dat noemde Paulus genade.

Als je ziet, ook vandaag de dag, wat mensen elkaar bedoeld en onbedoeld kunnen aandoen dan zou je bijna niets meer met mensen van doen willen hebben. Dat was in de dagen van Keizer Nero niet anders dan in onze dagen. Toch heeft Paulus, en hadden de mensen van de Weg, er alle vertrouwen in, ze geloofden het stellig, dat het anders kon. Daarvoor moest je je niet naar Rome wenden maar naar Jeruzalem, naar Jezus van Nazareth. Niet de dood van een dood Keizerrijk, waar de zelfgemaakte beelden van god keizer Claudius werden vervangen door de zelfgemaakte beelden van god keizer Nero, maar het leven van Jezus van Nazareth in onvoorwaardelijke liefde voor de naaste, dat het leven zou betekenen voor alle mensen. Een waarom we dit nu nog lezen? Omdat ook vandaag die Weg, van liefde voor elkaar, liefde voor je naaste als voor jezelf, het leven kan betekenen voor miljoenen mensen die dreigen om te komen door honger, geweld en ellende.

Ze pakten het werk voortvarend aan

zaterdag, 14 juni, 2014

Nehemia 2:11-20

Stadsmuren bouwen is een vak. Zeker stadsmuren met fraaie poorten. Wie in een vakantie een oude stad bezoekt en daar de resten van stadsmuren ziet, resten die de eeuwen hebben overleefd, kan in bewondering stilstaan bij zulke staaltjes bouwkunst. Hier waren vernuftige ambachtslieden aan het werk geweest die we tegenwoordig nauwelijks nog kunnen navolgen. En dan is het geen wonder dat er in Jeruzalem hard gelachten werd toen, nadat Nehemia, de schenker van de Koning, in het holst van de nacht de puinhopen had geïnspecteerd, priesters, vooraanstaande burgers, bestuurders en ambtenaren voortvarend aan het werk gingen. Dat zijn nu niet direct de mensen met eelt op hun handen die je als bouwvakker tegenkomt, stenen sjouwend en specie mengend. Maar ze gingen in het geloof dat hun stad, de stad van vrede, Jeruzalem, de stad waar de Wet van de Liefde werd bewaard, de stad waar God zelf een woning had gezocht, weer opgebouwd kon worden.

Muren en poorten moesten er worden gebouwd. Dat was niet lachwekkend, dat was een bittere noodzaak. Nog vandaag de dag zijn een heleboel verschillende mensen bezig met het tot hun recht laten komen van mensen. Dat leren we zelfs aan onze kinderen. Zo had de Protestantse Kerk Nederland een paar jaar geleden in de weken voor Pasen een project voor de kinderen rond het verhaal van Nehemia. Elke zondag werd een stuk aan het verhaal gebreid rond een advertentie voor personeel. Zo zijn er aanpakkers en beginners nodig om een stad te bouwen. Zo werden zelfs kinderen zich bewust van het feit dat een nieuwe rechtvaardige samenleving er niet vanzelf komt maar dat daar hard voor gewerkt moet worden. Het is te hopen dat hun vaders en hun moeders, hun verzorgers en familieleden er in de week het goede voorbeeld voor geven.

Als je vrijwilliger in de Fair Trade of Wereldwinkel bent dan kun je een kind best een keer meenemen als je dienst hebt. Als je brieven schrijft voor Amnesty International kun je kinderen ook best eens de brief voorlezen die je schrijft aan een gevangene. Ook in de Voedselbank kunnen kinderen best eens meehelpen pakketten samen stellen. Het bouwen aan de sterke stad kan niet alleen tot de zondag beperkt blijven maar moet dag in dag uit doorgaan tot die nieuwe samenleving er ook werkelijk is. Wie de geschiedenis kent weet dat er rekening mee moet worden gehouden dat ook de kinderen en kleinkinderen opgevoed moeten worden in het werken aan de rechtvaardige samenleving waar we zo naar verlangen. Die samenleving waar de hongerige wordt gevoed, de naakten gekleed, de gevangenen bevrijd, de bedroefden getroost en de armen wordt rechtgedaan. Ook die samenleving begint met het leggen van de eerste steen. Ook dat lijkt soms lachwekkend maar als het bouwwerk er eenmaal staat zal het eeuwig bewondering oproepen.

Een escorte van officieren en ruiter

vrijdag, 13 juni, 2014

Nehemia 2:1-10

Zomaar een verzoek indienen bij de koning van de Perzen is er kennelijk niet bij. Zelfs een hoge functionaris laat dit wel uit zijn hoofd. Maar Artaxerxes komt er in de Bijbel zeer goed van af. Hij ziet het verdriet van Nehemia zelfs tijdens een banket dat hij geniet samen met zijn lievelingsvrouw. We kunnen ons toch best voorstellen dat zo’n koning ergens anders oog voor heeft dan voor een sombere schenker die druk is rond te gaan om te zien of iedereen op tijd voorzien wordt van sterke drank. Toch wordt Nehemia opgemerkt en sterker nog hij krijgt wat hij heeft gevraagd. Geen wonder dat die Artaxerxes elders in het verhaal vergeleken wordt met een Messias, een door God gezonden bevrijder. Want het helpen van de Joden is niet zo heel erg vanzelfsprekend. Het blijven immers toch vreemde lui die niet willen integreren.

Ze hebben rare voedingsgewoonten, dragen bijzondere kleren en houden vast aan hun eigen taal. Hoewel dat laatste niet helemaal klopt schijnt het. Delen van de boeken Ezra en Nehemia zijn niet geschreven in het Hebreeuws maar in het Aramees, de officiële taal van het Perzische Rijk. Zelfs de Bijbel houdt dus niet vast aan eigen taal eerst en zelfs vele eeuwen later, in 1604, moest het gemeentebestuur van Alkmaar de Joden apart toestemming geven hun van de burgers afwijkende kleding te dragen. Ze deden dat graag want de Joden werden gelijk gesteld met de eigen burgers en mochten ook hun niet christelijke godsdienst belijden. Alkmaar was de eerste stad in Europa die dat aandurfde. Kom daar tegenwoordig eens om als het om de andere kinderen van Abraham gaat. Nehemia krijgt aparte papieren mee van de Koning en officieren en ruiters. De gouverneurs van de andere kant van de rivier vonden het niet leuk maar het officiële vertoon liet hen geen andere keus dan mee te werken.

Zo keerde de balling Nehemia terug naar de stad van de God van de Liefde, waar het eerlijk delen de basis was. Een stad die in puin lag, een stad zonder muren, een stad met een handjevol zielige stumpers die na enkele honderden jaren de bloei van het Koninkrijk van David weer wilden terugbrengen. Die honderden jaren lang, in een vreemd land met een totaal andere taal, een andere cultuur en een geheel andere godsdienst, hun eigen godsdienst hadden vastgehouden. Die alle stukken en verhalen die er waren overgebleven over de geschiedenis en de Thora hadden gereconstrueerd en opgeschreven. Trap er niet in als men je wil wijsmaken dat er sinds de dagen van de schepping een secretaris, of een school van journalisten, was die alles heeft opgeschreven. Nee in Babel waren de oude volksverhalen, de boeken die waren gered uit de Tempel, de boeken van Profeten van voor de ballingschap, de liederen van de Levieten en de eigen interpretatie van de verhalen van de Babylonische Godsdienst samengevoegd tot de Hebreeuwse Bijbel, wat wij nu het Oude Testament noemen. En nadat ze terug waren zijn ze daar nog een tijdje mee doorgegaan omdat ook die periode van de Ballingschap er in moest worden opgenomen. Maar daarmee zou nu in dit verhaal een nieuw begin worden gemaakt.

De poorten zijn in vlammen opgegaan

donderdag, 12 juni, 2014

Nehemia 1:1-11

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Nehemia. Samen met het boek Ezra is het eigenlijk één Bijbelboek maar de verschillende vertalers hebben het in de loop van de geschiedenis gesplitst in twee boeken. Aanvankelijk heette dit boek Ezra II maar sinds de vertaling van Maarten Luther is het genoemd naar de ik figuur uit het boek, Nehemia. Daarmee is het tegelijk weer een bijzonder Bijbelboek want het is het enige boek dat in de “ik” vorm geschreven is. Nehemia begint te vertellen wie hij is. Hij is schenker aan het hof van Artaxerxes, de Griekse heerser over het Perzische Rijk. Een koning die de Joodse ballingen in Babel goedgezind was. Hij had Ezra toestemming gegeven met een aantal mensen terug te keren naar Jeruzalem om daar de Tempel te herbouwen.

Nehemia had een hoge functie, hij was schenker. En als we “schenker” zien denken we terug aan de verhalen over Jozef, de man van de dromen. In het verhaal van Jozef was er een schenker die zich de dromen herinnerde die Jozef had uitgelegd. Jozef werd door die schenker onderkoning van Egypte en kon uiteindelijk zijn vader en zijn broers behoeden voor de hongerdood. Nehemia krijgt op een goede dag bezoek van een aantal van die voormalige ballingen uit Jeruzalem. Ze brengen slechte berichten. De muren van Jeruzalem zijn verwoest en de poorten in vlammen opgegaan. Er is dus geen recht meer in Jeruzalem, want de poort was de plaats waar recht werd gesproken. Hoe kun je nu een plek hebben waar de Thora wordt bewaard, waar je de nadruk legt op het Heilige karakter van de Thora en je hebt geen plek om recht te spreken, om mensen tot hun recht te laten komen. Ze lachen je uit. Dat zou vandaag ook nog zo zijn. Stel we hebben een parlement dat wetten maakt maar we hebben geen politie en geen rechtbanken meer om de wetten te handhaven en recht te spreken. We zouden een lachwekkend volkje zijn. Juist de rechtshandhaving is een probleem in onze samenleving. Of we hebben te weinig agenten om de wet te handhaven, we betalen ze in elk geval veel te weinig, of de rechters hebben te weinig tijd om alle rechtsregels zorgvuldig toe te passen. Want rechtsregels moeten op maat gesneden worden voor elke situatie en elke persoon.

Dat was in Israël anders. Daar was geen aparte instantie die buiten de burgers om een wet toepaste, daar waren de oudsten van de stad, de mensen met levenservaring, die er voor zorgden dat aan alle mensen in de stad recht werd gedaan, die er voor zorgden dat iedereen, ook de vreemdelingen, mee konden doen met de samenleving, Dat is de droom die Nehemia zich herinnert, de ballingen zullen terugkeren naar Jeruzalem, de stad waar de Thora, het verhaal van de God van Israël, het hart is van de stad en waar recht wordt gedaan aan ieder die er om vraagt. Dat die droom nog niet uitgekomen is stemt Nehemia droevig, daarom dat gebed, maar dat gebed eindigt met een soort van besluit: koning Artaxerxes zal nog een keer gunstig voor de Joden moeten beslissen. Een aangezien dit het begin van het boek en niet het einde is mogen we er op rekenen dat het gaat gebeuren, zoals we er op mogen rekenen dat eens alle volken zich naar Jeruzalem zullen keren.  Dat recht en gerechtigheid bij alle volken zullen heersen. Wij kunnen er vandaag weer mee beginnen door te hongeren en dorsten naar gerechtigheid en te zorgen dat ook de zwaksten, inclusief de vreemdelingen, in onze samenleving tot hun recht kunnen komen.

…voor koningen getuigen

woensdag, 11 juni, 2014

Psalm 119:41-48

Een nieuwe dag beginnen met een loflied op de Wet van Liefde is een goed begin als je gelooft in de macht van de God van de Liefde. Psalm 119 is bij uitstek het lied dat daarover zingt, en er bijna niet over kan ophouden. Dit deel begint met een gebed: “Laat mij Uw trouw ervaren” Veel mensen zeggen dat ze bidden maar nooit antwoord krijgen. Toch zeggen ze ook dat wie goed doet goed ontmoet, ook al krijg je vaak stank voor dank. De trouw van God ervaar je pas als je onophoudelijk bezig bent met het liefhebben van je naaste, met de minste, met de rechtvaardigheid waar de Bijbel het voortdurend over heeft, het recht doen aan mensen. Dan merk je dat je daar steeds het Woord van God tegenkomt. Dat woord geeft je de antwoorden aan hen die je bespotten. Want de “goeddoeners” hebben het niet altijd gemakkelijk in een wereld waar het eigenbelang voorop staat.

Het Woord dat je op weg laat gaan naar de rechtvaardigheid, naar eerlijk delen, naar een samenleving die alle mensen recht wil doen, geeft ook hoop. Hoop dat het ook vandaag weer met mensen goed kan komen. Het aardige is dat aan het begin van elke nieuwe dag de psalm zingt dat het een ruime weg is, waar je zoekend naar de regels je op mag begeven. Niks knellend, niks dat vooraf al vast ligt. Dan kan je zelfs voor Koningen getuigen staat er. En dat staat er niet voor niets. Niet dat we allemaal naar een Koning toe moeten gaan om daar te vertellen welke geweldige ervaringen we wel niet hebben met eerlijk delen, met Fair Trade, met een zorg voor het milieu die de armen geen schade berokkend, met de zoektocht naar kleding waar geen slavernij aan te pas is gekomen en met al die andere zaken die we in een jaar kunnen doen voor de armen en ontrechten in de samenleving. Maar door dat voortdurend te doen en zoveel mensen daarin mee te nemen moet ook aan machthebbers en politici duidelijk worden dat er een echte manier is om de samenleving beter te maken. Dat dienen een beter werkwoord is dan heersen.

Dat we dus allemaal kunnen dienen maar dat er uiteindelijk maar één is die Heerst op aarde. Dat je daarom de richting van de God van Abraham, Izaäk en Jakob, van de God die door Jezus van Nazareth “Vader” werd genoemd lief kan hebben. Want die “Vader” zorgt als een moeder voor zijn kinderen. Omdat we dag en nacht hongeren en dorsten naar gerechtigheid blijven we de nek uitsteken voor die richting. Veel Christenen noemen die richtlijnen voor de menselijke samenleving, de richtingwijzers uit de Woestijn, geboden. Dat betekent niet dat ze ze als wetten zien waar een politie op let of je ze wel nakomt en je anders inrekent om gestraft te worden, maar ze drijven je onweerstaanbaar  voort naar een nieuwe en betere wereld. Je kunt niet anders. Gegrepen door die God, door het verhaal dat in de Bijbel wordt verteld, begin je elke morgen weer opnieuw te zorgen voor de naaste, te strijden tegen onrecht, te zorgen dat mensen belangrijker zijn dan wetten en regels, de Liefde uit te stralen die de God van Israël ons gegeven heeft in zijn Zoon die ons die Liefde tot in de dood heeft voorgeleefd.