Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2014

Ook aan de doden is het evangelie verkondigd

zaterdag, 31 mei, 2014

1 Petrus 4:1-11

Je ziet de dominee op zondag toch echt niet op het Kerkhof de preek houden. Zo’n dominee zou door de kerkenraad snel naar een psychiater worden verwezen. Een beroep op 1 Petrus 4 vers 6 zal die dominee niet helpen. De schrijver van deze brief moet dus iets anders bedoelen dan dat er ook op het kerkhof moet worden gepreekt op zondag. Het moderne begrip van comazuipen maakt ons misschien duidelijk waar het hier om gaat. De Statenvertaling en de Naardense Bijbel hebben het tenminste ook over wijnzuiperijen waar de Nieuwe Bijbelvertaling het heeft over bras- en slemppartijen. Wie zich daaraan overgeeft is zichzelf niet. En als je er zelfs van in coma raakt dan lijk je dood. Ja als je stomdronken bent dan ben je eigenlijk al dood. Gelovigen weten best van drinken en feestvieren. Maar gelovigen hebben zoveel ontzag voor mensen dat ze zonder alcohol ook heel goed kunnen en zich er voor hoeden om hun eigen persoonlijkheid te verliezen. Voortdurend zijn ze immers gericht op het welzijn van anderen. Anderen zijn nooit voorwerpen waarmee je je eigen lust kunt bevredigen. En meedoen met feesten omdat het zo hoort, omdat je er een idool mee eert, een moderne afgod mee aanbidt is er al helemaal niet bij.

Christenen worden daarom nogal eens uitgemaakt voor saaie pieten. Dat hebben ze ook wel een beetje aan zichzelf te danken. Ze doen vaak net of ze niet mee mogen doen. Maar Paulus had al geschreven dat alles geoorloofd is. Het gaat er dan ook niet om dat ze niet mogen, maar dat ze niet willen. Zo gaan we immers niet met elkaar en met anderen om. Daar is niks saais aan, want samen genieten is ook voor christenen het hoogste goed. Wijn behoort zelfs bij de maaltijd die het hoogste is wat de christelijke gemeenschap kan bereiken, de maaltijd waarbij je alles deelt, tot jezelf toe. De wijn staat dan voor het levensvocht, voor het bloed dat bij alle levenden door de aderen stroomt. Van dat leven blijf je af zegt de Bijbel. Wijn kan je dus aansterken, bemoedigen, verwarmen, weer leven geven, maar wijn zal je nooit mogen bedwelmen, van het bewuste leven mogen beroven. Daarom kan de schrijver van de Petrusbrief zeggen dat ook aan doden de boodschap van bevrijding is verkondigd. Het succes van de verspreiding van het geloof in Jezus van Nazareth heeft in de eerste eeuwen van onze jaartelling de mensen doen geloven dat het einde van de wereld nabij was. Als iedereen zou geloven dan zou het einde immers echt komen? Dat laatste blijft waar maar we zijn inmiddels tot de ontdekking gekomen dat het einde van de wereld nog ver weg is want het zal nog wel even duren voordat iedereen echt gaat geloven.

Voor ieder van ons als mens blijft het toch zaak om te doen alsof het einde nabij is. We leven immers maar kort en hebben dus relatief weinig tijd om mensen te winnen voor het Koninkrijk van God. Daarom blijft het verhaal van de Bijbel belangrijk ook al moeten we de vermaningen voor het einde der tijden niet al te letterlijk nemen voor onze tijd. Zo’n oproep om gastvrij voor elkaar te zijn bijvoorbeeld mag ons best weer eens aan het denken zetten. Elk zomer zwermen veel Nederlanders uit over de wereld en elke herfst komen ze terug met verhalen over de enorme gastvrijheid die er in andere landen heerst. Zelfs binnen ons land zijn er verhalen over de grote verschillen in gastvrijheid tussen de verschillende provincies. Nu zal het gericht zijn op de verdienste uit toerisme wel mee een bron zijn van gastvrijheid maar toch is de een gemakkelijker in het ontvangen van vreemdelingen dan de ander. En juist in het ontvangen van vreemdelingen kan de gelovige zich onderscheiden van de ongelovige. Het ontvangen van de rijke vreemdeling uit een aan ons verwante cultuur is niet moeilijk, zeker niet als die vreemdeling een taal spreekt die we tenminste nog een klein beetje kunnen verstaan. Maar de arme vreemdeling, uit een ander continent, met niet alleen een onverstaanbare taal maar ook een onbegrijpelijk geloof en een totaal onbekende cultuur en leefwijze. Die gastvrij weten te ontvangen, die recht weten te doen in je eigen samenleving, dat is pas getuigen van de macht van God. Dat getuigen wordt elke dag van ons gevraagd, ook vandaag weer.

Laat u door niets in verwarring brengen

vrijdag, 30 mei, 2014

1 Petrus 3:13-22

De oorlog en het lijden in de wereld, die de wereld maken tot een plaats van verwarring, brengen ook ons vaak in verwarring. Als we het goede willen doen en niet dan het goede, wat is dan het goede en hoe weten we dat. Ons eigen lot maakt ons niet uit, zelfs al zouden we zelf moeten lijden dan weten we dat we de gerechtigheid nastreven. Maar de oorlog is er niet verder door weg en het lijden van de mensen wordt er niet minder door. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat dan de opwekking niet bang te zijn voor de mensen. Een vertaling in hedendaags Nederlands die we snappen. Maar de Naardense Bijbel geeft wat beter weer wat er bedoeld wordt : “Vreest niet wat zij te vrezen geven”. Dat oorlog niet minder wordt en dat lijden niet ophoudt is iets wat men ons voortdurend voorhoud. Bijna iedereen in Nederland gelooft inmiddels dat het nooit vrede op aarde zal worden. En dat betekent eigenlijk dat men het geloof heeft opgegeven. Want als Christus, de Bevrijder, de Heer van de wereld is, dan komt er onherroepelijk een tijd dat het vrede is en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Dat is het Evangelie van de bevrijding van de armen dat we mogen verkondigen en waarin alle mensen van de wereld mogen gaan geloven.

Want oorlog en het geweld dat daar mee gepaard gaat en lijden voor mensen dat het veroorzaakt zijn geen natuurwetten. Dat lijden van mensen is het direct gevolg van mensen die oorlog voeren. Daarom roept de Bijbel op onophoudelijk te ijveren voor de vrede. De hoop op een betere wereld die daardoor in ons leeft kunnen we verantwoorden. Ook rationeel, als je nadenkt over de wereld, dan is vrede en het uitbannen van lijden de enige optie die er is in het leven, niemand wil immers dat anderen blijven lijden. Als je dat wil dan vinden we je toch al heel snel ziek en gestoord. Christenen worden nog al eens bespot om hun zachtmoedigheid, om hun onophoudelijk roepen om vrede en vasthouden aan rechtvaardigheid voor de armsten. Maar wie nadenkt over de wereld, het leven en de mensen zal moeten toegeven dat er een betere wereld is als we alle mensen respecteren en tot hun recht laten komen. Daarom is het goede te doen en niet dan het goede dat wat ons te doen staat, of we geloven of niet.

Daarbij hebben we natuurlijk het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die zichzelf opofferde om een bloedige opstand van zijn volk te voorkomen. Pas veertig jaar later liet men zich toch verleiden tot die opstand en werd zelfs de Tempel in Jeruzalem verwoest. Dat de schrijver van deze brief de lezers oproept tot zachtmoedigheid en vasthouden aan dat voorbeeld is dus niet verwonderlijk. Maar dat geldt ook voor ons. De gewoonte onder de volken is om kwaad met kwaad te vergelden. Maar wapens en soldaten sturen daar waar voedsel en gerechtigheid worden gevraagd roept voortdurend nieuw geweld op. We weten dat er geen vloed meer zal komen die alle mensen zal wegvagen zoals in de dagen van Noach. Voor ons maakt het dus niet meer uit hoe lang het duurt voordat iedereen in de wereld het voorbeeld van Jezus van Nazareth volgt, zolang we er zelf maar mee bezig zijn en anderen mee nemen om er ook mee aan de slag te gaan.

Niemand weet waar zijn graf is.

donderdag, 29 mei, 2014

Deuteronomium 34:1-12

Met het beloofde land voor ogen en in hoge ouderdom sterft Mozes. Een driftig mannetje, die de verleiding van toverspreuken en show niet helemaal had kunnen weerstaan. Toen het volk weer eens liep te mopperen op de bevrijding uit de slavernij daar midden in de woestijn, omdat er te kort aan water zou zijn, had Mozes boos zijn staf genomen, geluisterd naar de rotsen zoals hij had geleerd, en met kracht op een rots geslagen zodat het brak en de daaronder gelegen waterstroom aan de oppervlakte kwam. Het volk met verbazing en ontzag achterlatend. Zo moet het dus niet in het Koninkrijk van God. Met liefde moet je naar je mogelijkheden luisteren en met liefde ze aanboren. Of meer godsdienstig gezegd, je moet de zaak aan God durven overlaten. Het graf van Mozes is dan ook niet gemaakt tot een pelgrimsplaats waar gelovigen heen gaan omdat ze denken dan dichter bij God te zijn.

Dat soort Pelgrimsplaatsen zijn een kennelijk een gruwel voor God, mensen zouden eens kunnen denken dat de Liefde ver weg is en niet dichtbij, niets is minder waar. Met de Thora, de Wet van de Woestijn, kunnen we elke dag opnieuw beginnen, ja zelfs elk moment, houden van je naaste als van jezelf begint elke keer als je trots in een spiegel kijkt en elke keer opnieuw als je vol berouw vaststelt dat het toch minder was als je had gekund. Berouw, niet uit angst voor straf in het hiernamaals, maar berouw, omdat je je naaste, en daarmee jezelf, tekort hebt gedaan. Er is een oude Joodse legende over de dood van Mozes die zegt dat de duivel en de aardsengel Michael streden om de ziel van Mozes, moest die naar de hel omdat hij een Egyptenaar had doodgeslagen of naar de hemel. Er ontbrak een hevig gevecht dat de duivel uiteindelijk opgaf met een beroep op God zelf, die moest maar oordelen.

En dan weten we het dus wel, als de liefde zelf oordeelt over onze fouten hoeven we er niet bang voor te zijn en kunnen we bezig blijven met het goede te doen en niets dan het goede. Blijft, dat ook een begrafenis van iemand op hele hoge leeftijd verdrietig is. Er is een eind gekomen aan een vruchtbaar leven, verder lijden blijft de hoogbejaarde bespaard. Je hoort het bij veel begrafenissen. Maar wat zouden we graag nog wat hebben geprofiteerd van de levenservaring van de overledene. Hoe zou het met Israël zijn vergaan als Mozes ook leiding had kunnen geven aan de opbouw in het beloofde land? We zouden iemand als Mozes vandaag de dag toch ook heel goed kunnen gebruiken en graag bij ons gehad hebben. Maar goed dus dat ook dit Bijbelboek is opgeschreven en wij er nog eens in terug mogen lezen over de weduwe en de wees, en vooral ook over de vreemdelingen die in ons midden zijn.

Zijn armen dragen u

woensdag, 28 mei, 2014

Deuteronomium 33:22-29

Dat mag je toch iedereen toewensen, dat je gedragen mag worden door de liefde. De Liefde zelf die je draagt door goede maar vooral ook door slechte tijden. In dit voorlaatste hoofdstuk van Deuteronomium gaat het over het goede en niets dan het goede voor het volk Israël. Voordat de lijdenstijd, de tijd  voor Goede Vrijdag als de kruisiging wordt herdacht, is aangebroken is in veel steden en dorpen het feest van Carnaval begonnen. Ook daar gaat het om het genieten van het goede. Alle verschillen tussen arm en rijk worden schijnbaar afgelegd. Niemand vraagt wie lid is van welke carnavalsvereniging en wat de toegang tot de pronkzittingen eigenlijk kost. Altijd is er tenminste nog het straatcarnaval en de optocht waardoor inderdaad iedereen aan het feest kan deelnemen.

Als je de middeleeuwse geschriften leest kom je daar de gedachte tegen dat als je nu maar één keer per jaar het gewone volk de draak laat steken met de macht die over hen is gesteld ze de rest van het jaar meer respect zullen hebben voor de machten die over hen heersen. Daarom is met carnaval de grootste nar de Prins, en heeft deze Prins een deftig gevolg van zotten. Daarom wordt in allerlei zittingen voluit de draak gestoken met de plaatselijke, provinciale en landelijke politici. Een paar provincies vol met oudejaarsconferences. Na drie dagen, op de woensdag, breekt de vastentijd aan. Dan is echt alle voorraad die was opgeslagen voor de koude winter op en moet je de broekriem aantrekken om het voorjaar en de eerste oogst te halen. Dan gaat het over overleven en delen, maar nu nog gaat het om wat ons te wachten staat.

Een land en een volk waar alleen de liefde heerst, waar zorg is voor elkaar, waar de laatste de eerste zal zijn en waar gelachen wordt en gejuicht. Huub Oosterhuis dichte eens met Maria, de moeder van Jezus, dat God “deze wereld omgekeerd” wil. En die omgekeerde wereld kun je de dagen van carnaval zo hier en daar nagespeeld zien worden. In dit hoofdstuk van Deuteronomium komen we echter ook het zesde couplet van het Wilhelmus tegen. “Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij, o God, mijn Heer” heet het daar in een citaat uit dit hoofdstuk en daar ging het om het verdrijven van tirannie, en elke tirannie verscheurt het hart van de gelovige nietwaar. De tyran zal uiteindelijk de macht van de Liefde moeten erkennen en daar het stof van de voeten moeten likken. Een beeldspraak om zeker een paar dagen mee te mogen lachen.

De oudsten van het volk

dinsdag, 27 mei, 2014

Deuteronomium 33:12-21

Gisteren begon het al een beetje. We lazen toen over de zegen van Mozes voor de stammen van Israël. Maar hebben we in het commentaar op een ander deel de nadruk gelegd en morgen gaat het ook nog even door, elke stam van Israel krijgt een eigen zegen en je kunt ze kennelijk niet allemaal op één  dag lezen vindt het Nederlands Bijbelgenootschap. Die heeft in haar dagelijks leesrooster het gedeelte over de zegen van Mozes voor de stammen van Israël over drie dagen verdeeld. Twaalf zonen had Jacob, een heilig getal. Het is het produkt van vier maal drie, vier is het getal van de aarde met haar vier windstreken en drie is het getal voor de God van Israël. Israël staat voor heel de aarde, als het met Israël zou gaan zoals de God van Israël het gewild heeft zouden alle volken op aarde daar een voorbeeld aan hebben kunnen nemen.  Als je  goed telt in het gedeelte over de zegen van Mozes kom je tot 11 stammen. Simeon ontbreekt in het rijtje. Het was de stam die na de intocht in het beloofde land als eerste op zou gaan in de andere stammen van Israel en geen eigen aanwijsbaar gebied meer had.

De families van de stam Simeon hadden zo hier en daar hun gebied. De stam Gad had ook het stuk land dat van iedereen was, waar de vertegenwoordigers van het volk bijeen kwamen om te beraadslagen. We zijn dat tegengekomen toen we in het boek Rechters aan het lezen waren. Het is overigens de democratie ten voeten uit. Rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers, iedereen die gelijk is, geen koningen, geen machthebbers. Geen Partij voor de Vrijheid zonder de Democratie. Die zou onmogelijk zijn bij dit volk, de vreemdelingen hoorden er immers onlosmakelijk bij, zelfs in de volksvergadering. Verschillen tussen de stammen waren er echter ook, en die mogen kennelijk ook genoemd worden. Ruben was de oudste zoon van Jacob, en had het minste aantal nakomelingen, dat was maar een klein stammetje.
Issaschar zijn we wellicht in de loop van de geschiedenis vergeten maar dat waren zeelui en handelaren, maar ook mijnwerkers die schatten onder het zand wisten te vinden. Dat was natuurlijk niet al zo toen ze nog het land Israël binnen moesten trekken.

De definitieve versie van de Bijbel is pas veel later vastgesteld. Die is niet zoals het heilige boek van de Islam in één keer gedicteerd, maar geleidelijk aan gegroeid. Totdat na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 na Christus er een definitieve versie van het eerste deel werd vastgesteld. Wanneer dat precies is gebeurd en door wie weten we eigenlijk ook niet echt maar in de loop van de eeuwen bleek iedereen het in elk geval eens te zijn over wat we nu het Oude Testament noemen, al bleef er een grensgebied, de Deutero Canonieke boeken. De definitieve versie van het Tweede deel, wat we nu het Nieuwe Testament noemen, werd pas na het jaar 100 vastgesteld. Wat we vandaag dus lezen is dat iedereen bijdraagt aan de eenheid van het volk, of je nu een vrome Leviet bent die godsdienst voorop zet, een handelaar van Issaschar, een strijder van Juda of het lievelingetje van God uit Benjamin. Voor ons betekent het dat wie we ook zijn of wat we ook kunnen er altijd plaats is in het werk voor het Koninkrijk, je kunt je naaste altijd ergens mee van dienst zijn. Ook vandaag nog.

Talloze engelen

maandag, 26 mei, 2014

Deuteronomium 33:1-11

Mozes neemt afscheid met wat genoemd wordt een zegen. Daarin wenst hij iedereen het goede. Zoiets als wat je wel eens op een bruiloft of een jubileum hoort. Het bruidspaar of de jubilarissen horen dan al het goeds dat er over hen te zeggen is. In het verhaal, of is het een lied of gedicht, van Mozes begint het natuurlijk met God zelf. De ontmoeting met God in de woestijn bepaalde immers de geschiedenis en de inhoud van het volk Israël. In de nieuwe vertaling is God daar ineens vergezeld van een heleboel Engelen. In oudere vertalingen zijn dat heiligen, ook de Naardense Bijbel van Oussoren vertaalt hier heiligen. We hebben verschillende handschriften die beschouwd worden als de grondtekst waaruit de Bijbel vertaald wordt en ook één van die grondteksten heeft het over tienduizenden van heiligheid.

Als iemand dus zegt dat men de Bijbel letterlijk wil nemen moet je niet alleen vragen welke vertaling men letterlijk neemt, maar ook uit welke grondtekst vertaald is en waarom men die grondtekst heeft genomen. De Bijbel staat nu eenmaal niet vol toverformules die je uit het hoofd kunt leren en die elke situatie dan naar je hand kunt zetten, maar de Bijbel staat vol verhalen die je op weg sturen naar het beloofde land. Als je met God in aanraking komt zegt Mozes dan zie je ineens al die mensen die het goede en niets dan het goede deden, een geweldige menigte is dat. De Thora, de Wet van de Woestijn, is in alle tijden en overal toegepast en heeft altijd en overal tot bevrijding van mensen geleid.

Dat de Nieuwe Vertaling hier het woord engelen gebruikt is nog zo vreemd niet. We zijn gaan inzien dat Engelen boodschappers van God zijn, en ieder mens kan op zijn of haar tijd een boodschapper van God zijn, soms zelfs onbedoeld of onbewust. Engelen zijn dus geen mensen in witte kleren met vleugels. Dat leger vol van goede mensen verschijnt overal op de wereld, soms onverwacht als ergens in een park tentjes worden opgezet en mensen samenscholen om een einde te maken aan onderdrukking en geweld en een begin met een rechtvaardige verdeling van welvaart en welzijn. De nieuwe regeerders van volken die vroeger onder een dictatuur leefden zijn ook de grootste pleitbezorgers voor eerlijke handelsverhoudingen en zij botsen dan ook met de rijken op de aarde. Aan ons om partij te kiezen, wij worden niet onderdrukt maar horen we bij de uitbuiters of bij hen die zegen verspreiden en delen met de armsten in de wereld?

Het is een zaak van levensbelang

zondag, 25 mei, 2014

Deuteronomium 32:44-52

Dat is nog eens wat anders dan een politicus die de rijken oproept geen belasting te betalen. Mozes de leider van het volk die afscheid moet nemen en het beloofde land alleen van verre mag bekijken roept het volk op voor elkaar te blijven zorgen en zich daarmee aan de Wet van de Woestijn te blijven houden, op die manier de Thora te vervullen. Dat is met recht een zaak van levensbelang. Een politicus die roept om orde en veiligheid en dan roept de belastingen maar niet te betalen zodat de gemeenten niet de stadswachten kunnen blijven betalen en het onkruid kunnen laten verwijderen. Hij was ook nog vergeten dat het parlement net een wet op de maatschappelijke opvang heeft aangenomen die de gemeenten de taak geeft voor de zwakken in de samenleving te zorgen. Voor een VVD politicus is de zorg voor de zwakken in de samenleving wel het laatste waar burgers zich om moeten bekommeren.

Het gaat bij de rijken om het pure eigenbelang van mensen die een hoog inkomen en een groot vermogen hebben. Die mensen zijn eigenaar van de duurste woningen in elke gemeente en die moeten dus de hoogste belasting op de onroerende zaken betalen. Die mag je dus oproepen de belastingen maar niet te betalen. Als die mensen hun onroerende zaken uit speculatie oogpunt maar leeg laten staan, het verlies komt immers voor rekening van de vermogensbelasting. Als daardoor kantorenparken en binnensteden verloederen dan moeten jonge mensen het natuurlijk niet in hun hoofd halen die onroerende zaken te kraken en weer in te schakelen in het maatschappelijk verkeer. Het is maar goed dat die politicus zo openlijk heeft gesproken.

Ooit zijn er weer verkiezingen en we hebben nog niet zo lang geleden in Deuteronomium gelezen dat de keuze gaat tussen leven en dood. Toen was de oproep te kiezen voor het leven, nu horen we dat de zorg voor de naaste in onze eigen buurt een zaak is van levensbelang. We kunnen de Bijbelse meetlat leggen naast de verkiezingsprogramma’s, en laat U niet misleiden door het woord “Christelijk”, geen enkele partij schrijft het partijprogramma over uit de Bijbel. Blijf kijken hoe het zal gaan met de vreemdelingen, met de armen, met de zieken en gehandicapten, met de weduwen en de wezen, met de zwervers naar wie een hand moet worden uitgestoken met de vreemdelingen die onze broeders en zusters  zijn. Goddelozen noemen dat graag de onderkant van de samenleving, in Gods Koninkrijk komen ze op de allereerste plaats.

Ik reken af met wie mij haatten.

zaterdag, 24 mei, 2014

Deuteronomium 32:36-43

Vandaag lezen we het laatste deel van het lied dat door Mozes en Jozua gezongen werd toen ze alle wetten hadden opgeschreven. Dit lied moest door het volk uit hoofd worden geleerd en elk jaar opnieuw worden gezongen. De boodschap is eenvoudig, als je de Thora van God verlaat loopt het slecht met je af, als je je weer aan de Thora van God gaat houden dan gaat het ook weer goed met je. Zo aan het eind van een enerverende  werkweek is dat bemoedigend. Houdt van je naaste als van jezelf en het zal ook de komende week goed gaan, het zal ook met Europa goed gaan. Zo eenvoudig ligt het natuurlijk niet. We kennen mensen genoeg uit de geschiedenis die ons voorbeeld zouden kunnen zijn en met wie het uiteindelijk niet goed is afgelopen. Martin Luther King was er zo één. Hij bracht de Amerikaanse samenleving volledig in beweging en zette die op haar kop. Van discriminatie kon en kan geen sprake meer zijn. Hij werd uiteindelijk doodgeschoten.

Het gaat dan ook niet om ons individuele lot, ons eigen welbevinden. Dat doen van het goede en niets dan het goede levert pas op als iedereen mee gaat doen. Het lied van Mozes en Jozua gaat niet over individuele burgers en hun persoonlijke verhouding tot God, het gaat niet over de vraag of ze wel genoeg bidden en keurig offeren en naar de tempel gaan maar het gaat over de vraag hoe het volk het er af brengt. Het lied van Mozes en Jozua is bij uitstek een politiek lied. In het boek Deuteronomium worden de ijkpunten er steeds bijgeleverd. Hoe gaat het met de armen, de weduwen en de wezen, mogen de vreemdelingen ook meedoen met alle activiteiten van volk, niet alleen met de feestmaaltijden maar ook met de volksvergaderingen? Zo ja dan vorm je een hecht volk dat wat voor elkaar over heeft en daardoor onoverwinnelijk is geworden, zo nee, dan ben je geen volk maar een verzameling eenlingen die door een vastberaden vijand gemakkelijk te verslaan zijn.

Ook de komende week mogen we ons dus weer afvragen of we een echt volk zijn, durven we de vreemdelingen hier een echte plek te geven? Sluiten we ons af voor de vluchtelingen die naar ons land stromen of zetten we ons in Europees verband in voor de opvang en de zorg voor vluchtelingen en het bestrijden van dictatuur, onderdrukking en armoede in de wereld zodat er geen vluchtelingen meer komen. Zorgen we voor de zieken en gehandicapten? Zorgen we voor de hoogbejaarden die door sluiting van zorgcentra de zorg in hun omgeving zien verdwijnen? Weten we ons zo over tieners te ontfermen dat “tienermoeders” een onbekend verschijnsel wordt? Verzetten we ons tegen stromingen die zichzelf op de eerste plaats zetten, als “eigen volk eerst”? Verzetten we ons tegen politici die alleen kinderen geboren willen zien die ze acceptabel vinden? Vormen we zo een hecht volk? Dan wonen we eindelijk in het beloofde land en wordt de aarde zo mooi dat God hier zelf zal willen wonen.

Met een volk zonder verstand

vrijdag, 23 mei, 2014

Deuteronomium 32:19-35

Samen sta je sterk en eendracht maakt macht. We weten het eigenlijk wel. Het zijn de leuzen waarmee ons land is ontstaan en de slagzinnen die de vakbeweging kracht hebben gegeven toen het lid zijn van een vakbond nog een risico vormde. Ook de sociale huisvesting komt voort de gedachte dat je goede dingen alleen samen kunt opbouwen, net als de ziekenfondsen gebouwd zijn op het principe van de solidariteit die het sterkst is voor de zwakken, maar iedereen kan zwak worden nietwaar. Als iedereen doet of alleen het eigen belang telt en iedereen wel voor zichzelf kan zorgen dan gaat het mis. Het is het uitgangspunt van de vele opvolgende regeringen. Het beperkt de zorg voor de armen, het doet hoogbejaarden gedwongen verhuizen en zadelt familie en buren op met de zorg voor zieken en gehandicapten.

Volgens de Bijbel dient de mens die niet voor de zwakken zorgt maar voor zichzelf zelfgemaakte afgoden. Alles wordt vergoddelijkt. Dat kennen we natuurlijk uit oude tijden. De zon, de maan en de sterren werden goden. Het onweer heette in onze landen Donar en de dikste eiken in het bos werden aanbeden. Ook de natuur, de herfst, de lente en de zomer werden bestuurd door goden. Maar de machtigste goden waren eigenlijk de mensen. Die goden hadden in de verhalen over hen altijd al menselijke eigenschappen, ze leken op mensen, ze reageerden als mensen. Uiteindelijk maakten de mensen van zichzelf goden. Eerst de machtigen, de Keizers werden aanbeden als goden, aan werden offers gebracht. Maar in onze dagen kan er een god van ieder mens gemaakt worden. De besten, de rijksten, de machtigsten, de intelligensten worden goddelijke eigenschappen toegedicht. Op elk terrein van het leven wordt de beste gekozen, aanbeden en bewonderd. De beste werknemer, de beste huurder, de beste zanger en zangeres, de beste stratenmaker, het kan bij ons niet op.

En de God van Israël? Die laat zich niet zien, daar zijn geen beelden van, die past niet op de televisie. Nooit zul je bijvoorbeeld een kerkdienst van grootste Protestantse Kerk in Nederland op de TV zien, de PKN is daar niet, die is bij en van mensen. De God van Israël gaat alle verstand te boven, maar stijgt daardoor ook boven al die menselijke afgoden uit. We spreken die God meestal aan met “Hij” maar weten dat dat meer over menselijke verhoudingen zegt dan over de aard van onze God, mannen maken toch nog te veel de dienst uit, ook de kerkdienst. De God van Israël is bij de zwaksten, de minsten, de slachtoffers van oorlog en geweld. Door de verhalen die over die God in omloop zijn gaan we de zwaksten in eigen omgeving zien, de vluchtelingen, de in Nederland gewortelde kinderen die met uitzetting bedreigd worden, de hoogebejaarden die hun zorg verliezen, de jongeren die bezwijken onder de drang tot presteren. Die God roept mensen om in aktie te komen. De mensen die in aktie komen ervaren ineens dat er een betere wereld ontstaat, die wereld kan nog veel beter en daar ligt de zin van het leven. Samen scheppen we een goddelijke wereld, samen met de God van Israël en elke dag mogen we daar opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

In een dorre woestijn

donderdag, 22 mei, 2014

Deuteronomium 32:8-18

In die dorre woestijn werd volgens dit deel van Deuteronomium het volk Israël gevonden door de God van Israël en daar begon het welzijn en het welvaren van dat volk. Als je dit deel leest wordt het almaar vrolijker, zorg en liefde werden uitgestort, de bergen werden geopend, honing uitgeschonken, de oogst werd tot voedsel verstrekt, olijfolie kwam uit steenharde rots, melk van koeien en geiten, vlees van rammen, lammeren en bokken, het kan niet op. De beschrijving van een land overvloeiende van melk en honing. En was het volk daar zuinig op? Wilde het delen met de armen, de weduwen en de wezen, met de vreemdelingen in hun midden? Dat was immers afgesproken in het hart van die dorre woestijn? Nee dus, ze brachten offers aan goden die geen goden zijn, aan nieuwkomers van goden staat er. Er is dus niets veranderd. Ook in onze tijd willen de goddelozen ons doen vergeten waar we vandaan komen.

Wie een beetje op de hoogte is met  het verhaal dat in de Bijbel over het volk Israël wordt verteld zal verbaasd opgekeken hebben toen dit gedeelte uit het boek Deuteronomium werd gelezen. Het lijkt wel of de wording van het volk Israël helemaal geen rol heeft gespeeld. Waar zijn in de beelden die hier worden gebruikt de aartsvaders gebleven, geen Abraham en Sara, geen Jacob en Esau, geen slavernij in Egypte en een bevrijding door de God van Israël. In het laatste vers van dit gedeelte wordt zelfs gesuggereerd dat Israël als volk uit God werd geboren daar in die dorre woestijn. En dan zijn het mooie beelden van de moedervogel die wakend over haar kinderen met ze meevliegt en ze op haar vleugels opvangt als ze moe geworden zijn en ze voedt als ze hongerig weer naar het nest zijn teruggekeerd.

Maar de wording van de hele aarde was de voorbereiding van dat bijzondere moment dat de slaven die uit Egypte waren bevrijd niet zomaar een groep rondtrekkende slaven bleven maar een volwassen volk werd dat een licht kon zijn voor de andere volken. De geboorte van Israël was niet zomaar, was ook geen toeval. Bij het trekken van grenzen voor de andere volken op de aarde was al ruimte gemaakt voor Israël en dat volk Israël had een bijzondere taak, het zou de volken van de aarde moeten laten zien hoe een  menselijke samenleving er uit zou kunnen zien en hoe die te bereiken was. Het was verschrikkelijk  toen dat volk die taak verwaarloosde door andere goden na te lopen. Die taak lag in het verbond dat op de Horeb werd gesloten. Het vervullen van de Thora, dat verhaal met de richtlijnen voor de menselijke samenleving was het belangrijkste op de hele wereld, de wereld hing daarvan af. Dat werd verwaarloosd en de rampen die volken kunnen overkomen zijn Israël dan ook overkomen, oorlog en onderdrukking, ballingschap en verspreiding over de hele aarde. Die Thora is gebleven. De God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand ooit begon. Door zijn zoon Jezus van Nazareth mogen alle mensen op aarde meedoen aan de vervulling van de Thora, een samenleving scheppen die voor alle mensen een menselijke samenleving is, waar geen honger meer is, waar geen armoede meer heerst, waar gerechtigheid de bodem van is. Elke dag opnieuw mogen we daar weer mee beginnen, ook vandaag.