Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2014

Jullie hebben het niet gewild

vrijdag, 21 maart, 2014

 Matteüs 23:34-39
 
Heidenen die zichzelf beter vonden dan de Joden hebben in het verhaal dat we vandaag lezen vaak aanleiding gevonden zogenaamd te bewijzen dat alle Joden niet zouden deugen. Dat staat er niet en kan er ook niet bedoeld worden. Jezus van Nazareth was zelfs immers een Jood, een gelovige Jood en vervult van het Joodse ideaal van een voorbeeld volk dat alle volken zou brengen tot het eer bewijzen aan God door te zorgen voor de armen en voor de minsten. Maar in de loop van de geschiedenis zijn mensen altijd weer met elkaar de strijd aangegaan op leven en dood. Dat begon al bij Kaïn en Abel en dat gaat voor ons door tot op de huidige dag. Jezus van Nazareth laat die geschiedenis door gaan tot het verhaal van Zacharia, Zecharja vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat verhaal kun je teruglezen in 2 Kronieken, daar wordt hij overigens de zoon van Jojada genoemd en hij werd vermoord in de voorhof.

Vanaf die tijd was ook de voorhof van de Tempel niet meer de vrijplaats waar vervolgden een plek konden vinden om zich beschermd te weten tegen woedende moordenaars die al of niet wraak wilden nemen voor iets. Juist die bescherming van de armen, juist de bescherming tegen geweld zou Jeruzalem en de Tempel een zo unieke plaats in de samenleving hebben moeten geven dat ook bezetters er respect voor zouden hebben. Kerken hebben soms nog steeds die functie van vluchtplaats. In België vluchten mensen die geen papieren hebben en bedreigd worden opgesloten en gedeporteerd te worden vaak kerken in. Vrijwilligers en advocaten krijgen daardoor de kans en de tijd op een eerlijke wijze hun zaak te onderzoeken en het recht te verkrijgen dat mensen verdienen. In 1980 heeft ook in Nederland een tijdlang dat Kerkasiel gefunctioneerd voor mensen die hier zonder toestemming van de overheid lang hadden gewerkt en die bedreigd werden met opsluiting en uitzetting. Velen van hen bleken onterecht bedreigd te worden met uitzetting en hebben dankzij dat kerkasiel alsnog een verblijfsvergunning gekregen op grond van de wetten die toen golden.

Daarna hebben kerken ook opvangcentra opgezet voor asielzoekers die door een bureaucratische overheid in de knel dreigden te raken. Daar is uiteindelijk het generaal pardon aan te danken voor mensen die tussen twee wetten in de knel raakten. Kerkelijke leiders in Nederland en België hebben zich steeds verzet tegen de gedachte dat de Kerk, dat kerkgebouwen een vrijplaats zouden kunnen zijn waar mensen de tijd konden krijgen om met de overheid te onderhandelen over hun recht. In de Nederlandse wet staat de mogelijkheid wel, tijdens een godsdienstoefening mag een kerkgebouw niet binnengevallen worden en wanneer oefenen we meer in onze godsdienst dan wanneer een gemeente de armen onder haar vleugels neemt? Net als in de dagen van Jezus van Nazareth nemen ook nu Kerkelijke Leiders een goede verhouding met de wereldlijke overheid meer serieus dan de zorg voor de armen. Maar waarom zou ons dat tegen moeten houden?

 

Recht, barmhartigheid en trouw

donderdag, 20 maart, 2014

 Matteüs 23:23-33
 
Recht, barmhartigheid en trouw wegen in de Wet van God zwaarder dan wat het opbrengt. Je kunt netjes aan veel goede doelen veel geld geven maar als je blijft gedogen dat mensen in de straten van je stad sterven van de honger dan heb je van de Wet van God en van goed doen niets maar dan ook helemaal niets begrepen. En natuurlijk sterven er in onze straten geen mensen. Zoiets werd ooit verteld over Calcutta. Daar trok de Albanese non Moeder Theresa heen om de stervenden van de straten te halen en ze in hun stervensuur te verzorgen. Goed werk natuurlijk. Maar de verering van Moeder Theresa heeft een bedenkelijk kantje. Haar als voorbeeld stellen lijkt op een niet Christelijke persoonsverheerlijking. Het ging haar toch niet om haarzelf maar om die stervenden? Door die stervenden in de straten van Calcutta zichtbaar te maken voor de westerse wereld, voor de rijke wereld, zou de vraag moeten rijzen hoe we kunnen voorkomen dat er mensen sterven in de straten van steden in arme landen. Daar hoor je weinig van.

Jezus van Nazareth rekent radicaal af met al die religieuze leiders die fraaie verhalen weten te vertellen, die mooie religieuze gewaden dragen en oproepen de kerken veel te geven, maar die niets doen aan de situatie van de armen. Integendeel. Er zijn zelfs protestantse predikanten die waarschuwen voor de Islamisering van ons land. Ze horen in een christelijke kerk niet thuis. Daar zou juist in het licht van het verhaal dat we vandaag lezen de kritiek op de fraaie verhalen moeten klinken. De verhalen over zielige bankdirecteuren die miljoenen aan bonussen mislopen, over zielige aandeelhouders die de waarde van hun aandeel zien dalen tot het hoge dividend dat ze toch wel krijgen. Jezus van Nazareth beschuldigt de religieuze leiders van zijn tijd van roofzucht en onmatigheid. Witgepleisterde graven zijn het die aan de buitenkant keurig geschilderd zijn maar van binnen rotten en stinken.

Juist in deze dagen zouden we de scheldpartijen van Jezus van Nazareth serieus moeten nemen. Alle verhalen over Islamisering en tegen Marokanen leiden af van wat er werkelijk mis is in de economie. Een economie die gericht is op behoud en vergroting van rijkdom voor enkelen. Die geen oog heeft voor de zwakken in de samenleving. Die niet kijkt naar wat mensen wel kunnen, maar alleen kijkt naar eigen voordelen. Een economie waarin vrouwen verteld wordt dat ze zwak zijn, allochtonen dat ze hier niet thuishoren, lichamelijk gehandicapten dat ze ook niet kunnen denken, verstandelijk gehandicapten dat ze niet kunnen werken, ouderen dat ze verouderd zijn en te vaak ziek en zieken dat ze niet beter kunnen worden. Er blijft maar een kleine minderheid over om het werk te doen en daar kun je dan over klagen. Alleen als er meer mensen nodig zijn om de winst te vergroten worden vrouwen, allochtonen, gehandicapten en ouderen ineens wel in dienst genomen, om er uit te vliegen als ze niet meer nodig zijn voor de extra winst. Ons verhaal zou anders moeten zijn, in ons verhaal horen de armen voorop te staan.

Wat is nu van meer waarde

donderdag, 20 maart, 2014

 Matteüs 23:13-22
 
Soms is het verfrissend  zo’n scheldkannonade te lezen tegen de leiders van het volk. Huichelaars, blinde leiders, dwazen, slangen, addergebroed, het kan niet op. Alles  wat de religieuze leiders hebben te melden komt neer op het uiterlijk vertoon en het belangrijkste wordt vergeten. In de Tweede Kamer barst er van tijd tot tijd een discussie los over fatsoenlijk taalgebruik. Ook in de campagne voor de verkiezingen van de gemeenteraden was die discussie te horen. Vroeger zei men nog dat iemand zich parlementair uitdrukte als kritiek in keurige taal was verwoord. Tegenwoordig lijkt de Tweede Kamer zich soms meer van Jezus van Nazareth aan te trekken. Ook daar worden ministers blinde leiders genoemd. Maar is dat terecht? Moet je zo spreken om de waarheid te zeggen? 

Het gaat hier in het verhaal van Matteüs om religieuze leiders die extra regels hebben gemaakt die je zou moeten volgen om God gehoorzaam te kunnen zijn. Leiders die sommige regels zo ingewikkeld hebben gemaakt dat niemand ze meer kan navolgen. En dan wordt het heil van God alleen nog bereikbaar voor een zeer klein exclusief clubje. Voor Jezus van Nazareth is dat soort gedrag een vloek. Wie mensen buitensluit van de samenleving deugt niet, nooit niet. Daarom klinkt het hard en medogenloos, slangen, addergebroed. Wat klinkt als bedoeld om mensen tot God te brengen brengt hen van God af. In de regels die veroordeeld worden  klinken dan ook geen mensen mee. Het gaat in die regels om de onderstreping van de rijkdom en de macht van de priesterkaste. Het goud van de Tempel, de offergave op het altaar. Maar wie zweert bij God zelf doet het kennelijk verkeerd. Het is de mentaliteit waarbij bezit en aanzien belangrijker zijn dan de liefde voor de mensen.

Het is de marktwerking waarin op alle terreinen van het leven de winst en het profijt moet worden getoond. Dat er mensen sterven door gebrek aan steriele operatiekamers en personeel doet in de zorg dan niet ter zake. Dat in de geestelijke gezondheidszorg mensen soms jaren in isoleercellen worden opgesloten omdat er te kort aan zorg is telt niet mee. Als de boekhouding maar klopt, als we maar minder hoeven te betalen voor de noodzakelijke zorgverzekeringen. Hoe vaak is ons voorgehouden dat de bonusregelingen bij banken en bedrijven een noodzakelijk onderdeel waren bij beloningssystemen. Tot de bankwereld ten onder gaat aan onverantwoorde producten die slechts kort de winst leken te doen stijgen. Tot de bonussen zelf een molensteen werden die banken en instellingen de afgrond introkken. In Amerika is in een jaar meer aan bonussen uitgekeerd aan de top van het bedrijfsleven dan er wereldwijd aan voedselhulp is besteed. Dan wordt het tijd om addergebroed te roepen. Daarom is de vraag waarom de nationalisatie van de ene bank en de zeggenschap bij de andere bank maar van korte duur zullen zijn. Leren mensen vanzelf? Zijn de armen automatisch beveiligd tegen de hebzucht van de rijken? Of moeten we blijven schelden?

Om door de mensen gezien te worden (18/3/14)

donderdag, 20 maart, 2014

Matteüs 23:1-12

 Het is al weer een aantal  jaren geleden dat vakbondsvrouw en politica Karin Adelmund werd gecremeerd. Zij kwam in 2005 plotseling te overlijden. Een hartaanval. Dat overkomt ons. Mensen zoals Karin Adelmund werken te hard en leven te ongezond. Ze was kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Ze was staatssecretaris geweest en daarvoor ook vice voorzitster van de FNV. Voor echt bewogen en betrokken mensen een uitermate ongezond leven. Want na een vergadering kunnen de brieven nog even getekend worden, en voordat vergaderingen beginnen kunnen de stukken nog even doorgenomen worden. En tijdens het eten kan er overlegd worden met de medewerkenden. En als je dan ’s avonds laat thuiskomt is er nog aandacht voor de andere gezinsleden. Van zo’n leven slijt je hart. Ontspannen, bewegen, lol, het schiet er allemaal te vaak en te veel bij in.

Karin Adelmund was een bewogen vrouw. Bewogen met de armsten in de samenleving, met mensen die door ziekte en handicap niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Voor die mensen stond ze op de bres. Bij het afscheid dat van haar genomen werd in de Amsterdamse Kerk de Duif sprak ook Minister President Balkenende.  “Ze stond voor een goede zaak” was het thema van zijn toespraak. En bij het lezen van het bovenstaande Bijbelgedeelte kun je aan die toespraak denken. Dat wat Jezus van Nazareth over de Farizeeën en Schriftgeleerden zegt leek wel op maat gesneden voor Jan Peter de minister-president. Jan Peter had natuurlijk gelijk. Karin Adelmund stond zeker voor een goede zaak. De zorg voor zieken, gehandicapten, armen en zwakken. Een zorg die zo zorgvuldig door het eerste kabinet van Jan Peter werd afgebroken en wat voortgezet wordt door het huidige kabinet Rutte.  Op de hoeken van de straten staan ze te pronken met hun goedheid de leiders als Rutte en Samsom.

In de wereld van de economie staan de voorspellers nu ook op. De ene econoom na de andere had de crisis aan zien komen. Alleen de domme spaarders wisten het niet. Die hadden niet moeten vertrouwen op de toezichthouders die namens hen in de boeken hadden mogen kijken of het goed was met de banken op IJsland. Want je kunt toch nagaan dat als die toezichthouders iets verkeerd zien ze het niet kunnen vertellen, ze zouden maar schade aan kunnen richten. Dat je als minister president of als toezichthouder op banken dienaar bent van de armsten in de samenleving komt niet bij hen op. Het was iemand als Karin Adelmund die zich niet bekommerde om haar imago, maar zich openlijk bekommerde om de armsten. In deze dagen waar de leiders en toezichthouders in de financiële wereld de verantwoordelijkheid op gewone mensen afschuiven mogen we wel weer eens haar denken. En aan Jezus van Nazareth die het ons al had voorgeleefd. In zijn geest mogen wij er aan werken.

Breng ons bijeen uit de andere volken (17/3/14)

donderdag, 20 maart, 2014

Psalm 106:24-48

De Psalm van vandaag wijst nog eens op een bekend verhaal. De God die een verbond aanging en stelde dat je van iedereen moest houden zoals je van jezelf houdt, werd vervangen door een beeld van metaal, een beeld van een beest dat gras eet. Een kalf is ook in onze cultuur niet het slimste beest en goud glimt wel mooi maar het is gemakkelijk vervormbaar en je komt er niet ver mee. Als je werkelijk in “God is liefde” durft te geloven, iedereen wil laten meedoen met eerlijke handelsvoorwaarden en ook in je eigen stad iedereen durft mee te laten dan zul je net als Mozes nog wel eens de plank mis slaan. Het gemopper steekt altijd weer de kop op, eigenbelang is overal en bij iedereen te vinden. We willen het beloofde land altijd overhaast en onbezonnen binnentrekken. Maar we moeten op de wereld eerst één volk worden, tot alle volken zich naar Jeruzalem hebben gekeerd om hun oog op de wet van God te houden. In de donkere dagen van een economische crisis blijven we echter kiezen voor ons eigen belang. We gooien nog net niet de grenzen dicht, maar over de voedselcrisis horen we niemand meer.

 Hoe vaak het volk Israel ook afdwaalt en de goden van andere volken aantrekkelijker en beter vindt, steeds weer redt het verbond met God hen uit de elllende die daaruit voortkomt. Deze week gaat het over onze verdragen. De NATO maar ook de internationale verdragen over oorlogsrecht en de rechten van de mens. Uiteindelijk gaat de Psalm ook over het recht. Vinden we dat recht belangrijk, en we hebben de lofprijzing op hen die niets dan het recht betrachten nog vers in de oren, of vinden we de zichzelf uitroepende wereldmachten belangrijk. Welke goden gaan wij achterna lopen? Op welke wet van liefde en recht kunnen wij dan nog een beroep doen? Wij kennen de Psalm al, wij hoeven niet meer herinnerd te worden aan de keren dat we afgedwaald zijn. Ook wij laten gemakkelijk de navolgers van de goden van winst en profijt in ons midden. Zelfs in onze kerken zijn ze te vinden en soms lijkt het er op dat er aparte voorgangers zijn die dan maar niet preken over eerlijk delen, over het vooropzetten van de minsten, maar die zich beperken tot fatsoen en het niet doodslaan van een ander. Want zelfs een preek tegen stelen zou iemand zich persoonlijk kunnen aantrekken en zich daardoor beledigd voelen.

Ook wij drijven onze zonen en dochters er soms toe om de beste te willen zijn ten koste van anderen. Niet het beste in het helpen van de minsten maar het beste in het maken van de winsten.Zoals in Israël geofferd werd aan de goden van vruchtbaarheid, de goden van Kanaän, zo wordt bij ons geofferd aan de goden van winst en profijt. Ook volgens deze Psalm loopt de cultuur van hebberigheid en inhaligheid altijd uit op moord en doodslag en uiteindelijk op honger en ellende. Samen zitten we weer in een economische crisis waar de armsten ook het eerst en het zwaarst van te lijden hebben. Dat is niet de eerste keer. Herhaaldelijk hebben we in de moderne tijd dit soort crises gehad. Steeds als het er op lijkt dat iedereen onbeperkt en ongestraft kan gaan voor eigen gewin en eigen genot stort na enige tijd het kaartenhuis van klatergoud weer ineen en staan er lange rijen werklozen op de stoep. Van die ellende kun je God de schuld niet geven, die schulden zijn gemaakt door onverantwoordelijke inhaligen en moeten meestal worden betaald door brave armen die geen schulden maakten maar spaarden voor moeilijke dagen. We weten dat samen delen ons weer uit de crisis kan brengen. Gods Wet volgen en de naaste liefhebben als onszelf brengt ons weer opnieuw voorspoed en welvaart.   Het is  jammer dat we het gebod van de Liefde  nooit voor langere tijd leren. Uit het slot van deze Psalm zou je kunnen lezen dat daarvoor een gezamelijk besluit van het hele volk nodig is, een volk dat zegt “Zo is het : Amen”, een amen op de Wet van eerlijk delen.

Gelukkig wie zich houden aan het recht

zondag, 16 maart, 2014

Psalm 106:1-23
 
Vandaag zingen we mee met het begin van  Psalm 106. Een lofpsalm, te beginnen met “Hallelujah”, of wel “God zij geloofd”. Bij ons is Hallelujah enigszins versleten. Te pas en te onpas wordt het gebruikt. Maar daarom is het misschien extra goed eens naar de Bijbelse manier te kijken waarop het daar wordt gebruikt. Want gaat deze psalm wel over God? Of gaat de Psalm over de mensen en met name over de zangers. Als gezongen is over de machtige daden van God dan worden de mensen die zich aan het recht hebben gehouden gelukkig geprezen, vooral zij die telkens weer rechtvaardig zijn. We hebben ooit al eens in het boek Deuteronomium kunnen lezen dat  het gaat over het offeren waarbij je een gedeelte voor de armen en de vreemdelingen moest over hebben. Daar gaat het om respect ook voor de mensen die het verkeerd hadden gedaan en gestraft moesten worden.Daar leren we dat je bereid moet zijn de straf zelf te ondergaan die je voor een ander voorstelt. Daar gaat het om verantwoordelijkheid, ook van bestuurders, voor de misdaden die onder hun ogen gepleegd konden worden. Daar gaat het om de oogst en om het hebberig binnenhalen ervan en het laten staan van een vergeten schoof en het laten liggen van gevallen aren voor de armen en de vreemdelingen.

Daar gaat het ook om het respect voor de dieren die voor je moeten werken. Dat recht levert, zo zingt de Psalm, de bevrijding van de slavernij en het binnentrekken in het beloofde land op. Voortdurend vergeten we het, voortdurend realiseren we ons dat we er nog lang niet zijn. Dat is niet nieuw, dat is niet vreemd. Het volk dat uit de slavernij in Egypte werd geleid begon al te mopperen toen ze voor de Rode Zee stonden. Toch werd in de Rode Zee een doorgang gemaakt en verging de Farao en al zijn strijdwagens. Toen kon het volk zingen, maar op de hele tocht door de woestijn stak het gemopper steeds weer de kop op. Zo ook bij ons. Ingrijpende maatregelen zijn er nodig om de financiële crisis te bestrijden. Maar telkens als maatregelen worden voorgesteld om de rijken mee te laten delen ten gunste van de armen dan steekt er een storm van verontwaardiging op.  Delen met mensen die hongeren en slachtoffer zijn van oorlog en uitbuiting is er vaak niet meer bij. Gelukkig dat wij met die Wet van de woestijn, die ons in het boek Deuteronomium werd voorgehouden, elke dag opnieuw kunnen beginnen, elk moment zelfs kunnen we opstaan uit de dood en verder trekken naar het Koninkrijk van God, al zingend desnoods.

Je hoort nog wel eens zeggen dat mensen niet meer in een God kunnen geloven vanwege alle ellende die ze om hen heen zien. Er zal wel iets zijn, maar een God almachtig die hemel en aarde geschapen heeft dat lijkt toch niet. En zeker niet een God die liefde is. Als er een God zou zijn die liefde is dan zou niet half Afrika stervend zijn van honger en aids.Een God van liefde zou al die ellende niet toestaan. Het gedeelte van de psalm die we vandaag lezen probeert hier een antwoord op te geven. We hebben zelf de mogelijkheid gekregen om een heleboel van die ellende te voorkomen of op te lossen. De honger en de aids zijn daarbij nog niet eens het moeilijkst al zijn de problemen wel heel er groot. Bij de bestrijding van die problemen gaat het er niet om of God ze toestaat maar of de rijken bereid zijn om genoeg af te staan voor de armen. Heel langzaam gebeurt het. De arme boeren in Afrika moeten eerlijke mogelijkheden voor de handel in hun grondstoffen krijgen, dan moeten wij de landbouwsubsidies afschaffen en die grondstoffen en de producten die ze ervan maken ook eerlijk toelaten. Medicijnen tegen aids moeten betaalbaar zijn, en er worden fondsen gevormd die dat beetje bij beetje mogelijk maken, en er moeten condooms worden verstrekt. We kunnen dus gewoon vandaag beginnen met wat we van die God verwachten, die God houd het ons voor, houd van je naaste als van jezelf, wij mogen het doen.

 

Het tweede daaraan gelijk

zaterdag, 15 maart, 2014

Matteüs 22:34-46

Zelfs voor de Kerken is het grote gebod vaak heel spannend. God liefhebben boven alles klinkt zo mooi. Het is abstract en je kunt er snel ja op zeggen. Als je dan vraagt hoe dat moet, klinken al gauw zaken als je keurig gedragen, geen misdrijven plegen en op zondag naar de Kerk. Maar Jezus van Nazareth geeft er zelf een andere invulling aan. Hij sluit daarbij aan bij de oorspronkelijke samenvatting van de wet die in het boek Deuteronomium is verwoord. God liefhebben boven alles is je naaste liefhebben als jezelf. Hierop zijn alle andere wetten en voorschriften, alle uitspraken in de Bijbel gebaseerd. En dat maakt het spannend. Je naaste liefhebben dat gaat nog, dat klinkt sympathiek, maar als jezelf. Als je dus werkelijk je naaste flink wil liefhebben en daarmee God boven alles dan moet je dus jezelf ook wel zeer liefhebben. Helemaal aan het begin van de Bijbel staat het lied over de schepping. Daar worden licht, aarde, water, lucht, planten en dieren geschapen en als laatste de mens. En bij elk couplet staat in het refrein dat God zag dat het goed was. En bij de mens staat zelfs dat die geschapen werd naar Gods beeld en gelijkenis, man en vrouw, en God zag dat het goed was.
Als je dat goed tot je door laat dringen weet je dat het meest kostbare op aarde de mens is. Elk mens, ook jij,  niet alleen de mensen die duur doen. De mensen die duur kunnen doen hebben hun deel al gehad zegt Jezus van Nazareth ergens, maar vooral de mensen die het niet breed hebben zijn de mensen die je liefde nodig hebben. De wegwerpmensen aan de onderkant van de samenleving. De armen, de zieken, de slachtoffers van natuurrampen, de slachtoffers van misdrijven, de mensen die misbruikt zijn. Als je naar hen kijkt zie je dat het niet goed is en daar moet wat aan gedaan worden. Vooral als het met jezelf wel goed gaat. En als het niet goed met je gaat mag je dus vragen om zorg, mag je je verzetten tegen hen die je de noodzakelijke hulp onthouden. Het grote gebod, je naaste liefhebben als jezelf, is er voor bedoeld om ons in gang te zeten, ons in beweging te zetten naar een aarde die goed is. Maar wie is die Jezus van Nazareth dan wel? Om uit te maken hoeveel je kunt houden van je naaste als je veel van jezelf houdt vraagt Jezus van Nazareth aan de deskundigen van wie de Messias, de verwachte bevrijder van Israël, afstamt. Van Koning David dus. Om maar even vast te stellen dat “bevrijder” of  messias zijn niet even zomaar wat is. Jezus voelde wel mee met die Farizeeërs.

Eeuwenlang is ons voorgehouden dat die Farizeeërs maar een stelletje huichelaars waren maar zo eenvoudig lag ook dat niet. Het waren mensen die hartstochtelijk hun geloof zuiver wilden houden. Dat zuiver houden van geloof in God was iets wat ook Jezus van Nazareth wilde. Alleen Jezus van Nazareth stelde niet de wet maar de liefde centraal. Vandaar ook die discussies over de wet. Jezus wijst dan op de Bijbel die zegt dat liefhebben het belangrijkste gebod is, God liefhebben en dat is gelijk aan je naaste liefhebben. Die messias zou dat tot het uiterste doorvoeren was voorzegd en zou daarmee het volk bevrijden. Als koning zou die messias regeren. En daar draait Jezus de zaak weer om. Hoe kan een nieuwe koning nu meer zijn dan koning David, dat stond er wel in de Bijbel en op die vraag was dus geen antwoord. Het had te maken met dat liefhebben. Als het meer moest zijn ging het over de hele aarde, over ons dus ook,  En ons gaat het daar vandaag de dag ook over, wij zijn eigenlijk van een Koninkrijk zonder grenzen, burgers van de hele aarde zoals die door God is geschapen. Met alle mensen als broeders en zusters, let er dus op en zorg er voor dat het met hen allen goed gaat, pas dan gaat het goed met de aarde zoals God die bedoeld heeft.

Hij is geen God van doden

vrijdag, 14 maart, 2014

Matteüs 22:23-33

Religie wordt vaak verbonden met het leven na dood. Of we geloven willen in een leven na de dood is dan de vraag. Een vraag die ook aan Jezus van Nazareth wordt gesteld. Door gelovigen in God, maar die niet geloven in een leven na de dood. Die Saducceeën verwierpen de gedachte dat er een leven na de dood zou zijn, de Farizeeën geloofden wel in de opstanding van de doden.  Jezus van Nazareth geeft ze in zoverre gelijk dat we bij het geloof in God niet het leven na de dood maar het leven voor de dood moeten beschouwen. Ooit zal God een woning op aarde maken maar dat gebeurt pas als iedereen op de hele wereld geleerd heeft de Wet van de woestijn te volgen, als alle volken zich naar Jeruzalem keren heet het ergens anders in de Bijbel. Wanneer dat gebeurt is duister, het komt als een dief in de nacht staat er weer ergens anders en we weten het niet.

Het is ook niet belangrijk. Het is overigens wel belangrijk voor fundamentalisten en andere zogenaamde gelovigen in Amerika. Daar zijn veel mensen bezig met de Bijbel op schoot en een rekenmachine om uit te rekenen wanneer de wereld zal vergaan en God zich op de aarde zal vestigen. In de Bijbel wordt wel gesproken over aardbevingen, overstromingen en oorlogen als tekenen van het einde der wereld maar die zijn er eigenlijk altijd wel en ook altijd al wel geweest. In onze tijd weten we er meer van omdat we ze bijna rechstreeks op de televisie kunnen meemaken. De beelden van Katarina in New Orleans waren tijdens de storm al zeer indrukwekkend. De beelden van de slachtoffers van aardbevingen in Pakistan gaan toch weer erg lijken op eerdere beelden uit Turkije. Telkens weer worden we beproefd of we werkelijk zo menslievend zijn. Giro 555 staat bijna altijd open en vooral voor een wederopbouw is veel geld nodig. Stel je eens voor dat zo goed als je hele stad of je hele dorp is verwoest. Het duurt jaren voor je er als gemeenschap weer bovenop bent.

En die verre ellende moet ook de aandacht voor de ellende dichtbij niet doen verslappen. Er worden nog steeds kinderen in gevangenissen gestopt omdat hun ouders niet terug kunnen keren naar het land waar ze vandaan komen. Ook de voedselbanken blijven het druk hebben in ons land. De media staan vol met nieuws over een kredietcrisis en dalende beurzen maar niemand schenkt nog aandacht aan de voedselcrisis en de stijgende voedselprijzen. Het verbruik van biobrandstof wordt beperkt omdat je sommige grondstoffen voor die brandstof beter kunt opeten maar we hebben ook nog een klimaatcrisis. Eigenlijk is dus de eerste vraag bij de hervorming van het financiële stelsel hoe we eerlijk kunnen delen met de armsten in de wereld. Anders lopen we de kans miljoenen tot een dood te veroordelen.  Er is dus nog steeds geen plaats in ons midden voor de God van houden van je naaste als van jezelf, maar we kunnen er wel aan werken.

U kijkt niemand naar de ogen.

donderdag, 13 maart, 2014

Matteüs 22:15-22

Nog steeds wordt het verhaal, dat vandaag wordt gelezen, uitgelegd alsof het over belastingen gaat. En alsof het een oproep is de overheid te gehoorzamen. Niets is minder waar. Het is het omdraaien van wat er werkelijk staat. Lees maar. De vraag die aan Jezus van Nazareth wordt gesteld is of het geoorloofd is belasting te betalen. Jezus van Nazareth vraagt dan om een belastingmunt. Die heeft hij kennelijk niet zelf in bezit. Ook zijn leerlingen hebben niet zo’n munt. Dat is niet zo vreemd en heeft niets met armoede te maken. Maar op de belastingmunten die je in Judea moest gebruiken stond de afbeelding van de Keizer van Rome. Romeinse stadhouders als Pontius Pilatus vonden dat een eer. Koning Herodes, die over Galilea ging keek wel uit. Munten met de beeltenis van een mens, of een dier, of van wat dan ook, werden door Galileërs geweigerd. Die raakten ze niet aan. Dat kwam door een strikte uitleg van het gebod uit Exodus dat je geen gesneden beelden moest maken, je zou immers eens in de verleiding komen die beelden te aanbidden.

Ook die verleiding is minder vreemd dan het klinkt. Romeinse Keizers beschouwden zich als Godheid. Jezus van Nazareth heeft dus niet een dergelijke munt, de Farizeeën wel. Maar dan stelt hij de vraag wiens beeld er op staat. Is niet de mens geschapen naar Gods beeld? Staat er dus niet het beeld van God op die munt en zou je die munt niet moeten gebruiken op de manier die God wil dat bezit gebruikt wordt? De belastingen van Keizers, Koningen en andere absolute machthebbers zijn en waren niet te vergelijken met de belastingen die we tegenwoordig betalen. Wij betalen belastingen ook om te delen met de armen, om de zorg te kunnen betalen en de hulp aan arme landen. De Keizer uit dit verhaal leefde zelf in weelde van die belastingen. Hij voelde zich zo machtig dat hij zich god op aarde voelde en zich ook zo liet vereren.  Jezus van Nazareth ziet het grote verschil met de God waarvoor hij volgelingen zoekt. Van die God mag je je geen beeld vormen. Naar Gods beeld is immers elk mens gemaakt, man zowel als vrouw. En de Wet van die God is niet als de wet van de Keizer, de absolute gehoorzaamheid aan de Keizer, maar je naaste liefhebben als jezelf als gehoorzaamheid aan God. Daarom kon Jezus rustig zeggen dat die keizer z’n heidense muntjes zelf  maar moest houden.

In het oorspronkelijke Grieks staat dat ze zijn munten maar terug moeten geven. Als er belasting betaald moet worden doe dat dan volgens de Wet die God al lang daarvoor in de woestijn had gegeven. Belastingen komen in onze dagen al lang niet meer alleen van absolute heersers. Al zijn er machthebbers genoeg die zich als godjes willen laten vereren. We hebben echter verenigingen die nadenken waarvoor we samen geld willen uitgeven, wie dat geld zou moeten betalen en die de uitvoering van die plannen ook controleren. Politieke Partijen heten die verenigingen. Van echte democratische politieke partijen mag iedereen lid  worden. Zo heel af en toe mogen we uitmaken wie we de beste vinden, door op een partij te stemmen bij verkiezingen. Via onderhandelingen komt er dan een regering of een gemeentebestuur die de ideeën van de partijen uitvoert. Mensen die in het verhaal van Jezus geloven kijken dan welke vereniging zorgt voor de zwakken in de samenleving, waar echt wordt gedeeld, waar rechtvaardigheid te vinden is. Waar dus ook de rijken het grootste deel betalen en niet het grootste deel subsidie in de wacht slepen zoals bij de hypotheekrenteaftrek het geval is. Daarom is belasting betalen niet genoeg maar moeten we ons actief bemoeien met wie ons regeert en hoe ze dat doen, wij hebben die mogelijkheid, wij kunnen vragen voor de armen te zorgen en niet de rijken te beschermen.

Laat mij het pad gaan van uw geboden

woensdag, 12 maart, 2014

Psalm 119:33-40

Het is een taal die ons hedendaagse mensen vreemd is geworden. Onder het pad van geboden ga je immers gebukt. Het is een last, het is ook lastig. Al die wetten en regels, ze knellen en beperken. Zo vreemd is het geworden. Want onder het pad van de geboden die in deze psalm worden bedoeld ga je helemaal niet gebukt, die geboden zijn helemaal niet lastig en ze beperken helemaal niet laat staan dat ze knellen. Dat jagen naar winstbejag, dat drukt, dat knelt, dat jaagt op, omdat het uiteindelijk najagen van leegte blijkt te zijn. Het pad van de geboden van deze psalm voert naar het leven. Daar valt niet mee te spotten want het is het echte leven. Het gaat om echte gerechtigheid. Dat betekent dat mensen tot hun recht komen. Dat we recht verschaffen aan de mensen in de wereld die schreeuwen om recht en vrede.

Overal komen mensen de straat op om recht en vrede te eisen van dictators en wrede regiems. In het midden oosten, in Birma, in de Oekraïne en op tal van andere plaatsen. Soms voelen gevestigde bevolkingsgroepen, meerderheden vaak, zich bedreigd in hun rechten en dreigen burgeroorlogen. Komen wij de mensen echt te hulp? Weten we de situaties van de schendingen van mensenrechten te voorkomen? Of scheppen we zelf ook samenlevingen waarin kwade machten van deze wereld gemakkelijk de macht kunnen grijpen en ons allemaal in ons denken en doen kunnen controleren. Het lijkt er sterk op. Onze privacy wordt steeds minder belangrijk. Vrijheid om samen met anderen onze levensovertuiging onder woorden te brengen en geloof te belijden wordt beperkt en soms onmogelijk gemaakt, het moet maar thuis achter de voordeur en zeker niet meer in kerken en zalen laat staan op radio en tv, laat staan op een gezamelijke vrije dag als de zondag.
.
De volken van de aarde staan ondertussen met met gebonden handen langs de kant te kijken. Schending van mensenrechten en misbruik van macht zijn geen redenen om in te grijpen als een volk daarvan te lijden heeft. Zelfs in de Verenigde Naties zijn volken niet zo te verenigen dat de machthebbers die zichzelf dienen in plaats van hun volk aan te pakken zijn. De machthebbers op aarde hebben dat verhinderd. Zij gaan niet de weg van het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Zij gaan niet de weg die de onderdrukte volken en bedreigde minderheden te hulp had kunnen komen. En met het volk van Ayrië nu ook het volk van de Oekraïne. De onrust en de chaos die we nog steeds in Pakistan zien zal ook de oorlog in Afghanistan weer doen oplaaien en de fundamentalisten de illusie geven dat ze daar hun macht weer kunnen vestigen en andersdenkenden hun manier van leven kunnen opleggen.  Wij moeten leren dat overal het pad van de geboden van God sterker moet zijn dan de machten van deze aarde. We hebben immers maar één Heer? In deze periode waarin we ons bezinnen op het lijden in de wereld zullen we ook wegen moeten openen voor recht en vrede, op moeten staan tegen de dood die zovelen bedreigd.