Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2014

Ga niet het pad van goddelozen

vrijdag, 31 januari, 2014

Spreuken 4:13-26

We worden vandaag door de Spreukendichter gewaarschuwd. We moeten niet de weg gaan van de goddelozen maar de Weg kiezen van de God van Israël. Over die laatste weg hebben we het hier vrijwel dagelijks, maar wat is dan de weg van de goddelozen? In onze dagen mogen we ons ook wel even afvragen wat goddelozen zijn. In de Bijbel worden daarmee niet de mensen bedoeld die niet in de God van Israël geloven, dat zijn de Heidenen en dat zijn er altijd zeer veel. Er is maar een klein volk uitgekozen om te laten zien wat het volgen van de God van Israël zou kunnen betekenen. En als de Heidenen dat zien dat besluiten ook die volken om de God van Israël te gaan volgen. De goddelozen zijn zij die eigenlijk de daden van de God van Israël zichtbaar hadden moeten maken maar in werkelijkheid het tegendeel laten zien. En daarvoor worden we gewaarschuwd want zo makkelijk kan woede, hebzucht, eerzucht, zucht naar macht ook ons overnemen en tot daden drijven die het tegendeel zijn van wat God de mensen wil laten zien.

De weg van de God van Israël is de weg van de Liefde, van de ene mens naar de minsten, de mensen die de liefde het meest nodig hebben. Van de goddelozen gaat geen echte weg uit, zij blijven steken in eigenliefde. Nu hebben we de liefde in ons spraakgebruik neergelegd in ons hart. In het negentiende eeuws spraakgebruik dat je nog wel een van kerken kunt horen klinkt het dan ook dat je je hart aan de Heer, of aan Jezus, moet geven. Zonder uitleg slaat die oproep verder nergens op, maar als je weet dat de oproep om over je hart te waken zoals die hier aan de waarschuwing tegen de weg van de goddelozen is verbonden, te maken heeft met Liefde dan wordt het duidelijk. De tekst om over je hart te waken wordt ook vaak in huwelijksvieringen gebruikt en het huwelijk staat in de Bijbel vaak als voorbeeld voor de verhouding tussen God en mensen, ze houden van elkaar. Mensen drukken die liefde voor God uit in de liefde die ze hebben voor de minsten in de samenleving.

Je kunt het toch niet hebben dat je geliefde wordt gemarteld en onderdrukt. Je kunt het toch niet hebben dat je geliefde geweld wordt aangedaan, dat je geliefde honger moet lijden of dreigt om te komen van de dorst. Je kunt het toch niet hebben dat je geliefde bij ziekte onverzorgd blijft, in hoge ouderdom zonder steun. En als je geliefde sterft dan verdient je geliefde een goede begrafenis. Je geliefde onschuldig in een gevangenis zien is toch onverdraaglijk? Over je hart waken  is dus je afvragen hoe het zou zijn als dat wat je erg of zielig vind voor een ander ook je meest geliefde zou overkomen, zou je dan in beweging komen? En als het jezelf zou overkomen wat zou je dan willen dat je geliefde voor jou zou doen. Op die manier wijst de Liefde je de Weg van de God van Israël, want op die Weg is al je handelen voortgekomen uit Liefde, liefde voor je naaste, voor de minste waar je naast bent gaan liggen om te ontdekken wat die nodig heeft. Soms een vermanend woord, soms een waarschuwing, soms een uitgestoken hand, soms een schreeuw naar de overheid om recht en gerechtigheid, soms eten of drinken, soms een huis en een haard om zich bij te warmen. Elke dag mogen we die weg gaan, elke dag mogen we ons opnieuw op die weg begeven, met God die met ons gaat, ook vandaag.

Vergeet mijn lessen niet

donderdag, 30 januari, 2014

Spreuken 3:1-12

Over welke lessen hebben we het hier? Dat je je naaste moet liefhebben als jezelf is dan het meest eenvoudige antwoord.  Maar zelfs schriftgeleerden stelden dan de vraag wie mijn naaste is. Jezus van Nazareth geeft dan het verhaal over de Barmhartige Samaritaan als antwoord. En de clou van dat verhaal is dat je naaste degeen is die jou als naaste nodig heeft, het slachtoffer langs de kant van de weg waar jij naast durft te gaan liggen om zo de naaste te worden van dat slachtoffer. Zo moet je dus ook volgens de Spreukendichter gaan leven. Voortdurend bedacht zijn op de aanwezigheid van de God van Israël en die God is altijd bij de minsten in de samenleving, bij de slachtoffers van uitbuiting en geweld, bij de mensen die buiten de samenleving worden gezet, bij de mensen die anderen nodig hebben om te kunnen overleven. Daar zul je dus gevoelig voor moeten worden. Je kunt niet de hele wereld op je nek nemen, je kunt zeker niet gaan liggen naast alle mensen langs de kant van de weg, maar een oude Joodse wijsheid zegt dat wie één mens redt de hele wereld redt.

Het is ook niet zo vreemd om voortdurend bedacht te zijn op je naaste. Een mens kan helemaal niet alleen bestaan. Elk mens heeft gezelschap nodig. Bij de schepping van mensen kwam God al tot de ontdekking dat het niet goed zou zijn als de mens alleen zou zijn, daarom scheidde hij de mens in een mannelijk en vrouwelijk wezen. Dat wil dus nog niet zeggen dat man en vrouw de enige combinatie is die mogelijk is, het is de enige combinatie voor de voortplanting maar het religieuze vruchtbaarheidsstreven wordt door de Bijbel streng afgewezen en mensen beoordelen op hun vruchtbaarheid is uit den boze. Rachel had 2 kinderen en Lea 10 toch was Rachel de favoriet en werden er net zo gemakkelijk slavinnen ingeschakeld om het voortbestaan van de dynastie te verzekeren. Sara kreeg pas kinderen toen ze oud was en het krijgen van kinderen voor haar ongeloofwaardig was, het maakte het geloof in een God die toch wel voor je zorgt mogelijk.

Toch kun je soms tot de ontdekking komen dat je de verkeerde mens hebt geholpen. Dat je mensen afhankelijk van je hebt gemaakt of dat je mensen hebt geholpen waarvan je had kunnen weten dat die helemaal geen hulp nodig hadden maar dat die alleen maar van jou wilden profiteren. Je loopt daar tegenop. De Spreukendichter raad je aan je daar niet door te laten versomberen. Het zijn misschien waarschuwingen van God die je helpen het goede pad te gaan, weer te gaan liggen naast de slachtoffers langs de kant van de weg, je weer af te vragen hoe het is om opgesloten te worden in een gevangenis zonder misdrijf te hebben begaan maar alleen maar omdat je uit een land komt dat je niet meer terug wil nemen. Onrecht bestaat ook in onze dagen in allerlei vormen. Nog steeds worden er kinderen in de gevangenis gezet die niets verkeerd hebben gedaan, nog steeds kunnen mensen hun gezin niet te eten geven omdat machtige deurwaarders zich niet aan de regels voor loonbeslag wensen te houden. Elke dag kunnen we dus de weg gaan van de Heer, door onze stem tegen onrecht te verheffen, elke dag mag dat opnieuw.

Kennis van God verwerven.

woensdag, 29 januari, 2014

Spreuken 2:1-22

Wat weten wij over God? Eigenlijk niks, God gaat alle verstand te boven. Hoe vaker en hoe meer je over de God van Israël nadenkt hoe minder je er van lijkt te snappen. Waar woont die God, hoe kan het dat die God van alles heeft geschapen. Van die God wordt gezegd dat die de Liefde zelf is, maar waarom is er dan zoveel ziekte en zijn er zoveel natuurrampen. Allemaal vragen waarop geen antwoord te vinden is. In de Bijbel kom je die vragen ook tegen en ook in de Bijbel zijn de antwoorden niet duidelijk. God woont in de hemel wordt gezegd, maar de hemel is door God geschapen als schild tegen de wateren van de dood die van boven komen en tegelijk rusten de voeten van God op aarde, ja in de Tempel in Jeruzalem. Het gedeelte dat we vandaag uit het boek Spreuken lezen wijst een andere weg om de God van Israël te leren kennen. De kennis over God is namelijk niet een geheim alleen voor ingewijden, maar is voor iedereen beschikbaar.

Houd je aan de voorschriften van de God van Israël en je zult die God leren kennen zegt de Spreukendichter in dit gedeelte. En de voorschriften zijn natuurlijk samen te vatten in heb uw naaste lief als uzelf omdat dat de manier waarop je God kunt liefhebben boven alles. Als je die naaste liefhebt als jezelf dat snap je in elke geval ook dat je de naaste niet naar de ogen moet kijken, alles maar uit handen moet nemen en volstrekt afhankelijk van jou moet maken. Het is een mens zoals jij die het verdient zijn talenten te kunnen ontplooien en als volledig en gewaardeerd lid van de samenleving zijn of haar bijdrage te leveren. Dat vereist een eerlijk en oprecht, transparant liefhebben waarin duidelijk is dat het doel is de naaste mee te nemen in de liefde voor de minsten, voor de zwakken.

De Wijsheid in het boek Spreuken wordt als vrouw afgeschilderd. De zorg voor de minsten, het meest verstandig optreden dat een mens kan doen zijn typisch de vrouwelijke kanten van de God van Israël. De mannen hebben dat altijd verwaarloosd, want God heeft volgens mannen alleen maar mannelijke eigenschappen. De Bijbel leert ons dus het tegendeel. Maar die goede vrouwelijke kant kent ook een kwade tengenhangster. Daar willen mannen graag over praten. Dat er tegenover de liefhebbende zorgende rechtvaardige mannen ook uitbuiters moordenaars, leugenaars en onderdrukkers staan wordt even vergeten. Nee de verleidelijke vrouw, het sexobject waar mannen graag naar kijken en ondertussen o zo bang voor zijn moet besproken worden. Onterecht. De Spreukendichter heeft het over de verleiding die in de Liefde voor de naaste zit, je kunt er aan verdienen, hulp kan een industrie worden waar mensen een goed leven aan ontlenen. Tegen die verleiding moeten we ons leren verzetten. Dat kan door oprecht en eerlijk te blijven, de ander verdient het net zo waardevol te zijn of te worden als jijzelf. Daar mag je elke dag weer aan werken, ook vandaag weer.

Daarom lach ik om je ongeluk

dinsdag, 28 januari, 2014

Spreuken 1:20-33

Er is geen groter vermaak dan leedvermaak. laat iemand over een bananenschil uitglijden en de toeschouwers lachen zich een ongeluk. Veel films en televisieprogramma’s zijn op het principe van leedvermaak gebaseerd. En toch vinden we het ook een beetje genant. over echt leed lach je niet. over echt leed worden alleen verborgen grappen gemaakt. Grappen die je niet hardop zegt, die je zeker niet hier in deze column zult lezen maar die alleen achter de hand worden verteld. En over dat harde leed roept de spreukendichter uit dat er zal worden gelachen om je ongeluk, ja schateren zal die dichter om je ellende. En geen wonder. zo veel eeuwen wordt er gezegd dat je het meest moet zorgen voor hen die het minste bezitten en de meeste hulp nodig hebben. De rijken en de machtigen slaan dat in de wind. Vroeger riep je dan dat ze niet moesten treuren om de revoluties die dat te weeg bracht, nu zijn ze verstandiger en wordt er hier en daar een menswaardig loon betaald als dat tenminste niet ten koste gaat van de winsten.

En daarom stokt de economie nog steeds een beetje. We hebben alles al en door loonmatiging en bezuinigingen kopen we ook niks meer. Omschakelen van de ekonomie naar een duurzame ekonomie, energiezuinig zonder fossiele brandstoffen en de produktie van plutonium, zonder overproduktie van afval en het afdanken van oude en zieke mensen zou de ekonomie weer op gang kunnen komen. Vergeet het maar de winsten zouden dalen, de koersen zouden ineenstorten. En met koersen weten we dat bedoeld worden de waarde van schijnaandelen in bedrijven. mensen die aandelen kopen of bezitten zijn volstrekt niet geinteresseerd in de maatschappelijke waarde van de produkten van die bedrijven, of ze vervuilen of verkwisten, en zeker ook niet in het lot van het personeel van die bedrijven, maar alleen in de waarde van de schijnaandelen.

Schrik dus niet als de beurzen weer eens instoren, lach om het ongeluk, schater om de ellende, en als je bedrijf ten onder dreigt te gaan, neem het samen met je medewerkenden in eigen hand. we hadden al geleerd dat de schoonmaakster niet meer hoeft te zijn dan de president directeur, maar tenminste gelijk is aan hem. Steeds vaker beginnen werknemers voor zichtzelf, steeds meer wordt dat een succes. Ook vakbonden gaan inzien dat opkomen voor werkenemers ook betekent hen kansen geven en zonders de exorbitante zelfverijkers uit de zogenaamde toppen van het bedrijfsleven hebben werknemers nu eenmaal meer kansen. Als ze nu ook zouden leren de handen ineen te slaan bij het runnen van een bedrijf  in plaats van zich te laten belonen met niet meer dan de status van zelfstandig ondernemer dan wordt het wat, dan gaat onze economie weer draaien en worden de winsten weer verdeeld over de mensen die er echt voor gewerkt hebben. Zo bezien wordt het nog een vrolijke tijd.

Een dwaas veracht de wijsheid

maandag, 27 januari, 2014

Spreuken 1:1-19

We beginnen vandaag te lezen in het boek Spreuken. Een aparte vorm van beschrijving van het geloof. Hier gaat het niet over voorbeelden van de omgang van God met mensen, van mensen met God, hier staan geen liederen, het wordt niet verteld over hoe de wereld eigenlijk in elkaar zit, maar hier gaat het om de Wijsheid, een eigen vorm van de verschijning van God aan de mensen. In dit boek staat de zin “Wijsheid roept in de straten, over de pleinen klinkt haar stem” Wie wel eens aan een demonstratie heeft deelgenomen herkent dit beeld ongetwijfeld. Niet dat de straat nou moet gaan regeren. Het stemhokje moet dat doen daar niet van, maar dat machthebbers eens wat meer naar gewone mensen moeten luisteren wordt steeds meer duidelijk. Dat de huidige machthebbers in onze samenleving, en met name onze regering dat volstrekt niet doen dringt gelukkig ook steeds meer door. Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer. Voor machthebbers is dat ontzag al heel moeilijk op te brengen omdat ze zichzelf zo graag als Heer zien, en zo gezien willen worden. Buiten die ene Heer is er echter geen.

En die ene Heer heeft maar 1 wet, in duizenden regels uit te leggen maar in 1 zin samen te vatten, dat je je naaste lief moet hebben als je zelf. Neem nu de jongeren waar we ook in dit gedeelte van het boek Spreuken over lezen. Problemen met jongeren zijn eeuwenoud. Elke generatie weer vergeten we dat jongeren vaak door schade en schande wijs moeten worden. Dat je dus niet moet ophouden jongeren te vertellen wat goed en wat slecht is. Dat elke ouwe lul er gewoon bij hoort en pas een gewaardeerde oudere is als de jongere zelf een ouwe lul is geworden. Dit lied uit het boek Spreuken geeft in heldere hedendaagse taal aan waar het over gaat. Jongeren luistert naar je vader en moeder. Oubolliger kan het bijna niet maar wie zelf grootvader of grootmoeder is weet dat het een waarheid is als een koe, jongeren moeten dat eerst nog ondervinden. Natuurlijk komen jongeren slechte vrienden tegen. Maar slechte vrienden zijn nooit een excuus voor ontsporen. Ouders doen er daarom goed aan de vrienden van hun kinderen te leren kennen en het onderscheid tussen goede en kwade vrienden te maken voor hun kinderen tot de ontdekking komen dat ze de verkeerde keus hadden gemaakt.

Het gaat dan volgens de Spreukenschrijver over vrienden die je overhalen bloed te gaan vergieten, zinloos geweld te plegen, en dat staat er heus, te roven en in te breken. Dat moet je dus allemaal niet doen, dat pad voert naar de dood. Het lijkt er tegenwoordig op dat we het alleen nog maar over deze zaken hebben. Waar wordt er met jongeren nog gediscussieerd over wat goed en wat kwaad is?. Welke school heeft nog tijd om de vrienden(M/V) keus van hun leerlingen ter discussie te stellen?. Waar worden jongeren nog weerbaar gemaakt tegen zinloos geweld, alcohol en drugsgebruik?. Het roken onder jongeren neemt af, het gebruik van soft drugs stabiliseert en het gebruik van hard drugs neemt heel langzaam af. Maar het gebruik van alcohol neemt nog steeds toe, het gebruik van geweld neemt ook toe. Scholen met detectiepoortjes zijn al bijna geen uitzondering meer. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee die detectiepoortjes en kluiscontroles worden aanvaard doet je je hart vasthouden. Leerlingen voor wie deze maatregelen nodig zijn, hun pad voert naar de dood. Zij moeten vastgepakt en vastgehouden worden tot de maatregelen niet meer nodig zijn. We leven echter in een wegwerpmaatschappij, als die leerlingen worden ontdekt worden ze van school verwijderd, in plaats van tot nuttige leerling omgevormd. Die weg voert uiteindelijk naar de dood van de samenleving.

 

Kom tot inkeer

zondag, 26 januari, 2014

Matteüs 4:12-25

Je moet maar durven. Een gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de Wet van de Woestijn te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen. Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Al in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied al het Galilea van de heidenen, van hen die de Wet niet kennen. In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur.

Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren. Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen.

We weten dat de weg van Jezus van Nazareth een weg ten leven is. Bang hoeven we niet te zijn. In het delen met de minste, in het liefhebben van de naaste als onszelf begeven we ons in het Koninkrijk van de hemel, het Koninkrijk waar bescherming is voor iedereen. Paulus leerde ons dat gevangenschap en dood geen prikkels meer hoeven te zijn voor ons handelen. Ons leven is niet meer belangrijk, het leven van de ander is belangrijk geworden, het leven van de kinderen van God mogen we dienen. Daartoe nemen wij ons kruis achter hem op. Simon en Andreas, Jacobus en Johannes laten alles vallen volgen Jezus. Jacobus en Johannes laten zelfs hun vader in de steek en het netten boeten. Repareren wat stuk is gegaan kunnen ze straks ook tussen mensen. Want de vier die in dit gedeelte worden genoemd worden vissers van mensen. In de kerken in onze dagen zijn er daar nog maar weinig van. Wij nemen geen mensen mee naar de kerk, wij vertellen ook niet meer wat er in onze kerken gebeurd. De PKN, de grootste protestantse kerk van ons land, zie je bijvoorbeeld nooit op de TV. De leiding van die kerk is onbekend en een kerkdienst kun je niet op de TV zien. Maar toch mogen wij allemaal vissers van mensen zijn, dat kan ook door mensen te helpen, door een hand uit te steken naar de mensen, dat mag elke dag opnieuw, ook vandaag.

De mens leeft niet van brood alleen

zaterdag, 25 januari, 2014

Matteüs 4:1-11

We geloven niet in de duivel, maar we geloven in God. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn, ook Jezus zelf heeft het kennelijk niet aan Matteüs of zijn leerlingen verteld. Het is dus een verhaal dat antwoord geeft op vragen. Een vorm die wij bijna verloren zijn maar die je kunt vergelijken met de gelijkenissen die ook in de Bijbel staan. Het verhaal gaat dan over visioenen. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien. Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen.

Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Deuteronomium, een van de boeken van de Joodse Wet, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus. Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs. De duivel nam hem mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de Wet en antwoordt weer met een citaat uit het boek Deuteronomium: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de Wet van de Liefde, zoals verwoord in het boek Deuteronomium waarmee Matteüs aantoont hoe Wetsgetrouw die Jezus wel niet was, er is maar één God.

Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreek, ook al gaat je bedrijf te gronde, als bestuurder kun je de grootste bonussen opstrijken. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen, menig politicus blijft daardoor lang populair. En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten, schending van mensenrecht, verdwijningen, terreur, angst zaaien, wie de wereld rondkijkt ziet voldoende voorbeelden. Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het zijn de politieke spelletjes die mensen van de politiek vervreemden, het zijn de verborgen machtspelletjes in bedrijven die de exorbitante zelfverrijkers tot miljonairs maken, het zijn de machinaties in kerkelijke organisaties die mensen de kerken uitdrijven of slachtoffers maken van gewetenloze oplichters in sektes. Drie keer is er een antwoord van Jezus waar we ook vandaag nog wat mee kunnen. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

De armen brood geven

vrijdag, 24 januari, 2014

Psalm 132

Vandaag zingen we met de kerk een bijzonder lied uit de Bijbel mee. Een pelgrimslied staat er boven. De zangers doen of ze koning David zijn. Niet zo maar de koning maar de koning die de wet van God weer in het midden van het koninkrijk wil zetten. De ark dat was de kist van acaciahout die ze midden in de woestijn hadden moeten maken om daarin de stenen met de wet op te bergen. De wet, die het verdrag met God inhield, stond in het midden van het volk, en in het midden van de godsdienst. Om die wet draaide het allemaal. Koning David had ooit die ark met de heilige tent die daarbij hoorde naar de nieuwe hoofdstad Sion, of anders genoemd, Jeruzalem gebracht. De belofte die deze psalm bezingt is dat, als de nazaten van David zich aan het verbond houden, zij op de troon van David plaats zullen nemen.

Uit die wet van dat verbond wordt in deze psalm maar één element ook werkelijk genoemd: De armen brood geven. Niet zo vreemd want als je Beth Le Hem vertaald dan staat er Huis Van Brood. En David kwam uit Bethlehem. In deze psalm staat naast Jeruzalem maar één andere plaats: Efrata, en volgens de overlevering waren met kerst de herders in het veld van Efrata aan het wacht houden bij de kudden toen ze hoorden van vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Daar, zo zingt deze psalm, werd de ark gevonden. David was zelf een herder.  Met kerst werd die geweldige belofte waar dat er weer een koning in Israël zou zijn uit het huis en het geslacht van David. Dat is de belijdenis van de Christelijke kerk. In het leven, de dood en de opstanding van Jezus van Nazareth heeft zij de trekken herkent van de Koning die mensen bevrijdt van dood en onderdrukking en de trekken heeft van de bevrijdende koning die ook in deze psalm wordt bezongen.

Niet de onderdrukkende keizer zal zegevieren maar een verhaal van brood voor de armen begint. Talloze akties starten rond de kerst elk jaar voor de armen, maar we mogen niet vergeten dat het niet gaat om aalmoezen maar om recht. In de ark ligt niet de oproep om aan bedelaars iets te geven maar om recht te doen. Om mensen tot hun recht te laten komen. De Priesters moeten zich kleden in gerechtigheid heet het. Paulus zal schrijven dat de gelovigen in Jezus van Nazareth als bevrijder, als Messias, in het grieks de Christus, zelf een volk van Koningen en Priesters vormen. Dat volk, wij dus moeten ons dus bekleden met gerechtigheid. Alle onrecht uitbannen. Dat is nogal een taak die je aangaat als gelovige gemeenschap. Maar het is wel de reden dat veel gelovigen helpen bij de voedselbanken en dat in veel kerken voedsel ingezameld wordt voor de voedselbanken. Het is wel de reden dat kerken zich druk maken om gevangenen die gevangen zitten alleen omdat ze vreemdeling zijn, ze zijn broeders en zusters van ons. Omdat God zijn beloften houdt mogen wij elke dag opnieuw ons weer met de gerechtigheid voor de minsten bezig houden, ook vandaag weer.

Op elke reine plaats

donderdag, 23 januari, 2014

Leviticus 10:12-20

Rein en onrein zijn begrippen die je door de hele Bijbel, de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament, kan tegenkomen. Met name in het boek Leviticus kun je de voorschriften voor rein en onrein tegenkomen. Dat komt omdat het boek Leviticus ook de speciale regels voor Priesters en Levieten geeft. De dienst rond de Tent der Ontmoeting en later rond de Tempel was aan strenge regels gebonden. Maar rein en onrein waren niet alleen voor priesters en levieten belangrijke regels, ze waren ook voor het volk van groot belang. Rein is namelijk datgene wat mee kan doen aan de dienst voor de God van Israël. Dat kan alles zijn, land, huizen, oogst, vee, kleding, mensen, kinderen, alles kan in dienst gesteld worden van de God van Israël. Onrein is dus alles wat niet in dienst gesteld kan worden van de God van Israël. Ook dat kan alles zijn.

In het gedeelte dat we vandaag lezen komen we een in de religie vreemde praktijk tegen. De Priesters eten het offervlees, of tenminste het beste van het offervlees. Dat was natuurlijk ook in alle Heidense Tempels zo maar daar hielden ze de illusie in stand dat de God wiens beeld in die tempel stond at van het offer dat gebracht werd. In Israël kon dat helemaal niet. Die God was immers zelf de schepper van vee en graan, zo’n God voed zichzelf wel, dat vlees en dat graan had die God, net als de wijn overigens, bestemd voor zijn volk. Dat had die God gedeeld met dat volk en dat volk moest er dus op bedacht zijn dat wat hen gegeven was, wat hen was toegevallen, zelf ook te delen met hen die even niks hadden. De minsten in de samenleving waren, en zijn nog steeds, vertegenwoordigers van de God van Israël in wie getoond kan worden hoeveel inzet de gelovigen willen tonen voor die God van Israël, hoe dankbaar men eigenlijk is.

Gaat het met de weduwe en de wees goed dan gaat het met het volk goed, dan wordt de God van Israël geëerd. In onze samenleving wordt die zorg voor de minsten steeds meer als een last gezien. Hoe leger de kerken hoe minder de zorg lijkt het wel. Dat komt natuurlijk ook omdat zogenaamde christen democratische partijen niet meer christelijk zijn maar beschermers van orde en fatsoen. En zwervers, gestoorden, armen zijn onfatsoenlijk, die dragen geen dure gestreepte pakken en hun vrouwen geen mantelpakjes van beroemde modeontwerpers. De zorg voor de minsten wordt daarmee voor de rijken een last. De armen moeten hun zorg zelf organiseren, netwerken maken, mantelzorgers fokken. De onreinheid krijgt de overhand en juist het afstand doen van die onreinheid, weer alles in het teken zetten van de God van Israël is het Heiligste dat er in de godsdienst van die God is. De Priesters moeten het offervlees van het dier waarop het volk die onreinheid heeft overgedragen dan ook eten in het Heiligste der Heiligen, zo dicht mogelijk bij de wet van heb uw naaste lief als uzelf, die Wet waar alles om draait. Daarom mogen ook wij elke dag weer beginnen om de zorg niet als een last te zien maar als een vreugdevolle dankzegging aan de God van Israël voor alle rijkdom die we hebben. Dat mag ook vandaag weer.

Aäron zweeg.

woensdag, 22 januari, 2014

Leviticus 10:1-11

Vandaag lezen we een verhaal van het soort dat veel mensen een afkeer heeft bezorgd tegen de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel. Een wreed verhaal over de dood van de zonen van Aäron veroorzaakt door de God van Israël, bah een wreed en nutteloos verhaal. Als we het lezen zonder te weten waar het over gaat is het inderdaad een wreed en nutteloos verhaal. Op zo’n God zouden we niet willen lijken en bij zo’n godsdienst willen we niet horen. Het rare is misschien dat die opvatting voortkomt uit wat we wel mooi vinden aan de verhalen uit de Bijbel. Aan verhalen over redding uit de nood, over een Noach die de mensheid en alle dieren in leven hield, verhalen over ballingen die weer terug mochten komen en een leeuw en een lam die samen weiden. De Bijbel staat vol verhalen over eerbied voor het leven en over een leven zonder geweld en dood. Toch hoort het verhaal van vandaag over de zonen van Aäron er ook bij.

We hadden bij de verhalen over de wijding van de Priesters al gezien dat die Priesters niet namens de God van Israël optraden maar namens het volk. Zij zijn geen dienaren van God, maar dienaren van het volk. Dat is zeer wennen, voor de Priesters en ook voor het volk. Ze zijn niet apart gezet met hun streven net zo volmaakt te zijn als de God van Israël zelf maar moeten zich steeds opnieuw reinigen omdat ze net als alle mensen ook onvolmaakt zijn. Nu komen er twee Priesters die zelf wel even zullen uitmaken hoe de rituelen in het Heiligdom voltrokken moeten worden. Ze steken het Heilig vuur aan. Welk Heilig vuur? We moeten toch aannemen het soort vuur dat in Egypte door de Priesters werd ontstoken. Even hiervoor ging het over vuur uit de Tent der Ontmoeting dat het offer branden deed, daar kwam geen Priester aan te pas. Het vuur dat ze nu ontsteken roept een vuur op dat de dood brengt en de godsdienst in Egypte ging over de dood. Het verhaal dat we dus vandaag lezen vertelt ons dat een ontmoeting met de God van Israël geen dood brengt maar leven, dat daar geen Priesters voor nodig zijn, maar dat we ons kunnen laten vertegenwoordigen door volksvertegenwoordigers die de Wet van die God in de praktijk brengen, de wet van heb je naaste lief als jezelf.

Het is dan ook het volk dat mag rouwen om de dood van deze twee priesterzonen. De Priesters zelf moeten beseffen dat ze niet buiten of boven het volk behoren te staan, maar dat ze naar volmaaktheid moeten blijven streven en gezalfd en gereinigd zijn ze dat voldoende. De offers die ze brengen zijn er niet om de God van Israël te voeden maar om duidelijk te maken dat je bereid bent te delen, dat je bevrijd bent van de drang naar bezit. Het eten van het ongezuurde brood, het brood van de bevrijding brengt dat nog eens in herinnering. De taak van de Priesters is het volk duidelijk te maken hoe de Wet van heb uw naaste lief als uzelf moet worden uitgevoerd, want het uitvoeren van die Wet betekent dat we God liefhebben boven alles. De Priesters wordt nog eens duidelijk gemaakt dat zij in dienst zijn van het volk, dat zij het volk helpen zich aan het verbond te houden. God zou het volk zegenen als het volk zich aan die Wet zou houden, zo zou het volk mogen wonen in een land dat overvloeit van melk en honing. Wij mogen elkaar er in onderwijzen, door aan de maaltijd in de kerk brood en wijn te delen zoals Jezus zichzelf deelde, door buiten de kerk te delen met hen die niets meer hebben, vrede te brengen en te zorgen voor de zwaksten onder ons, elke dag opnieuw, ook vandaag.