Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2013

Woonplaats van gerechtigheid

dinsdag, 31 december, 2013

Jeremia 31:23-34
 
Het moet wel een hele mooie stad zijn als van die stad gezegd kan worden dat het een woonplaats van gerechtigheid is. Op dit moment is dat voor de wereld buiten Nederland de stad Den Haag. Daar is de rechtbank gevestigd die geschillen tussen staten berecht. Daar staat het Vredespaleis als symbool van internationaal recht. Maar in Den Haag is ook het Internationaal Strafhof waar oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden berecht. Vooruitlopend daarop is daar al het Joegoeslavië Tribunaal en is een tijd geleden gevraagd Charles Taylor daar te berechten omdat hij verdacht werd van misdrijven tegen de menselijkheid en strafbare schendingen van Internationaal recht. Hij is inmiddels veroordeeld. Machtigen moeten zich ook verantwoorden.

Machtige landen hebben nog steeds de neiging zich te onttrekken aan die Haagse rechtspraak. Zij vinden dat ze zelf het recht mogen maken en uit mogen maken wat recht en wat onrecht is. Ze beschermen ook hun leiders, ambtenaren en militairen die het door hun ontworpen recht op de door hun goedgekeurde manier uitvoeren. Jeremia voorspelt dan ook dat uiteindelijk het recht niet geschreven moet blijven in wetboeken en verdragen zoals ook in het volk Israel het geval was, maar dat het recht moet wonen in de harten van de mensen. Onrecht moet voor ons onverdraagelijk worden. De mensen die in het verhaal van Jezus van Nazareth mee willen doen geloven dat met hem de Wet van de Woestijn is gaan wonen in de harten van de mensen, mensen willen hun naasten liefhebben als zichzelf. Jezus van Nazareth leefde die wet tot in de dood toe. Met hem is de voorspelling van Jeremia uitgekomen.

Maar als het bij hem gebleven zou zijn had die voorspelling weinig waarde gehad. De voorspelling van Jeremia komt pas uit als die wet van recht en rechtvaardigheid ook in onze harten gaat wonen. Als ook wij geen minuut meer kunnen leven met onrecht wie dan ook aangedaan. Als eerlijk delen een voorwaarde is om wat dan ook te krijgen. Dat internationale recht in Den Haag is dan maar een klein begin. Voor de armen en de vreemdelingen in ons eigen land woont het recht zeker niet in Den Haag. Voor hen wonen daar kleine angstige politici voor wie het eigen bezit en de eigen macht vaak belangrijker is dan recht en rechtvaardigheid. Ze kunnen daar wonen omdat ze door ons zijn gekozen. Ze kunnen angst haat en verdeelheid zaaien omdat wij ze dat laten doen. Tijd dus om daar verandering in te brengen, zodat ons land echt een woonplaats van gerechtigheid wordt.

Huil niet langer

maandag, 30 december, 2013

Jeremia 31:15-22
 
Het Nederlandse werkwoord “Jeremiëren” is ontstaan nadat men het bijbelboek Jeremia had gelezen. Het betekent iets als onophoudelijk zeuren. Het antwoord kwam op een oudejaarsavond, uithuilen en opnieuw beginnen. En zeuren doet Jeremia eigenlijk nou net niet. Hij hamert er onophoudelijk op dat we ons aan de Wet van de Woestijn moeten houden, onze naaste lief moeten hebben als onszelf. Doen we dat niet dan loopt het niet best met ons af, doen we dat echter wel dan valt ons onophoudelijk het goede ten deel. Jeremia weet ook wel dat de wereld er niet altijd even vrolijk uitziet. De oermoeder van Israel, Rachel, weent met enige regelmaat over haar kinderen die zijn omgebracht. We kennen dat beeld misschien ook wel uit het kerstverhaal zoals dat door Mattheüs is opgeschreven.

Zodra Koning Herodes door had dat de volkstelling van Keizer Augustus in de soep was gedraaid omdat in Bethlehem een kind was geboren dat daar niet thuishoorde volgens de Romeinse wet maar volgens de Joodse wet zelfs een koningszoon was liet hij alle pas geboren kinderen in Bethlehem ombrengen. Het was te laat, de volkstelling was evengoed in de soep gedraaid en die Koningszoon was gevlucht met zijn ouders. In dat verhaal staat dat Rachel wenend rond gaat, en dat beeld vinden we ook in dit bijbelgedeelte. Juist die zorg voor de zwaksten in de samenleving maakt dat de samenleving weer leefbaar wordt. Juist die kinderen die de zorg het hardst nodig hebben zijn de maat voor wat we kunnen bereiken. We kunnen weer één volk worden zegt Jeremia.

Wij zijn zover nog niet. We hebben wel bureau’s Jeugdzorg met hele knappe medewerkers die veel zouden kunnen, maar we zadelen ze op met veel te veel werk, te weinig collega’s, te veel administratie en vergaderingen, maar te weinig ondersteuning. Wanneer bij de machthebbers ooit de zwakken centraal zullen komen te staan blijft een vraag. De eigen macht en de positie van de vele ambtenaren blijven centraal bij de overheid, ook al krimpt die overheid. Maar misschien kunnen we zelf als vrijwilligers de zorg voor kinderen in de buurt organiseren.Speeltuinen onderhouden, kinderclubs in buurthuizen en wijkcentra. Ook daar kan gesignaleerd worden als het met kinderen mis dreigt te lopen, als ouders de zware last van armoede en de zorg voor kinderen niet meer aankunnen. Er zijn daarnaast ook nog heel veel pleegouders nodig. Niet roddelen over het gehuil bij de buren maar aanbellen. Dat is echt niet zeuren.

Je zult weer dansen in de rei

zondag, 29 december, 2013

Jeremia 31:2-14

Een liefdesliedje vertolkt de verhouding van het volk Israel met haar God. En wat staat er in een verhouding centraal nietwaar, de liefde. En pas de liefde is vruchtbaar. Die liefde is volgens dit bijbelgedeelte begonnen in het hart van de woestijn. Daar is de liefde opgebloeid. En dat verhaal kennen we hier natuurlijk. Daar waren het de woorden van recht en gerechtigheid, van eerlijk delen, van de naaste liefhebben als jezelf die het volk op weg stuurden naar het land overvloeiende van melk en honing. Dat land werd later verspeeld en het volk werd in ballingschap gevoerd en verspreid over de aarde, maar nu het zich het verhaal van de woestijn weer herinnerd zal het ook weer goed komen. Vanuit alle hoeken van de aarde wordt het volk weer verzameld in dat beloofde land. Wat een vreugde zo op de laatste zondag van het jaar.

Er zijn nog al eens mensen die gelovigen verwijten zwaar op de hand te zijn. Zo vaak hebben we elkaar niet lief. Zo vaak gaan we in de fout en vergeten we wat ons eigenlijk op weg heeft gezet. Wie steeds maar blijft letten op wat er fout is gegaan, wie zich steeds  maar bewust maakt van wat er fout ging om er schrik van te krijgen en er bang voor te worden wordt inderdaad zwaar op de hand. Het is echter niet bijbels. Bijbels is dat je iedere keer weer opnieuw mag beginnen, dat je mag leren van je fouten, ze niet opnieuw hoeft te maken.Steeds als het je niet lukt, als je struikelt op de weg naar het beloofde land, mag je opstaan en opnieuw beginnen. We hebben nog maar een paar dagen geleden het kerstfeest gevierd, het begin van nieuw leven dat kwam in de zwarte nacht van Keizerlijke macht en vreemde bezetting.

Dat nieuwe leven mogen we vandaag al beleven en dat is niet een droef opnieuw pogen maar een blij dansend zorgen voor de armen onder ons, zorgen dat de voedselbanken weer een voorraad krijgen, in veel PKN kerken in Nederland zamelt men er voedsel voor in. Zingend zorgen dat de vreemdelingen er bij mogen horen, niet elkaar bang maken omdat ze anders geloven maar weten dat ze op een andere manier in dezelfde God geloven en dat we in het verleden 400 jaar in één land mochten wonen met hun geloofsgenoten. Zo mogen we juichend zorgen voor recht en gerechtigheid. Het klinkt misschien overdreven maar het is een samenvatting van dit hoofdstuk uit het boek van Jeremia. En die belooft dat het volk overstelpt zal worden met al het goede. Laten we dus gewoon beginnen het goede te doen.

Ik zal je genezen

zaterdag, 28 december, 2013

Jeremia 30:12-31:1
 
Voor het genezen van lichamelijke kwalen hebben we dokters. Die worden steeds knapper en als ze een ziekte nog niet kunnen genezen dan hebben we pech. Voor leken die niet thuis zijn in de medische wetenschap blijven ziekten vaak een geheimzinnig gebeuren. Waar komen ze vandaan? Waarom treft een ziekte de een wel en de ander niet? Het ligt voor de hand er “goddelijke”of “kosmische” oorsprong in te zoeken. Het zal wel de straf van God zijn, of het zal wel in de sterren staan. Wie de ontwikkeling van de medische wetenschap bestudeert komt tot de ontdekking dat beide beweringen onwaar moeten zijn, oorzaken die eerst geheimzinnig waren worden de een na de ander ontdekt en blijken natuurlijke processen.  Leken raken wanhopig en zijn gemakkelijk te verleiden hun hoop te vestigen op instralers, strijkers, gebedsgenezers, piskijkers of andere alternatieven. Voor de Bijbel is er echter maar één geneesmiddel dat buiten de wetenschap wordt aanbevolen en dat is de liefde. Slechts naastenliefde kan helpen te genezen.

In de eerste plaats helpt dat tegen maatschappelijke kwalen. En daar gaat het gedeelte over dat we vandaag uit het boek van de profeet Jeremia lezen. Het ergste dat je kan overkomen zijn dan ook niet de zweren of de wonden waarmee je geslagen bent maar de afkeer van de mensen die je dierbaar zijn. Dat doet pas pijn als mensen zich van je afkeren, van je walgen. Pas naastenliefde kan je daarvan genezen. Ja ook zieken moeten van hun naaste houden als van zichzelf. Er zijn twee soorten fouten die zieken maken, ze vragen of te veel, of te weinig. Wie te veel vraagt, voortdurend zeurt, kan een ander zo tot last worden dat de ander zich afkeert en de zieke niet meer geeft wat vanuit de ziekte eigenlijk nodig is. Wie te weinig vraagt krijgt in elk geval niet wat nodig is. Houden van jezelf betekent dus dat je op zoek gaat naar wat je echt nodig hebt, van de ander houden als van jezelf betekent dat je in elk geval vraagt wat je nodig hebt, maar begrip hebt voor de moeite die het kan kosten dat ook te geven.

Het verhaal over Jeremia en de ballingen loopt uit op een vreugdelied. Het land komt weer tot bloei, het volk krijgt weer aanzien. Dat gaat er van komen als iedereen zich weer houdt aan het verdrag dat het volk ooit in de woestijn sloot, dat verdrag van recht en gerechtigheid, van eerlijk delen waaraan iedereen mee mocht doen en waar iedereen de naaste liefhad als zichzelf. Niet een ieder voor zich, niet een eigen verantwoordelijkheid en de armoede afwentelen op het netwerk. De onderkant van de samenleving voert nog steeds niet de boventoon. Mensen verbazen zich niet alleen over de voedselbanken. Ook ergert men zich aan het aantal zwervers in de steden. Psychiatrische inrichtingen waar mensen opgesloten werden zijn gesloten, maar zorg op maat in de steden voor mensen die zonder die zorg aan zwerf gaan was te duur. De gekkigheid ligt dus bij ons op de stoep en wordt niet uitgebannen, maatschappelijke ziekten worden niet genezen. Jeremia wijst vandaag de weg naar de oplossing. Laten we weer oog krijgen voor de armen, de zieken, de zwakken en de vreemdelingen in ons midden. Dan zal het land pas echt tot bloei komen.

Ik zal je bevrijden

vrijdag, 27 december, 2013

Jeremia 30:1-11 
 
Eerder in het boek Jeremia kun je lezen  hoe Jeremia beschuldigd werd de ballingschap langer te laten duren dan nodig is. Jeremia moet daarom nog eens duidelijk maken dat ook hij er van overtuigd is dat de ballingen terug zullen keren. Maar dat zal pas gebeuren als de Wet van de Woestijn weer wordt gevolgd, als mensen weer van hun naaste houden als van zichzelf. Als ook de ballingen weer oog willen hebben voor de armen in hun omgeving. Als die ballingen hun eigen trots willen laten varen en af willen zien van titels en voorrechten. Pas als die ballingen willen delen met de armen om hen heen en vruchtbaar willen zijn komt de tijd dat ze terug kunnen keren. De armen, vaak zelfs de weduwen en de wezen, zijn altijd de maat waarmee de voorspoed van het volk gemeten kan worden. Bij ons is dat niet anders.

Ook bij ons is het vaak de vraag of de zorg voor de armen wel voorop staat. De schuldsaneerders hebben het nog nooit zo druk gehad, mensen zijn leningen aangesmeerd die ze nooit meer kunnen afbetalen. Het aantal mensen dat een beroep doet op de voedselbanken groeit gestaag, steeds meer mensen hebben geen geld om hun gezin voldoende te eten te geven. Kerken zamelen bijna structureel voedsel in voor de voedselbanken. Het aantal mensen dat ook hun zorgverzekering niet meer kan betalen groeit ook. Daarnaast zorgt ons vreemdelingenbeleid voor de nodige armoede. Er leeft bij de rijken de mythe dat zorg en afhankelijkheid mensen aantrekt en dat mensen die afhankelijkheid maar wat fijn vinden. Niets is minder waar, mensen willen tot hun recht komen, willen gewaardeerd worden om wat ze kunnen, willen dat in vrede kunnen laten zien en zelf kunnen zorgen voor hun naasten. We moeten ze daartoe in staat stellen.

Jeremia beschrijft hoe hij de dag voor zich ziet dat er een eind komt aan de samenleving van hebben en houden, van eerst ikke en dan de rest die eigenlijk ook wel kan stikken. Dat is geen vrolijke dag voor de aanbidders van meer en nog meer, de goden van goud en loze beloften. De samenleving zoals de God van Israël die aan zijn volk heeft voorgehouden komt als een kind. De pijn die een vrouw voelt bij de bevalling zal iedereen voelen. Het geschreeuw dat een vrouw kan laten horen als zij een kind krijgt zal iedereen laten horen. De vraag of mannen kunnen baren is dan zo gek nog niet, ook zij zullen er aan moeten geloven. Die dag van omwenteling, de dag waarop een nieuwe aarde ontstaat, kun je alleen doorstaan als je weet wat het leven wordt dat je te wachten staat, een leven in liefde. En je kunt dat alleen weten als je op deze aarde die liefde hebt betoont, als je zorgt voor de armen, voor de gehandicapten, voor de vreemdelingen, als je strijdt voor nivelering de eerlijker verdeling van inkomen tussen arm en rijk. Kortom als je leeft volgens de regel dat je God lief hebt boven alles en dat doet door je naaste lief te hebben als jezelf, ook vandaag weer.

Om het goede te doen

donderdag, 26 december, 2013

Titus 3:8-15

Al die mensen worden door de brief aan Titus opgeroepen om het goede te doen. Daarover moet Titus met overtuiging spreken. Ons ontbreekt het daaraan nogal eens. Wij spreken liever met overtuiging over dat wat er slecht gaat. In de dagen van Titus maakte men zich bijvoorbeeld druk over de zuivere afstamming van de aartsvaders van het volk Israël. Daaruit zou men dan ook kunnen afleiden hoe de hemel er uit zou zien. Naast de Bijbel waren er allerlei legenden en verhalen in omloop die dreigden dezelfde status te krijgen als de Bijbel zelf. De briefschrijver noemt het dwaze speculaties. Ook in onze dagen kunnen onzinnige verschillen van mening over de uitleg van Bijbelteksten gemakkelijk de aandacht afleiden van het werkelijke doel van de boodschap van God, zorgen dat er geen honger en ellende meer is op de aarde.

Het moet de mensen gaan om het goede te doen dat is ook de boodschap van deze brief, dat moet ook de boodschap zijn die Titus verspreidt, dat moet dus ook de boodschap zijn die elk van ons in eigen omgeving verspreidt, dat moet ook de boodschap zijn die wij onze leiders voorhouden zodat ze die over de hele bewoonde wereld kunnen verpreiden. In het doen van het goede moeten de mensen elkaar ondersteunen, toerusten en bemoedigen. Alleen door het goede te doen maken ze zich nuttig. En wie maar verdeeldheid blijft zaaien, wie maar blijft bij het mogelijk slechte, die hoort er niet bij. En het goede doen kan al door gewone mensen. Natuurlijk de brief noemt een jurist, een rechtsgeleerde. Die wordt apart bij zijn beroep genoemd want daar bestond extra bewondering voor. Een intellectueel, een gestudeerd iemand, die in de samenleving aanzien zou kunnen verwerven, maar die op pad gaat om mensen te werven voor het verhaal van Jezus van Nazareth. Maar verder zijn het gewone mensen.

Er zijn duizenden voorbeelden van mensen die geraakt worden door armoede en ellende en spontaan in hun eigen omgeving geld gaan inzamelen om die ellende om te keren in het goede. Of het nu komt door oorlog of door een natuurramp of zelfs gewoon door de domheid van de mensen die in nood zijn dat maakt dan niet uit. Als hulp nodig is moet hulp geboden worden zo redeneren mensen die geraakt worden door het lot van anderen.  Het goede doen kan dus, ook vandaag. Bij de herdenking van de Tsunami in Tailand en omgeving was een 11 jarig meisje uit Nieuw Zeeland. Zij heeft heel veel mensen het leven gered omdat ze opgelet had op school. Bij aardrijkskunde hadden ze daar geleerd wat er met water en strand zou gebeuren bij een Tsunami. Ze had dat onthouden, ze herkende de verschijnselen en ze waarschuwde de mensen op het strand en in het hotel. Het hielp, daar waar zij was verschenen verdwenen maar heel erg weinig mensen. Het goede doen kan, het goede doen helpt, en het goede doen is nuttig ook vandaag, ook om ons heen. De winter heerst ook de komende week nog, opvang wordt voor zwervers zelfs verplicht gesteld, maar de zwervers blijven afhankelijk van gevers en er is ook nog Zuid Sudan, en er zijn ook nog de Congo, Mali en de Centraal Afrikaanse Republiek, en er zijn de voedselbanken en U bent er ook nog.

Het goede doen

woensdag, 25 december, 2013

Titus 3:1-7

De brief aan Titus werd, net als de andere boeken van het Nieuwe Testament, geschreven in een tijd dat de nieuwe religie van Jezus aanhangers, Christenen genoemd, nog verdacht waren. Wilden ze niet een nieuw Koninkrijk stichten? Hadden ze niet maar één Heer en dat was dan niet de Goddelijke Keizer? Gemakkelijk konden deze Christenen voor oproerkraaiers worden aangezien. Offeren in de tempels was er niet bij. Onderscheid tussen slaven en heren, tussen mannen en vrouwen, was in hun midden weggevallen. In wat  geschreven werd moest men daarom voorzichtig zijn. Het ging weliswaar om de bevrijding van de gebondenen, om recht voor de armen, maar niet met geweld en revolutie. In een wereldrijk als het Romeinse zou dat volstrekte onzin geweest zijn. Je kon beter uitgaan van gehoorzaamheid aan de overheid. Als de overheid de brief aan Titus in handen zou krijgen dan lijkt dit gedeelte uit het derde hoofdstuk een keurige oproep.

Lijkt zeg ik want kijk eens goed. Er staat dat je ook voor de overheid altijd bereid moet zijn het goede te doen. Had Paulus zelfs niet zijn overheid in de steek gelaten toen hij namens die overheid de Christenen moest vervolgen? Het was aan Titus natuurlijk wel bekend, en ook aan de overige Christenen zal het doorverteld zijn dat Paulus op de verkeerde weg was geweest. Zelf schrijft hij ook spijt te hebben deel te hebben genomen aan de steniging van Stephanus, al was het maar door het bewaken van de kleren van de stenigers. Als Paulus schrijft dat ze elkaar verafschuwden en haatten dan was dat iets tussen Paulus en de Christenen. De gehoorzaamheid aan de overheid gaat daarom net zover als dat ten goede komt aan de armen, aan de bevrijding, aan het leven in het verhaal van Jezus van Nazareth. In die gehoorzaamheid komt de reclame voor het geloof weer aan de orde, geen kwaadsprekerij, vredelievend, en zachtmoedig.

Dat is niet zoals we het langzaam gewoon zijn gaan vinden. Zijn we het ergens niet mee eens dan reageren we vaak als reaguurders, we schelden er wat op los op het internet. Van Christenen wordt iets anders verwacht. In het gedeelte van vandaag staat daarom een moeilijk beeld, het beeld van de wedergeboorte. Gemakkelijk roepen Christenen dat ze wedergeboren Christenen zijn, maar als je ze vraagt naar de vruchten van hun wedergeboorte dan gaan ze stamelen. Meestal worden de armen en de zwakken er niet beter van. Toch wordt dat bedoeld. In de wereld, ook die van nu, gaan wetten boven mensen, daar worden de wetten uitgelegd desnoods ten kosten van de zwaksten. In de wereld die God voor ons geschapen heeft, gaan de mensen boven de wetten, daar heerst dus barmhartigheid. In die wereld geldt alleen het goede en niet dan het goede.  Dan komen mensen tot hun recht en in die Geest kunnen wij dus ook mensen tot hun recht laten komen. Wedergeboren zijn betekent dus dat je opnieuw mag beginnen in een nieuwe wereld. En het mooiste is dat je dat elke dag opnieuw mag, ook vandaag dus, als we God in Jezus weer wedergeboren laten worden.

Rechtvaardig en vroom

dinsdag, 24 december, 2013

Titus 2:11-15

Het woord “Vroom” betekent in Oud Nederlands “Dapper”, je vindt het terug in het Wilhelmus, “Dat ik zo vroom mag blijven….den tyranie verdrijven” Vroom heeft tegenwoordig de bijbetekenis van “overgodsdienstig”, maar soms moet je ook wel dapper zijn om je godsdienst uit te durven dragen. Dat is misschien ook wel een verklaring voor het radicaliseren van godsdienstige jongeren, christenen en islamieten. Het is een goed gevoel dapper te moeten zijn voor een goede zaak, je godsdienst. Al is onze godsdienst er één van vrede, van liefde en zonder geweld. Deze brief roept Paulus assistent Titus op ook rechtvaardig te zijn. Ook rechtvaardig zijn kan gevaar opleveren. We maakten al kennis met Stefanus de diaken, die moest zorgen voor een rechtvaardige verdeling van rijkdom maar hij kreeg de stenen om zijn oren. Daarbij dapper blijven is een opgave.

Voortdurend gericht zijn op het goede doen, steeds maar weer hameren op recht voor de armen, op zorg voor de zwakken, is een taak. Dat je daarbij af en toe afhaakt, af en toe verzaakt, is een gegeven. Het verhaal dat Jezus van Nazareth met zijn leven heeft verteld maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen. Zelfs het korte optreden van Stefanus was niet vergeefs,  het mag ons elk jaar weer tot voorbeeld dienen. Dat verhaal mogen we doorvertellen en we hoeven ons niet te laten afschrikken door de minachting waarmee geloof in rechtvaardigheid vaak wordt benaderd. Integendeel, mensen die menen het voor het zeggen te hebben in deze wereld hebben het eigenlijk mis. Als je in een tijd waarin de tering naar de nering gezet moet worden smalend doet over een voorstel om de allerrijksten iets meer mee te laten betalen aan de voorzieningen waar ook zij van profiteren dan lijk je wel sterk en machtig maar je bent eigenlijk alleen maar zwak. De wegen waarover auto’s rijden, de treinen waarin mensen zich laten vervoeren, de veiligheid die burgers geboden wordt zijn voorzieningen waar iedereen van profiteert. Mogen de rijken voor het instandhouden misschien wat meer bij mogen dragen dan de armen?
\
Deze brief zegt aan Titus dat we moeten proberen de mensen te leren goddeloze en wereldse begeerten af te zweren en rechtvaardig en vroom in deze wereld te leven. Wat precies de begeerten zijn die we moeten afzweren staat er niet bij. Dat het in Kreta zal gaan om het opofferen van mensen om vruchtbaarheid af te dwingen ligt voor de hand. Daar ging de cultuur en de godsdienst van Kreta om. In onze dagen zien we een paralel in het steeds maar meer en steeds maar nog meer te willen hebben en consumeren, eventueel ten koste van anderen die zich daartegen niet kunnen verweren. In plaats daarvan eerlijk willen delen is niet alleen dapper en dus vroom maar ook rechtvaardig en in de ogen van deze briefschrijver godvruchtig. Dat woord godvruchtig krijgt dan weer een mooie betekenis terug. Dat wordt dan niet iets van gevouwen handen en gesloten ogen maar open handen voor de minsten en een open oog voor mensen die langs de weg zijn komen te staan. De woorden die we vandaag uit de brief aan Titus lezen zijn dus niet ouderwets maar openen een vergezicht naar een nieuwe kans op een nieuwe wereld, een wereld waar iedereen aan mee kan doen. Laten we er vandaag nog mee beginnen.

De heilzame leer

maandag, 23 december, 2013

Titus 2:1-10

Veel mensen denken dat al die stukjes advies in de Bijbel voor eens en voor altijd en voor iedereen als vaste wetsregels opgelegd zijn. Zo is het natuurlijk niet. Titus werkte voor de Kretenzers. We kennen Kreta van de verhalen over de Minotaurus, de Stiermens die in een groot doolhof werd gehouden en waar jonge mannen en vrouwen aan geofferd werden. We kennen ook de verhalen over het stierspringen waarmee de jonge mannen van Kreta hun mannelijkheid konden bewijzen. Het zijn allemaal verhalen over een volk dat bezeten was door angst voor vruchtbaarheid. Toen Paulus er gestrand was op weg naar Rome werd hij voor een god aangezien toen hij iemand genas van een slangenbeet. De gemeente van Jezus moest daarom een andere uitstraling krijgen. Aan het begin van dit stuk gaat het om de heilzame leer en aan het eind van dit stuk over het aanzien van de heilzame leer. En kijk dan eens naar wat er staat over oudere mannen. Dat het geen dronkaards moeten zijn lijkt voor de hand te liggen, de Romeinen konden overigens zeer uitgebreid genieten van zeer verfijnde maaltijden, die hoefden echt niet te wachten op Kerstmis. Soberheid is dus zo gek nog niet.

Gezond in geloof en in de liefde en de volharding. Wat een merkwaardige opsomming lijkt het. Geloof gaat nog maar liefde en volharding. Bij die laatste twee komt de aap uit de mouw. De meeste van geloof, hoop en liefde is de liefde volgens Paulus, een liefde zo heet het  die zichzelf niet zoekt. Liefde voor de mensen. En vanuit die liefde kan een slaaf gehoorzaamheid aan zijn meester gevraagd worden. Vrouwen kan gevraagd worden het tegendeel van liederlijkheid uit te stralen. Uit liefde voor mensen die je moet proberen te betrekken bij het verhaal van Jezus, met die volstrekt nieuwe manier van met elkaar en met de wereld om te gaan moet je zelf anders gaan leven, vanuit liefde, zorg, ingetogenheid, zuiverheid en waardigheid. Als je goed kijkt krijgen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, slaven en vrijen dezelfde adviezen  van Paulus. Van het aanbrengen van een soort rangorde, waarbij de een de baas over de ander is, is geen sprake, allen hebben de mogelijkheid om reclame te maken voor het nieuwe leven.

Allen wordt gevraagd die mogelijkheid aan te grijpen. In Christus is geen onderscheid tussen mensen en nu wordt aan Titus gevraagd dit ook in zijn nieuwe gemeente in praktijk te brengen. Die vraag kan ook aan ons worden gesteld. Dan moeten wij onszelf afvragen of we in onze gemeenten onderscheid maken tussen mensen op grond van hun sociale status, hun sexe of sexuele geaardheid of hun leeftijd. Voor allen geld immers dat geloof, hoop en liefde uitgestraald moet worden en voor ons samen of iedereen daar wel voldoende de kans voor krijgt.In de nacht van dinsdag op woensdag gaat een groot deel van Nederland voor haar jaarlijkse kerkbezoek naar een plaatselijke kerk. Ga mee en straal uit wat deze brief aan Titus heeft geleerd. Neem desnoods een paar zwervers of asielzoekers mee, of een paar vreemdelingen die al langer bij je in de buurt wonen, niet om ze te bekeren maar om te laten zien dat we samen aan een betere wereld kunnen werken. Een wereld zonder angst voor elkaar, vreest niet, een wereld met vrede op aarde en in mensen een welbehagen..

God met ons

zondag, 22 december, 2013

Matteüs 1:18-25

Als in de kerken over de hele wereld het tweede hoofdstuk uit het Evangelie van Lucas wordt gelezen als het geboorteverhaal van Jezus van Nazareth, kun je ook het verhaal lezen zoals het opgetekend staat in het Evangelie van Matteüs. Het is wat minder romantisch. Geen stal, geen herders, geen zingende engelen van vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Integendeel, een verhaal dat irritatie en misverstanden oproept. Lucas laat er nog een engel aan te pas komen om Maria te vertellen dat ze een kind van God zal krijgen. Niks van dat al bij Matteüs. Twijfel wordt er gezaaid over de afkomst van Jezus van Nazareth. Maria is een jonge vrouw die verloofd is met Jozef. En nog voor ze bij Jozef intrekt is ze al zwanger. En kennelijk is Jozef niet de vader, maar om er nu een uitgestoten vrouw van te maken ging ook Jozef kennelijk te ver. Want dat zou er zijn gebeurd als hij haar niet had getrouwd. Ze zou een overspelige vrouw zijn, met een kans zelfs om gestenigd te worden.

Als ze in leven zou zijn gebleven was een bestaan als hoer haar meest waarschijnlijke toekomst. Hoe ze zwanger is geworden vermeld Matteüs niet. In de vroege dagen van het Christendom ging wel het verhaal dat ze verkracht zou zijn door een Romeinse bezetter, maar de kerk heeft die lezing verworpen. De engel die in een droom aan Jozef verschijnt, heeft het over een kind dat in liefde is ontvangen. De Geest van God is er aan te pas gekomen en God is immers liefde. Het verhaal zoals dat door Matteüs is opgetekend heeft ook nog geleid tot een misverstand, of misschien zelfs een opzettelijke misleiding. Er staat in de vertalingen die we gebruiken, ook in de Nieuwe Bijbelvertaling, een citaat uit het boek van de Profeet Jesaja: “De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren” Daar is het sprookje van de maagdelijke geboorte vandaan gekomen, in het boek van de Profeet Jesaja staat in het Hebreeuws alleen dat er een jonge vrouw zal zijn die het aan zal durven een kind, een zoon, te krijgen. In de Latijnse vertaling die lang in de Rooms Katholieke kerk is gebruikt werd dat een maagd, niet in de betekenis van jonge vrouw maar in de betekenis van een vrouw die nog geen sexuele omgang met een man had gehad. Dat staat er dus eigenlijk helemaal niet.

De profeet Jesaja schrijft tijdens de belegering van Jeruzalem, als iedereen verstijfd is van angst en geen toekomst meer ziet. Het lijkt op de dagen van Jozef en Maria. Dan een kind durven krijgen is een heldendaad, een verzet tegen uitzichtloosheid. Het is de uitdrukking van het geloof in een God die meetrekt, ook door de woestijn van het leven. Daar waar alles dor en dood lijkt brengt de liefde van die God, de Geest van die God, weer nieuw leven. Daarom wordt het kind genoemd naar de bevrijder van Israel: Jozua, die voerde het volk uit de woestijn naar het land overvloeiende van melk en honing. In het Grieks heet hij Jezus, en door de daad van Maria voert hij vanuit het duister van de bezetting naar de bevrijding van de armen. Daar zou hij zijn leven voor inzetten. Dat is waar Jozef en Maria mee zijn begonnen, ook volgens het verhaal van Matteüs. Dat is de eigenlijke betekenis van Kerstfeest, dat in de diepste duisternis de Geest van God, de Geest van liefde weer licht zal laten schijnen en een uitweg uit de duisternis zal bieden. Met die bevrijding van de armen, met dat soort Kerstfeest mogen we nog steeds meedoen, ook vandaag.