Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2013

Weduwen en vreemdelingen doden ze

maandag, 21 oktober, 2013

Psalm 94

We zingen vandaag een psalm mee waarin de God van Israël gesmeekt wordt de hoogmoedigen, de goddelozen, de uitbuiters en onderdrukkers eindelijk eens het loon te geven dat ze verdienen. Hun hebzucht zorgt er voor dat zwakken en de minsten in de samenleving sterven en geen deel van leven hebben. Let op dat in deze Psalm op een bijzondere manier ook over vreemdelingen wordt gesproken. Ze staan in dezelfde zin als de Weduwen, hun positie in de samenleving is even zwak als de weduwen, als kinderen zonder vader. Niemand die ze recht verschaft, niemand die hen verlost uit hun ellende, uit hun armoede. Ze kennen geen vertegenwoordigers in de Poort, daar waar recht wordt gesproken, daar zitten de mannen van de stad bijeen om recht te verschaffen aan een ieder die recht zoekt. Maar weduwen, kinderen zonder vader en dus ook de vreemdelingen hebben daar geen stem, geen vertegenwoordiger. Het is de psalmdichter die zich gedwongen ziet bij God voor hen te pleiten.

Soms roept de Bijbel God aan om de mens tot nadenken te stemmen. Want als God kan zien omdat die ogen geschapen heeft en kan horen omdat die oren geschapen heeft zou de mens die van die God die ogen en oren heeft gekregen dan zelf ook niet horen en zien? De ellende zien van de armen, van de vreemdelingen, de smeekbeden om recht horen van de weduwen en de vreemdelingen? Het is daarom dat de Psalmist ons er op wijst dat je als mens pas gelukkig wordt als je je naaste lief hebt als jezelf, als je een rechtvaardige bent, mensen tot hun recht weet te laten komen, kortom als je de wet en de leer van de God van Israël weet te volgen en je daardoor weet te laten leiden. Je hoeft niet bang te zijn dat je broeder of zuster voor zijn of haar tijd zal sterven. Je hoeft niet bang te zijn dat zij die willen korten op de inkomens van de armsten, die jacht willen maken op de vreemdelingen en hen alle rechten willen ontzeggen uiteindelijk zullen winnen. Ze zullen van binnenuit vergaan.

Deze Psalm is een lied van hoop en vertrouwen, hoop dat het toch ondanks alles goed zal komen en vertrouwen op de richtlijnen voor de menselijke samenleving als grondslag voor een rechtvaardige samenleving. Volgens die richtlijnen worden rechters gekozen, zij die de armen vertrappen en de vreemdelingen onrecht willen aandoen zullen daarvoor zelf gestraft worden. Natuurlijk gaat dat niet vanzelf. Het is niet zo dat we met de Psalmist een liedje mee moeten zingen, onze ogen moeten sluiten en de handen vouwen en dan amen roepen en het is voor elkaar. Als God gesproken heeft en ons zijn Wet en zijn Leer heeft gegeven, als wij weten dat we mogen horen op zijn Woord en mogen zien op zijn machtige daden mogen we dan niet zelf in beweging komen om de naaste recht te doen, zelf de weduwe en de wees in bescherming nemen, zelf de gastvrijjheid betrachten waar de vreemdelingen onder ons recht op hebben? Elke dag mogen we dat weer opnieuw doen, ook vandaag.

Allen die ……..zullen worden vervolgd.

zondag, 20 oktober, 2013

2 Timoteüs 3:10-17

Alle gelovigen zullen worden vervolgd. Dat lijkt in ons land voorlopig alleen op te gaan voor Moslims. Want Moslim zijn dat mag eigenlijk niet. Niet dat de vervolgers weten wat Moslims zijn. Sommigen hebben wel eens iets gelezen over de publicaties van Islamieten uit de Middeleeuwen. Toen in Spanje de Joden met tientallen gelijk op de brandstapel werden gezet omdat ze zich niet tot het Christendom wilden bekeren, of omdat ze zich misschien wel wilden bekeren maar nu eenmaal Jood geweest waren. Toen heerste er kennelijk een geweldadig klimaat tussen mensen van verschillend geloof. Maar ook in de Middeleeuwen waren alle Rooms Katholieken niet de de strenge Rooms Katholieken uit Spanje die anders gelovigen graag in de brand staken.

En alle Moslims predikten ook toen al niet dat iedereen het zwaard moest opnemen om de ongelovigen het hoofd af te slaan. En om Rooms Katholieken van vandaag te vergelijken met de brandstichtende Rooms Katholieken uit de Middeleeuwen in Spanje is al even dwaas als Moslims van nu te vergelijken met de zwaardvechtende Moslims uit de Middeleeuwen. Met dat vervolgen moeten we dus voorzichtig zijn. Er zijn ook in ons land mensen die alle geloven willen uitbannen. Nergens willen ze mensen tegenkomen die ergens in geloven. De kans bestaat dat als het ze lukt om de Islam uit ons land te verdrijven het Christendom het volgende geloof is dat uit de samenleving moet verdwijnen. Voor de schrijver van deze brief is dat een heel gewone zaak. Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen en wie opkomt voor de slachtoffers wacht dus zelf vervolging. De schrijver roept daarom de vriend en vertegenwoordiger van Paulus Timotheüs op om vol te houden.  Met enige regelmaat de oude geschriften lezen die wij vandaag de dag terug kunnen vinden in de Bijbel. Toen deze brief aan Timotheüs werd geschreven had de Bijbel nog niet haar definitieve samenstelling gekregen. Maar de eerste vijf boeken, de boeken van de profeten en de Psalmen waren zeer geliefd en werden veel gelezen. Wij hebben het gemakkelijker.

Wij hebben het Nederlands Bijbelgenootschap dat een rooster heeft gemaakt aan de hand waarvan je elke dag een stukje uit de Bijbel kunt lezen. Dat stukje heeft te maken met wat er op zondag in de kerken wordt gelezen en met de tijd van het jaar. Hierboven staat het stukje van vandaag en zo doen we dat elke dag, eerst de Bijbel lezen en dan de overweging over het Bijbelgedeelte van de dag. En wat is het nut ervan? Volgens Paulus wordt je dan een dienaar van God die voor zijn of haar taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust. Dat is toch wel heel erg mooi. Het lezen van de Bijbel opent je de ogen voor de slachtoffers van de oplichters en bedriegers. Het lezen van de Bijbel opent je de oren voor de mensen die naast de weg zijn komen te zitten en niet anders kunnen dan roepen om aandacht. Het lezen van de Bijbel zet je in beweging naar de armsten van de wereld en leert je een hand uit te steken naar hen die moeten opstaan en hun ellende moeten kunnen verlaten. Het lezen van de Bijbel leert je mensen tot hun recht te laten komen, recht te doen aan mensen, van mensen te houden als van jezelf, ook vandaag weer.

Meer genotsvrienden dan Godsvrienden

zaterdag, 19 oktober, 2013

2 Timoteüs 3:1-9

Leuk om op een vroege morgen zo’n stuk uit een brief van Paulus te mogen lezen. Al die gelovigen doen wel vroom, verbieden iedereen van alles, maar ondertussen doen ze zelf alles wat God verboden heeft. Daar gaat het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk niet over maar op het eerste gezicht krijg je wel die indruk. Want waar gaat het dan wel over? Het gaat over menselijk gedrag dat zeker tot ellende en soms zelfs tot de dood leidt. Wie kent de mensen niet die zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, praalziek, hoogmoeding, lasterlijk? Hadden we aan die mensen niet de financiële crisis te danken? Werden die mensen in het bedrijfsleven niet de exorbitante zelfverrijkers genoemd? En dan die mensen die aan hun ouders ongehoorzaam zijn, ondankbaar, onheilig, ongevoelig, onverzoenlijk, tweespalt-zaaiend, ongeheerst, onhandelbaar. Komen jongeren niet in gedachte die jeugdbendes vormen en hele buurten kunnen terroriseren?

Jongeren waar ouders geen greep meer op hebben maar waar ook scholen en overheden geen raad en geen weg meer mee weten. Kortom we hebben volgens Paulus te maken met een ik maatschappij waar mensen meer genotsvrienden dan Godsvrienden zijn. Maar pas op. Paulus heeft het niet alleen over de anderen, over die mensen die dingen doen die ons vrome lieden niet welgevallig zijn. Het gaat ook, en in de eerste plaats, over mensen met een schijn van vroomheid. Het gaat ook over voorgangers die wel doen of ze het woord van God prediken maar ondertussen misbruik maken van vrouwelijke gemeenteleden, of nog erger van kinderen. Hier worden Jannes en Jambres genoemd die Mozes zouden hebben weerstaan. In de Bijbel zoeken we tevergeefs naar deze namen. Wie Grieks heeft gestudeerd kent ze wellicht uit de werken van Plinius. In de tijd dat Paulus deze brief schreef waren het zeer bekende namen. Ze waren gegeven aan de Egyptische tovenaars die de wonderen imiteerden die Mozes voor de Farao deed als bewijs dat hij werkelijk door God was gezonden.

Dat soort namaak voorgangers kwam in de dagen Paulus en Timoteüs kennelijk veelvuldig voor. Het is het soort voorgangers dat ook wij kunnen tegenkomen en waarvoor we gewaarschuwd worden. Niet de mooie verhalen die voorgangers kunnen vertellen maken hen dienaren van het Goddelijke Woord. Wel de daden, hun zoeken samen met de gemeente gestalte te geven aan het Koninkrijk van God, de vruchten van hun werk waardoor er zorg voor de armen ontstaat, aandacht voor de minsten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, gastvrijheid en recht voor vreemdelingen. Die leer van het vormen van een gemeenschap waar het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf de maat en de norm is opdat het zich verspreid over de hele aarde kenmerkt zich door het gedrag in de samenleving, de liefde voor de minsten en de volharding er van ook in tijden dat het ingaat tegen de hersende maatschappelijke mode. Daar mogen we dus op deze morgen ook op letten als we weer voorgangers horen vertellen over hoe goed God kan zijn. Zijn zij en is hun gemeente ook op weg het goede te doen en niet dan het goede? En kunnen wij ons daarbij aansluiten? Hoe sterker die beweging wordt hoe meer de lof van God gezongen kan worden. Laten we dus beginnen die Weg te gaan vandaag.

Luister niet naar zinloos en leeg gezwets

vrijdag, 18 oktober, 2013

2 Timoteüs 2:14-26

Van begin af aan zijn er mooipraters geweest in het Christendom. Mensen die vertelden dat we de hemel al in ons bezit hadden. De opstanding van de rechtvaardigen, waar veel christenen en Joden in geloofden, was volgens hen al gekomen, geestelijk. Wat de gevolgen waren laat zich raden. Paulus laat er in veel brieven geen misverstand over bestaan. Er zijn voortdurend voorgangers die de gemeente voorhouden dat zij zich aan geen enkele wet meer hoeven te houden want ze zijn immers al verlost, ze zijn immers al opgestaan uit de dood net als Christus was opgestaan uit de dood. Nu heeft het geen zin twistgesprekken aan te gaan met dit soort voorgangers, het leidt maar tot ruzie en ze zijn meesters in het woordenspel, de woorden zo draaien en uitleggen dat het lijkt of ze altijd gelijk hebben. De waarheid komt altijd vanzelf boven.

In de gemeente van Jezus van Nazareth, de gemeente zoals Paulus ze gesticht heeft, is de een niet meer dan de ander en ben je samen broeders en zusters in de Heer. Wie beweert al opgestaan te zijn of wie beweert meer te mogen dan een ander op grond van zijn of haar geloof valt dus door de mand, die kan niet de waarheid spreken. Maar hoe zit het dan met die vergelijking van zilveren voorwerpen en houten voorwerpen. Als je goed leest zegt Paulus dat die voorwerpen in de gemeente van Jezus van Nazareth evenveel waarde hebben. De waarde in geld is niet de vraag maar of ze geheiligd zijn, of ze in dienst staan van de boodschap van Jezus van Nazareth. Als dat zo is dan is elk voorwerp in staat vele diensten te verlenen. Iedereen heeft dus de mogelijkheid van de naaste houden als van zichzelf en pas als iemand dat doet dan kun je zien wat de waarheid is. Mensen die streven naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede horen er bij. En denk er om dit is niet een willekeurig rijtje waar je uit kunt kiezen, ze horen bij elkaar en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Paulus adviseert zijn knecht Timoteüs hier de begeerten van de jeugd te mijden. Nu weten we uit het boek Handelingen dat Timoteüs al op jonge leeftijd met Paulus mee ging om hem te helpen en om als zijn gezant en postbode op te treden.

Paulus maakt hier dus kennelijk een grapje met een serieuze ondertoon. Want zoals vele jongeren zal ook Timoteüs wel eens de eerste viool hebben willen spelen door gemeenten te vertellen waar het op staat. Al dat geruzie, al die valse predikers die met de mooiste verhalen kwamen over kristallen hemelen die je kapot moest geloven om de brandende vlam van God in jezelf te bevrijden en zich te laten verenigen met de enige God. Het leidt maar af van de zwakken in de samenleving, de hongerigen, de bedelaars in de straat, de kinderen zonder ouders en verzorgers. Maar Timoteüs moet leren zijn woede te temperen en de gemeente mee te nemen naar het leven als volgelingen van Jezus van Nazareth door ze het voor te leven en ze te vertellen van al die mensen die langs de weg zittend ineens de aandacht kregen van Jezus van Nazareth zelf en konden opstaan en lopen of zien of horen. Daar moet de gemeente zich mee bezig houden, daar moeten wij ons dus mee bezig willen houden, met het voorleven van de liefde, niet met het zogenaamde sacrale, ook vandaag weer.

Als wij met hem gestorven zijn

donderdag, 17 oktober, 2013

2 Timoteüs 2:1-13

Moeten we zelfmoord plegen om met Jezus van Nazareth te kunnen leven? Een idiote vraag natuurlijk. Alleen in sommige zeer gesloten sectes wordt de Bijbel soms op deze vreemde manier gelezen. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Waar het wel om gaat is dat we onze gebruikelijke manier van leven opgeven. Niet langer is onze carrière belangrijk, niet langer telt de hoogte van ons inkomen of de omvang van onze pensioenvoorziening. Niet het Zwitser levengevoel is onze maatstaf maar het leven van Jezus van Nazareth. Volgens Paulus moeten we ons dat voorstellen inclusief de kruisdood van Jezus van Nazareth. Pas als we die onderdeel maken van ons leven zullen we leven met Jezus van Nazareth. Paulus wijst er op dat het hem een aantal keren gevangenschap heeft opgeleverd. De boodschap dat de Romeinen er niet in geslaagd waren Jezus van Nazareth dood te maken maar dat hij na drie dagen voort bleek te leven en inmiddels bij zijn God is maakte hen steeds zeer kwaad.

Die boodschap taste de kern van de samenleving aan. De Keizer van Rome was immers de God die over de wereld heerste, niet de God van de Joden, die heerste alleen over de rare volkje in Palestina. Maar juist vanwege die boodschap van Paulus zijn onze ogen gericht op de minsten op heel de aarde, op de slaven, de zwakken, de zieken, de gevangenen. En het is niet eenvoudig dat vol te houden in een wereld die op tegengestelde doelen is gericht. Het is in de eerste plaats niet de bedoeling de boodschap zelf door te geven aan mensen die niet geschikt zijn om anderen de boodschap te onderwijzen. Mensen moeten je de ruimte geven om je verhaal te vertellen en bereid zijn er naar te luisteren. Zomaar in het openbaar over dit rare verhaal te gaan vertellen heeft geen zin. Bij het volhouden van het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf kun je volgens Paulus beter denken aan de regels die bij besloten gemeenschappen gelden. Hij wijst op de regels in het leger waar de gehoorzaamheid de ziel van de krijgsdienst is, op de atlethiek waar, net als bij alle sporten, de spelregels alles bepalend zijn en op de landbouw waar de boer die verbouwd heeft in elk geval zelf mag meeëten van de oogst en zijn eigen oogst mag gebruiken voor de verbouw op de akker in het volgend jaar.

Als je de regels toepast die bij het Christelijk geloof horen dan hou je het vol. De eerste regel is kennelijk die navolging van Jezus van Nazareth als Heer van de wereld. Die koninklijke gestalte, komend uit het nageslacht van Koning David, leeft als Heer van de wereld. Dat was de boodschap van Paulus en dat maakte de Romeinen zo kwaad. Die boodschap betekent voor ons dat er geen andere Heren van de wereld zijn. Alleen zij die zorgen voor de armen, voor de zwaksten, die hongerigen te eten geven, die vrede stichten, die zorgen voor gezondheidszorg voor allen en die de weduwe en de wees beschermen zijn onze bondgenoten. Zij die oproepen tot meer wapens, die weigeren de rijken mee te laten delen ten gunste van de armen, de de individuele carrière stellen boven het delen met elkaar, die groepen mensen uitsluiten uit de samenleving, horen bij de anderen die nog bekeerd moeten worden tot de Weg van Jezus van Nazareth. Want alleen die Weg voert tot een ideale samenleving, een samenleving waarin de Liefde heerst en alle tranen gedroogd zullen zijn. Laten we daar vandaag dan maar weer aan werken.

 

Ik moet mij beheersen

woensdag, 16 oktober, 2013

Psalm 39

Het zal veel mensen tegenwoordig niet onbekend voorkomen. Je ziet al het streven van de mensen in je omgeving, sparen voor nieuwe electronica, studeren voor promotie, op jacht naar nieuw genot, weer een abonnement op een film en serie aanbieder en je vraagt je af, wat voor zin heeft het. Worden al die TV films niet steeds opnieuw gemaakt? Zijn al die verhalen eigenlijk allemaal niet zo ongeveer hetzelfde maar dan door anderen vertelt? En die sportwedstrijden zijn toch ook altijd met een begin en een eind? Wat is de zin eigenlijk van het leven? Dat moet je niet hardop zeggen want dan krijg je de wind van voren. Alsof je de mensen alle amusement wil afpakken, alsof je de mensen om je heen geen pleziertje meer gunt, alsof natuurfilms en wetenschapsprogramma’s mensen niet onderwijzen en wijzer maken, alsof er niet gedroomd mag worden van avonturen en ondernemingen.

Maar die avonturen worden door de mensen niet beleefd, die ondernemingen niet ondernomen. Uiteindelijk wacht een ieder de dood. En als het leven zelfs niets nieuws brengt dan is het leven zelf al de dood. Je wordt er depressief van, in de Bijbel vragen mensen dan om het tijdstip van hun einde te kennen, al dat streven, al dat jagen en jachten naar genot het is allemaal leegte en lucht, het stelt niets voor. We zijn vreemdelingen op aarde, we zijn hier slechts te gast. Een korte tijd mogen we hier doorbrengen en dan worden we weer tot stof en zijn we vergeten. We doen wel of we belangrijke mensen uit de geschiedenis nog kennen, maar wie heeft Koning Willem I ontmoet? Wie weet waar hij verdriet om had of waar hem een plezier mee kon worden gedaan? We hebben een reeks Koningen en Koninginnen gehad, maar de secretarissen die hun afspraken maakten en zorgden dat we van hen hoorden en ze zagen kennen we niet. Al dat klatergoud uit de afgelopen twee eeuwen is lucht en leegte geweest, hoogstens aanleiding tot het opnieuw verplaatsen van lucht.

Maar helemaal op het eind spreekt de psalmdichter over de voorouders, over de straffende blik van God die afgewend moet worden. Heel langzaam lijkt een herinnering op te komen aan tijden toen het leven nog zin had. Want die voorouders waren ook vreemdelingen en bijwoners. Abraham was een zwervende Arameeër staat er geschreven. Hij verliet huis en haard om achter een God aan te zwerven. Het volk Israël, stamde van hem af maar werd als slavenvolk Egypte uitgejaagd omdat ze kans zagen onder het offer, onder de dood, van de eerstgeborene uit te komen. Diep in de woestijn kreeg dat zootje zwervers richtlijnen voor een menselijke samenleving, ondanks het feit dat ze , o zo menselijk, liever eigengemaakte goden van goud en zilver aanbaden. Die richtlijnen konden samengevat worden als heb uw naaste lief als uzelf en ze gingen geloven dat alleen het houden van dat gebod met alles wat daarbij hoorde zin zou geven aan het leven. Vandaag, in onze dagen is het niet anders. Voor zoekers naar het hogere, naar zin het leven dat het menselijke te boven gaat is nog steeds de Liefde tot de minsten, de liefde tot God, het enige zinnige antwoord. Dat blijft, dat geeft echte vreugde. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

Of laat hij hen wachten?

dinsdag, 15 oktober, 2013

Lucas 18:1-8

Het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar en Kassa want bedrijven willen nu eenmaal niet geportreteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Ze worden tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken. Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet.

Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren? In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht. Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”.

Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel? Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is.

Zo zal het ook gaan.

maandag, 14 oktober, 2013

Lucas 17:20-37

Op het moment dat het over vreemdelingen gaat zijn mensen geneigd grenzen te gaan trekken. Daarom begint dit stuk met de vraag naar het Koninkrijk van God. En voor grenzentrekkers komen er dan verwarrende antwoorden. Je kunt dat Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, als je er niet aan meedoet kun je beter niet willen dat het komt, als je er wel aan meedoet kan het niet vlug genoeg komen, en, wat nog het meest zal verbazen is, dat het vlakbij is, onder handbereik, zomaar voor het grijpen. Maar de leerlingen van Jezus zullen de dag zelfs niet meemaken dat het komt. Voor hen was de dag van de Mensenzoon immers al begonnen met het volgen van Jezus. In de Kerken en onder de geleerden is heel lang gestreden over hoe het nu zit met de komst van dat Koninkrijk, de komst van de Mensenzoon en het oordeel over goed en kwaad dat mensen te wachten zou staan.

Nu zijn wetenschappers echte grenzentrekkers en voor grenzentrekkers was dit hoofdstuk heel verwarrend. Voor de volgelingen van Jezus van Nazareth zal het heel wat minder verwarrend geweest zijn. Zij kenden immers ook het verhaal dat dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat in de wereld kennen, koninkrijken met grenzen en grensbewaking, waar koningen gaan en komen, waar staatsgrepen zijn en legers en waar machigen elkaar bevechten om de macht. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mag iedereen meedoen, met dat meedoen kun je zelfs elke dag al beginnen. Als de mensen de sporen van dat Koninkrijk herkennen dan weet je dat het er nog niet echt is. Niets is immers volmaakt en we kunnen altijd beter. Maar als er voor de armen wordt gezorgd, als hongerigen worden gevoed, als naakten worden gekleed, als er voor gevangenen wordt gezorgd dan weten we dat er aan de ene wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de enige wet van dat bijzondere Koninkrijk, al vast wordt gedaan.

Daarom kunnen we er ook niet op wachten. Dat zou mooi zijn, als we ouder worden gaan we wel goed doen, als het zomer is gaan we wel goed doen, of juist als het winter is. Misschien ben je morgen wel dood. We hebben het boek Prediker gelezen die daar steeds maar weer voor waarschuwt. Je rijkdom, je aanzien, je macht kun je niet meenemen. Als de donkere dagen komen kan alleen een bondgenootschap je redden en dat bondgenootschap kun je maken door te delen met wat je nu hebt. Daarom wijst Jezus van Nazareth op het lijden dat hij moet doormaken. Pas als wij het lijden zien, en het lijden van de minsten onder ons is ook zijn lijden, dan pas komen wij in beweging, dan pas worden wij geroerd en zijn we bereid de handen uit de mouwen te steken en dat Koninkrijk te grijpen. Let maar op als de gruwelbeelden uit Syrië op de TV komen, dan komt de beweging voor de armen daar pas goed op gang. Beter is het natuurlijk elke dag de ogen open te houden.

Het was een Samaritaan

zondag, 13 oktober, 2013

Lucas 17:11-19

Je moet maar durven, laat Wilders het maar niet horen, een vreemdeling behandelen als een landgenoot, net doen of die vreemdeling geen milimeter anders is dan de anderen. Dat zou volgens het Evangelie van Lucas de weg van Jezus van Nazareth zijn, de zogenaamde Joods Christelijke traditie waar Wilders de mond van vol heeft. Lees dit verhaal maar over die 10 mensen met huidvraat. Lang werd die huidvraat aangezien voor melaatsheid maar de laatste jaren wordt aan die vertaling toch wat getwijfeld. De Naardense Bijbel blijft overigens huidvraat wel vertalen met melaatsheid. Hoe het ook zij, het was een ziekte die al voorkwam in de wetten van Mozes. Daar stond in dat mensen die genezen waren zich aan de Priester moesten laten zien. Die Priester kon ze dan weer hun plaats in de samenleving teruggeven. Die plaats waren ze kwijt geraakt zolang ze besmet waren met de melaatsheid.

Maar een Samaritaan, dat was iemand van verdachte komaf, die werden niet tot de Joden gerekend, dat was een vreemdeling. En vreemdelingen hoefden zich helemaal niet aan de Priester te laten zien. Dat nu stelt Jezus van Nazareth ter discussie. Volgens de wetten van Mozes hadden vreemdelingen immers ook hun rechtmatige plaats in de samenleving. Je moest ze zelfs uitnodigen bij de religieuze maaltijden die je op de feestdagen met je familie, de tempelbedienden en de armen moest houden. Waarom zouden die Priesters dan ook de vreemdelingen niet hun rechtmatige plaats in de samenleving kunnen teruggeven? Ooit had een profeet zelfs een vijandige krijgsheer die met huidvraat was besmet de huidvraat van zich af laten wassen in de Jordaan en hem een nieuwe plaats in de samenleving gegeven. Dat afwassen leek toen al wel wat op de doop die ook Johannes de Doper bij de Jordaan gepredikt had. Een nieuw leven begon voor mensen die het op een andere manier wilden proberen.

En de mensen met de huidvraat wilden zeker een ander leven dan dat als buitengeslotenen. Zijn wij in onze dagen nu anders dan de 9 die niet terugkeerden bij Jezus van Nazareth? Als je de kranten leest en de TV kijkt konden we daar wel eens heel sterk aan moeten twijfelen. Wij bekijken mensen van een andere komaf als de traditioneel Nederlandse toch ook als vreemdelingen, als mensen die buitengesloten zijn. Hoe vaak hoor je Nederlandse jongens met Marokaanse ouders niet bestempelen als “vervelende Marokaantjes” in plaats van als “lastige hangjongeren”. Die “Marokaantjes” gaan zich dus als buitengeslotenen gedragen en houden zich aan geen enkele wet of regel meer. Waarom zouden ze ook, ze horen niet bij de Marokaanse samenleving, daar weten ze de weg niet, maar ze mogen ook niet bij onze samenleving horen. Jezus van Nazareth wijst ons een andere weg, die traditie levert meer op. Gelukkig krijgen we elke dag opnieuw de kans zijn Weg te volgen, ook vandaag weer.

Wij zijn maar knechten

zaterdag, 12 oktober, 2013

Lucas 17:1-10

Een mens wil ook wel eens bedankt worden nietwaar, een schouderklopje zo af en toe maakt dat je blijft weten wat je waard bent. Maar zo langzamerhand nemen we die schouderklopjes en die beloningen zo voor vanzelfsprekend dat het ontbreken er van ons direct doet ophouden met werken. Stank voor dank heet het dan, je doet iets goeds maar je krijgt er niets voor terug. Het is niet de levenshouding die Jezus van Nazareth ons hier voor houdt. In de eerste plaats maken mensen voortdurend fouten. Daar moet je ze niet voortdurend op aanspreken, maar je moet ze de kans geven het de volgende keer foutloos te doen. Dat vraagt soms wel even meer dan zeggen dat je ze vergeeft. Soms moet je uitleggen wat er fout was en wat er anders zou kunnen maar dan moeten ze weer een nieuwe kans krijgen. Vergeven heet dat proces. Vergeven is dus niet van zand er over, voor vergeven zijn er twee nodig, een die de kans geeft en een die de kans te baat wil nemen.

Maar wat dan als er weer een fout wordt gemaakt? Dan moet je weer vergeven zegt Jezus van Nazareth, zeven maal als dat nodig is. En zeven is het heilige getal, dus niet vergeven van 1,2,3,4,5,6,7, maar net zo lang tot het volmaakt is, tot het goed gaat en de fouten niet meer gemaakt worden. Met eindeloos geduld dus. Je wilt immers zelf ook geen fouten maken? Je bent zelf immers ook blij als iemand je de kans geeft het weer goed te gaan doen als je een keer de fout ingegaan bent? Je hoop toch ook steeds weer de kans te krijgen het op de goede manier te doen? Daarom is het dat als je je naaste net zo liefhebt als jezelf je telkens opnieuw samen met de die ander er aan werkt de fouten te herstellen en in plaats van het verkeerde het goede te doen, tot het volmaakt is. Jezus van Nazareth wijst er op dat de beste houding die van de knecht is. Die klopt zich niet op de borst, verwacht geen andere beloning dan die welke is afgesproken, die hoeft niet iets extra te krijgen maar zal zeggen dat enkel en alleen de plicht is gedaan.

“We deden wat we moesten doen” horen we zelfs de helden uit de oorlogen van onze dagen zeggen, de gewonden uit Afghanistan, de in de steek gelaten soldaten uit Srebrenica. Net als de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog die Europa bevrijd hebben van wrede tyranie. Ze deden slechts wat nodig was voor mensen in nood. In die houding mogen we ons dag in dag uit oefenen. We kunnen niet de hele wereld op onze schouders nemen maar samen kunnen we veel. We kunnen aandacht blijven vragen voor kinderen in gevangenissen, voor vluchtelingen die hier door onze overheid worden bedreigd, voor de slachtoffers in Syrië, voor de armen in Afrika die slachtoffer worden van de onrechtvaardige handelsakkoorden, voor de slachtoffers van de oorlogen om de grondstoffen waarmee onze mobiele telefoons en tablets gemaakt worden. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, zodat er een andere wereld ontstaant, waar de dood niet meer heerst en onze schuld vergeven is. Ook vandaag mag dat weer..