Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2013

Ik ben helemaal geen profeet

vrijdag, 20 september, 2013

Amos 7:10-17

Het woord van Amos blijft niet zonder gevolgen. Hij wordt aangeklaagd door de priester Amasja bij de Koning, het volk zou wel eens naar hem kunnen gaan luisteren. Het volk is namelijk niet helemaal achterlijk. Meestal schikken ze zich wel in de nukken van de bovenlaag, van de rijken. Zo lang ze zelf te eten hebben en er vrede in het land is kan het toch handig zijn het regeren maar aan een kleine groep uitverkorenen over te laten. Maar in de dagen van Amos neemt de dreiging van de wereldmachten toe en mislukt de oogst ook nog eens door een sprinkhanenplaag. Dan zijn die decadente rijken met hun ivoren paleizen, hun ivoren bedden een bron van ergernis. Zij sluiten bondgenootschappen met landjes die even zwak zijn, zij hebben te eten als het volk honger lijdt, bij hen kan het allemaal niet op. Het maakt het volk boos en onzeker. Amasja heeft dat goed door en de Koning moet zijn macht gebruiken om het gevaar voor de bovenlaag te keren.

In onze dagen laat de kerk zich niet zo gemakkelijk meer gebruiken om het volk rust te geven. Wie in deze dagen ook in de kerk uit het boek van de twaalfprofeten over Amos leest kan er niet om heen dat er veel parallellen te trekken zijn tussen onze samenleving en die van Amos. Ook hier is een bovenlaag die voortdurend buiten schot gehouden wordt. Terwijl de mensen die zorg nodig hebben die niet meer krijgen en afhankelijk worden van liefdadigheid van familie, vrienden en buren worden de inkomens en vermogens van de rijken buiten schot gelaten. Geen wonder dat Amos duidelijk maakt niet een prediker te zijn die aan zijn religie een goed bestaan ontleent maar een schaapherder en een vijgenkweker is. Zit iedereen in Israël in tijden van vrede niet onder zijn vijgenboom? En is de goede herder niet de man naar Gods hart die het beste het volk één kon maken en beschermen tegen de rovers uit het buitenland? Amos herinnert aan de richteren en aan David. Zo zou de bovenlaag van Israël moeten zijn.

Niet dus zoals de bovenlaag van Israël is. Waar overspel in de steden onder de rijken aan de orde van de dag is. In Israël was overspel door een getrouwde vrouw een schande voor haar man. Een band als gelijken waarbij ze één vlees waren geworden was kennelijk verwaarloosd en verbroken. Daar zijn er dan twee voor nodig was de redenering. Voor ons is overspel in de hogere kringen een bron van amusement waar veel geld mee te verdienen is. Het leidt ons gemakkelijk af van de vraagstukken waar het werkelijk in onze samenleving om gaat. We maken ons drukker over het handelen van een Nederlandse mevrouw die in Duitsland televisieprogramma’s presenteert en in de Rooms Katholieke Kerk aan een voetballer heeft beloofd eeuwig trouw te zijn dan om het lot van gezinnen die door de overheid gedwongen in onze parken en steden rondzwerven, zonder huis en zonder inkomen. Het zal duidelijk zijn waar volgens de Bijbel onze aandacht naar moet uitgaan. Die aandacht kunnen we elke dag opnieuw schenken, ook vandaag weer.

Mijn God, ik smeek u

donderdag, 19 september, 2013

Amos 7:1-9

Als je gelooft dat alles wat er gebeurd uit Gods hand komt, dan moet je wel geloven dat niet alleen het goede dat je toevalt van God is maar ook het kwade. En als je dan weet hebt van uiterst kwade daden, van uitbuiting en onderdrukking, van list en bedrog, van onrecht tegen de armen, dan moet dat kwade bijna wel een straf zijn van de God van Israël. Maar de God van Israël is een barmhartig God, het is een God die goedertieren genoemd werd, een God die niet laat varen het werk dat zijn hand is begonnen, een God die dichtbij de zwaksten en de minsten is en de verhevenen slechts uit de verte kent. Daarom weet Amos dat het aanroepen van de God van Israël nut heeft, dat een beroep doen op het zwak en nietig zijn van het volk God kan brengen tot redding. Als tenminste dat volk bereid is weer te gaan geloven in de mogelijkheden die het verbond hen geboden heeft en de richtlijnen voor de menselijke samenleving gaat volgen, die van Gij zult niet doden, en van Gij zult niet begeren.

Het aanroepen van de God van Israël is niet een vrijblijvende zaak. Als de God van Israël gebeden verhoord dan moet er een fundamentele verandering plaatsvinden. In de loop van de geschiedenis zijn we dat bekering gaan noemen. Dan zijn er allereerst geen andere goden meer, de heiligdommen worden verwoest. In onze dagen zou je zeggen dat de banken blijvend genationaliseerd worden en het bankpersoneel onder streng toezicht gesteld. Winst en profijt zijn namelijk niet meer de drijvende krachten in onze samenleving maar de liefde voor de zwaksten en de minsten. De leiders die zichzelf verrijkt hebben met hoge inkomens en bonussen zullen hun leiderspositie verliezen. In de dagen van Jerobeam vielen koningen nu eenmaal ten prooi aan het zwaard, in onze dagen mogen ze meewerken in de reinigingsdiensten van de grote gemeenten.

Let er overigens even op dat de sprinkhanen uit het begin van dit stuk rustig het laatste groen van het land mogen eten. Geen enkel wonder is er hier aan de hand, geen wonder redt het volk van Jakob. De redding komt van het verwoesten van heiligdommen en het afzetten van een slechte koning. Met het verwoesten van de heiligdommen voor andere goden, de plaatsen waar afgodendienst wordt bedreven komt de Wet van de naastenliefde weer aan de orde. Dan zullen de graanschuren in de dorpen en steden weer gevuld worden voor slechte tijden zoals in de Wet van Mozes staat, dan blijven druiven hangen om geplukt te worden door de armen en mogen zij de aren rapen die bij de oogst op de grond gevallen zijn. Pas als een volk weet te delen weet een volk ook te overleven. Dat was in de dagen van Amos zo en dat is in onze dagen niet anders. Het blijft vreemd dat niemand spreekt over een maximum aan de inkomens in ons land. Wie geen maximum wil mag zijn diefstal in een ver buitenland voortzetten. Een volk dat deelt wordt rijker. Wij mogen daar elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Toch veranderen jullie het recht in gif

woensdag, 18 september, 2013

Amos 6:8-14

Het gaat volgens Amos met Israël van kwaad tot erger. Zo erg dat de God van Israël zweert de inwoners van de hoofdstad Samaria uit te leveren aan de vijanden. Die God heeft een afschuw gekregen van de hoogmoed van de burchten van Samaria. Wij kennen nog de kastelen met dikke muren waar edelen woonden die dachten daar onverslaanbaar te zijn. De geschiedenis leerde ons dat het anders was, ook de sterkste kastelen vielen onder het geweld van de belegeraars. Vertrouwen op veiligheidssystemen is dus hoogmoed. Die systemen zijn bij ons wat anders ingericht dan met dikke muren alleen. Alles en iedereen wordt afgeluisterd en soms hoort men plannen maken die verijdeld moeten worden. Maar de eenling die kwaad is omdat hij genegeerd wordt en met geweld aandacht wil vragen is niet tegen te houden met veiligheidssystemen, alleen met liefde en aandacht is die kwaadheid te ontdekken en misschien weg te nemen.

Zelfs als er nog tien mensen bijeen zijn om zich tot de God van Israël te wenden, tien was het minumum, dan belijden zij vergeefs hun godsdienst, ze zullen sterven en de lijkenruimers wordt gevraagd niet meer de naam van de God van Israël hier te noemen, die is er niet bij betrokken. Al die mensen die zich zo vroom en sterk voelden, God staat aan onze kant stond er op hun munten, worden door de God van Israël verworpen. Die God gaat het immers niet om vroomheid, niet om offers, niet om prachtige gewaden of mooie liedjes, niet om praise en worship, dat alles verwerpt onze God. De God van Israël gaat het om levende mensen, mensen die aan de kant van de weg komen te staan, mensen die niet meer tot hun recht komen. En in Samaria kwam je tot je recht als je het nieuwste bezat, als je het mooiste kon laten zien, als je de meeste winst had gegenereerd. Daarmee is het recht van de God van Israël tot gif geworden. De zilveren schalen die worden doorgegeven, de opbrengsten voor goede doelen die gemeld worden, zijn schijn, het gaat vaak meer om eer dan om mensen.

In militair opzicht ging Israël er prat op een groot aantal steden te hebben veroverd. Amos noemt er twee en ons blijft de betekenis verborgen als we de namen niet vertalen. Lo-Debar betekent: “een ding van niets” en Karnaïm gaat over horens waarmee ook de legers van wereldmachten werden aangeduid. De trots op militaire prestaties gaat dus over niets. Kleine gebieden van Syrië waren veroverd, een buurland tot vijand gemaakt, maar het geeft geen enkele garantie dat een wereldmacht zou kunnen worden verslagen. Integendeel, wie wind zaait zal storm oogsten. Ook in onze dagen kan een wereldmacht geen krijgszuchtig volkje tolereren aan haar grenzen en bij de bondgenootschappen die gesloten zijn werden in onze dagen dan ook de wereldmachten nauw betrokken. Heel langzaam groeit bij ons de overtuiging dat militaire kracht alleen door alle landen van de wereld samen kan worden vertoond. En dan dan zijn we aangekomen bij de God van Israël, schepper van hemel en aarde, die over de hele aarde gaat. Zijn weg te laten volgen door alle volken zou pas echt vrede geven. Wij kunnen een begin maken door zijn Weg, de weg van liefde voor de minsten, in onze eigen omgeving te volgen. Dat mag elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Luidkeels zingen jullie

dinsdag, 17 september, 2013

Amos 6:1-7

We moeten allereerst benadrukken dat we ook vandaag de lezing halen uit het dagelijks leesrooster zoals dat door het Nederlands Bijbelgenootschap wordt uitgegeven. Hoewel de lezing uit Amos gaat over slechte leiders die zich niets aantrekken van de toenemende armoede van het volk heeft de keuze van de lezing dus niets te maken met Prinsjesdag en het voorstel van het kabinet om de koopkracht voor gepensioneerde weduwen volgend jaar met anderhalf procent te laten dalen. Het is wel lastig want de waarschuwing die Amos in zijn tijd tot de rijken in Jeruzalem richt klinkt in onze dagen hoogst actueel. In het gedeelte van vandaag spreekt Amos over ivoren bedden. Eerder al had hij het zelfs over ivoren paleizen. De rijkdom van de rijken moet uitgebreid worden getoond. We zouden vandaag zeggen dat de bonussen rondvliegen in de hoofdstad. Net als de werkloosheid zou Amos daarop antwoorden.

Amos richt zich overigens net zo goed tot de rijken in het rijkje Israël als tot de rijken in Juda. Het lijkt er op of ze nergens gevaar zien. In de omliggende landen valt de ene stadstaat na de andere. Amos noemt ze bij name, wij kennen ze net zo min als we al die stadjes en plaatsen in het Midden Oosten kunnen onthouden waar raketten vallen en gifgas wordt gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten. Maar de rijken kennen ze net zo goed als onze diplomaten die stadjes in het Midden Oosten kennen. In de dagen van Amos waren er wereldrijken gevormd die de bevolking van veroverde landjes deporteerden naar hun eigen land, dan waren die potentiele vijanden beter in de hand te houden. Als je een bovenlaag van een samenleving deporteert dan worden er geen opstanden georganiseerd en tegen het wegvoeren van profiteurs protesteert niemand.

Amos schetst haarscherp de gevolgen van de onverschilligheid. Als de rijken nu maar hadden gezorgd voor de grote massa van armen dan hadden ze een sterke bondgenoot gehad. als de rijken niet zo opzichtig hadden gepronkt met hun rijkdom dan was het moeilijker geweest uit te maken wie bij de bovenlaag hoorden en wie niet. Dan hadden Juda en Israël wellicht nog een kans gemaakt. Ze waren er eerder goed afgekomen toen een koning had aangeboden een wereldrijk een jaarlijkse schatting te betalen. Nu vertrouwden ze op hun rijkdom en de bondgenootschappen die ze links en rechts hadden afgesloten. Ondertussen dienden ze vreemde goden. De schalen die in de Tempel bedoeld waren om gemeenschappelijke maaltijden te houden met de armen en de vreemdelingen gebruikten ze voor zichzelf. Daarom zouden ze worden gedeporteerd. Niet omdat de God van Israël dat wilde, maar omdat ze het over zichzelf hadden afgeroepen. Ook voor ons een waarschuwing. Als we doorgaan met een oneerlijke verdeling van de welvaart dan zullen we die welvaart verliezen. Aan het werk dus met delen en Fair Trade, elke dag kunnen we daar opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Iemand had twee zonen

maandag, 16 september, 2013

Lucas 15:11-32

Dit verhaal staat in een serie van opmerkingen over Jezus van Nazareth die bij tollenaars en zondaars ging eten. Zijn antwoord was dat, als je ook maar een klein deel van je bezit kwijt bent, je alles opgeeft om het weer terug te vinden. Maar hoe ga je dan met mensen om? Daarover gaat het verhaal van de twee zonen. Of is het een verhaal over de ene vader? Want je moet toch een beetje medelijden hebben met de zoon die is blijven leven, die thuis bleef. Die krijgt geen schouderklopjes voor zijn aanvankelijk goede keus. Ja een aanvankelijk goede keus. Gewoon thuisblijven, meehelpen in het bedrijf van vader en niet het erfdeel er doorheen jagen is natuurlijk een goede keus. Maar niet binnenkomen en meedelen in het feest om de teruggekeerde broer lijkt toch niet een goede keus. Die teruggekeerde broer was van de weg van de vader afgeweken. Zoals zijn vader en zijn broer deden, deed hij niet, integendeel. Daarmee was hij voor zijn familie dood, hij hoorde niet meer bij de familie. Maar moet je dan een blijvende boycot uitspreken? Moet je dan je hele leven boos blijven om die ene scheve schaats die er ooit was gereden? De vragen stellen is de vragen beantwoorden.

Zuur kan je er van worden. Chagerijnig ook. Doe je je best, gaat een ander met de eer strijken. Wordt je collega bevorderd en je buurman wint de jackpot in de loterij. De Postcodeloterij maakt het nog erger. Het winnende lot kan daarbij zomaar op jouw postcode vallen en als je dan geen loten hebt dan win je helemaal niets. De kans dat overigens dat het winnende lot op jouw postcode valt is overigens vrijwel nihil, het komt dus uiterst zelden of bijna nooit voor. We gunnen daarbij een ander ook nooit het geluk dat zomaar toevalt. Daar gaat dit verhaal uit het Evangelie van Lucas ook over. Geluk dat je zomaar ten deel valt. Er wordt een feest gegeven omdat iemand eindelijk eens normaal doet. Over de mensen die altijd al normaal doen hoor je nooit wat. Als je maar gek doet, of uit de band springt, dan wordt er over je gesproken en als je alles over de balk hebt gegooid en je wel gedwongen wordt om weer een beetje normaal te doen, dan organiseren ze nog een feest voor je ook.

Dat is zuur, daar kun je knap chagerijnig van worden. Waarom krijgen we toch zo de indruk dat in de Bijbel juist dat feest het centrale feest is, dat men daar niet onder het organiseren van dat feest uit denkt te kunnen. Want die zoon die thuiskomt was toch niet verloren? Ze wisten toch heel goed waar die heen was. Hij had er toch zelf om gevraagd? De zoon die thuis bleef niet, die had niet gevraagd om al dat werk, om zelfs dubbel werk toen zijn broer de hort op ging. Voor die zoon hadden ze een feest moeten organiseren. Die had het immers volgehouden al die tijd, werken voor twee en nog thuis blijven ook. Eerlijk is het niet. Maar het is een verhaal van Jezus van Nazareth, die vertelt het nadat hij kritiek had gekregen dat hij steeds met slechte mensen omging. Dat hij die slechte mensen er op wees dat ze zich eigenlijk hadden te gedragen als de goede mensen ligt nog voor de hand, maar een feest houden als ze zich normaal gaan gedragen. Pas als jezelf van je naaste houdt als van jezelf, als je jezelf in weet te zetten voor de zwaksten in de samenleving ga je begrijpen wat bedoeld wordt. En dat van je naaste houden mag elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Die man ontvangt zondaars en eet met hen

zondag, 15 september, 2013

Lucas 15:1-10

Hoe gaan we met mensen om en hoe gaan we met bezit om? In het verhaal dat hier uit het Evangelie van Lucas wordt gelezen stelt Jezus van Nazareth die beide tegenover elkaar. Hij gaat om met mensen die het niet zo nauw nemen met het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Integendeel belastingpachters, tollenaars dus, en andere zogenaamde zondaars zorgden in de eerste plaats voor zichzelf en dan pas voor anderen. Jezus van Nazareth probeert hen er steeds toe te brengen dat andersom te doen en ze daarbij te laten zien dat ze pas daardoor een plaats in de samenleving verdienen. Want mensen die voor de vijand werken of alleen voor zichzelf zorgen plaatsen zich buiten de samenleving nietwaar. Mensen die zich fatsoenlijk gedragen, die zich aan orde en regel houden staan in groot aanzien.

Toch kun je je afvragen of ze eigenlijk met dat nette en ordelijke gedrag toch niet ook in de eerste plaats voor zichzelf zorgen.Gaan ze bijvoorbeeld anders met bezit om? De vergelijking van de schaapherder die een schaap kwijt is of de huisvrouw die een munt kwijt is snappen ze kennelijk direct. Als er iets van je bezit vermist wordt dan keer je alles om teneinde het terug te vinden. Als je al zo met bezit omgaat hoe zou je dan met mensen om moeten gaan? Het is vandaag de dag natuurlijk niet anders. Belastingen bestemd voor de armen, de ziekenhuizen, de veiligheid, de straten de wegen en het openbaar vervoer, voor scholen en universiteiten, voor dijken en sluizen, worden lasten genoemd. Als je dan iets meer belasting wil heffen van de rijken om de armen iets meer te kunnen ontzien en ze iets te kunnen laten delen in de geweldige rijkdom van ons land dan wordt er geklaagd dat de lasten op onaanvaardbare wijze worden verhoogd.

Ook in onze samenleving is het beter te snappen dat je alles in de steek laat om een snipper gemis aan je bezit weer goed te maken dan dat je regels van fatsoen en gewoonte in de wind slaat om de armen en hen die buitengesloten zijn te helpen en weer een plaats in de samenleving te bezorgen. Samen een maaltijd houden maakt dat je samen op hetzelfde niveau komt, maar ook dat je elkaar kunt aanspreken op het goede dat we voortdurend zouden moeten doen. Bezit vergaat, het bederft of het roest weg. Liefde voor mensen blijft, het groeit alleen maar door de jaren heen. Hoe langer iemand mensen lief heeft hoe meer die persoon groeit in aanzien onder mensen. Niet onder mensen die meer waarde hechten aan bezit. Maar mensen horen geen bezit te zijn, geen voorwerpen die je kunt gebruiken, mensen horen je gelijken te zijn, zusters en broeders, die een echte volwaardige plaats hebben in de samenleving. Misschien is daar een nieuw soort samenleving voor nodig, het Koninkrijk van Jezus van Nazareth.

Wie geen afstand doet van al zijn bezittingen

zaterdag, 14 september, 2013

Lucas 14:25-35

Heeft de Bijbel een hekel aan rijken? We herinneren ons de hoofdpersoon uit het boek Job. Die was zeer rijk staat er aan het begin. Aan het eind van het boek staat dan dat hij zeven keer zo veel ontving als hij aan het begin had gehad. Dat is dus niet alleen zeer rijk maar superrijk. Wat betekent het dan dat Jezus van Nazareth zegt dat wie geen afstand doet van al zijn bezittingen geen leerling kan zijn? Uit het boek Job hadden we geleerd dat Job zelf geen waarde hechtte aan al die rijkdom. Hij deelde dat met de armen en de vreemdelingen. Hij ging zelfs zo ver dat als zijn kinderen mogelijk eens het personeel, de armen en de vreemdelingen vergeten zouden kunnen zijn bij het houden van een feest Job dit de volgende dag alsnog goed ging maken.

Dat is dus de geest waarin we ook dit verhaal van Jezus van Nazareth moeten lezen. Afstand doen van de bezittingen is niet een hekel hebben aan rijken maar een hekel hebben aan armoede en houden van de armen. Toen we lazen dat Jezus van Nazareth zeventig van deze leerlingen er op uit stuurde om het Evangelie te verkondigen was de inhoud van dat Evangelie de bevrijding van de armen. In de praktijk blijken veel rijken alleen van zichzelf te houden. Ze willen geen belastingen betalen om daar uitkeringen, scholing, openbaar vervoer en zorg uit te betalen, hooguit belasting om nog meer asfalt aan te leggen voor grote personenauto’s en meer blauw op straat om de armsten in bedwang te houden. Zelfs het geringste voorstel om voor een paar van de allerrijksten iets meer bijdrage te vragen in de staathuishouding kan al rekenen op het grootste verzet van de rijken.

Gelukkig zijn er ook rijken die zelf met voorstellen komen om iets meer te delen. Die zich evengoed inzetten voor het afschaffen van de onrechtvaardige tolmuren en hun bezit gebruiken om ruimte te maken voor het herzien van onze samenleving in een rechtvaardige samenleving. Ze financieren studie’s naar herverdeling van kennis macht en inkomen, beter gebruik van grondstoffen en tegengaan van klimaatverandering en maken hun tijd vrij om eigenhandig mensen te helpen in de zorg of de gevangenissen. Zij geven het voorbeeld dat we allemaal kunnen volgen. Bij Christenen verdwijnt immers ook het onderscheid tussen armen en rijken? Daarvoor moeten we dus allemaal los komen van ons bezit. Wie het bezit op de eerste plaats zet kan dus nooit God, of Christus op de eerste plaats zetten. Daarom moeten we ons elke dag weer los maken van waar we aan hechten, zodat we ons des de vaster aan het voorbeeld van Jezus kunnen hechten en de armen gaan bevrijden van de armoede, ook vandaag weer.

Ik zal jullie in ballingschap voeren

vrijdag, 13 september, 2013

Amos 5:21-27

Tussen de regels door schetst Amos een rijk land. Het kan niet op. Maar het is een land van rijken en dus ook een godsdienst van rijken. Overvloedig worden er offers gebracht. Uitgebreid worden de jaarlijkse feesten gevierd. In onze dagen zouden we zeggen dat de tafels voor het kerstdiner bezwijken onder het gewicht van het vele eten en de grote hoeveelheden drank. Dat de God van Israël een zo rijk land veroordeelt wekt op zich toch enige verbazing. Die God had toch een land beloofd dat overvloeien zou van melk en honing? Nu, de rijken in het rijkje Israël hadden dat stadium ruimschoots bereikt, ze waren er zelfs bovenuit gestegen. En ze waren de God van Israël daar ruimschoots dankaar voor. De feesten in Israël stonden in hoog aanzien. Maar zelfs de psalmen die begleid met harpen ten gehoren werden gebracht in de heiligdommen wilde de God van Israël niet horen.

Waarom die afkeer? De God van Israël had een afkeer van slavernij, daarom had hij het volk uit Egypte bevrijdt. De God van Israël had een hekel aan armoede, daarom was dat land gegeven dat overvloeide van melk en honing. In een zo rijk land hoeft geen armoede te zijn. Daar kan iedereen tot zijn of haar recht komen. Daarom de oproep om in plaats van godsdienstigheid recht te laten stromen als water, en gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek. Wie eens op vakantie geweest is in een bergachtige omgeving kent het beeld, ineens sta je voor een helder klaterende bergbeek waar een overvloed van bloemen groeien waar de lucht fris is. Zo wassen gerechtigheid en recht de samenleving schoon. Een land waar de aandacht in de eerste plaats naar de minsten uitgaat, waar zorg is voor de zwakken en waar iedereen tot zijn of haar recht kan komen is een rijk land, daar hoeven geen rijken mee te pronken.

En dat pronken doen de Israëli uit de dagen van Amos ook. Ze hebben beelden gemaakt van koning Sakkut en sterrengod Kewan. Je moet toch laten zien hoe mooi je goden zijn, hoe stralend ze zorgen voor het volk, dat doen ze dus niet echt. Het zijn de heiligenbeelden die trots worden rondgesjouwd door de straten van Samaria en die de maaltijden opluisteren die bij de heiligdommen worden genuttigd op de hoogfeesten van het liturgisch jaar. Maar ook godenbeelden maken slaven van gelovigen. Hun geloof ligt vast, heeft een onveranderbaar uiterlijk. Terwijl de echte God van Israël niet te vangen is in een beeld. Die God is er zoals hij er zijn wil. Die God kan er voor de een op een heel andere manier zijn dan voor de ander. Wij mensen hebben die God niet vast te leggen, wij mensen hebben alleen voor elkaar te zorgen alsof we voor onszelf zorgen. Dat vraagt die God ons om elke dag opnieuw te doen, ook vandaag
weer.

Jullie vertrappen de zwakken

donderdag, 12 september, 2013

Amos 5:10-20

Het is ergste is volgens Amos dat het handjevol mensen dat zich blijft bezig houden met het recht, vooral het recht voor de armen, veracht worden. Je telt niet mee als je opkomt voor het recht. Ze verafschuwen wie de waarheid spreken. In onze dagen zie je bijna het omgekeerde. Vrijwilligers die werken bij de voedselbanken worden graag in het zonnetje gezet. Het zijn in de publieke opinie de goede burgers die nog wat over hebben voor hun naaste. Wie in een goed licht wil komen te staan zet weer eens wat van die vrijwilligers in het zonnetje. Maar de steun is schijn. De voedselbanken hebben de grootste moeite om te voldoen aan de toenemende vraag van het steeds groter wordende leger van armen. Zij die de vrijwilligers in het zonnetje zetten doen er beter aan te zorgen voor een goede voorraad voor de voedselbanken.

Voor wie in onze samenleving de waarheid spreken is het nog erger. Er was een tijd dat heel het volk opschrok als de klokken begonnen te luiden. Op de vaste tijd moest men naar de kerk om de waarheid te horen verkondigen, maar buiten de vaste tijden betekende het luiden van de klokken dat er iets ergs gebeurd was. Wie misstanden in maatschappelijke organisaties en bedrijven naar buiten brengt wordt tegenwoordig ook klokkenluider genoemd. Ondanks alle simpatie die er is voor klokkenluiders vergaat het hen in het algemeen niet goed. Ze verliezen hun baan en raken niet zelden aan lager wal. Alle maatregelen om hen te beschermen ten spijt. We zouden wat meer bronzen standbeelden voor ze moeten oprichten, ter waarschuwing voor hen die kwaad in de zin hebben.

In de dagen van Amos mochten de armen de aren rapen die bij het oogsten op de akker waren gevallen, aan de randen van de akker liet men aren staan zodat die geoogst konden worden door de armen. Maar de rijken eisten dat ook de armen belasting betaalden, ze moesten een deel van het graan afstaan om legers van te betalen en paleizen voor de heersers. Amos roept zijn volk op het goede te doen en niet het kwade. In zijn dagen groeide de overtuiging dat er een dag zou komen dat de goeden echt beloond zouden worden en de kwaden echt gestraft. Dan zou er een wereld komen waar alle tranen gedroogd zouden zijn, waar geen armoede zou bestaan en waar je zelfs niet meer bang hoefde te zijn voor wilde dieren. Wie niet aan die aarde had willen meewerken zou buitengeworpen worden in de buitenste duisternis. Wie er aan mee had gewerkt of slachtoffer was geworden van de dienaren van het kwaad mocht op die nieuwe aarde wonen. Wij zijn nog steeds op weg naar de nieuwe aarde, elke dag mogen we er weer aan werken, ook vandaag.

Ze zal niet meer opstaan

woensdag, 11 september, 2013

Amos 5:1-9

Amos zingt een keihard lied over Israël. Een protestsong zoals we die  vandaag de dag bijna niet meer durven zingen. Het klinkt een beetje als dat lied van Lennart Nijgh en Boudewijn de Groot: “Welterusten meneer de President”, geschreven en gezongen toen in Vietnam vrouwen en kinderen, ouderen en jongeren met Napalm werden bestookt en de meest wrede dood moesten sterven. Amos ziet hier de welvaart en decadentie van de rijken in Israël. Hun hoofdstad Samaria met de ivoren paleizen, de heiligdommen in Betel en Gilgal waar dag en nacht wordt geofferd maar waar niemand mee eet van de offers. Wie niet kan offeren moet honger lijden en wie arm is telt niet mee en wacht de slavernij.

Die mooie godsdienst van Israël wordt hier ruw aangepakt. De God van Israël wil geen religie, geen mooie gewaden en welruikende wierook. Een tijdgenoot van Amos, de profeet Hosea, zou zelfs namens die God zeggen dat die God geen offers wil maar gerechtigheid. Ook Amos zet de gerechtigheid centraal. Die Heiligdommen zullen verdwijnen, Betel zal zelfs een plaats van onheil worden. Wat het volk moet doen is de God van Israël zoeken. Velen zullen gedacht hebben dat ze dan zeker naar Jeruzalem moeten om daar hun godsdienst te belijden. Maar daar heeft Amos het niet over. Amos heeft het over recht en gerechtigheid, dat recht in onrecht wordt veranderd, dat het recht van Israël voor de rechtzoekenden een bittere smaak krijgt is de reden dat ze moeten veranderen.

Het recht in de Hebreeuwse Bijbel is vrijwel altijd het recht van de armen. En de armen wordt het recht ontzegd om tot hun recht te komen. Dat klinkt als een woordenspel maar Paulus zal ons later uitleggen dat leven in de liefde van God, de liefde voor de minsten, betekent dat je beter mens wordt, ja dat je dan pas een echt mens wordt zoals God die heeft bedoeld. Wij hebben Jezus van Nazareth als voorbeeld hoe je dan zou kunnen leven. Als het moet dan geef je daar zelfs je eigen leven voor. Het lied van Amos moet ook ons behoeden voor gemakkelijk gevierde godsdienstigheid. Halelujah zingen en roepen dat je Jezus lief hebt is geen Bijbelse godsdienst. Dat soort godsdienst vergaat en verdwijnt in onderlinge ruzies en machtsvertoon. Centraal in de Bijbelse godsdienst staat de God van Israël en wat Hij wil, volgens Jezus was dat God liefhebben boven al en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf, daar moeten we naar op zoek, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.