Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2013

Toch had ik bijna een misstap begaan

maandag, 30 september, 2013

Psalm 73

De vervolging tegen de klokkenluider van de bouwfraude is door het openbaar ministerie gestaakt. Met grote verbazing hebben een heleboel mensen het proces gevolgd. Er was door grote bouwondernemingen op grote schaal gefraudeerd. Bouwwerken voor met name de overheid zijn voor veel te hoge prijzen gebouwd omdat de ondernemingen in strijd met de wet daar afspraken over hebben gemaakt. Het gevolg was dat veel te hoge financieringen moesten worden afgesloten en dat ook nu nog veel te hoge rente en aflossingen moeten worden opgebracht. De ondernemingen hebben de vervolging van de misdrijven afgekocht en doen nog steeds of er niks aan de hand was. De klokkenluider die het niet langer kon aanzien en de bewijzen aan de media verstrekte verviel tot armoede en werd door justitie jarenlang met vervolging wegens diefstal bedreigd. De verbazing die het opriep is hetzelfde soort verbazing als de dichter van de Psalm die we vandaag met de kerk meezingen had. Met de goeden gaat het slecht en met de kwaden gaat het goed.

Het is steeds weer hetzelfde. Als de onrechtvaardige inkomensverschillen verkleind dreigen te worden komen de rijken in het geweer en roepen dat ze door de nivellering te zwaar worden belast. Het zijn duivelse verhalen waar de armen eigenlijk geen antwoord op hebben. De onrechtvaardige inkomensverschillen dienen nu eenmaal verkleind te worden om aan de armen recht te doen. De Psalmist wordt gewoon jaloers op de mensen die zich zo gemakkelijk kunnen verweren tegen elke aantasting van hun positie. Een extra heffing voor mensen met een exorbitante beloning wordt dan ook zonder tegenspraak jaloeziebelasting genoemd en het zijn mensen die zich tooien met het predikaat Christelijk  die de duivelse verdediging van de rijken aanvoeren. Je zou je bijna bij de ordelievende rijken die geen verandering dulden aansluiten. Ook de Psalmist had bijna een misstap begaan. Maar dan let de dichter op het einde, let op wat het opleverd.

Het levert de dood op. De manier van leven waar ze aan gewend zijn houdt op. Als er maar een handjevol mensen overblijft dat goederen kan kopen en er dus niemand meer nodig is om goederen te maken stopt de kringloop van geld en goederen. Dan breekt de honger uit, maar dan hebben de werklozen de tijd het eten voor zichzelf te verbouwen, in sommige delen van ons land gebeurd dat dus al. Vetgemest gaan de rijken dood aan hart en vaatziekten terwijl de armen, gedwongen tot eenvoudig voedsel en veel langer en veel gezonder vol houden in het leven. Natuurlijk, de welvaart druipt van de rijken af en dat is verleidelijk zeker voor mensen die dag in dag uit moeten worstelen voor hun bestaan. Religieuze rituelen als het wassen van de handen voor er offers worden gebracht, het wassen van handen in onschuld, helpen niet om te overleven. Alleen delen met elkaar geeft de garantie op een toekomst. En dan zie je dat al dat vertoon van welvaart nog geen vertoon van welzijn is, dat het eigenlijk lucht en leegte is en najagen van wind. Delen met elkaar, de naaste liefhebben als jezelf, de Wet van de God van Israël volgen geeft een oneindige toekomst en vrede in het huidige leven. Dat mag gewoon elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

En ze hadden elke dag te eten

zondag, 29 september, 2013

1 Koningen 17:7-24

Elia kwam uit Tisbe in Gilead ten oosten van de Jordaan en het leven in de woestijn zal hem niet helemaal vreemd geweest zijn. Maar als het niet regent dan droogt ook een bergbeek uit, dan is er ook voor de raven geen vlees meer te vinden. Hoe gaat het onder koning Achab met de mensen in het land?  Brengt dat verbond met Sidon iets voort dat goed is voor de armen? Dat horen we in het verhaal over de weduwe in Sarafat, vlak bij Sidon, de machtige bondgenoot van Koning Achab. Volgens de Wet van de Woestijn zou die weduwe het goed moeten hebben. Het tegendeel is het geval. Ze wil best delen, haalt direct water als dat gevraagd wordt door een stoffige reiziger, maar meel en olie zijn bijna op. Het kan niet anders dan zij en haar zoon zullen dood gaan van de honger. Maar dan laat Elia zien waar die wetten voor bedoeld zijn. Als je echt bereid bent om te delen met een ander dan kom je nooit te kort. Dan blijft er altijd genoeg voor iedereen om te overleven. Wij durven daar nog steeds niet op te vertrouwen. Wij beschermen onze landbouw zo krampachtig dat er van delen geen sprake is en daar gaan ontelbare mensen in Afrika dood aan. Wij kiezen nog steeds de kant van koning Achab met zijn aanbidding van de goden van winst en profijt en strategische bondgenootschappen.
We hebben het de afgelopen weken weer in alle toonaarden kunnen horen. Als je God hebt leren kennen, als je voor Jezus op je knieën bent gevallen dan is al je ellende voorbij, dan kan je niets meer overkomen. Nou die sprookjes hoef je dus niet aan die weduwe uit Sarafat te vertellen. Die had een man van God ontmoet, een profeet. Ze had volgens de geboden zich bereid getoond om het allerlaatste wat ze aan levensvoorraad had te delen en juist dat delen had hen allen in leven gehouden. God zij geloofd en geprezen. En is nu haar ellende verdwenen? Kan haar in de schaduw van de Allerhoogste niets meer gebeuren? Vergeet het maar. Haar zoon wordt ziek, wordt nog zieker en uiteindelijk lijkt al het leven uit hem geweken. Dat is schrikken, dan gaat het dus niet goed. En zoals het zo vaak gaat komt direct de overtuiging dat ze het wel niet goed zal hebben gedaan. Ze zal wel gestraft moeten worden met het lijden, met de dood van haar zoon. Mensen willen elkaar dat ook nog wel eens aanpraten, het lijden dat je overkomt is een straf van God. Pas als het een straf van God is heeft het lijden immers zin.

Wat is anders de zin van het lijden van de zoon en de weduwe van Sarafat? Het is toch onrechtvaardig een arme weduwe ook het laatste dat ze nog heeft af te nemen. Wat is dat voor een wrede God dat die dat toelaat? Het verhaal dat wij vandaag lezen geeft hele andere antwoorden. Van straf is in de eerste plaats geen sprake. Van een ziekte door God gezonden is ook geen sprake. God wil die ziekte en dat sterven ook niet. Maar het zullen mensen zijn die iets moeten doen. En we weten dat het zo is dat mensen ziek kunnen worden, ongelukken krijgen, verkeerde beslissingen kunnen nemen, slachtoffer kunnen worden van geweld en aan die oorzaken dood kunnen gaan. Waar het om gaat is dat je voor die zoon gaat staan, alles gaat doen om dat sterven te voorkomen, dat je opkomt voor die weduwe en alles doet om haar recht te doen. Dat is wat Elia hier gaat doen, drie keer gaat hij met de jongen dood, om drie keer met hem op te staan. In de manier waarop de verhalen over Elia ons worden verteld is dat de manier waarop Elia alles voor die jongen doet en de weduwe recht probeert te doen. Daarbij is God aan te roepen.  Niet dat we lijken tot leven kunnen brengen, maar mensen die het leven niet meer zien zitten, die geen toekomst meer zien in tijden van armoede en ellende, die kunnen we weer hoop op leven geven en hoop doet leven. En hoop brengen voor de armen mogen wel elke dag opnieuw, ook vandaag.

Hij liet in Samaria een tempel voor Baäl bouwen

zaterdag, 28 september, 2013

1 Koningen 16:23-17:6

In het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat er strijd was tussen de Joden en de Samaritanen. Die strijd ging lang terug. Toen Ezra en Nehemia terug kwamen uit de ballingschap merkten ze dat de achterblijvers rond de stad Samaria getrouwd waren met zonen en dochters van de volken rondom hen. Wie nu behoorde tot Israel en wie niet was eigenlijk niet goed uit te maken. In de geschiedschrijving van het volk Israel, zoals we die hebben in de boeken Koningen en Kronieken gaat de strijd nog veel verder terug. Al vrij kort na het regeren van David en Salomo viel het rijk van David uiteen in een Koninkrijk Juda en een Koninkrijk Israel. In het gedeelte dat we vandaag lezen zien we het ontstaan van de hoofdstad van Israel Samaria. We lezen ook hoe in Samaria een Tempel wordt gesticht voor de Kanaänitische god Baäl. De vruchtbaarheidsgod. En aangezien de Bijbel uiteindelijk zou oproepen tot trouw aan het centrale heiligdom de Tempel in Jeruzalem keert met het stichten van de Tempel in Samaria het rijk Israel zich af van de God van Abraham, Izaak en Jacob.

Die Achab die de tempel voor Baäl stichtte was in de ogen van de Bijbel dan ook een hele erge slechterik. Nu schrijft de Bijbel niet het soort geschiedenis dat wij gewend zijn. In ons soort geschiedenis gaat het over de rijken en over de machtigen. Niet over de aanhangers van de God van Israël en dus over het lot van de armen, het lot van de weduwen en de wees, van de zwakken in het land. In het soort geschiedenis dat wij gewoon zijn te bestuderen was die Achab helemaal niet zo’n verkeerde koning. De economie ging goed in Israël en hij had een slim huwelijk gesloten met Izebel de dochter van de koning van Sidon, de noordelijke buur van Israël. Daardoor had hij weinig te vrezen van aanvallen uit het Noorden en had hij daar in elk geval een sterke bondgenoot. Godsdienstig hield hij het ook aan de voorzichtige kant. Door het aanbidden van Baäl en het oprichten va de Asjerapaal hield hij ook de vreemdelingen in zijn land tevreden. Tolerantie om er aan te verdienen. Niet verkeerd. Waarom dan die afkeuring die uit het Bijbelverhaal spreekt? Waarom dan spreken over het tergen van God?

Economische voorspoed. goede militaire bondgenootschappen en tolerantie zijn toch niet verkeerd? Als je dat zo opschrijft zou de vraag ook kunnen komen van Nederlandse politici, vooral die van de regeringspartijen. Van economische voorspoed profiteren immers ook de armen, van vrede profiteert iedereen en tolerantie willen we toch ook voor onszelf? Maar ontstaat op die manier een rechtvaardige samenleving? Wordt er gezorgd voor de zwakken, of zijn die afhankelijk van liefdadigheid, als bedelaars? En wie verdient aan die militaire vrede? En doet die tolerantie de vreemdelingen recht, of wordt er alleen van hen geprofiteerd? Dat zijn vragen die voortkomen uit de Wet die in Jeruzalem werd bewaard, heb Uw naaste lief als Uzelf. En je naaste liefhebben als jezelf is er voor machthebbers als Achab en Omri niet bij. Zelfs Jericho werd weer opgebouwd. Er was een profeet nodig om Achab te wijzen op het onvruchtbare van zijn politiek. Elia begon de strijd tegen Baäl vanuit de woestijn. Bij een beek brachten raven hem vlees, aan Noach had de raaf niets gebracht, toen was de aarde nog onvruchtbaar, nu had Elia voedsel, maar het was niet gemakkelijk. Ook in onze dagen is het niet gemakkelijk je af te keren van de wetten van winst en profijt, gehoor te krijgen voor de zorg voor de zwaksten, voor de bevrijding van de slavernij van de arbeid en een dag in de week vrij te houden. Toch mogen we elke dag daaraan weer opnieuw werken, ook vandaag weer.

Dat de bergen druipen van de wijn

vrijdag, 27 september, 2013

Amos 9:7-15

Profeten zijn geen toekomstvoorspellers maar mensen die vanuit de blikrichting van de God van Israël vertellen hoe het met de mensen zal aflopen als het gewoon zo door gaat. Dat is ook met de profeet Amos zo. Zijn taak was het het volk van Israël, opgesplitst als het was in Israël en Juda, tot een ander godsdienstig gedrag te brengen. Vooral in het rijkje Israël was dat kennelijk nodig. De Heiligdommen voor de God van Israël waren daar niet meer te onderscheiden van de Heiligdommen voor Baäl zoals die in heel Kanaaän gebruikelijk waren. En de volken van Kanaaän waren overwonnen door de werldmachten die in de dagen van Amos alle landen en landjes inlijfden en de bevolkingen verspreidden over hun eigen wereldrijk. Zo zal het dus ook gaan met het volk van Israël en het volk van Juda nu ze kennelijk niet veranderen. Zij die zich het minst aantrekken van de dreiging van de wereldmachten en denken dat het wel los zal lopen zullen door het zwaard gedood worden. De anderen worden verspreid over de aarde.

En dan ziet Amos een nieuwe toekomstmogelijkheid. Een nieuwe aarde lijkt het wel. Het is zo nieuw dat sommige Bijbelgeleerden denken dat dit mooie visioen later aan het boek Amos moet zijn toegevoegd. Maar het hoort er wel bij. Als je de mensen in dat grote wereldrijk zou kunnen zeven dan zeef je de gelovigen in de God van Israël er uit, die blijven als harde steentjes op de zeef liggen. Ze mengen zich niet met de volken waar ze inwonen. Ze blijven zich aan de spijswetten houden, ze blijven de Sabath in ere houden en het voornaamste is dat je ze herkent aan het liefhebben van hun naaste als zichzelf, de manier waarop ze hun God liefhebben boven alles. Die God blijft in het centrum van hun leven staan. Daarbij blijven ze verlangen de Wet van die God, de richtlijnen voor de menselijke samenleving ook tot middelpunt van de samenleving te maken. En Amos ziet dat een dergelijk hardnekkig verlangen, over generaties heen niet anders dan kan uitlopen op de herbouw van Jeruzalem en de herbouw van de godsdienst van de God van Israël.

En een land schetsen waar de God van Israël het centrum van de samenleving is is niet zo moeilijk. Dan druipen de bergen van wijn. Wie wel eens door Duitsland over de Rijn of de Moezel varend de bergen bedekt met wijngaarden heeft gezien weet dat de indruk van overvloed die daarvan uit kan gaan overweldigend is. Zo ziet Amos het nieuwe land dat zal ontstaan uit de volhouders van het geloof in de God van Israël, de mensen die zelfs in de zwartste tijden van de ballingschap het vertrouwen behouden dat de richtlijnen voor de menselijke samenleving een land kan opleveren waar echt iedereen mee kan doen, waar plaats is voor allen en waar geen armoede meer heerst. Waar alle tranen gedroogd zijn en waar de God van Israël de Tempel waar zijn Wet wordt bewaard gebruikt als een rustbank voor zijn voeten. Zo is het hele boek van Amos een waarachtig boek van hoop geworden voor de armen. Uiteindelijk zijn het niet de rijken, de hoogmoedigen, de uitbuiters en onderdrukkers die overwinnen, is het niet het bedrog dat de samenleving tekent, maar overwint het goede van de God van Israël. Die hoop is er ook voor ons als wij opnieuw beginnen onze naaste lief te hebben als onszelf. Dat mag elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Laat de drempels dreunen!

donderdag, 26 september, 2013

Amos 9:1-6

Op de dag van de God van Israël zou de zon verduisterd worden riep de profeet Amos in het hier voorafgaande. Een dreigende uitspraak. Want ook al kennen we zonsverduisteringen ze blijven altijd nog wel wat engs in zich hebben. Eeuwenlang waren ze de voorspelling van het einde van de wereld. Maar de zon waar Amos het over heeft is ook een woordspeling en in het gedeelte dat we vandaag lezen wordt die woordspeling duidelijk. Misschien niet direct voor ons. In de vertaling van het Hebreeuws naar het Nederlands gaan veel van de woordspelingen en dus de bedoelingen van de Bijbel verloren. Niet voor niets vragen we onze predikanten en voorgangers om Hebreeuws te kennen zodat ze als het nodig is de juiste boodschap uit de tekst van de Bijbel kunnen halen. Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met het stuk slaan van het kapiteel en dat woord is in het Hebreeuws hetzelfde woord als het woord voor de oorsprong van de Filistijnen. Het gaat hier dus om een tempel van de Filistijnen die verwoest moet worden.

Wie was het ook al weer die een tempel van de Filistijnen ineen deed storten? Was dat niet Simson en betekent zijn naam niet zonnekind? De blindgeworden zon liet uiteindelijk de Tempel van de Filistijnse afgoden ineenstorten. Zo moet de profeet omgaan met het heiligdom in Betel. Hoezo? Dat is toch een keurig heiligdom, onder bestuur nog wel van het bestuur van de hoofdstad Samaria? Voor Amos is het een heiligdom geworden als dat van de Filistijnen. Hier staat niet de God van Israël centraal maar de Baäl. Niet de zorg voor de naaste wordt hier als godsdienstoefening gepleegd maar de aanbidding van de goden van vruchtbaarheid, van winst en profijt. En die godsdienst is een gruwel in de ogen van de God van Israël. En zoals de aanbidders van het gouden kalf in de woestijn gedood werden met het zwaard zullen de aanbidders van de Baäl vallen door het zwaard. Het is een kosmisch gevecht en er valt dus ook niet aan te ontkomen, tot in de onderwereld onder de aarde en de hemel boven de aarde zullen de afgodendienaars worden vervolgd.

De God van Israël is niet een godje die je kunt vangen in je akker. De profeet herinnert het volk er nog maar eens aan dat de God van Israël de schepper van hemel en aarde is. In de voorstelling die in de godsdienst van de God van Israël gangbaar was had die God het hemelgewelf geschapen als schild tegen de wateren van boven de aarde. Als schild tegen de dood dus want het water was het symbool van de dood. Er waren de wateren onder de aarde, er waren de wateren op de aarde die gescheiden waren van het land en dus waren er ook de wateren boven de aarde die zoals het verhaal van Noach leerde de hele aarde onder water konden zetten. De God die dat in handen had was Heer. Maar als er “Heer” staat in de Nederlandse vertaling klinkt in de synagoge het “Adonai” dat Heer betekent, maar staat er in de Hebreeuwse tekst de naam van God van Israël, die iets als “Ik zal er zijn” betekent en nooit wordt uitgesproken omdat het ontzagwekkende gedachte is. Die God is tegelijk veraf en hoog verheven en dichtbij de gelovigen die van die God bescherming mogen verwachten. Zo mogen ook wij ons losmaken van het dienen van de goden van winst en profijt en weer beginnen met het zorgen voor, met het delen met, de zwaksten onder ons, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Je hebt je deel van het goede al tijdens je leven ontvangen.

woensdag, 25 september, 2013

Lucas 16:19-31

Het verhaal van de rijke naamloze zoon van Abraham en de arme Lazarus is eeuwenlang misbruikt. De armen hoefde zich geen zorgen te maken want hun beloning kwam immers na de dood wel. Dat was toch ook zo gegaan met die arme Lazarus? Maar dat is dus misbruik maken van het verhaal en niet helemaal goed het verhaal lezen, of nog erger, het verhaal goed doorvertellen. Lazarus en de rijke man zijn op de eerste plaats broers. Allebei zijn ze immers zonen van Abraham, ze horen tot het volk Israel. De scene na de dood is dus niet een verhaal om ons te vertellen hoe het er na onze dood uit zou zien maar is bedoeld om ons te vertellen hoe het er voor onze dood hoort uit te zien. Armen en rijken zijn familie van elkaar. De eerste vraag die je je dus moet stellen is of je je arme broer of zuster op de stoep laat liggen als je rijk bent.

In het verhaal wordt vervolgens aandacht gevraagd voor de andere broers van de rijke man. Als Lazarus en de rijke man al broers zijn, dan zijn de andere broers alle andere mannen van het volk van Israel. Volgens het verhaal hebben die het voorbeeld van de arme Lazarus niet nodig want zij hebben de Wet van de Woestijn. Zij hebben dat verhaal over Mozes die het volk uit de slavernij leidde en in de Woestijn die Wet kreeg die maakte dat je je naaste lief kan hebben als jezelf. Dat doen of je samen door de Woestijn trekt moet een voldoende houding zijn. Het volk had immers ontdekt dat je pas kunt overleven als je onvoorwaardelijk op elkaar kunt vertrouwen. Delen, zonder er zelf beter van te worden, delen met de ander alsof je het zelf bent is een voorwaarde voor het leven zelf. Dat zou ook in een rijk land, een land dat overvloeide van melk en honing, de manier zijn om ook daar te overleven.

Jezus van Nazareth en zijn volgelingen zouden dat uiteindelijk naar de hele wereld doortrekken. Overal en altijd is het willen delen met alle mensen op aarde de voorwaarde om de aarde leefbaar en de mensen levend te houden. Elke arme die sterft is immers een broer of zuster, elk kind dat sterft van armoede is een kind van ons allemaal. Daarom moet dit verhaal ons schrik aanjagen. Wij laten immers de armen van de wereld op de stoep van fort Europa liggen en weigeren om onze onrechtvaardige tolmuren af te breken en hen de kans te geven op een eerlijk inkomen voor de arbeid die ze leveren. Het gaat niet om vreemden met een ander geloof en andere gewoonten, het gaat om onze broeders en zusters, kinderen van Adam, kinderen van onze God. Wat het goede is weten we nu wel, nu het delen nog.

Geen enkele knecht kan twee heren dienen

dinsdag, 24 september, 2013

Lucas 16:10-15

De Mamon is een god, niet een god die bestaat maar wel een god die je kan dienen. Dan heeft die god een paar eigen wetten. Die god van het geld wil dat je spaart of leent. Je krijgt rente of je krijgt goederen en moet daarvoor rente betalen. Maar weggeven mag je het geld niet. Dienaren van de mamon die delen met een ander worden bestraft met armoede of uitsluiting van de samenleving. Ze krijgen het verkeerde uiterlijk en kunnen dat niet meer herstellen, ze hebben niet de meest moderne keuken, niet het laatste model TV apparaat, niet de meest modieuze kleding, niet het laatste type auto. Hun kinderen krijgen niet de vakantie die ze toekomt en hebben ook niet de kleren aan van het merk dat in de mode is, laat staan dat die kinderen die nieuwste games kunnen delen met hun vriendjes en vriendinnetjes. De wetten van de Mamon zijn hard maar de beloning lijkt groot.

Alleen die vervelende arme Amerikanen lijken het rijk van de Mamon in gevaar te gaan brengen. Ze leenden geld om hun huizen te betalen tegen een lage rente. Nu de rente gestegen is kunnen ze die rente en de aflossingen op de lening niet meer betalen. In plaats van minder eten te kopen en te blijven lopen in versleten kleren, te liften naar het werk met stadgenoten blijven ze kopen in de grote supermarkten aan de rand van de stad, blijven ze rijden in oude auto’s. Het hele rijk van de Mamon, het financiële rijk is aan het wankelen. Het gevaar bestaat natuurlijk dat het Koninkrijk van die Jezus van Nazareth het over gaat nemen. Dat Koninkrijk waar die vieze in kameelharen kleding getooide Johannes toe opriep. Waar voor iedereen plaats is en waar sparen en lenen is vervangen door delen met elkaar zodat iedereen altijd te eten heeft. Waar mensen niet meer houden van jong en nieuw en hip maar houden van elkaar als van zichzelf.  Geen cosmetische operaties meer, reizen per openbaar vervoer of samen een auto delen, kleding en goederen zo veel mogelijk hergebruiken, eerlijke lonen voor verbouwers en arbeiders ook in arme landen.

De Tittel en de Jota zijn de kleinste leestekens uit het Hebreeuwse schrift. Zelfs het allerkleinste van de Wet mag niet wegvallen volgens Jezus van Nazareth. Dat betekent dat nergens en nooit iets afgedaan kan worden van de liefde voor de naaste. Die liefde drukt immers de liefde voor God uit die boven alles behoort te gaan. Niet om er zelf beter van te worden, niet om genade van God te verwerven, maar omdat de minsten het nodig hebben en we nu eenmaal niet te scheiden zijn van de liefde van Jezus van Nazareth. Daarom internationale handel die het geld eerlijk over de wereld verdeeld in plaats van naar de rijke landen te doen stromen. Je kunt geen twee goden dienen, de God van Jezus van Nazareth en de God van het geld maar je hoeft ook niet te kiezen tegenwoordig. De dienaren van de God van het geld zijn trots op hun goddeloosheid en proberen je daarin mee te krijgen. Als je het maar ziet.

Met behulp van de valse mammon

maandag, 23 september, 2013

Lucas 16:1-9

Vandaag een verwarrend en misschien wel duister verhaal. Dat van die mammon kunnen we nog wel snappen. Dat je met de god van het geld vrienden moet maken om de armen te kunnen helpen is niet zo gek gedacht. De bank- en gironummers vliegen je immers om de oren. Elke charitatieve instelling heeft er wel één en bij rampen en calamiteiten wordt er snel een gironummer geopend. De BankGiroloterij pretendeert zelfs ons rijk te kunnen maken als we geld storten voor een goed doel. Ze worden we er zelf nog het rijkste van maar dat vinden ze dan ook een heel goed doel. Maar wat zijn die eeuwige tenten en waarom zou een rijke bezitter oneerlijk gedrag van zijn rentmeester goed praten? We moeten daarvoor een kijkje nemen in de Romeinse samenleving.

Het Evangelie van Lucas heeft immers als opschrift dat het aan de Romein Theofilus is geschreven. Deze godenzoon, want dat betekent Theofilus, zou zelf wel eens rijk geweest kunnen zijn. Rijke Romeinen hadden vaak bezittingen op het platteland. Daar waren ze niet zelf aanwezig maar ze hadden slimme slaven die als rentmeester voor hen het beheer voerden. En deden ze dat niet goed dan werden ze landbouwslaven en die leefden niet lang. Die rentmeesterslaven moesten vaak de boel wel een klein beetje voor de mal houden om zelf een goed leven te kunnen leiden. Romeinen hielden daar wel van, het bewees immers hoe slim ze waren en hoe goed ze voor hun meesters bezit konden zorgen. Zo ook in dit verhaal. Zelfs in onze tijd gaan bedrijven kapot aan onbetaalde uitstaande schulden. Als je dus de uitstaande schulden verminderd stijgt de waarde van het bezit. De hele financiële wereld komt in problemen omdat er Amerikanen zijn die hun hypotheek niet kunnen betalen. Als die hypotheken nu eens zouden worden afgelost, als ze in elk geval zouden verdwijnen uit de boeken van de banken, dan wordt de boekhouding weer gezond. Dan worden de armen die de schulden niet meer konden betalen weer een beetje minder arm.

De roep om de schulden van de armste landen kwijt te schelden is al heel oud en soms gaat ook daar iets van die schuld af omdat het wordt kwijtgescholden. Zo worden de armen minder arm, het bezit meer waard en de slaaf blijft rentmeester. En dan die eeuwige tenten? Op het eind van de Bijbel staat dat God zijn tent op deze aarde zal spannen. Wat is er mooier dan in die tent te mogen wonen. De Statenvertaling verwees vroeger naar de Heilige Tent uit de Woestijn. Daar werd de Wet van eerlijk delen en je naaste liefhebben bewaard. Misschien niet zo’n rare gedachte bij dit verhaal. Als je zelf in nood bent denk ook dan aan anderen die het slecht hebben en probeer ze te helpen. De voedselbanken in Nederland zijn ook opgericht door mensen die de hulp zelf nodig hadden. Die tenten verwijzen ook naar het Loofhuttenfeest dat dezer dagen wordt gevierd. In tenten van takken en bladeren is iedereen gelijk en merk je dat de een niet meer nodig heeft dan de ander. Van delen wordt je dan rijker want met hoe meer je bent hoe meer vreugde je beleefd. Dat delen mag ook voor ons elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Zij die zweren bij de zonde

zondag, 22 september, 2013

Amos 8:9-14

Over de zonde van Samaria hebben we de afgelopen dagen al een heleboel kunnen lezen. Het was de hoofdstad van het kleine rijkje Israël dat had gebroken met Juda en daarmee het rijk van David had opgesplitst. Dat rijkje had een eigen koning en had eigen heiligdommen. Ooit was daar nog wel een aanbidding geweest van de God van Israël maar die aanbidding was langzaam vervaagd en opgegaan in de aanbidding van de goden van Kanaaän, van Baäl en Astarte. Soms klonk het nog wel als aanbidding van de God van Israël en werden er grote kuddes runderen en schapen gebracht die werden geofferd maar in werkelijkheid was er van aanbidding van die God geen sprake meer. Die God had immers geboden de offers te delen met de armen en de vreemdelingen, om samen met de priesters, de levieten, de familie, de armen en de vreemdelingen maaltijd te houden bij het Heiligdom van de Heer. Zo vier je geen godsdienst dachten de inwoners van Israël, je doet het zo als de andere volken van Kanaaän doen, met pracht en praal en groot vertoon van rijkdom.

Het gedeelte dat we vandaag lezen wordt altijd gelezen als een waarschuwing voor de wraak. Als een negatief verhaal van Amos die ondergang predikt, rampspoed aankondigd. Wie zo leest hoort bij de rijken, bij de machtigen die de armen vergeten en niet letten op de zwaksten in de samenleving. Dat deel over de dag van de Heer gaat over de dagen dat God het land laat hongeren, laat hongeren naar de woorden van de Heer. Dat deel dat gaat over het volk dat zal zwerven van de ene zee naar de anderen en laat dwalen van het noorden naar het oosten om de woorden van de Heer te zoeken. Dat deel is niet een stuk van wraak en vergelding maar het is een stuk van hoop en gerechtigheid. Het zijn de woorden die de armen oproepen vol te houden in hun roep om recht en gerechtigheid. De dag dat de Heer van de hemel en aarde, de God van Israël zal ingrijpen in de bestaande maatschappelijke verhoudingen komt onontkoombaar. Die sterke jonge vrouwen en mannen die zo graag met hun gezondheid en vruchtbaarheid pronken zullen op die dag van dorst bezwijken.

Denk nu niet dat het volk van dat rijkje Israël niet heeft geweten van het verwerpelijke van de dienst aan de afgoden. Die lui van Dan hadden we al in het boek Rechters als een eigenaardig volk leren kennen. Zij hadden een beeld van een stier gemaakt en waren die gaan aanbidden. Die gewoonte was vervolgens weer overgenomen door het heiligdom in Betel dat onder bestuur stond van de regering in Samaria. En een stierenbeeld, het gouden beeld van het stierkalf, was in de woestijn al de dood voor een groot deel van Israël geworden juist toen ze die richtlijnen voor de menselijke samenleving hadden ontvangen. Aan de aanbidding van een stierenbeeld was geen menselijke toekomst te ontlenen, toen niet en in de dagen van Amos niet, aan de aanbidding van geld, winsten en profijt is ook in onze dagen geen toekomst te ontlenen. Het hele land Israël was besmet door deze afgodsdienst. Ligt Dan in het Noorden, Berseba ligt in het zuiden, van Dan tot Berseba beschrijft ook het land en als je naar Berseba een pelgrimsreis houdt om de god van Dan te aanbidden dan houdt het verhaal van de God van Israël op. Wij mogen nog elke dag opnieuw de weg gaan die de God van Israël ons heeft gewezen door Jezus van Nazareth, delen met onze naaste van wat we hebben, ook vandaag weer.

Een mand met rijp fruit.

zaterdag, 21 september, 2013

Amos 8:1-8

Wat ziet er mooier uit als een mand rijp fruit. Gezondheid straalt je tegemoet. Een en al smaak is er. Geen wonder dat we aan zieke mensen zo graag een fruitmand schenken en ook rond de kerst worden tal van fruitmanden bij gezinnen thuis bezorgd. Maar een mand met rijp fruit bergt een geheim. Fruit kan overrijp worden, dan is de buitenkant nog wel mooi en glanzend, dan verleidt het fruit ons nog wel om er vrolijk en vol verwachting van smaak de tanden in te zetten maar dan is het gevolg verschrikkelijk. Van binnen is het fruit dan rot en aangetast. Het smaakt als afval en eigenlijk is het ook niet meer dan stinkend afval. Het kan niet snel genoeg uitgespuugd worden, het deugt nergens meer voor. De dood heeft zich in het fruit ingevreten en wij hebben de dood niet weten te onderkennen. Zo is het geworden met het volk van Israël in de dagen van Amos. Het ziet er allemaal mooi uit, de kleuren zijn nog fris alsof het vers is, maar het volk is rot.

In de dagen van Amos staan winst en profijt voorop in de samenleving van Israël. Het heb uw naaste lief als uzelf en God lief boven alles is nog slechts een echo uit een ver verleden. Wie de meeste winst behaald is het meest gezegend door de goden en wie arm is of ziek, wie aan de kant van de weg staat is gestraft door de goden voor de zonden die hij zelf heeft begaan, daar hoef je dus geen medelijden mee te hebben. Het enige dat je nog met de zwakken, de armen, de machtelozen kan doen is nagaan hoeveel winst je nog uit hen kan persen. Je kunt ze misschien nog verkopen voor een handvol zilver. Er is altijd een baas die nog een karwij te doen heeft, ook in onze dagen proberen we de werklozen werk te laten doen tegen een zo laag mogelijk loon zodat we de rijken niet de last van de zorg voor hen te hoeven laten dragen.

Met een samenleving waarin de maten en gewichten worden vervalst zal het slecht aflopen. Als je het kaf verkoopt als graan dan breken er voedselschandalen uit en keren vertrouwde handelspartners zich van je af. Het is in de dagen van Amos al niet anders dan in onze dagen. Onze voedsel en waren autoriteit zijn meer dan nodig. Paardenvlees wordt verkocht alsof het rundvlees is en babymelk wordt aangelengd met melanine waardoor misschien de baby’s doodgaan maar waardoor de winst in elk geval stijgt. Amos is er zo door geschokt dat het voor hem lijkt of de kwade praktijken aardbevingen en overstromingen veroorzaken. Wij zijn na eeuwen lang praktijken van de rijken er zo aan gewend dat het nog maar een korte tijd de kranten en de televisie beheerst. Niemand die zich afvraagt hoe het dagelijks zit met de controle op het voedsel en waarop ons voedsel wordt gecontroleerd. Niemand vraagt meer naar het ijkwezen en of de maten en gewichten in onze winkels nog wel kloppen. We zullen weer terug moeten naar een handel waar het lot van de zwaksten voorop staat, waar niet de marktwerking maar het welzijn en welbevinden regeren. Elke dag mogen we opnieuw op die manier gaan leven, ook vandaag mogen we weer die keuze maken.