Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2013

In vrede te leven

zaterdag, 31 augustus, 2013

Hebreeën 12:14-29
 
In 2004 verscheen de Nieuwe Bijbelvertaling die wij hier in onze dagelijkse column volgen. Die Nieuwe Bijbelvertaling heeft in 2005 de publieksprijs van het CPNB gewonnen. Elk jaar kiest een jury van boekverkopers een vijftal boeken en iedereen mag op het internet stemmen op een boek. Dat hoeft dan niet een door de jury gekozen boek te zijn. De NS sponsert de verkiezing en in de trein wordt er reclame voor gemaakt. In 2005 was het aantal stemmers meer dan twee maal zo groot dan in 2004. Dat was niet zo vreemd want op het internet was hard campagne gevoerd voor het stemmen op de Nieuwe Bijbelvertaling. De uitgave was een succes. Heel veel mensen hebben een exemplaar aangeschaft. De Bijbel blijft per slot van rekening een boeiend boek.

Maar de vraag is natuurlijk ook of veel mensen het verbond aan willen gaan waar het bovenstaande hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën over spreekt. Het aangaan van dat verbond gaat niet zomaar. Dat is een uiterst belangrijke gebeurtenis en het vraagt nogal wat. Centraal in dat verbond staat nog steeds die wet uit de woestijn. Heb je naaste lief als jezelf, de wet van eerlijk delen en rechtvaardigheid. Een wet die vrede brengt. Een wet ook die je niet even een beetje kunt nakomen maar die je moet volgen met heel je hart en heel je verstand. Voortdurend bij alles wat je doet moet je je bewust zijn die wet te volgen. Dat lukt bijna niemand, dat lukt eigenlijk nooit iemand helemaal. Gelukkig niet anders zou het een verdrietige zaak worden. Stel immers dat het iemand lukt en jou niet, ga je mooi af, Nee omdat het niemand lukt mag je er elke dag, ja elk moment opnieuw mee beginnen. Als je dan echt die wet wil volgen, je aan het verbond wilt houden, zul je merken dat het je niet onverschillig kan laten.

“Het komt nu even niet uit” is nooit een geldig excuus. Bezuinigen op de zorg voor armen, zieken, en gevangenen is voor een overheid dan ook een doodzonde. In de Nieuwe Bijbelvertaling hebben we de richtlijnen voor de menselijke samenleving weer in onze eigen taal, de taal van alledag. De schrijver van de Hebreeën brief wijst op de profeten die in het verleden zijn geweest en die de mensen in de actuele politieke situatie konden wijzen op wat God met de wereld wil. Zij werden vaak afgewezen, maar als de mensen die hen afwezen daarvan berouw kregen dan konden die mensen toch weer de Weg van de God van Israël gaan. Wij hebben die richtlijnen op schrift. Naast de vertaling zelf is er het dagelijks leesrooster dat we hier ook volgen. Elke dag een klein stukje lezen en er over nadenken maakt dat je op die Weg kan blijven, dat is nodig ook want afwijken van die weg betekent dat het zeer slecht zal gaan met het land. We zien dat om ons heen aan voedselbanken die nodige zijn geworden, aan vluchtkerken die nodig zijn geworden, aan mantelzorg dat nodig is geworden. Het bewegen van de rijken tot het gaan van de Weg van de God van Israël is telkens weer een bijna onmenselijke taak. Daar mogen we dus elke dag opnieuw aan beginnen, ook vandaag weer.

De machtelozen dringen ze opzij.

vrijdag, 30 augustus, 2013

Amos 2:6-16

Amos profeteerde in Israël, niet in het hele rijk dat we als zodanig benoemen, niet in het Israël van David en Salomo, maar het Israël dat was ontstaan na de splitsing in een Noordrijk en een Zuidrijk, een rijk van 10 stammen, Israël en een rijk van 2 stammen, Juda. Voor de luisteraars in Israël was het dus prachtig dat de profeet Amos over Juda een zelfde oordeel velt als over de andere buurvolken van Israël. Maar ook Israël ontkomt niet aan het oordeel. Werden van de andere volken steeds een van de zeven misdaden genoemd, aan Israël werden de misdaden alle zeven breed uitgemeten, dag in dag uit handelt Israël in strijd met het verbond dat met de God van Israël werd gesloten. Was de God van Israël niet bij de minsten, de zwaksten? Was de mens niet naar het beeld van die God geschapen? Was Israël niet uitgekozen om alle volken te laten zien hoe het zou kunnen? Israël had de mens een karikatuur van de God van Israël gemaakt.

In plaats van de armen te verheffen laten ze de armen door het stof kruipen, in plaats van de machtelozen hun rechtmatige plaats in de samenleving te geven dringen ze hen op zij. Het dienstmeisje dat uit armoede verhuurd, of verkocht, werd door haar vader en moeder en zo een toekomst kreeg werd misbruikt door de vaders en hun zonen die hen hadden gekocht, dit in flagrante strijd met de geboden van de God van Israël die juist de rijken had opgedragen ook hun meiden en knechten, hun slaven en slavinnen als gelijken te beschouwen en met hen maaltijd te houden. Dat ze zich kleden met kleren die ze in onderpand hebben is al in strijd met de wetten van Mozes, waar je iemand zijn mantel voor het vallen van de avond moet teruggeven, brutaal is het wanneer je gekleed in die kleren ook nog het avondoffer in de Tempel gaat brengen. Israël had zelf een aantal heiligdommen die dezelfde functie hadden als de Tempel in Jeruzalem.

Amos benadrukt nog eens hoe veel de God van Israël wel niet aan Israël had geschonken. Vijanden waren verslagen, ze waren bevrijd uit de slavernij in Egypte. Er waren profeten die hen hadden begeleid, er waren mensen geweest, de nazireeërs, die van jongsafaan zich hadden gewijd aan de dienst van de God van Israël en de bescherming van het volk, wij kennen daar nog Simson van. Die bijzondere personen hadden ze dronken gevoerd en de profeten de mond gesnoerd. Geen wonder dat het slecht zal aflopen met Israël. Een volk dat zo handelt wordt uiteengeslagen, de leden van het volk verspreid over de aarde. We mogen dus wel uitkijken. Want het is gemakkelijk naar een klein volk uit het verlden te wijzen. Wat doen wij vandaag de dag met de armen? Worden uitkeringen verhoogd met zes precent zoals de lonen van de top het bedrijfsleven? Wordt er naar profeten geluisterd die nog eens de boodschap van God aan de bestuurders voorhouden? Steunen wij mensen die zich gewijd hebben aan een leven in dienst van de armen? Er zijn er onder ons nog. En die zich houden aan de Weg van de God van Israël zijn als een zuurdesem in de samenleving. Elke dag weer mogen we opnieuw die weg gaan, ook vandaag weer.

Ze hebben hun broeders met het zwaard achtervolgd

donderdag, 29 augustus, 2013

Amos 1:11–2:5

Amos begint zijn boekje met de buurvolken van Israël en Juda te vertellen hoe het met hun af zal lopen als ze Israël en Juda blijven belagen. Dat gaat nooit goed. Hij begon met drie volken te noemen die weliswaar buren van Israël en Juda zijn maar verder geen enkele verwantschap met hen hadden. Nu klinkt het verwijt dat het volk van Edom hun broeders met het zwaard heeft achtervolgd. Nog wel zonder enig medelijden. Edom was het volk dat afstamde van Esau de broer van Jacob. En de koninkrijken van de nakomelingen van Jacob hadden dus wel op enig broederlijk mededogen mogen rekenen. In Israël waren in de dagen van Amos 10 stammen verenigd en in Juda de andere twee. Samen hadden ze onder David en Salomo één Koninkrijk gevormd maar dat was moeizaam tot stand gekomen en weer uiteengevallen toen de welvaart en de rijkdom afnamen. Edom was een geduchte vijand gebleven.

Ammon is een volk met een wel heel dubieuze afkomst. Daar hadden ze in Israël en Juda een grote hekel aan maar het bleef toch in zekere zin familie. Het was een van de volken die afstamde van Lot, de broer van Abraham. Niet van het gezin dat Lot met zijn vrouw had. Die vrouw was veranderd in een zoutpilaar toen Lot en zijn gezin de verwoesting van Sodom ontvluchtte. Ze schuilden in een grot en daar zorgden twee dochters van Lot dat ze zwanger werden van hun vader zodat hun toekomst verzekerd zou zijn. Ammon stamde van een van die twee af en had Israël zo sterk gehaat dat ze de zwangere vrouwen van Gilead de buik opengereten hadden toen ze hun rijk wilden vergroten. Voor Israël en Juda een zeer grote misdaad omdat die het voortbestaan van het hele volk op het spel had gezet. Ook van Amon zal de hoofdstad in vlammen opgaan.

Dat er in Israël en Juda toch nog wel enig medeleven was met de broedervolken die ook buurvolken waren blijkt uit het oordeel over Moab. Dat volk stamde dus af van de andere dochter van Lot en was een zustervolk van Ammon. Maar het was dus ook een volk dat gemeenschappelijke voorvaderen had met het volk van Edom. Lot was samen met Abraham uit Ur der Chaldeeën vertrokken en samen hadden ze zich in Kanaaän gevestigd. Daar waren de broers Jacob en Esau stamvaders geworden van Israël, Juda en Edom. En het volk van Moab was zo wreed geweest de beenderen van de koning van Edom te verbranden en er kalk van te maken. Er resteerde niets meer van die koning, zelfs geen rest die misschien uit de doden zou kunnen opstaan, al was in de dagen van Amos de opstanding uit de doden nog niet een algemeen verbreid deel van wat men in Israël en Juda geloofde. Wreed was het wel een volk zo haar geschiedenis af te pakken. In onze dagen moeten we dus bedenken dat als we volken aanvallen dat ook op onszelf kan terugslaan, of die volken nu met ons verwant zijn of niet. De Bijbel bezweert ons de vrede te bewaren en in vrede de verdrukten te hulp te komen, ook in onze dagen.

De HEER brult vanaf de Sion

woensdag, 28 augustus, 2013

Amos 1:1-10

Vandaag beginnen we te lezen in het boek van de profeet Amos. Tenminste in de Christelijke Bijbel, ook in de Nieuwe Bijbelvertaling, is dit boek als zelfstandig boek opgenomen. Het staat dan in de rij van zogenaamde kleine profeten. In de Hebreeuwse Bijbel staat Amos als een soort hoofdstuk in een apart boek, het Twaalfprofetenboek. Bijbelgeleerden komen er steeds meer achter dat het Twaalfprofetenboek ook een eigen eenheid vormt en een eigen verhaal vertelt dat zich rond de ballingschap afspeelt en daarmee een eigen boodschap heeft. Die Amos komt uit Tekoa, waarschijnlijk het Tekoa dat in Juda heeft gelegen en hij was schapenfokker staat hier vertaald. Het woord dat er in het Hebreeuws staat duidt op een welgesteld man, een Hereboer zouden ze in Groningen zeggen. Maar een profeet die achter de schapen geroepen is doet ook denken aan Mozes die als schaapherder op een dag een brandende braambos ontwaarde en daarvandaan door God naar Egypte werd gestuurd om zijn volk uit de slavernij te leiden.

Amos wordt dus gepresenteerd als een belangrijk profeet. Hij presenteert namens de God van Israël de misdaden die de volken plegen en hebben gepleegd en waarvoor die volken moeten worden gestraft. Eén voor één worden de volken benoemd. Allereerst de buurvolken van Juda en Israël en van die buurvolken eerst de volken die geen verwantschap hadden met Israël. Eerst de Syriërs die Israël hadden belaagd. In de Bijbel staan veel verhalen over oorlogen met de Arameeërs, rovers van de oogst in Israël, rovers van de laatste bestaansmogelijkheden voor de armen in Israël. Zij waren immers afhankelijk van de oogst die aan de randen van de velden bleef staan en van de aren die gemorst waren en die de boeren hadden laten liggen om opgeraapt te worden door de armen. Als vreemde soldaten die oogst kwamen stelen bleef er met name voor de armen te weinig over om te overleven en de God van Israël was en is een God die zich over de armen ontfermt.

Ook de Filistijnen die langs de kust van de Middellandse Zee woonden zullen in ballingschap gevoerd worden. Zij hadden telkens weer de oogst geroofd  Wie goed meeleest ziet dat de profeet hier een lied heeft aangeheven. Misdaad op misdaad is begaan en daarom zal de God van Israël zijn vonnis niet herzien. Het is dus steeds een misdaad die bij herhaling is begaan en waartegen vanuit Israël steeds is geprotesteerd. Niemand kan zeggen niet geweten te hebben hoe ernstig de misdaden waren. Dat geld ook voor het volk van Tyrus.Zij hadden er zelfs voor gezorgd dat een deel van het volk van Israël gevangen genomen kon worden door de Edomieten, ze werden slaven in Edom. Het gaat de God van Israël nu juist om bevrijding van de slaven. De drie volken waar we vandaag over gelezen hebben waren niet verwant met Israël, maar wel onmenselijk opgetreden. En wie onmenselijk optreedt moet gestraft worden. Dat geldt ook in onze dagen waar tyrannen en dictators moeten worden aangepakt. Met waarschuwingen, en anders met geweld, om de armen te kunnen beschermen, ook vandaag nog.

Mijn huis moet vol zijn

dinsdag, 27 augustus, 2013

Lucas 14:12-24

We hebben zo allemaal wel onze beslommeringen. De hypotheek moet worden afgelost, er moet regelmatig worden overgewerkt, je moet toch ook eens naar het theater en de bioscoop. Dan zijn er nog sportwedstrijden waar je niet buiten kunt. Als je kinderen hebt moet je vrijwel elke dag de kinderen brengen naar en halen van clubs en activiteiten. Wie heeft er nog tijd om een aantal uren in een Wereldwinkel te staan, of kleding te sorteren voor Oost-Europa, of achter de telefoon te zitten bij de Telefonische Hulpdienst,Sensoor, of één van de vele vrijwilligersbaantjes te vervullen die er in onze samenleving voor dorp, stad, land en wereld nodig zijn. We hebben het bijna allemaal te druk om aan het feest van de betere wereld, het Koninkrijk van God, mee te doen. We zijn in de afgelopen tientallen jaren fors korter gaan werken. De 40 urige werkweek werd ingevoerd, maar ook die is langzaam ingekort tot 36 en 32 uur.

Daarnaast zijn er ook nog ADV dagen gekomen en zijn veel mensen in plaats van voltijd in deeltijd gaan werken. Toch is het aantal vrijwilligers in de samenleving hard achteruit gegaan. Die ouders die het zo druk hebben met hun kinderen naar sportverenigingen te brengen en ze weer te halen hebben het te druk om elftalbegeleider, of teambegeleider te zijn in het weekeinde als de wedstrijden gespeeld moeten worden. Mensen die mopperen op de kwaliteit van het gemeentebestuur en de wegen die voortdurend zijn opgebroken en de hoge belastingen die ze moeten betalen hebben geen tijd om met de plaatselijke politici van hun partijkleur mee te werken en mee te denken over een beter gemeentebestuur. Dat Koninkrijk van God komt er ondertussen wel. Dat is de blijde boodschap die uit dit gedeelte van het Evangelie van Lucas klinkt.

Wees dus niet verbaasd als je er buiten staat, als je er geen deel aan blijkt te hebben. Al zijn er tekort vrijwilligers, ze zijn er wel. Soms nemen ze gewoon hun partner en kinderen mee. Zo zijn er hele gezinnen die samen werken in de plaatselijke voedselbank en zelf de laatste voedselpaketten mee naar huis nemen omdat ze die ook zelf nodig hebben. Juist in die delen van de samenleving waar mensen het eerst arbeidsongeschikt zijn, het langst werkloos blijven, het laagste inkomen hebben, het kortst naar school zijn geweest is de bereidheid om te helpen en een betere wereld te maken het grootst. Soms lijkt het of ze een wereld maken voor zichzelf en dan worden de machtigen en rijken er bang van, maar weet goed dat iedereen mee kan doen. Je moet er alle dagen klaar voor zijn en wel voor willen samenwerken.

Daar hadden ze geen antwoord op.

maandag, 26 augustus, 2013

Lucas 14:1-11

Er is in de Kerkgeschiedenis nog wel eens gedaan of Jezus iets tegen de Joden zou hebben gehad. Nu komen we in het verhaal over Jezus van Nazareth weinig tegen over wat de Duitsters “zelfhaat” noemen. Jezus van Nazareth was voluit Jood en wilde dat ook voluit zijn. Hij deed mee in het verhaal van Israel, ja, erger nog, hij wilde niet dat het verhaal van Israel uiteindelijk zou stranden in een hoekje van de wereldgeschiedenis. Het land Israel was immers bezet door Perzen, Grieken, Syriërs en in zijn tijd door Romeinen. Jezus van Nazareth was waarschijnlijk het meest verwant aan de stroming van de Farizeeën. Die wilden de Wet van de Woestijn weer midden in het volk plaatsen. Omdat onder al die bezettingen bezoeken aan Jeruzalem waar de Wet werd bewaard vaak moeilijk was hadden ze de Synagoge uitgevonden, het leerhuis, waar uit de Wet, de Profeten en de Schriften werd gelezen. Wij kunnen die teruglezen in wat ook in de Nieuwe Bijbelvertaling ten onrechte “Het Oude Testament” wordt genoemd. Dat is de Nederlandse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel.

Er was echter een groot verschil tussen Jezus van Nazareth en de meeste van de Farizeeën. Die laatste hielden rekening met de gevoeligheden van de bezetters. Ze hielden zich zo ver mogelijk van vreemdelingen vandaan en konden daardoor ook niet in conflict komen. Verder waren uiterlijk vertoon en een strikt ordelijk gedrag voor veel Farizeeërs kennelijk belangrijk. Jezus van Nazareth stelt de gevolgen voor mensen centraal. De Wet is er immers om de mensen beter te laten leven, de mensen zijn er in elk geval niet om de Wet te laten verheerlijken. De Wet van Israel kent maar één Heer en dat is de God van Israel, de God van Liefde. En daar laat Jezus van Nazareth ook zien waar de oplossing ligt voor conflicten in de Wet. Het conflict bijvoorbeeld tussen De Wet dat je je naaste lief moet hebben als jezelf en de Wet dat je op de sabbat niet mag werken. Genezen mag dus wel, een mens of een dier uit een put halen ook. Maar altijd de mensen voorop stellen? Daar zwijgen de machthebbers, ook die uit onze dagen. Natuurlijk, zullen ze zeggen, bescherming van eigen bezit moet voorop staan. Maar hulp aan de armen? Dat zou ten koste kunnen gaan van dat eigen bezit.

Er is een soort diners waar zien en gezien worden,vooral het laatste, belangrijker is dan de inhoud. Kennelijk waren er in de dagen van Jezus van Nazareth ook al zulke diners. Jezus drijft de spot met de mores, de gewoonten, rond zulke bijeenkomsten. Ga maar eens op de minste plaats zitten, je dwingt dan de gastheer, of gastvrouw, om je naar voren, naar een betere plaats te roepen. Het gezien worden is dan gelijk gelukt. Als je jezelf de beste plaats toekent loop je de kans geen rekening te hebben gehouden met de eregast en te moeten opkrassen. Dat is een manier van gezien worden die je liever overslaat. Het zijn de grappen waarmee al in de Bijbel de rijken en machtigen worden bespot en te kijk worden gezet. Voor Jezus is een andere strategie belangrijk. Nodig de armen, de chronisch zieken, de gehandicapten uit. Die nodigen je weliswaar niet terug uit voor een diner en nemen ook niet veel geld voor een goed doel of status in de samenleving mee, maar op de lange duur geven ze meer plezier. Want er komt een dag dat ook deze medeburgers opstaan en zich niet langer laten knechten. De opstanding van de rechtvaardigen noemt de schrijver van dit Evangelie dat. En op dat moment ben jij geen vijand,  maar een vriend van de armen, een vriend van de mensen die geen plaats in de samenleving hebben. Jij hebt ze een plaats gegeven. Die armen strijden nergens voor,  ze leven om te overleven. Bij hen hoef je je nooit af te vragen wat jouw plaats is, als jij de maaltijd geeft is het de ereplaats.

 

Weg met jullie, rechtsverkrachters!

zondag, 25 augustus, 2013

Lucas 13:22-30

Denk nu niet dat er in de Bijbel alleen in vriendelijke voorkomende woorden tegen elkaar wordt gesproken. Niets is vaak minder waar. Vooral Jezus van Nazareth kon, zo vertellen de vier Evangelieverhalen, soms onbarmhartig uithalen. Vooral tegen mensen die voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten. We kennen dat nog steeds, als een club wint is het aantal supporters niet te tellen, als een club verliest blijft er maar een klein clubje over. In de verhalen van Jezus van Nazareth worden heel andere maatstaven aangelegd. Daar staan de armen voorop. Wie niets heeft mag meedoen aan het Koninkrijk van recht en vrede. Wie niets heeft mag aan tafel op een feest dat voortdurend met een bruiloftsfeest wordt vergeleken. Wie geen oog heeft gehad voor het delen met de armen, wie bezig is geweest met eigen gewin en eigen profijt wordt buitengesloten.

Natuurlijk, ook zij willen meedoen met het feest, ook zij zullen roepen dat ze zich netjes hebben gedragen, altijd oppassend zijn geweest, fatsoenlijk, ja zelfs op zondag naar de kerk zijn gegaan. Het helpt allemaal niet want niet wie vooraan staat en een grote borst weet op te zetten komt als eerste voor het feest in aanmerking, maar wie hoort bij de armen. In een ander verhaal wordt de vergelijking getrokken met hen die in het struikgewas moeten slapen, langs de kant van de weg. Wie daarbij hoort, of wie voor die mensen opkomt en hen een deel van leven geeft is het feest bedoeld. De anderen zijn de rechtsverkrachters, weg er mee. Wij hebben een heel weekeinde om na te denken waar wij bij horen. Is dat bruiloftsfeest ook voor ons weggelegd?

In het Evangelie van Lucas draait alles om Jeruzalem. Het verhaal begint daar in de Tempel met de priester Zacharias en het eindigt daar ook als de volgelingen van Jezus van Nazareth naar de Tempel gaan. Jeruzalem is het centrum van het verhaal en in het verhaal het centrum van de wereld. Daar wordt immers de Wet van de Woestijn bewaard. De wet die ooit werd ontdekt door het volk Israel en die de garantie zal vormen voor een ideale wereld. Een wereld waar, zoals later zal worden gezegd, de straten van goud zijn en alle tranen zijn gedroogd. Juist in Jeruzalem zul je kunnen horen en leren dat die wereld er komt als de mensen geleerd hebben hun naasten lief te hebben als zichzelf. Daarom kunnen de armen bevrijding worden aangezegd zoals in het Evangelie van Lucas wordt verteld. Maar Jezus van Nazareth beseft dat het niet eenvoudig zal zijn. Daar waar de wet het meest voor de hand ligt is het verzet het grootst en de mensen die willen dat het liefhebben van de naasten wordt omgezet in daden worden het hardst aangepakt. Maar laten wij ons niet laten ontmoedigen. Elke dag mogen we er weer opnieuw mee beginnen, totdat die nieuwe wereld komt, dus ook vandaag weer.

Een toren te sterk voor de vijand.

zaterdag, 24 augustus, 2013

Psalm 61

Waarmee zal ik mijn God vergelijken? Het is een vraag die vandaag de dag gemakkelijk als een inleiding tot spotternij opgevat wordt. Maar als je de Psalmen goed leest dan tuimelen de vergelijkingen over God over elkaar heen. Zo ook in de Psalm die we vandaag meezingen, begeleid door snarenspel overigens. Het is een Psalm die uit de bundel David komt en heel misschien gaat het lied ook wel terug op de harpspelende David. De dichter van de Psalm heeft in elk geval een behoorlijk aantal vergelijkingen nodig om God duidelijk te maken waarom hij juist op die God een beroep doet. Die God is immers een schuilplaats, een toren waarop je je terug kunt trekken als je belaagd wordt door vijanden, die God heeft vleugels waaronder je kunt schuilen. Een toren met vleugels? Is dat een beeld van God? Als je de vertaling van de Bijbel letterlijk neemt zoals dat in sommige kringen gevraagd wordt, van kaft tot kaft zelfs, dan is de God van Israël een toren met vleugels. Maar zo lezen wij de Bijbel niet. Voor ons is er een zekere geborgenheid die moet worden uitgedrukt.

En die toren kennen we nog wel. In Barneveld sprong Jan van Schaffelaar van de toren toen zijn vijand dreigde zijn dorpsgenoten te doden omdat ze hem niet konden krijgen, hij had zich teruggetrokken in een toren. En er zijn grote roofvogels die hun jongen opvangen op hun vleugels als die gaan uitvliegen en het vliegen nog niet meester zijn. Dat beeld van die grote vogels die hun jongen op hun vleugels opvangen heeft vanouds diepe indruk gemaakt. Andere vogels beschermen hun jongen met hun vleugels als hun nesten worden aangevallen. Die beschermende en opvangende houding is een houding die je ook aan de God van Israël kunt toeschrijven. Natuurlijk kennen we dat allemaal wel wat minder dichterlijk. Als je een probleem hebt, als je bedreigd wordt, door pesters bijvoorbeeld, dan is het geweldig dat mensen van je houden, dat er mensen zijn die het voor je opnemen. De God van Israël roept in de Bijbelse verhalen altijd mensen op om om hun arm om anderen heen te slaan, om namens die God, in zijn Geest beschermend te zijn voor anderen, voor bedreigden, voor de zwakken, voor mensen in gevaar, voor mensen die worden onderdrukt.

Moeilijker hebben we het met de bede voor de Koning. Als de dagen van een koning verlengd worden van geslacht op geslacht, van generatie op generatie, dan moet zo’n Koning eeuwig leven. Dat kan toch niet bedoeld zijn. Waarom zouden we dat aan God vragen? Dat wordt dus ook niet gevraagd. Het gaat hier niet om een mens die Koning is, maar om een instituut Koning waar aan de verlangens van de God van Israël wordt beantwoord.  Daar waken trouw en waarheid. Niet een meneer Trouw of een mevrouw Waarheid, ook niet de kranten zoals we die hebben gekend in en na de Tweede Wereldoorlog, maar de inhoud van het regeren. Wij willen eerlijk geregeerd worden. In trouw aan de geboden van God en in waarheid van politici. De zorg voor de armen moet daarbij dus voorop staan, bescherming van de zwakken. Dan wordt die tent ook duidelijk. In het Hebreeuws wordt gesproken over een eeuwige tent, maar dat klinkt zo raar, dus vragen we maar om altijd te mogen wonen in die Tent. Maar de Bijbel belooft ook dat God zijn tent op aarde zal spannen. Dan is er geen angst en bedreiging meer, dan zijn alle tranen gedroogd. Het is er de hoogste tijd voor, tijd om de wereld daarvoor klaar te maken. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Als rechtmatig eigendom

vrijdag, 23 augustus, 2013

Genesis 23:1-20

Heel het land zal Uw nakomelingen gegeven worden was de droom van Abraham. Maar ook hij wist dat God een grens aan het menselijk bestaan had gesteld. Na zo’n 120 jaar moest het toch wel afgelopen zijn, dan keerde het lichaam weer tot stof en de adem van God weer terug naar God. Zo hebben we het gelezen in het verhaal uit Genesis dat staat tussen de bouw van de toren van Babel en de Ark van Noach. Sara leefde nog zeven jaren langer en was daarmee bijzonder gezegend. We moeten die getallen overigens eerder symbolisch dan letterlijk nemen. Natuurlijk had men kennis van de jaargetijden, van zomers en winters maar een nauwkeurige door atoomklokken gestuurde jaartelling als wij hebben was er in de dagen van Abraham nog niet en zeker geen burgerlijke stand waarin geboorten en overlijden nauwkeurig worden bijgehouden..

De leeftijd die Sara in dit verhaal bereikte vertelt ons in elk geval dat Sara bijzonder door het goede van het leven werd bezocht, gezegend was zeggen we in bijbelse termen. Dat wil dit verhaal ons in elk geval vertellen. Maar ook dat het eerste deel van die grote droom van Abraham een graf was, een grot waarin begraven werd. Niet zomaar bij de vreemde volken waar Abraham tussen woonde maar een eigen graf. Machpala betekent dan ook deel, het is het deel van Abraham. Een graf, een plek van herkenning is nog vandaag de dag van belang voor nabestaanden. Ook al kom je er weinig je weet dat het er is, dat ergens de urn staat van de gecremeerde, dat ergens het graf is van de geliefde. De plek die je bij leven gedeeld hebt is versteend maar aanwijsbaar. Iedereen kan zien dat er een plek met een geliefde gedeeld is. Zelfs bij het verstrooien van as zullen nabestaanden zorgen voor een plek die de herinnering markeert, een foto, een tekst of iets dat voor hen betekenis heeft.

Als mensen spoorloos verdwijnen ontstaat er dan ook altijd onnoemelijk leed bij de achterblijvenden. Onophoudelijk blijven ze speuren naar het lot van de verdwenen geliefde. Bij elke bijzondere dag, de feestdagen, de verjaardagen, blijft er een plek over voor de persoon die verdwenen is. Daarom is er ook altijd het dringende beroep op moordenaars om toch op één moment ergens iemand te laten weten waar de vermoorde gebleven is zodat een plek kan worden ingeruimd waar de achterblijvenden houvast aan hebben. Het lichaam keert terug tot de stof waaruit het gemaakt was, de adem die het leven betekende keert terug tot de God die het had gegeven maar de herinnering blijft bij iedereen die achterblijft. En om de levenden gaat het, om hun plek voor hun geliefde. Wees er altijd net zo zuinig op als Abraham op de grot waar hij Sara te ruste legde.

Zandkorrels op het strand langs de zee

donderdag, 22 augustus, 2013

Genesis 22:15-24

Het lijkt er op dat met de gebruikelijke oosterse overdrijving Abraham beloond wordt voor zijn vertrouwen op God. Wie kan nu de sterren aan de hemel tellen of de zandkorrels aan de oever van de zee? Maar wellicht hebben deze beelden toch een diepere betekenis. In de laatste verzen van dit hoofdstuk worden ook de kinderen van de broer van Abraham in het verhaal betrokken. Die broer was in Charan achtergebleven. We moeten hier ook niet de belofte aan Hagar vergeten. En dan wordt misschien wel bedoeld dat iedereen die de God van Abraham volgt een kind van Abraham genoemd kan worden, Joden, Moslims en Christenen. Natuurlijk er zijn altijd politici die een wig proberen te drijven tussen de kinderen van Abraham. In het verleden is het gelukt om een wig te drijven tussen Joden en Christenen met een meer dan vreselijk gevolg in de Tweede Wereldoorlog.

Het gevolg na de Tweede Wereldoorlog is dat er nooit in de Christelijke geschiedenis zo’n sterk bewustzijn is geweest van de verbondenheid met de Joodse godsdienst als in onze dagen, maar het offer dat daarvoor gebracht is is onmenselijk geweest en vele malen te groot. Het zou een waarschuwing moeten zijn voor de politici die nu hardnekkig een wig proberen te drijven tussen Christenen en Moslims. Natuurlijk verschillen de godsdiensten, maar ze gaan terug op die ene Abraham. We moeten culturele en historische verschillen niet verwarren met fundamentele verschillen. Paulus schrijft ergens dat vrouwen in het openbaar hun hoofd gedekt moeten houden, en in sommige kerken gaan de vrouwen op zondag met een hoed of muts op naar de kerk. In de klederdrachten die zelfs nu nog in sommige streken worden gedragen houden mannen en vrouwen ook het hoofd gedekt.

Er is zelfs een Christelijke stroming waar mannen weigeren hun hoed af te nemen voor mensen die vinden dat ze boven hen staan, rechters, koningen en militairen. Die opvatting dwingt bewondering af maar vindt weinig navolging. Maar waarom wordt geroepen dat de christelijke cultuur moet worden gehandhaafd tegen het dragen van hoofddoekjes door moslima’s? Wie de christelijke cultuur als basis voor onze samenleving in de grondwet wil opnemen wil ook het dragen van hoofddoekjes door vrouwen verplicht stellen. Het is een voorschrift uit het Christelijke Nieuwe Testament. We doen er beter aan om te beseffen dat ook schijnbare buitenstaanders als de kinderen van de broer van Abraham hier in het verhaal meedoen. En dat we dus allemaal in hetzelfde verhaal staan, dat van de God van Abraham die geen mensenoffers wilde maar gastvrijheid. Die wilde dat mensen in vrede met elkaar een samenleving bouwen waar geen tranen zijn, waar geen armen zijn, waar zelfs uiteindelijk de dood niet meer zal heersen.