Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2013

Zwakken en armen zuchten onder het geweld

dinsdag, 21 mei, 2013

Psalm 12

Vandaag zingen we een roep om bevrijding met de Bijbel mee. Wie er bevrijd moeten worden? Ze worden in deze Psalm niet met name genoemd. Maar van wie er bevrijd moet worden wel. Van de leugenaars en de grootsprekers moeten we bevrijd worden. En daarvan wil iedereen wel bevrijd worden, daarvan moet de hele samenleving bevrijd worden. De zwakken en de armen zuchten onder het verbale geweld van de leugenaars en grootsprekers. Wie kijkt naar de woorden van God die ziet dat die zuiver zijn, zuiver als het gezuiverde edelmetaal dat we kennen, zeven maal is het gesmolten en van de verontreinigingen ontdaan zingt de Psalm ons toe. Juist door die zuiverheid van het Woord van de God van Israël kan die opstaan tegen dat volk.

Je mag dan ook gerust vragen waar we het dan over hebben. De armen in onze samenleving kennen ze wel. Het zijn de rijken die roepen in tijden van grote werkloosheid dat het eenvoudig is voor iedereen om werk te vinden. Dat de uitkeringen te hoog zijn en dat er daardoor zo’n hoge werkloosheid is en het geringe aantal banen maar een bijkomende factor is. Dat lage uitkeringen de koopkracht van het volk vermindert en dat daardoor de economische motor van consumptie en productie tot stilstand komt wordt verzwegen. Dat het vertrouwen van consumenten daalt en aankopen worden uitgesteld juist bij onzekerheid over uitkeringen en pensioenen hoor je maar van een heel enkele econoom Dat samen delen zoals de Bijbel ons voorhoudt ons rijker maakt hoor je bijna helemaal niet meer.

Nee de chronisch zieken moeten de mogelijkheden om zelfstandig te leven worden afgenomen. Dat bemiddelingsburo’s frauderen en niet de patienten ontgaat menigeen. Dat controle op de toeslagen van de belastingdienst volledig zijn wegbezuinigd wordt verzwegen. Controle moet je immers alleen op de armen uitoefenen, daarvoor moet je de vreemdelingen in je midden gewoon in de gevangenis zetten. De grootspraak en de leugens van de rijken vliegen je dag in dag uit om de oren. Pas laat in de avond zie je een enkele keer de rijen voor de voedselbanken of de zielige oudere werknemers die geen werk meer kunnen vinden. Dat het de rijken zijn die niet willen delen, niet willen afzien van buitensporige beloningen als bonussen en exorbitante salarissen hoor je nergens meer. Tijd om de Bijbel te laten spreken, daar klinkt nog dat je de naaste lief moet hebben als jezelf, dat is de maatstaf die in elk bedrijf en elke organisatie moet worden aangelegd. Dan gaat ons land weer bloeien. Elke dag opnieuw kunnen we deze maatstaf aanleggen, ook vandaag weer.

Vragen wat je wilt en het zal gebeuren

maandag, 20 mei, 2013

Johannes 15:1-17

Vruchtbaarheid speelt door de hele Bijbel heen en grote rol. Israel had het gebod gekregen te delen met elkaar als grootste garantie op vruchtbaarheid. Als je samen deelt hoef je immers nooit zonder te zijn. Daarom het gebod te delen met de familie, de armen, de levieten en de vreemdelingen. En zelfs één keer per zeven jaar te delen met de aarde door de aarde niet te bebouwen maar te leven van wat spontaan op zou komen. Jezus van Nazareth trekt die geboden door tot op zichzelf. Het gaat er niet alleen om als volk te delen maar uiteindelijk gaat het er om ook jezelf te willen delen. Daardoor is Jezus van Nazareth de ware wijnstok. De wijnstok die vrucht draagt. Het gaat er de wijnstok niet om meer wijnstokken voort te brengen, of meer ranken, nee om meer druiven voort te brengen. Om meer druiven voort te brengen moeten zelfs ranken gesnoeid worden. Als je dus bereid bent om zo te gaan leven dat het niet meer om gaat er zelf beter van te worden maar te zorgen dat anderen er beter van worden, dat de minsten op aarde recht wordt gedaan, desnoods door jezelf op te offeren, dan is vruchtbaarheid gegarandeerd.

Dan kun je vragen wat je wilt en dan zal het ook gebeuren. Dan vraag je dus niet meer iets voor jezelf. Dan is vragen ook niet meer een probleem bij een ander, bij God bijvoorbeeld, neerleggen, maar dan is vragen moed verzamelen om zelf aan de slag te gaan. Dan is vragen zoeken naar het goede om het goede te doen en niet dan het goede. Het goede is immers niet altijd de ander te geven als dat wat voor zichzelf vraagt. Delen met een ander vraagt ook van de ander de bereidheid te delen. Iemand helpen op te staan is soms belangrijker en vruchtbaarder dan iemand te laten zitten en het eten maar te brengen en aan te reiken. Het gaat er altijd om ook die ander vruchtbaar te laten zijn voor de samenleving. Daarin wordt de grootheid van God pas duidelijk. Dat wat echte Liefde kan is zo groots dat niets ter wereld het daarbij kan halen. Dat kan hele volken bevrijden van geweld en onderdrukking.

De boodschap van de Bijbel is  heel eenvoudig. Jezus van Nazareth zelf zou eens opmerken dat zelfs een kind het kan begrijpen. En in deze passage lezen we de kern van de Bijbelse boodschap in al haar eenvoud: “Heb elkaar lief”. Het lijkt bijna een lied zoals het hier is opgeschreven. “Jullie moeten mij lief hebben en ik heb jullie liefgehad”, dan heb je de Vader lief en dan heb je elkaar lief. Als je Jezus liefhebt ben je geen slaafse volgeling van iemand die het bij het rechte eind heeft, nee dan ben je een vriend en kun je zelfs hem de waarheid zeggen. Juist als je gehoord hebt wat Jezus van Nazareth je te zeggen hebt dan weet je dat je dat zelf niet hebt hoeven te kiezen maar dat je zijn Weg mag gaan. In het verhaal van Jezus van Nazareth zijn het de leerlingen die geroepen zijn om Hem te volgen. In de Christelijke Kerk gelooft men daarom vanouds dat alle gelovigen geroepen zijn om Hem te volgen. Als je je naaste liefhebt als jezelf dan kun je niet anders dan die roep van Jezus van Nazareth doorgeven, hoe meer mensen immers hun naaste liefhebben als zichzelf hoe dichterbij het Koninkrijk van Jezus van Nazareth komt. We mogen er elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

De Geest van de waarheid.

zondag, 19 mei, 2013

Johannes 14:15-26

Er wordt mensen die naar vrede streven nog wel eens verweten dat ze niet de waarheid durven zeggen. De dreiging met geweld, bijvoorbeeld door de Islam, zou hen verhinderen te zeggen dat het verkeerd is vrouwen achter te stellen, homosexuelen te discrimineren of anders gelovigen te bedreigen met geweld. Niet is minder waar. Maar het maakt nogal verschil of je er met je broeders en zusters over in gesprek gaat of dat je de ander bestempelt en behandelt als vijanden. De waarheid is dat iedereen je broeder en je zuster is. De waarheid is ook dat je dus nooit bang hoeft te zijn te zeggen wat er verkeerd is, juist omdat je het goede wil doen en niet dan het goede. Dat is de boodschap van Jezus van Nazareth. Zelf kunnen we hem niet meer tegenkomen, we kennen hem uit de verhalen uit de Bijbel. Maar de manier waarop hij met de mensen omging, waarop hij tegen de wereld aankeek, zijn Geest, die kennen we wel en die is ons juist door die verhalen geschonken.

Daar kunnen we de wereld mee benaderen, in zijn Geest kunnen we de hand uitsteken naar de minsten in de samenleving. Maar in zijn Geest kunnen we ook samenwerken in onze eigen samenleving en delen met ieder die dat nodig heeft. Het ging Jezus er niet om om een baas te worden in de wereld, om in gevecht te gaan met de krachten en machten in de wereld. Dat bleek uit het antwoord op de vraag van Judas. Het zou nog blijken toen hij die menselijke zucht naar macht ook bij Jezus wilde uitlokken. Iemand die zoveel goed deed kon dan toch niet anders doen dan ook zichzelf veilig stellen. Maar dat was nu juist de kracht van Jezus van Nazareth, dat hij nooit iets deed voor zichzelf. Zo wilde hij herinnerd worden en zo wilde hij nagevolgd worden. Het zogenaamd zwakke is het sterkste van de wereld. Uiteindelijk zou zijn Liefde de hele wereld omspannen.

In de oude profetieën werd al voorspeld dat ooit alle volken van de wereld zich zouden keren naar Jeruzalem. Daar lag de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf in de Tempel. Met de komst van Jezus van Nazareth moest die Wet uit de Tempel vandaan de wereld in. Dat was wat de Geest zou bewerkstelligen, dat is wat de Geest ook voor ons kan bewerken. Ieder van ons kan in Zjn Geest de hand uitsteken naar de minsten. In ons huis, in onze straat, in onze stad, in ons land, in Europa en in de wereld. Iedereen kan elke dag iets goeds doen voor een ander, vrijwilligerswerk doen voor mensen die dat nodig hebben, boodschappen doen in een fair trade winkel, een brief of briefkaart schrijven voor Amnesty International, een handtekening zetten voor vrede of rechtvaardigheid, stem geven aan mensen wier stem werd gesmoord. Dat is de Geest van God, dat kan vandaag ook.

Ik ben de weg

zaterdag, 18 mei, 2013

Johannes 14:1-14

De eerste volgelingen van Jezus van Nazareth werden de mensen van de Weg genoemd. Zij probeerden de weg te volgen die Jezus van Nazareth hen had gewezen, ofwel op de manier te leven die hij hen had voorgedaan. Dat was niet eenvoudig. Toen hij nog bij hen was had hij het hen voorgedaan, maar hij was gekruisigd en begraven. Daarna was hij opgestaan en was hij teruggekomen en nog later had hij zijn geest gestuurd. Toch bleef het moeilijk. Daarom heeft de schrijver van het Evangelie van Johannes dit verhaal opgeschreven. Je hoeft niet allemaal op dezelfde manier te geloven. Er zijn vele plaatsen waar je de Weg van Jezus van Nazareth kunt volgen. De Bijbelvertalers vertalen het Grieks dat er staat sinds Luther graag met “kamers”, maar er staat eigenlijk plaats, een plaats door Jezus gereed gemaakt.

Voordat Jezus gekruisigd en gestorven was wisten ze niet waar het verhaal op uit zou lopen. Tomas had er nog naar gevraagd, zoals hij na de opstanding was blijven vragen naar de wonden die Jezus had opgelopen. Filippus had nog steeds niet door dat God dienen hetzelfde zou zijn als doen als Jezus deed. Pas na de opstanding had hij door dat al die profeten waar hij van had gehoord datzelfde hadden verteld. Toen zag hij de mensen langs de weg wel degelijk. Als je iets wilt op de manier waarop Jezus van Nazareth dat wilde dan krijg je dat ook. Maar pas toen de Geest over hen kwam snapten ze het.

Toen wisten ze dat de liefde voor de naaste als voor jezelf de sleutel was tot een wereld zonder tranen en verdriet. Toen wisten ze dat delen met elkaar, desnoods delen van jezelf, de Weg was. De Weg die Jezus was gegaan en die hem bij de Vader had gebracht. Toen wisten ze pas dat zij ook die Weg moesten gaan en de hele bewoonde wereld van die Weg moesten vertellen. Toen wisten ze pas dat ze moesten delen met al die mensen uit de hele bewoonde wereld. Toen wisten ze pas dat de Vader ook in hen kon zijn als ze zich maar bleven herinneren hoe Jezus van Nazareth was geweest. Want zijn beslissing om zijn macht en populariteit niet te gebruiken maar zich eerder aan het kruis te laten hangen dan zijn volk bloot te stellen aan een bloedige oorlog had hen de macht gegeven een gemeenschap van Liefde te vormen, samen die weg ook te gaan. Johannes was de laatste die het verhaal van Jezus van Nazareth had opgeschreven. Er was toen al een hele tijd overheen gegaan en veel mensen waren de Weg van Jezus van Nazareth gegaan tot in de dood toe. Maar Johannes wist, en schreef dat op, dat wie de Weg volgt van Jezus van Nazareth net zoveel als hij kan doen, meer nog als je blijft leven. We kunnen de armen bevrijden, de hongerigen voeden, die nieuwe wereld naderbij brengen. Elke dag opnieuw.

Er is geen God

vrijdag, 17 mei, 2013

Psalm 10

Vandaag zingen we een Psalm zonder opschrift. De enige psalm in de Bijbel die niet een opschrift heeft. Geen titel, geen melodie, geen dichter of doel wordt genoemd. De geleerden nemen aan dat het komt omdat we eigenlijk gewoon het tweede deel van Psalm 9 zingen. Daar was ook al sprake van ellende maar het leek er tenminste nog op dat de God van Israël zich er mee bezig zou gaan houden. Maar Psalm 9 eindigt met het woordje “sela” dat in alle andere Psalmen alleen staat op een punt waar even een adempauze genomen kan worden. En omdat de volgende Psalm dus zonder het gebruikelijke begin staat geschreven zou je inderdaad best kunnen aannemen dat de beide Psalmen bij elkaar horen en misschien wel ooit als 1 Psalm in de bundel hebben gestaan. Toch is het helemaal niet verkeerd eens de aandacht te vestigen op deze tiende Psalm.

Het gaat hier over de goddelozen. Nu zijn in de Bijbel de goddelozen niet direct de mensen die niet geloofden in de God van Israël. Mensen die ergens anders in geloven worden in de Bijbel Heidenen genoemd. Die geloven in goden die ze zelf hebben gemaakt, maar ook van die zelfgemaakte goden mag je over het algemeen niet doden, niet stelen, niet liegen en het volk waar je bij hoort niet in gevaar brengen. Zelfs het beledigen van die goden is meestal behoorlijk strafbaar. Goddelozen zijn in de Bijbel die mensen die zich niet houden aan die eenvoudige regels. Ze maken zich volgens deze Psalm zelf wijs dat er geen God bestaat. Niemand die immers rekenschap vraagt van hun daden? Ze kunnen er schijnbaar ongestrafd op los roven, armen uitbuiten, weduwen en wezen onderdrukken, liegen en bedriegen en anderen gebruiken om hun eigen lust te bevredigen. Alleen als ze echt rijk zijn gaat het knagen, dan vervloeken zij de God van Israël en moeten zij luid laten weten hoe verachtelijk die God van delen en medemenselijkheid wel niet is.

De Psalmdichter vraagt zich af hoe mensen toch zo dwaas kunnen zijn. De God van Israël hoort immers het schreeuwen van de onderdrukten, met opgeheven arm bevrijdde hij zijn volk uit de slavernij in Egypte. De God van Israël hoort de wens van de nederigen, hij bemoedigt hen en luistert met aandacht. De God van Israël doet recht aan wezen en verdrukten, daar kom je niet zomaar van af. In de Bijbel is het aanwezig zijn van armen en behoeftigen een schande voor de rijken. Zolang er nog armen zijn, zolang er nog honger wordt geleden, mensen geen kleding kunnen kopen, zieken creperen omdat er geen zorg is, deugen de rijken niet. Het bestaan van de minsten is een directe aanklacht tegen de rijksten. Natuurlijk hoor je dan dat mensen dat aan zichzelf te danken hebben. Ze roken te veel, ze drinken te veel, ze eten verkeerd en daardoor worden ze ziek. Wie aan het gif en het verkeerde voedsel verdient heeft en er rijk van geworden is moet je daar niet op aanspreken. Er ligt dus ook een keus in deze Psalm. Bij wie wil je horen, bij de volgers van de Weg van de God van Israël? Of bij de goddelozen? Elke dag opnieuw mag je kiezen. Ook vandaag weer.

Drieëndertig jaar in Jeruzalem.

donderdag, 16 mei, 2013

1 Koningen 2:1-12

David was drie en dertig jaar Koning in Jeruzalem. Jezus van Nazareth was drie en dertig jaar toen hij aan het kruis stierf. Die getallen staan er niet zomaar, die staan er om de volheid van hun tijd aan te duiden.Het getal van de volheid is veertig en aangezien David ook zeven jaar in Hebron had geregeerd is zijn tijd echt vol. Bij Jezus was er kennelijk nog een zeven jaar bij God nodig. Die jaren zijn geen jaren uit onze geschiedenisboekjes, die jaren duiden aan dat de levens en de verhalen er over op de God van Israël betrokken zijn en dat ze gaan over de geschiedenis zoals de God van Israël onze geschiedenis heeft veranderd. Maar alle mensen gaan dood en ook David gaat dood. Hij gaat de weg van de aarde staat er letterlijk. En voor een belangrijk persoon sterft wordt er een testament gemaakt, Ook David maakt zijn testament voor zijn zoon.

Er zijn vier elementen in dat testament. Ten eerste wordt de belofte van de God van Israël herhaald dat het huis van David zal blijven zolang dat huis van David verbonden blijft met de God van Israël. Voor Salomo betekent dit dat hij de wetten van Mozes zal moeten onderhouden. Hij krijgt dus uitdrukkelijk de opdracht de weduwe en de wees te beschermen, de arme recht te doen en de vreemdeling gastvrij te ontvangen. Maar hij krijgt ook waarschuwingen. Allereerst Joab. David verwacht dat Joab zijn eigen agenda ten uitvoer zal brengen zoals inderdtijd met Abner en Amasa had gedaan, tegen het bevel van David in had hij ze gedood. Vreemdelingen moet hij gastvrij ontvangen en met name de nazaten van Barzilai die als buurman van Israël toch David ontving toen hij op de vlucht was voor Absalom. Zijn zonen hebben recht op de beloning die Barzilai weigerde. David waarschuwt ook voor Simi, die tijdens de vlucht voor Absalom David bekogelde met stenen en verwensingen. Ook hij zal proberen zijn eigen agenda te volgen.

Zo komt er dus een einde aan het bewind van David. Zo komt er schijnbaar ook een einde aan het verhaal over David. De Koning wordt begraven op de Davidsburcht in Jeruzalem. Hij verlaat het paleis dus niet. Het paleis in Jeruzalem blijft dus het huis van David en alle Koningen die daar wonen mogen zich Koningen weten van het huis van David. De opdracht zich te houden aan de wetten van Mozes geldt dus niet alleen voor Salomo maar voor alle Koningen uit het huis van David. Daarmee is het verhaal van David dus niet uit. De Zoon van David die wij het beste kennen, Jezus van Nazareth, liet die Wetten van Mozes uit de Tempel de wereld in gaan zodat alle volken op aarde die wetten zouden kunnen volgen. Wetten die zich laten samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf. Ook wij horen dus de oproep van David. Ook wij kunnen Koningen en Priesters worden zoals David geschetst heeft, door te luisteren naar en te handelen volgens die Wet. Dat mag elke dag opnieuw, ook vandaag.

‘Je kunt gaan.’

woensdag, 15 mei, 2013

1 Koningen 1:41-53

In de laatste jaren van Koning David bleef het kennelijk vrede in Israël. David had zijn lijfwachten, de  Keretieten en Peletieten. Als er echt een leger op de been zou moeten worden gebracht dan moest de sjofar, de ramshoorn, geblazen worden om het leger van Israël te verzamelen. Die ramshoorn had nu ook geklonken en de bevolking van Jeruzalem had zich verzameld. Ze hadden zich niet verzameld om ten strijde te trekken maar om hun nieuwe koning te verwelkomen. Een koning die op een muilezel kwam, die zich liet zalven bij de dorpspomp, die koning werd terwijl alle deftige personen uit de stad elders zaten te dineren. Het was dus kennelijk een koning voor de gewone mens, een koning zoals David koning was geweest, hij had ook het goedkeuringsstempel van David gekregen. Zo wil je wel blij zijn met een Koning, een Koning van de vrede die het volk tot haar recht wil laten komen.

Maar hoe moet dat dan met de kroonprins Adonia die zich door de deftigheid van de stad tot Koning had laten uitroepen? Die deftigheid daar had hij niet veel aan. Toen ze door hadden wat er gebeurd was sloeg de schrik hen op het hart. Ze stonden op van hun feestmaaltijd en gingen met spoed naar huis. Zou hun steun voor Adonia worden uitgelegd als een opstand tegen David, de wettige koning? Zouden ze gestraft worden voor hun steun aan Adonia? Salomo was nu al een geliefde koning, een koning ook die kon steunen op een gediciplineerd en ervaren legertje, de lijfwacht van zijn vader. Alle reden dus om in de onzekere tijd de goede kant te kiezen. Ook Adonia ziet in dat het geen zin heeft tegen Salomo een burgeroorlog te beginnen. Hij zocht te veiligheid.

Volgens de Bijbel moet er in elke samenleving ergens een plaats zijn waar een bloedig conflict onbloedig opgelost kan worden. In Israël en Judea waren daarvoor de horens van het altaar in de Tent der Ontmoeting, later in de Tempel, aangewezen. Als je die weet te grijpen dan mag men je niet zonder meer gevangen nemen en eventueel zelfs ter dood brengen. Een asielplek voor misdadigers. Heel lang heeft in onze geschiedenis elk kerkgebouw en elk klooster een dergelijke functie gehad. Nu nog staat in onze wet dat de overheid een godsdienstoefening niet mag verstoren zolang die godsdienstoefening bezig is. Er staat echter geen sanctie op maar dat kerkasiel wordt ondanks dat nog wel eens verleend aan vreemdelingen die vermalen worden in onze administratie en de weigering van het land van herkomst hen te erkennen. Zolang als dat kerkasiel duurt vindt er een godsdienstoefening plaats. Adonia redt zich het leven door het asiel. Salomo is niet van plan het conflict op de spits te drijven en laat hem gaan. Het zou goed zijn als onze overheid daar een voorbeeld aan zou nemen. Wij kunnen daarbij helpen door de kerkasielacties te steunen als ze weer plaats vinden. Zorgen voor vreemdelingen en vrede stichten met hen kan elke dag, ook vandaag weer.

“Leve koning Adonia!”

dinsdag, 14 mei, 2013

1 Koningen 1:22-40

Pracht en praal tekenen in onze wereld de Koning. We hebben het nog niet zo lang geleden nog kunnen meemaken. Herauten, militairen in galauniformen, prinsen en prinsessen overal vandaan, tekenden de verheffing van de kroonprins tot Koning. Zo had ook Adonia het georganiseerd. Eerst had hij een escorte gevormd van ruiters en paarden, van soldaten voor hem uit en achter hem aan en toen had hij alle belangrijke mensen uitgenodigd voor een offermaaltijd. Vooral die mensen die zich in de steek gelaten hadden gevoeld door David, de oude koning die rillend op zijn bed lag verwarmt door Abisag de schone. Maar zelfverheffing maakt iemand nog geen koning. Een koning wordt je pas bij de dood van de vorige Koning of wanneer de vorige Koning afstand doet ten gunste van jou. Dat was al zo in de dagen van Adonia.

Daarom smeedden de Davidgetrouwe hovelingen een plan. Zij hadden er soms ook persoonlijk belang bij. Batseba was al eens een echtgenoot en een kind kwijtgeraakt en was door de begeerte van David aan het hof gekomen, ze had een zoon gekregen die van de profeet de naam Jedidja had gekregen, geliefde zoon van God. Van zijn vader David kreeg hij de naam Vredevorst, Salomo. Het kon toch niet anders dan deze zoon was vanaf zijn geboorte bestemd om de opvolger van David te worden? Batseba en een aantal hovelingen brachten daarom een bezoek aan David en terwijl zij daar waren werd de profeet Natan aangediend. Die herinnerde David aan zijn belofte en ook Batseba bevestigde nog eens wat David van plan was geweest.

En zo kon ook Salomo tot Koning gezalfd worden. Niet bij het Heiligdom, de Tent der ontmoeting, niet in het Paleis van David, maar bij de Gichonbron, een bron in de stad. Wij zouden bijna zeggen de Koning werd gezalfd bij de dorpspomp. Daar waar mensen elke dag bij elkaar kwamen om water te halen, zonder water immers geen leven. Niks niet met een overmacht aan vertoon van soldaten, niks niet met een maaltijd alleen voor belangrijke personen, maar temidden van de burgers van het Rijk werd Salomo gezalfd. En toen de muziek klonk, de ramshoorn het verzamelen blies, riep iedereen “Leve Koning Salomo” en de trompetten klonken en iedereen juichte zo luid dat de aarde er van dreunde. Ook voor ons dient de Koning dus niet bij alle pracht en praal te vinden te zijn maar bij de dorpspomp, bij de gewone mensen met hun dagelijkse problemen, met hun zwoegen en slaven voor het dagelijks brood. Ooit werd tegen Jezus van Nazareth., zoon van David, gezegd dat hij de geliefde zoon van God was, hij leerde ons altijd, dag in dag uit, aandacht te schenken aan de minsten, zodat we een volk van Koningen en Priesters zouden worden. Het kan nog steeds, elke dag weer, ook vandaag.

Haar brachten ze bij de koning.

maandag, 13 mei, 2013

1 Koningen 1:1-21

Vandaag beginnen we te lezen in het eerste boek Koningen. Oorspronkelijk hoorde het eerste en tweede boek Koningen bij elkaar. Samen met het eerste en tweede boek Samuël vormden ze een geheel. De vier boeken zijn zelfs wel eens samen verschenen. Maar doordat de rollen waarop de boeken werden overgeschreven een vastgestelde lengte hadden ontstonden de verschillende delen. Ze horen echter wel degelijk bij elkaar. Net zo min als het eerste en tweede boek Samuël zijn het eerste en tweede boek Koningen echte geschiedenis boeken. Zelfs de geschiedenis van de verschillende koningen is kennelijk niet zo belangrijk. Soms wordt aan Koningen die lang hebben geregeeerd maar heel weinig aandacht besteed terwijl over Koningen met wie het snel afgelopen was uitgebreid wordt verteld. Het gaat ook hier om de boodschap die in het verhaal ligt opgesloten. En die boodschap is het antwoord op de vraag hoe het zal aflopen met Koninkrijken die het niet nauw nemen met de godsdienst voor de God van Israël.

We beginnen vandaag met het verhaal dat het slot zou hebben kunnen vormen van het tweede boek Samuël. Het einde van Koning David. Die werd oud en koud, van deze Koning ging geen warmte meer uit en dat vormde een probleem. Een probleem dat niet eenvoudig was op te lossen. Alle vertalers in de geschiedenis kiezen dan voor de vertaling waarin voor de Koning een meisje werd gezocht dat hij als kruik kon gebruiken, veel meer gebeurde er niet met Abisag. Maar de laatste jaren heeft met zich gerealiseerd dat in de verhalen over Kanaaän ook jonge meisjes voorkomen die een speciale hoffunctie als wijze vervulden. En aangezien het Hebreeuws geen klinkers kent zou een vertaling in die richting ook mogelijk zijn. Dan regeert de oude Koning misschien niet helemaal meer zelf, maar is er een wijsheid in de buurt die de Koning de beste besluiten influistert.

En de Koning heeft die wijze besluiten nodig. Hij had aan Batseba beloofd dat haar zoon Salomo koning zou worden. Niet de oudste zoon, niet de prins die met kop en schouders boven iedereen uitstak maar de jongste zoon, de prins met de meest dubieuze afkomst moest de nieuwe Koning worden. De eerste is in de Bijbel maar heel zelden de beste. Het was Adonia die nog een keer zou laten zien hoe het bedoeld was. Hij was de vierde zoon van David die in Hebron was geboren, zijn broers waren gestorven en nu was hij aan de beurt, vond hij zelf. Net als Absalom voor hem probeerde ook hij het volk en haar leiders voor zich te winnen. Maar Batseba en de profeet Natan en de belangrijkste priesters steunden Adonia niet. Adonia had hen, evenmin als Salomo, uitgenodigd voor zijn Koningsmaal. Batseba melde het bij David. Weer waarschuwt de Bijbel ook ons geen genoegen te nemen met de eerste de beste, met de mooiste prater, de organisator van de mooiste feesten. Let op de minsten, let op de gevolgen voor de achtergestelden en de onderliggenden in de samenleving als het gaat om het kiezen van het bestuur. Dat kunnen we dag in dag uit doen door het bestuur er op aan te spreken. Dat kan elke dag, ook vandaag weer.

Doe mij recht, HEER

zondag, 12 mei, 2013

Psalm 7

We oordelen zo graag over een ander. We weten altijd precies wat anderen goed of fout hebben gedaan. We steken graag de vinger op om anderen te wijzen op het slechte dat ze hebben gedaan of van plan zijn te gaan doen. Juist in onze dagen lijkt het oordelen over anderen extreme vormen aan te nemen. Als mensen vinden dat iemand iets verkeerd heeft gedaan dan staan ze gelijk klaar met de meest grove verwensingen en zelfs met bedreigingen met de dood. De maat van een onderlinge discussie over goed en kwaad is totaal verdwenen. Daarbij komt dat het meestal niet gaat over het kwaad maar over goed en beter. Over wat er verkeerd is zijn we het meestal wel eens maar over hoe het ten goede te keren verschillen we van mening. Dat terwijl de meeste mensen toch zelf als eerste weten wat ze verkeerd doen en als ze daaraan vasthouden waarom ze vasthouden aan iets dat niet het beste is of zelfs het allerbeste.

Dat is ook het geval in de Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen. Een Psalm van David die hij schreef naar aanleiding van de woorden van de Benjaminiet Kusch. Die persoon komt in de Bijbel verder niet voor, de woorden van hem waarover deze Psalm gaat kennen we dan ook niet. Er is een streek in Ethiopië die in de Bijbel Kusch genoemd wordt maar die heeft verder met de stam Benjamin weinig te maken. Maar de feitelijke woorden of de persoon van Kusch doen misschien wel helemaal niet zo ter zake. David was nu eenmaal een Koning. Hij sprak recht en bestreed de vijanden van Israël. Dat zou ook vandaag voor velen genoeg zijn om hem met woorden te verwensen en met de dood te bedreigen. Je wordt gek van de haatmail zei een overigens zeer vriendelijke parlementariër laatst. De psalmist noemt een aantal voorbeelden, hij heeft toch geen onrecht begaan, niet opzettelijk, hij heeft ook geen goed met kwaad vergolden, of iemand zonder reden beroofd. Zulk slecht gedrag kan hij zich niet voorstellen en als hij het wel gedaan zou hebben dan is het achtervolgen en vertrappen inderdaad gerechtvaardigd.

Het is een vriend die u uw feilen toont luidt een oud gezegde uit de Nederlandse Taal. En dat is natuurlijk ook zo. Je bent toch blij als iemand je er op wijst dat je iets fout doet of zelfs dat je ongewild en onbedoeld iemand anders pijn heeft gedaan. Veel mensen schrikken zo erg van het wijzen op dit soort fouten dat ze automatisch in de verdediging schieten en het beschouwen als een persoonlijke aanval. Schimpen, schelden en bedreigen hebben dan ook geen enkele uitwerking. Als je een vriend op zijn of haar fouten wil wijzen bewijs dan eerst dat je een vriend of vriendin bent en dat je louter vriendschappelijke bedoelingen hebt. Zeg eerst dat je ook wel weet dat je vriend of vriendin een ander geen pijn wil doen of schade wil berokkenen, dat de ander ook uit is om het goede te doen en niet dan het goede. Maar dat het gedrag dat je waarneemt onbedoeld en vast ongewild toch de ander pijn doet. Dan doe je je vriend of vriendin niet alleen recht, je komt op voor het recht en voor de vrede. Dat mag elke dag opnieuw, ook vandaag weer.