Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2013

Maar hoe worden de doden opgewekt?

zaterdag, 20 april, 2013

1 Korintiërs 15:35-49

Er zijn mensen, dieren en dingen. Er zijn lichamen op aarde en er zijn hemellichamen. Ondanks alle wetenschap die we tegenwoordig hebben is het spraakgebruik nog niet veel anders. De schitterende sterren aan een heldere hemel in een donkere nacht spreken nog steeds tot de verbeelding. Wat nu die opstanding uit de doden betreft leren we dat ook Paulus eigenlijk geen idee heeft wat er uiteindelijk gaat gebeuren. De adem van de mens die door God werd gegeven gaat uiteindelijk terug naar God. Het goede in de geest van de mens blijft en inspireert, begeestert zeggen we wel, mensen die het goede willen doen. En daar blijft het bij. Dat is het dan. En als het niet om jezelf gaat dan is dat eigenlijk helemaal niet erg.

Er zijn predikers die mensen proberen te overtuigen door te wijzen op een eeuwig leven. Dat zou je moeten krijgen. Maar na al die eeuwen zien we weinig eeuwig leven om ons heen. In elk geval te weinig om je te motiveren het met het verhaal van Jezus van Nazareth te wagen, mee te gaan in het verhaal van Israel. Wat je wel om je heen ziet is de onrechtvaardigheid. Wat je kan zien zijn de armen in de wereld, de naakten, de hongerigen, de lammen, de blinden, de weduwen en de wezen die in de steek gelaten worden. En als je als mens nog een klein beetje gevoel voor een ander over hebt dan wil je daar iets mee doen. Dat kan motivatie geven om mee te gaan in het verhaal van Jezus van Nazareth die zijn volgelingen de opdracht gaf de armen bevrijding aan te zeggen. Dat zou moeten lukken als we onze naaste liefhebben als onzelf, als we zelfs onze vijanden lief weten te hebben.

Wie er over nadenkt beseft dat, hoe het dan ook zit met opstanding uit de doden, hoe het ook zit met een God van wie je geen beeld kunt maken, de wereld er een stuk beter uit zou zien als we elkaar lief zouden hebben. Als mensen inderdaad bereid zou zijn om met elkaar te delen. Als recht en rechtvaardigheid de verdeling van goederen, voedsel en welvaart zouden bepalen in plaats van de wetten van winst en profijt en het recht van de sterkste. De mensen die nu ten dode zijn opgeschreven in honger, ziekte en oorlog zouden dan een deel van leven hebben. Er zou een geest over de aarde waaien van goedheid en niet een damp van wantrouwen. Misschien dat we met Paulus geen idee hebben van wat er uiteindelijk zou kunnen gebeuren, maar we hebben wel een idee waar we zouden kunnen beginnen. Een samenleving vormen waar Liefde regeert, elke dag mag je daar opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Elke dag sterf ik opnieuw

vrijdag, 19 april, 2013

1 Korintiërs 15:29-34

In de begindagen van het Christelijk geloof waren er zelfs mensen die zich lieten dopen op naam van een ander. Ze gaven daarbij de namen van hun vader, moeder, geliefde of kinderen op die net waren gestorven. Want ook die zouden er bij moeten zijn, bij de komst van Christus, als de opstanding aanbrak. Voorzichtig oppert Paulus een andere betekenis. Als je van de weg van Christus afdwaalt dan sterf je een beetje. Paulus sterft elke dag wel een keer, om op te staan en opnieuw op die weg te beginnen. In Efeze werd dat kennelijk wel heel erg duidelijk. Maar als het niet door de dood heen is vol te houden, als de dood uiteindelijk niet kan worden overwonnen, waarom zou je dan nog je naaste lief hebben als jezelf? Er zijn leukere dingen te verzinnen. Nachten lang feesten, desnoods met giftige pillen, comazuipen, websex noem maar op wat leuk lijkt, uitdagend en het leven zeker niet serieus neemt.

In de dagen van Paulus was dat in het Romeinse Rijk heel gewoon. Volgens sommigen ging dat Rijk er uiteindelijk aan ten gronde maar dat hoeft niet de oorzaak te zijn geweest. Naast de veel te grote afhankelijkheid van de slaven was er ook een grote afhankelijkheid van soldaten. De militaire macht van Rome was ongekend groot. Maar uiteindelijk waren de soldaten het zat om steeds weer van huis te moeten en het risico te lopen te sterven in een slag die achteraf niet gevoerd had moeten worden. Op het eind van de oorlog in Vietnam overkwam dat ook Amerika. Eigenlijk waren het de soldaten die de oorlog meer dan zat waren, die niet meer snapten waarom een volk dat zo hardnekkig voor zijn vrijheid streed bedwongen moest worden en een door en door corrupt Zuid Vietnamees regime in het zadel gehouden moest worden. Eerzucht en aanzien bepaalden daarop de afloop van die oorlog.

Ook nu, na de oorlogen in Irak en Afghanistan, staat de militaire kracht meer in het middelpunt dan de levensverwachting van de verschillende bevolkingsgroepen in Irak en Afghanistan. Paulus waarschuwt in dat verband dat slecht gezelschap de goede zeden bederft en volgens sommigen hebben wij ons in slecht gezelschap begeven door achter de Amerikanen aan te blijven lopen. Hoe het ook zij, we hebben te kiezen voor het leven, ook voor het leven van Soennieten in Bagdad, ook voor het leven van Afghaanse burgers. Alleen het kwade verdrijven zonder het goede te brengen is niet genoeg. Misschien moeten we onze regering en de regeringen in Europa eens oproepen daar een antwoord op te geven. Wat doet U voor de Syriërs? Waarom de ene dictator verdrijven en de andere laten zitten? Wij kiezen voor het leven, ook voor het leven van anderen, elke dag opnieuw..

De laatste vijand is de dood

donderdag, 18 april, 2013

1 Korintiërs 15:20-28

In de Romeinse samenleving waar de mensen in Korinthe in leefden, ook Griekenland hoorde bij het Romeinse rijk, was een mensenleven weinig waard. De dood kon je overal treffen, zeker als ze je konden uitschelden voor Christen omdat je aan dat verhaal van Jezus van Nazareth mee wilde doen. Mensen die slaven en vrouwen gingen vertellen dat ze gelijk waren aan Koningen en goden konden de heersers niet gebruiken. Goden waren voor de tempels en de priesters en als die van hun opbrengsten met de overheid meedeelden moest je ze niet te na komen. De rest van de samenleving draaide op slaven dus je haalde het fundament onder de samenleving uit als je de slaven bevrijding ging aanzeggen. De dood was al een drijfveer van formaat, je keek wel uit op te vallen of ruzie te krijgen, de dood weerhield je ook de samenleving te hervormen.

Tot Christenen kwamen die zeiden dat de dood zou worden overwonnen, ja al was overwonnen. Dat het de laatste tegenstander zou zijn die zou worden overwonnen maar dat het overwonnen zou worden hoe dan ook. Door net als God te willen zijn was ooit de dood in de wereld gekomen, als het uiteindelijke onderscheid tussen God en de mensen. Door aan de afspraak met God te beantwoorden dat mensen elkaar lief zouden hebben als zichzelf zou de dood verdwijnen en zouden mensen kinderen van God worden. Jezus van Nazareth had zelfs eens op een Psalm gewezen waarin gezongen werd dat we allemaal Goden waren. De keuze die de nieuwe gemeenten maakten voor het leven, niet zozeer het leven van zichzelf maar vooral voor het leven van de zwaksten, van hen die al ten dode waren opgeschreven, was daarom alleen al revolutionair.

Geen wonder dat Paulus daar in deze brief zo de nadruk op legt. Voor ons is het misschien niet zo helder. Zoveel mensen worden toch niet vermoord? Als dat gebeurd staan de kranten er vol van. Ook de vijfhonderd verkeersdoden per jaar zijn een vijand en jaar op jaar volgen er nieuwe maatregelen ze te beperken. De dood is nog lang niet overwonnen, in Afrika sterven nog veel te veel mensen aan armoe en geweld. Maar de gedachte dat elk leven op aarde telt en waard is om beschermd te worden groeit van jaar tot jaar. Ze kan alleen groeien als we ze voeden. Als we ze voeden met akties als Max Havelaar, Samen Weer naar School, Giro 555 voor Syrië, Nederland helpt Azië de overstromingen te weerstaan en al die andere akties die gericht zijn op het bevrijden van mensen uit de dood. Elke keer als we een hand uitsteken naar een arme, als we onze samenleving iets beter inrichten op de bescherming van de armen in de wereld, winnen we weer een slag tegen de dood. Blijf dus kiezen voor het leven ook vandaag weer.

Als de doden niet opstaan

woensdag, 17 april, 2013

1 Korintiërs 15:12-19

Voor de schrijver van de brief aan de mensen in Korinthe is dit kennelijk de kern van het verhaal. De doden zullen opstaan. Willen we dat blijven geloven dan mag dat opstaan van sommige mensen zo na een paar duizend jaar onderhand ook wel eens gebeuren ook. Of zou er iets anders worden bedoeld dan dat het stof van de crematoria, de botten uit de geruimde graven, weer tot de mensen worden die ze waren. In heel het verhaal van Jezus van Nazareth gaat het niet om hem maar om de mensen die hij weer een plaats geeft in de samenleving. Ook Paulus benadrukt in zijn brieven dat je jezelf niet op de eerste plaats moet zetten maar de mensen die dat Evangelie nodig hebben. In het Evangelie van Lucas hebben we kunnen lezen dat dat Evangelie betekent de boodschap van bevrijding van de armen.

Die mensen die als dood zijn, die geen toekomst hebben, die niet voor of achteruit kunnen, die mensen komen weer tot leven en krijgen een eigen leven terug. Dat werk, die bevrijding gaat door de dood heen. Jezus van Nazareth, de gezalfde bevrijder, de Messias, de Christus, hield dat vol door de dood heen. Niets of niemand hield hem tegen zelfs de dood niet. In dat verhaal mogen we dus meedoen. En we kunnen in dat verhaal pas meedoen als we de angst voor de dood verliezen. Als we niet meer bang zijn voor de machthebbers in de wereld die ons vijanden aan proberen te praten, die ons wijs proberen te maken dat alle aanhangers van de Islam ons bedreigen. Die, nu de communistische vijand is verdwenen, binnen een aantal jaren een nieuwe vijand hebben geschapen. Maar zij hebben nooit geleerd dat je je vijanden lief moet hebben.

Zij hebben nooit geleerd dat je, zoals in Deuteronomium staat, de vreemdelingen aan tafel moet nodigen. Zij hebben nooit geleerd dat de nette keurige, wetslievende mensen wel voor zichzelf kunnen zorgen maar dat wij moeten zorgen voor de ontevredenen, voor de geweldzoekers, voor de onruststokers. Juist voor al de mensen die de weg van de dood kiezen, de letterlijk doodlopende weg, is dat Evangelie van bevrijding bedoeld. Daar moet het gebracht worden. Het geeft geen pas in het Witte Huis te bidden als je dat niet durft in Taliban land tussen Afghanistan en Pakistan. Juist als je dat echt gelooft zorg je dat je vrede brengt in plaats van geweld. Zuid Koreaanse Christenen deden dat en vonden de dood, zelf er zomaar heengaan is dus de weg niet. We moeten het doen met de hele bewoonde wereld, we zullen iedereen mee moeten zien te krijgen. Daar kunnen we aan werken te beginnen in ons eigen huis, onze eigen stad elke dag opnieuw.

Wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap

dinsdag, 16 april, 2013

1 Korintiërs 15:1-11

Soms vergeten we het wel eens en noemen we de maandag de eerste dag van de week, maar de zondag is nog steeds de echte eerste dag van de week. Bijna de hele week zullen we ons bezig houden met de lezing van het vijftiende hoofdstuk van de brief aan de inwoners van Korinthe. De hoofdstukindeling is overigens vrij willekeurig en pas in de Middeleeuwen aangebracht, maar ze komt ons deze komende week goed uit omdat we dan ook op afstand met elkaar weten wat we gaan lezen. Dit eerste deel is niet eenvoudig. Dat komt omdat het in eeuwen lijkt doodgepreekt. Wat moeten we met de gekruisigde Jezus die dood was en begraven en na drie dagen uit de dood is opgestaa?. We willen dat misschien best geloven, misschien is het zo wel gegaan, we waren er niet bij, maar wat moeten we er mee.

Er worden ook nog allemaal getuigen bij gesleept die het geloven in het verhaal gemakkelijker moeten maken, maar ook die getuigen kennen we niet. Toch blijft dit verhaal ook na zoveel eeuwen verkondigd worden. En niet door de minsten. In deze brief schrijft Paulus dat al die apostelen, al die getuigen allemaal hetzelfde verkondigen. En Jos Brink vertelde in zijn Amsterdamse Duif gemeente ook dat hij hetzelfde verkondigde als die Paulus. Dat zijn liefde voor mensen, die in het theater en op TV op grote massa’s afspatte, dezelfde liefde zou moeten zijn die Jezus voor de mensen had. Dat hij daarom mee leefde met de Aidspatiënten aan wie hij als buddy was toegewezen. Dat hij daarom de hand vasthield van zwaar dementerende patiënten in het verpleeghuis waar hij als pastor werkte. Wij wisten weinig en hoorden nog minder van de pastorale kant van Jos Brink. Hij stond zich er niet op voor. Het ging immers om de mensen zelf en niet om Jos Brink. En dat was ook dat Evangelie waar Paulis over schrijft.

Door de dood heen de liefde voor de mensen vast houden, bevrijding voor de armen verkondigen, daardoor de lammen laten lopen, de bedroefden troosten, de blinden laten zien en de doven laten horen. Wie durfde een Koningin op één lijn te stellen met zijn moeder, wie durfde over zijn eigen dood te roepen dat die groots beleefd moest worden met een uitvaart uit Carré, en natuurlijk een dienst in zijn eigen kerk? Hoe triest het einde van Jos Brink ook was, hoe we ook mee treurden, hem lukte het ook door zijn dood heen te blijven getuigen van zijn liefde voor de mensen en zijn liefde voor het meegaan in het verhaal van Jezus van Nazareth. Laat het ons ook moed geven in dat verhaal te blijven meegaan. Er zijn overigens prachtige boeken met teksten van Jos Brink die je kunnen helpen bij bidden en overdenken. En de gemeente in de Duif in Amsterdam is er nog steeds, daar kun je op zondag gewoon heen, net als naar de PKN kerk in je eigen buurt.

Van zijn wetten week ik nooit af.

maandag, 15 april, 2013

2 Samuel 22:21-51

Deze Psalm van David, die dus als Psalm 18 ook in het boek van de Psalmen is terug te vinden, heeft altijd veel indruk gemaakt. Vooral in moeilijke tijden in de Kerkgeschiedenis viel men terug op deze Psalm van David. De ervaringen van leed en ellende die op een poëtische manier worden bezongen zijn heel concreet terug te vinden in de beide boeken van de Profeet Samuël. Het is daarom niet verwonderlijk dat iemand als de hervormer Maarten Luther teruggreep op deze Psalm toen hij zijn relatie met de God van Israël beschreef als de relatie van iemand die een burcht bewoont, een kasteel met zulke dikke muren dat de vijanden er onmogelijk doorheen kunnen. Dat beeld kunnen we ook terugvinden in deze Psalm. Samen met de uitgangspunten die Maarten Luther voor de beschrijving van zijn geloof in de God van Israël hanteerde.

Dat uitgangspunt is eigenlijk heel eenvoudig. Als je wandelt in het leven volgens de Weg die de God van Israël heeft gewezen dan zul je uiteindelijk ingaan in het beloofde land, het land waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Als je afwijkt van die Weg dan kan het wel lijken of het goed gaat maar dan zul je uiteindelijk merken dat alleen leegte en ellende je deel zijn geweest. Alleen door het geloof kom je dus in dat beloofde land. Als je zelf iets denkt te kunnen ondernemen dat zal je dat niet verder brengen. Dat klinkt belachelijk, wij zijn het immers die opgeroepen worden onze naaste lief te hebben als onszelf. Als dat nergens voor helpt waarom zouden we dat dan nog doen? Nu ook het antwoord op die vraag is duidelijk, het helpt namelijk de naaste en pas in een wereld waarin iedereen gelukkig is kunnen alle tranen gedroogd zijn. Die hulp aan de naaste helpt jou dus niet, maar wel alle andere mensen en God zet ze dag in dag uit op je weg.

De Weg van de God van Israël is de Koninklijke Weg, de Weg van de Koning die intocht houdt in zijn Koninkrijk. Dit motief vindt je tal van Psalmen terug en ook de profeten grijpen op dat beeld terug. Vooral als ze willen beschrijven hoe het zal gaan met de ballingen in Babel, die weggevoerd waren omdat ze andere goden nagelopen waren. Tot inkeer gekomen mochten ze uiteindelijk terug om een nieuwe poging te wagen met dat land Kanaän om dat als land overloeiende van melk en honing in bezit te nemen. De verleiding van andere goden, goden van macht, goden van vruchtbaartheid, goden van aanzien, goden met mooie liederen en gewaden, goden met mooiere tempels als de lege tempel in Jeruzalem, is groot, is ook vandaag nog groot. De idolen in onze samenleving brengen altijd nog meer mensen op de been dan de slachtoffers van burgeroorlogen. Wie deze Psalm van David echt mee durft te zingen zal zich kwaad kunnen maken op het gebrek aan mededogen die slachtoffers van geweld kunnen oproepen. Dat kwaad maken helpt niet hebben we van David kunnen leren. Een hand uitsteken naar de slachtoffers, naar de minsten helpt wel. Dat mogen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

De HEER was mijn steun.

zondag, 14 april, 2013

2 Samuel 22:1-20

We mogen vandaag het eerste deel van een lied zingen dat aan Koning David wordt toegeschreven en dat in het tweede boek Samuël is terechtgekomen. We kunnen het lied tegenwoordig ook aardig meezingen. Dit lied staat namelijk ook in het boek van de Psalmen, het is Psalm 18. Er zijn bijna geen afwijkingen in de tekst. Wat de geleerden wel is opgevallen is dat de stijl en woordkeus van dit lied afwijkt van de stijl en de woordkeus in de rest van het tweede boek Samuël. Zowel het lied dat we vandaag lezen als Psalm 18 komen uit een bundel liederen die aan David wordt toegeschreven. En het invoegen van een lied zo tegen het einde van een Bijbelboek vinden we wel vaker. In de Hebreeuwse Bijbel kun je in sommige uitgaven trouwens deze Psalm van David vinden zo tegen het einde van het boek Deuteronomium, het is daar dan neergezet als illustratie bij de Torah uit de boeken van de profeten, want 2 Samuël wordt tot de profeten gerekend.

We lopen tegen het einde van de boeken Samuël. In die boeken is de opkomst en het leven van David beschreven als de Koning naar Gods hart. Voortdurend kwamen we de tegenstelling met de Koning zoals de Heidenen die willen tegen. Natuurlijk was ook David niet volmaakt. Zijn lust naar Batseba en het de dood insturen van haar man Uria is David zeer kwalijk genomen. Hij verloor daardoor een aantal zonen. Maar zo tegen het einde van het verhaal zou je je kunnen voorstellen dat David voor zich uit zit te mijmeren. Wellicht heeft hij weer de harp ter hand genomen die hij zo vaardig kon bespelen aan het hof van Saul. Het opschrift boven dit lied verwijst ook nog naar Saul. En dan bij de klanken van de harp beschrijft hij in dichterlijke termen nog eens hoe zijn leven is verlopen. Vele malen is hij vervolgd, vele malen moest hij vluchten of strijden, maar evenzovele malen kwam de God van Israël hem te hulp en redde hem uit zijn benauwenis.

David bezingt hier hoe het volgen van de Weg van de God van Israël hem altijd het goede pad heeft doen gaan. Eigenlijk werd hij onaantastbaar. Dat was een gevaar, je onaantastbaar voelen, dat bleek wel uit de affaire met Uria. Maar als je dat gevaar beseft en je nog sterker blijft afvragen wat de Weg van de God van Israël eigenlijk is dan gaat het van goed naar beter, dan leer je het kwade te bestrijden met het goede. Dan leer je dat je je vijanden niet zozeer moet doden maar dat je moet zorgen dat ook je vijanden het goede gaan voortbrengen. De geschiedenis van David leert dat dat niet altijd kan. Dat geweld om de zwakken te beschermen niet altijd onontkoombaar is. Maar die geschiedenis leert ook dat wraak nooit een vruchtbare toekomst oplevert. Die leert ook dat respect voor je vijanden je de weg naar vrede kan wijzen. Zo zingt David op het eind van zijn leven. Wij kunnen dat lied elke dag in allerlei toonaarden zingen, wij kunnen elke dag opnieuw de weg van vrede gaan. Vrede in onze eigen omgegeving, onze eigen buurt, ons eigen dorp of onze eigen stad. Maar ook voor de vrede op de hele wereld. Elke dag opnieuw mag dat, ook vandaag weer.

Hij hoonde Israël en werd gedood

zaterdag, 13 april, 2013

2 Samuel 21:15-22

Het verhaal over David was begonnen toen hij achter de schapen vandaan werd gehaald door zijn vader om door Samuël gezalfd te worden tot Koning over Israël. De eerste keer dat hij niet voor de schapen zorgde maar zijn broers voedsel en proviand ging brengen bij het leger van Israël zag hij het leger sidderen voor de reus Goliat die het volk Israël uitschold, bespotte en uitdaagde tot een gevecht van man tegen man. David gebruikte zijn enige wapen, de slinger, om de reus te verslaan. Reuzen hadden altijd al angst opgeroepen bij het volk. Toen de verspieders het land hadden verkend en herkend als land overvloeiende van melk en honing waren de tien van mening dat er van die reuzen niet gewonnen zou kunnen worden en dat het bezitten van dat land dus een mooie droom zou blijven. Slechts twee verkenners vertrouwden er op dat de God van Israël hen zou helpen. De strijd tussen de tien stammen en de twee stammen had dus heel oude papieren en de reuzen brachten deze strijd aan het licht.

Maar nu is David Koning en heeft de strijd tussen de tien stammen en de twee stammen voorlopig tot een eind gebracht. Nog steeds zijn er Filistijnen, nog steeds zijn er reuzen die het volk uitdagen tot de strijd. Maar verdwenen is de angst voor de Filistijnen. De angst is omgeslagen in bezorgdheid voor het welzijn van de Koning. In dit soort gevechten hoort de Koning helemaal niet aanwezig te zijn. Zijn soldaten, zijn krijgers, kunnen dat zelf wel af. Zij immers zijn met David meegetrokken, op de vlucht voor Saul, door de woestijn, tegen de Filistijnen en de Amelekieten, op de vlucht voor Absalom en nu terug naar het hart van Israël, het centrum van het rijk van David. Nu David gezorgd heeft dat Saul op een eervolle wijze met zijn nageslacht tot zijn vaderen verzamelt is breekt de tijd van de Koning echt aan. De Koning regeert volgens de wetten van de God van Israël en zijn soldaten verslaan de reuzen, alle reuzen van alle hoeken der aarde. Tel maar na, het verhaal vertelt van vier reuzen die worden verslagen.

Het verhaal over de strijd tegen de reuzen kan gelezen worden als een samenvatting van de strijd die voor de verovering van het land Kanaän gevoerd moest worden. Pas als de strijd tussen de stammen voorbij is en het volk één volk is onder de ene God wordt de strijd tegen de angst, tegen de reuzen, tegen de Filistijnen gewonnen. Niet langer kan gesproken worden van ieder die deed wat goed was in eigen ogen, niet langer meer iedere stam voor zichzelf en als het uitkwam tegen de andere stammen, maar nu één volk, één leger, verzamelt onder één Koning in aanbidding van de Ene God. Hier gaat het dus niet alleen meer om een Koning naar Gods hart, maar over een volk naar Gods hart. Veel en veel later zal Jezus van Nazareth het volk er nog eens op wijzen dat een huis dat tegen zichzelf is verdeeld geen stand kan houden. Uit het verhaal over de helden van Israël blijkt ook dat men het een en ander voor elkaar over heeft. Pas die bereidheid voor elkaar in te staan maakt een volk tot een eenheid. Daar mogen we ook in onze dagen nog aan werken, elke dag mogen we er opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Het komt door Saul

vrijdag, 12 april, 2013

2 Samuel 21:1-14

In de dagen van Koning David was de wetenschap nog niet zover gevorderd dat men de oorzaken kon vinden voor het mislukken van de oogst door droogte, nog wel drie jaar lang. Drie staat hier voor het getal van de volheid. Als het drie jaar geduurd had kon het overigens ook wel met God te maken hebben en dan werden de Priesters geroepen die de orakelstenen wierpen. En jawel het kwam door Saul, die had een heilige belofte van het volk Israël gebroken en daar moest voor worden betaald. Als je de minsten in het land negeert dan gaat het slecht me je land. Eigenlijk is dan natuurlijk nog helemaal niet veranderd. Wie wil er nu wonen in een land waar gezinnen onder de brug moeten slapen? In Israël kende men vreemdelingen en bijwoners. Die bijwoners waren ook vreemdelingen maar die woonden er al voordat Israël uit de woestijn kwam en het land veroverde. De volken die niet wilden delen werden vernietigd of weggejaagd, de volken die bereid waren te delen mochten blijven wonen. Dat was het geval met de Gibeonieten.

David heeft het huis van Saul altijd in ere gehouden. Zelf weigerde hij op talrijke momenten een lid van het huis van Saul te doden. Maar nu is hij Koning naar Gods hart en voor een Koning naar Gods hart hebben de minsten het voor het zeggen. En hier is bloedschuld naar de bijwoners, hier heeft God laten varen het werk dat zijn hand begon, de belofte van bescherming naar de Gibeonieten is immers gebroken. Zij eisen vergelding en zij hebben recht op vergelding, zij zijn niet de minderen van Israël, zij zijn opgenomen in Israël en hebben recht op dezelfde bescherming. Het bloed dat ten onrechte vergoten werd houdt de aarde onvruchtbaar, het bloed dat met recht vergoten wordt maakt de aarde weer vruchtbaar. Hier staat de Godsdienst van Israël lijnrecht tegenover de vruchtbaarheidsgodsdienst van Kanaaän, niet het bloed van de eerstgeborene, of het bloed van de offeraar zelf maakt het land vruchtbaar maar het recht dat wordt gedaan aan de minste.

Zeven nakomelingen van Saul worden ter dood gebracht op het Pesachfeest. Het Pesachfeest wordt immers gevierd bij het begin van de oogst ten tijde van de gersteoogst. Het gerstebrood is het brood van de armen, gerst wordt het eerst geoogst en de armen hebben niet een reserve die hen door de winter heen helpt. Maar het huis van Saul verdient ook eerbied en respect, Saul was immers de gezalfde van God. Rispa de bijvrouw van Saul en diens weduwe laat hier zien hoe dat moet. Haar kinderen moesten boeten voor de misdaad van Saul. David begrijpt de boodschap en laat de beenderen van Saul en zijn zonen verzamelen en laat alle doden begraven in het graf van de voorvaderen van Saul. En daarmee was aan de Gibeonieten, de bijwoners, recht gedaan en daarmee was aan het huis van Saul recht gedaan. De aarde kon nu weer vruchtbaar worden. Wij klagen nog wel eens over zwervers en vreemdelingen in onze straten. Maar net als David moeten wij ons afvragen of wij hen wel recht hebben gedaan. Dan zal onze last verdwijnen en zal mede door hen ook ons land weer vruchtbaar worden. Elke dag opnieuw kunnen we daaraan werken, ook vandaag weer.

Toen riep een wijze vrouw

donderdag, 11 april, 2013

2 Samuel 20:14-26

Joab was weer op oorlogspad. Hij had zijn rivaal Amasa vermoord en daarmee zijn leger in verwarring gebracht, zijn broer Abisaï had de verwarring opgeheven en nu sloeg Joab het beleg voor Abel-Bet-Maächa. De hele stad dreigde uitgemoord en verwoest te worden vanwege de brutaliteit van één man. Maar naast de mannenwereld die met man en macht het eigen gelijk wil halen is er ook de wereld van vrouwen die gericht zijn op het geven en het bewaren van het leven. Wijze vrouwen worden ze in de Bijbel genoemd. De wijsheid presenteert zich in verschillende Bijbelboeken zelfs als vrouw. En het begin van alle wijsheid is volgens de Bijbel het ontzag voor de God van Israël. Bij de latere Rabijnen nemen vrouwen dan ook een voorbeeldpositie in. Mannen moeten naar de Synagoge om zich te laten onderrichten in de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Vrouwen kennen dat onderricht van nature al.

Joab moet daarom in gesprek met een wijze vrouw. Die wijst hem op een oud spreekwoord, als je in Abel een verstandige vraag stelt dan krijg je waarom je vraagt. Waarom dan de hele stad verwoesten als het gaat om één man? Joab vraagt dus de uitlevering van die ene opstandeling. Die nu niet wordt aangeduid als iemand uit de stam van Benjamin maar als afkomstig uit het bergland van Efraïm, iemand met Egyptische invloeden, niet helemaal te vertrouwen dus ook niet voor Benjaminieten. Hij kreeg het hoofd van Seba toegeworpen, het hoofd viel hem toe en Joab kon op de ramshoorn blazen ten teken dat ook zijn leger naar huis kon. Hij blies op de ramshoorn net als Seba op de ramshoorn had geblazen.

Als de vrede is getekend en Joab is teruggekeerd naar Jeruzalem kan David opnieuw beginnen met regeren. En net als de eerste keer dat hij zijn paleis had betrokken volgt ook nu een opsomming van zijn hofhouding. En nu blijkt dat die hofhouding niet echt is gegroeid. Maar er zijn wel opmerkelijke veranderingen. Davids zonen zijn geen priester meer. Joab is nu ook opperbevelhebber, dus de baas van het noordelijke leger. En we komen Adoram tegen die de baas is van de herendiensten. De herendiensten zijn de diensten die onderdanen zonder betaling moeten verrichten voor de Koning. Samuël had er al tegen gewaarschuwd en verderop in de Bijbel zullen we leren dat Salomo als opvolger van David een uitgebreid systeem van herendiensten had georganiseerd, vooral in het Noorden. David begon als Koning naar Gods hart, maar heel langzaam is hij gaan lijken op een koning zoals de Heidenen die willen, een koning waar je ook tegen in opstand kan komen. Ook voor ons blijft het verhaal van David belangrijk, wij krijgen immers ook een nieuwe koning die samen met zijn ministers, gecontroleerd door het parlement, moet regeren. Aan ons om net als de wijze vrouw uit Abel te letten op de gevolgen voor armen en weduwen.Komt er vrede, wordt er eerlijk gedeeld, wordt er gezorgd voor de minsten? Elke dag kunnen we daarop letten en dat zelf doen, ook vandaag weer.