Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2013

Er wacht nog steeds een sabbatsrust.

dinsdag, 30 april, 2013

Hebreeën 4:1-13

Wie afziet van een eigen carrière, het najagen van winst en het verdringen van anderen van een zogenaamd hogere positie, zal merken dat je wordt overvallen door een weldadig gevoel van rust en vrede. In die rust is er alle tijd om een medemens te helpen. In die vrede zie je ook ineens de medemensen aan wie onrecht wordt aangedaan. Volgens de briefschrijver is die rust en is die vrede alleen te vinden voor mensen die hardnekkig blijven geloven in de komst van die nieuwe samenleving. Die samenleving waar alle tranen zullen zijn gewist en waar iedereen voldoende te eten heeft. Want als je niet geloofd in die nieuwe samenleving dan blijf je oorlog voeren met je medemensen, dan wordt je bang voor iedereen die iets anders geloofd en moet je met harde woorden iedereen bestrijden die iets anders geloofd, dan heb je geen ruimte meer voor het voeren van debat met je tegenstanders maar dan loop je uit angst voor de ander zelfs weg uit een kamerdebat.

De briefschrijfver wijst ook hier weer op het Oude Testament. God heeft de wereld geschapen en ruste op de zevende dag. Maar voordat mensen mee kunnen delen in die Sabbatsrust moet er nog wel wat gebeuren. Want toen God de wereld geschapen had zag hij dat het goed was. En als wij kijken dan zien we helemaal niet dat de wereld goed is. Er worden nog steeds oorlogen gevoerd, er worden nog steeds mensen door regeringen ter dood gebracht, er zijn nog steeds veel te veel mensen die niet te eten hebben, de gezondheidszorg is zeker niet voor iedereen op de wereld beschikbaar, er zijn nog steeds onrechtvaardige handelsverhoudingen, er zijn nog steeds zeer grote inkomensverschillen, hebzucht en eerzucht regeren nog steeds banken, staten en grote bedrijven. De wereld is dus nog lang niet klaar en in menselijke termen zal het nog wel een tijdje duren voordat de zevende dag aanbreekt.

Wie daarom het verhaal letterlijk neemt dat de wereld in zes dagen geschapen zou zijn neemt dit gedeelte van de brief uit de Hebreeën niet serieus. Want hier klinkt de oproep om aan die andere wereld te werken zodat de rust en de vrede hun intrede doen die God had bedoeld voor de mensen toen hij de wereld geschapen had en zag dat het goed was. Voor God is de dag van de schepping en de dag van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde dezelfde dag. Ook dat wil de briefschrijver ons hier duidelijk maken. Daarom is dit verhaal ook als een tweesnijdend zwaard. Het maakt haarscherp duidelijk wie er wel en wie er niet bijhoren. Wie geeft de aanbidding van welvaart en succes op en stelt zich geheel en al in dienst van de liefde voor de naaste en wie doet dat niet? Half kan niet, het valt ook niet te combineren, je doet mee of je doet niet mee, iets anders is er niet. Kiezen voor die nieuwe wereld is kiezen voor het leven, maak die keuze vandaag nog en ga aan het werk.

Horen jullie vandaag zijn stem

maandag, 29 april, 2013

Hebreeën 3:1-19

Wij hebben eigenlijk geen idee van de tijd waarin deze preek voor de Hebreeën werd geschreven. Toch is dat belangrijk om te kunnen snappen wat er staat en waarom het er staat. De titel van de brief doet vermoeden dat de brief is geschreven aan een gemeente van overwegend Joden, maar de geleerden zijn het daar niet over eens. De eerste christengemeenten leefden in een religieuze wereld die wij niet kennen. Overal waren tempels waarin vele soorten goden op vele manieren werden aanbeden. Priesters en Priesteressen vervulden daar speciale riten en die moest je dan ook te vriend houden. Alleen de Joden hadden zulke tempels niet. Maar die hadden ook gebouwtjes waar ze bijeen kwamen, synagogen noemden ze die. Ook daar waren voorgangers en de Joden hadden speciale kleding aan die hen onderscheidden van de anderen, ze spraken ook een eigen taal die verder niemand kon verstaan. Van buitenaf leken ze op aanhangers van een Tempel waar de rest van de bevolking weliswaar niet kwam maar die wel niet zoveel zou verschillen.

Maar die Christenen deden het nog anders. Die kwamen bij elkaar bij iemand thuis. Rijken en armen, slaven en vrijen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen. Ze onderscheiden zich niet in kleding, hielden geen optochten, hadden geen beelden of amuletten, maar hielpen de mensen in de stad die in problemen waren gekomen. Als je ze vroeg wie hun Priester was dan vertelden ze over ene Jezus van Nazareth. De Joden herkenden daar een landgenoot in en zullen gevraagd hebben wat die Jezus van Nazareth wel niet betekende. Dan kwamen die Christenen aan met het verhaal dat we vandaag lezen. Hoe zo’n gemeenschap van Christenen leek op het volk van Israel in de woestijn. Daar waar ze ontdekt hadden hoe sterk ze op elkaar waren aangewezen, waar ze gehoord hadden dat ze hun naaste lief moesten hebben als zichzelf. En hoe die Jezus van Nazareth hen diezelfde boodschap had voorgehouden en hoe ze soms net als het volk Israel de neiging hadden daar tegen in opstand te komen, maar hoe ze geloofden dat die Jezus van Nazareth nog steeds hun priester was en dat ze net als na de Grote Verzoendag weer opnieuw met die Wet uit de Woestijn mochten beginnen.

De verhalen uit de Bijbel van de Joden waren ook voor de Christenen de basis van hun geloof. Hun bijeenkomsten hadden dan in het begin ook veel weg van de bijeenkomsten die de Joden in hun synagogen hadden. Maar Joden en Heidenen bij elkaar zonder dat ze onderscheid maakten, mannen en vrouwen, armen en rijken, slaven en vrijen, dat was voor iedereen vreemd, dat viel op en was voor sommigen aantrekkelijk maar voor velen afstotelijk. Dat laatste is nog steeds niet anders. Wie opkomt voor de armsten in de wereld en alles over heeft om het lijden van de minsten te verzachten of op te heffen, wordt vaak bespot en veracht, maar ook gewaardeerd. Volhouden kan alleen als je je vereenzelvigd met die Jezus van Nazareth, in zijn Geest handelen en naar zijn Geest luisteren. Dat mag ook vandaag weer, elke dag opnieuw.

 

Het mensenkind dat u naar hem omziet?

zondag, 28 april, 2013

Hebreeën 2:1-9

De schrijver van deze preek zegt in het gedeelte van vandaag dat het  niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen. Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe.

De schrijver van deze preek citeert hier Psalm 8 over de plaats van de mens. Een citaat overigens uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel. Want in de Hebreeuwse Bijbel staat niet “U hebt hem lager dan de engelen geplaatst” maar “U hebt hem bijna tot een God gemaakt”, in elk geval staat daar al dat God ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens heeft onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles.  Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de preek voor de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen.

Het gaat dus niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Wet en met de God die hen de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Zo mogen wij ook elke dag weer opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Gerechtigheid hebt u liefgehad

zaterdag, 27 april, 2013

Hebreeën 1:1-14

Vandaag beginnen we een preek te lezen. En we doen de preek eigenlijk onrecht door die in stukjes te knippen en elke dag een stukje van die preek te lezen. Van wie die preek is weten we niet. Vroeger dacht men dat de preek van Paulus was maar dat is niet zo. Je hoeft deze preek overigens niet hardop voor te lezen om die te begrijpen want deze preek is niet voor het voorlezen gemaakt maar voor het lezen, de hele preek is zorgvuldig als een pamflet opgebouwd. De preek heeft als opschrift “Hebreeën” Dat is een andere naam voor de Joden en het betekent dat je goed op de hoogte moet zijn met de Hebreeuwse Bijbel wil je de preek begrijpen. Doel van de preek is dan ook duidelijk te maken wat de verhouding is tussen Jezus van Nazareth en alles wat in de Hebreeuwse Bijbel werd beschreven. In elke geval wordt in die Hebreeuwse Bijbel, wij noemen dat Oude Testament, beschreven dat er één God is die je mag aanbidden en dat je in elk geval geen mens moet aanbidden. Vraag is dan hoe dat zit.

Dat deze preek voor de Hebreeën in het Nieuwe Testament, de Christelijke Bijbel terecht is gekomen is niet zo vreemd. In de eerste Christelijke gemeenten werd elke week uit de Hebreeuwse Bijbel gelezen. In die verhalen herkende men het woord en het werk van de Messias, de bevrijder, de Christus. Je samen bezig houden met een preek als deze voor de Hebreeën zal veel mensen geholpen hebben bij het begrijpen van wat ze lazen. De verklaring van de Hebreeuwse Bijbel en het daaruit leren over Jezus van Nazareth was voor Christenen erg belangrijk. Denk maar aan die twee mannen die op de Paasdag naar Emmaüs liepen en onderweg uitgelegd kregen uit de Hebreeuwse Bijbel waarom de Messias moest lijden en sterven en na drie dagen uit de dood opstaan. Denk ook maar eens aan de diaken Filippus die op zijn weg naar Samaria een Moorse kamerling ontmoet die in het boek van de profeet Jesaja zit te lezen en hem vervolgens uitlegd wat daar bedoeld wordt. De kamerling laat zich uiteindelijk dopen.

In het eerste hoofdstuk dat we vandaag lezen gaat het gelijk over de betekenis van Jezus van Nazareth. Welke plaats neemt hij in onder de hemelse figuren. Over die figuren, engelen en zo, was buiten de Hebreeuwse Bijbel een hele literatuur ontstaan, het een nog fantastischer dan het andere. Maar over engelen wordt ook in de Hebreeuwse Bijbel gesproken. Zij brengen goddelijke boodschappen aan de mensen en zij vereren de God van Israël in zijn woonplaats. We zeggen dan de hemel maar daar wordt de bescherming mee bedoeld die God boven de aarde heeft gezet. Iets anders dan de blauwe lucht die we zien dus. Die engelen zijn dienaren van God, zoals mensen dienaren van God kunnen zijn. Maar de Messias is de Zoon van God, die zit naast de God van Israël op zijn troon. Door hem heeft de God van Israël direct tot mensen gesproken, in woord en in daad, daarmee is hij meer dan de profeten. Voor ons is die daad zeer belangrijk, het onvoorwaardelijk houden van mensen zelfs door de dood heen is voor ons na te volgen in zijn Geest. Daar mogen we elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

U haat allen die onrecht doen.

vrijdag, 26 april, 2013

Psalm 5

De vraag waar het kwaad vandaan komt houdt veel mensen al heel en heel lang bezig. We hebben immers een God die ooit met mensen begonnen is? Die God had toch de aarde geschapen voor de mensen zodat zij daarop zouden leven? Die God had toch gezien dat het goed was? Waar kwam dan het kwaad vandaan? Dat kon toch moeilijk aan diezelfde God toegeschreven worden. In het verhaal van de eerste mensen in het Paradijs werd het een slang die de mensen had verleid om tegen het bevel van God in te gaan. Maar die slang was ook door diezelfde God geschapen, alles was immers door God geschapen zegt het lied van de schepping. En die God had toch niet een slang geschapen om de mens te verleiden? In hetzelfde verhaal staat het antwoord op de eeuwige vraag waar het kwaad vandaan komt. Het komt uit de mens zelf vandaan, de mens wil gelijk worden aan God.

In het lied dat we vandaag mee zingen horen we de echo van die vraag. De dichter is in nood en roept zijn God aan om hulp. Het is een God die zich niet verheugd in het kwaad, het is een God waar de misdaad niet welkom is. Dat is de God van Israël waar we in mogen geloven. Sommigen zullen zeggen dat het kwaad van de duivel komt en dat je je niet door de duivel moet laten verleiden. Maar die duivel komt maar drie keer voor in de Hebreeuwse Bijbel. En dan nog is die duivel onderworpen aan de God van Israël. In het boek Job moet die duivel zelfs toestemming hebben om Job op de proef te stellen. Wie deze Psalm goed leest zal zien dat het kwaad dat hier beschreven wordt van mensen afkomstig is. Mensen die liegen en bedriegen, mensen die op macht uit zijn, mensen die zichzelf beter vinden dan een ander. Mensen zonder geweten.

Bij het lezen van een Psalm waarin gevraagd wordt om hulp letten we vaker op het klagen van de verdrukte dan op de hulp die de God van Israël biedt. Er is geen reden je te laten onderdrukken is de boodschap. Er is geen reden om onderdrukking en bedrog goed te praten. Het is niet zo dat misdadigers eigenlijk wel aardige mensen zijn. Het is niet zo dat mannen die geweld tegen hun vrouw gebruiken het eigenlijk wel goed bedoelen. Het is niet zo dat volwassenen die kinderen sexueel misbruiken eigenlijk wel van die kinderen houden. Het is ook niet zo dat die kinderen dat geheim moeten houden omdat ze die volwassenen anders pijn doen. Dat is wat deze Psalm eigenlijk wil zeggen. Wie op de God van Israël weet te vertrouwen hoeft niet meer bang te zijn dat de misdaad greep op hen zal houden. De overwinning ligt in de liefde voor de mensen die de God van Israël laat zien. De vraag aan de onderdrukkers is waar hun liefde is, ook zij worden geacht hun naaste te behandelen zoals ze zelf behandeld zouden willen. Daarom worden we geroepen het kwaad aan het licht te brengen, er over te spreken, te roepen voor hen die de mond gesnoerd zijn. Dat mogen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

‘Laat je hand zakken!’

donderdag, 25 april, 2013

2 Samuël 24:15-25

Hoe stom kun je zijn? Hoe kom je er bij dat je met het tellen van de bevolking iets zou kunnen bereiken. De Bijbelse boodschap is dat je moet vertrouwen op de barmhartigheid van de Heer. Dat wat God ons aan goeds schenkt is immers ontelbaar. Maar wij willen tellen, mensen tellen, meningen tellen. Elke dag weer worden mensen in onze samenleving gevraagd om hun mening ergens over te geven. Over de partij waarop ze willen stemmen, over het lied dat ze willen zingen, over de auto waarin ze willen rijden, over de straat waarin ze willen wonen en noem maar op. Via ingewikkelde en ondoorzichtige berekeningen worden die meningen dan herleid tot wat we allemaal samen zouden antwoorden op die vragen. Het verhaal dat we vandaag lezen laat ons zien hoe stom dat wel niet is. De peilingen waarop onze politici vertrouwen komen zelden uit. Maar ons wordt zo vaak voorgehouden dat de peilingen de werkelijkheid weergeven dat we zelfs ons vertrouwen als consumenten op tal van peilingen baseren. Daarom daalt dat vertrouwen steeds.

David en Israël leren het op de harde manier. De pest breekt uit en duizenden komen om. Weg is het resultaat van meer dan negen maanden tellen door Joab. David moet het boetekleed aantrekken en de God van Israël smeken om de pest te stoppen. Er zou drie dagen pest heersen maar God laat in dit verhaal zien dat de God van Israël niet een God van wraak is. Na een dag is de Pest al weer voorbij. David moet er wel wat voor doen. Hij moet op de dorsvloer van Arauna een altaar bouwen en een offer brengen aan de God van Israël. En dan laat David nog maar eens zien dat hij eigenlijk heel goed heeft begrepen waar het de God van Israël om te doen is. Hij krijgt de dorsvloer en alles wat nodig is om te offeren en een altaar te bouwen gratis en voor niks aangeboden. Maar hij weigert het aanbod. Hij koopt alles en betaalt van zijn eigen bezit. Het offer is bedoeld om te laten zien dat hij bereid is te delen van wat God hem heeft gegeven. Alles wat hij heeft, alles wat ieder van ons heeft, komt van God en is er voor bestemd de wereld een beter aanzien te geven. Bereidheid om te delen van wat we hebben is dus het eerste wat gevraagd wordt.

Het is ook daarom dat je vaak over een dorsplaats leest als de plek waar geofferd moet worden. De dorsplaats van Arauna lag volgens geleerden op de top van de berg Moria. Die berg kennen we uit het verhaal over het offer van Abraham. Die dacht zijn zoon te moeten offeren maar in plaats daarvan kreeg hij een lam om te offeren. Zo hoeft ook David niet de zoon van David te offeren maar moet hij zijn bezit delen. Wij leren dat nooit lijkt het wel. Wij blijven onze kinderen offeren aan aanzien en rijkdom. Daar worden de oorlogen voor gevoerd. Daar wordt de gezondheid van onszelf en onze kinderen voor op het spel gezet. Daarom vertrouwen we liever op de opiniepeilingen dan op de genade van de God van Israël. Ook voor ons komen die peilingen zelden uit. Er hoeft maar een storm te woeden of een trein gekaapt te worden of de mening van het volk slaat om. De enige voorspelling die uit zal komen is de voorspelling van de God van Israël dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen waar alle leed geleden zal zijn. Daar mogen we elke dag opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

Schrijf de weerbare mannen in

woensdag, 24 april, 2013

2 Samuel 24:1-14

Er is nog een bijzonder verhaal dat helemaal aan het eind van het tweede boek Samuël te vinden is. Het gaat over de macht van Koningen en het gemak je eigen verlangens aan God toe te dichten. Het zal duidelijk zijn dat hoe groter je leger is hoe sterker je bent. Het zal ook duidelijk zijn dat als je nu maar precies weet wie waar woont en hoeveel mensen er in je rijk zijn je beter belastingen kunt heffen en je als heerser dus rijker wordt. Machtiger en rijker, het zijn de toverwoorden die ook in onze dagen heersers drijven. Bedrijven worden er groter door. Het handelen van leiders van staten en bedrijven wordt er meer en meer door bepaald. De economische crisis waarin we zijn beland werd ingegeven door het verlangen van bankdirecteuren om rijker en nog rijker te worden. Ze bleken daarvoor een positie geschapen te hebben dat ze ook absolute macht over de economie hebben. Toen bedrog en misleiding de overhand namen sleepten ze in hun val staten en economieën mee. Het verhaal dat we vandaag beginnen te lezen is dus heel actueel.

David vertelt aan Joab dat hij een bevel van God heeft gekregen om alle weerbare mannen in Israël te tellen. Hij weet dan hoe groot zijn leger wel niet is geworden. Hij weet dan natuurlijk ook hoe groot zijn volk is geworden en hoe de belofte van de God van Israël het volk tot een groot volk te maken is uitgekomen. De vraag is natuurlijk of David dit bevel van God heeft gekregen, er staat dat God kwaad was toen het bevel werd gegeven, of dat David dacht dat het God was die hem die richting op stuurde. In het boek Kronieken wordt hetzelfde verhaal verteld en daar staat dat Satan David verleidde. Nu is het bestaan van een Satan een probleem in de Bijbel. In het Oude Testament wordt die maar drie keer genoemd, steeds om te voorkomen dat je kunt denken dat de God van Israël aanzet tot het bedrijven van het kwade. Voor het vertellen is dan een Satan een handige figuur. Je moet je handelen dus niet laten bepalen door het eventueel bestaan van een Satan. Wij geloven in één God en daarom kan Paulus ons oproepen het kwade te bestrijden door het doen van het goede.

Dat goede doen kwam niet bij David op. Hij had alle macht en liet zijn generaal Joab nauwkeurig langs alle stammen gaan om alle weerbare mannen op te schrijven. Meer dan 9 maanden was die daar mee bezig. Er werden achthonderdduizend mannen geteld, een geweldig leger. Maar het maakte David ook duidelijk dat hij op het verkeerde spoor zat. Hij had zijn overwinningen immers steeds met een handjevol mannen behaald. Hij had nooit echt een groot leger nodig gehad. De God van Israël gaf altijd zoveel als nodig was en macht en aanzien van een koning speelde geen enkele rol. De profeet Gad, die altijd trouw met David was meegegaan, krijgt nu de opdracht David op de proef te stellen, heeft hij het begrepen? Het blijkt van wel. David kiest niet een straf maar geeft zich over aan de barmhartige God van Israël, die moet maar kiezen. Juist in onze dagen moeten wij nog eens extra onder ogen zien dat macht en aanzien verkeerde producten zijn van onze samenleving. Als bonussen en exorbitante beloningen doelen worden van het leiding geven dan zit er iets fout, dan zit er iets heel erg fout. Het verhaal van David leert ons hopelijk dat we er niet vroeg genoeg en niet hard genoeg tegen kunnen protesteren. Al het klatergoud leidt ons af van het eerste doel, de minsten te helpen. Gelukkig dat we elke dag opnieuw kunnen opkomen voor een zorgzame samenleving waar eerlijk gedeeld wordt. Ook vandaag weer.

Bij elkaar waren het er zevenendertig.

dinsdag, 23 april, 2013

2 Samuël 23:8-39

Denk nu niet dat die David dat allemaal op zijn eentje had gedaan. Er wordt natuurlijk in al die verhalen uit de Boeken 1en 2 Samuël gesproken over soldaten, maar het was niet David alleen die de soldaten aanstuurde en de overwinningen behaalde. Je bent dan wel Koning en je moet dan wel rechtvaardig regeren maar als je werkelijk mensen tot hun recht wil laten komen dan zorg je dat de mensen die het verdienen ook in het licht komen te staan. Wij hebben daar tegenwoordig een heel systeem van koninklijke onderscheidingen voor. Daar ligt de nadruk op vrijwilligerswerk. Mooi natuurlijk en de mensen die het lintje krijgen verdienen het zeker maar een dergelijk stelsel brengt ook met zich mee dat er nog al wat mensen worden vergeten die zich evenzeer inzetten voor hun medemens zonder zich af te vragen wat ze er aan over houden.

De lijst die we vandaag lezen komt ook voor in het boek van de Kronieken. Daar is de lijst net even anders. Het is een waarschuwing. We hebben in de Bijbel nu eenmaal niet te maken met journalisten en geschiedkundigen die zo nauwkeurig mogelijk opschrijven wat er precies allemaal is voorgevallen. De Bijbel gaat om de boodschap van de God van Israël. En die boodschap is dat die God altijd  mensen vindt om voor de zwaksten op te komen, hun leven te wagen voor zij die worden bedreigd met geweld en onderdrukking. Dat hoeven geen Koningen te zijn. Dat hoeven zelfs geen opperbevelhebbers van het leger te zijn. In de lijst met de helden van David ontbreekt bijvoorbeeld Joab, die in de verhalen toch vaak genoeg als opperbevelhebber optreedt.

Wie er wel voorkomt, als laatste maar toch, is Uria de Hethiet. Hij werd door David de dood ingestuurd omdat David zo graag omgang had met de vrouw van Uria, Batseba. Het was een fout van David die hem zwaar werd aangerekend. Maar Uria zelf hoort bij de helden van David. Hij hoort bij de boodschap van God. Hij weigerde tijdens zijn verlof bij Batseba te slapen omdat het gebod van de Heer hem dat verbood. Het volgen van de weg van de God van Israël, of van Jezus, is dus niet altijd voordelig, levert zeker geen geluk voor de gelovige op. Wie dat beweert liegt en probeert Heidense invloeden in het Christelijk geloof te brengen. Het volgen van de God van Israël, zoals Jezus ook deed, levert geluk voor anderen op, voor de minsten, voor de hongerigen, voor de slachtoffers van geweld en uitbuiting. De gelovige is een dienaar van de Allerhoogste en je mag dankbaar zijn een dienaar te mogen zijn, dat is beloning genoeg. Zo brengt de lijst met helden ons naar vandaag. Want als het de God van Israël is die ons roept mogen we allemaal helden zijn, dienaren van die God, zodat hongerigen gevoed worden en bedroefden getroost. Dat mogen we elke dag opnieuw, ook vandaag.

De laatste woorden van David.

maandag, 22 april, 2013

2 Samuel 23:1-7

Een kort lied dat het laatste deel van de boeken van Samuël afsluit.Het verhaal uit de boeken van de profeet Samuël ging over Koning David. De verhalen vertelden ons hoe Samuël optrad als Rechter over Israël maar moest zwichten voor het verzoek van het volk een Koning aan te stellen. Het volk wilde een Koning hebben zoals de Heidenen die ook hebben. Een Koning vol pracht en praal, een koning met militaire macht die het volk leiding kan geven in de strijd en die de vijanden kan overwinnen. De boeken van de profeet Samuël vertellen ons vervolgens over twee soorten Koningen, de Koning naar Gods hart en de Koning zoals de Heidenen die hebben. Het begon met die laatste, Saul, die met kop en schouders boven iedereen uitstak. Saul die net als de Heidenen religieuze symbolen gebruikte als teken van macht, de Ark van het Verbond de oorlog instuurde.

David was de Koning naar Gods hart. Hij had door dat wie rechtvaardig heerst over de mensen in diep ontzag voor God heerst. Zo’n Koning brengt vreugde onder de mensen, zoals een stralende zon vreugde brengt als het lang en hard heeft geregend. In het woestijnklimaat dat een deel van Israël tekent zie je het dan groen worden. David heeft ervaren dat de God van Israël bij je blijft ook al wijk je van zijn weg af. Want David was ook maar een mens. Hij ging de fout in met Uria en dat had hem bijna de dood ingejaagd. Nu kostte het het leven van zijn zonen. Zonen die aanvankelijk priester waren van de God van Israël, maar die ook zo graag met kop en schouders boven het volk wilden uitsteken. Uiteindelijk is er maar één over, Salomo, geboren uit de verbintenis die de meeste afkeuring verdient.

Zelfs tegen zijn eigen zonen heeft David moeten optreden. Onwaardigen waren zij, als doornstruiken ontworteld door de wind. Ze zijn bijna niet op te ruimen, zeker niet zonder jezelf pijn te doen. De doornen zullen diep in je vlees snijden. Je kunt beter een stok met een ijzeren punt nemen om ze op te ruimen zodat je ze in het vuur kunt werpen en verbranden. Het is alsof David de balans op maakt aan het eind van zijn leven. Hij weet nog steeds hoe het had gemoeten. Hij weet nog steeds hoe het helemaal goed had kunnen gaan. Zoals God keek naar de schepping en zag dat het goed was, zo kijkt David naar zijn leven en ziet dat er goed was en dat er kwaad was. Het goede moet er van overblijven. Voor ons natuurlijk ook de les niet te vertrouwen op een ander mens. Zoals de profeet Natan tegen David te keer ging over zijn handelen met Uria, zo zullen wij ook het onrecht van onze eigen machthebbers aan de kaak moeten stellen. Dat kan met woorden, dat kan door het goede te doen en niet dan het goede. Dat goede doen mogen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Dood, waar is je angel?

zondag, 21 april, 2013

1 Korintiërs 15:50-58

De manier waarop Jezus van Nazareth zijn kruisiging onderging en stierf aan het kruis heeft op zijn volgelingen diepe indruk gemaakt. Wie, aan een kruis gehangen, helpt zijn medegekruisigden, wie kan vanaf een kruis nog troost zoeken voor zijn moeder, wie bidt voor zijn beulen hangend aan een kruis? Die liefde kon onmogelijk dood gemaakt worden, dat bleef leven. Paulus had later die volgelingen te vuur en te zwaard vervolgd, maar toen hij met blindheid geslagen was hadden diezelfde volgelingen van Jezus van Nazareth hem opgevangen en verzorgd. Ja, toen hij zelf in het verhaal van Jezus van Nazareth wilde gaan meedoen hadden ze hem uiteindelijk zelfs opgenomen in de kring van de zendelingen zoals die door Jezus van Nazareth waren aangewezen. De dood speelde geen enkele rol meer.

Het ging en het gaat om de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Lichamelijke eigenschappen doen daarbij niet ter zake, sterk of zwak, mooi of lelijk, oud of jong, voor het verhaal van Jezus van Nazareth is een metamorfose van een heel ander kaliber nodig. Daar komt geen chirurg of andere mooimaker aan te pas. Je doet het zelf. Je gaat de weg op van Jezus van Nazareth. Mensen van de weg werden die eerste Christenen genoemd. Van hot naar her trokken ze het land door, de armen bevrijding verkondigend, de zieken genezing, de lammen lieten ze lopen en de blinden lieten ze zien. Mensen kregen weer waarde, mensen kregen weer een plaats in de samenleving. Slaven werden broeders, slavinnen werden zusters. Alle dode regels zijn vervallen.

Denk niet dat je er nu maar op los kunt leven. Alles mag heeft Paulus ergens anders gezegd. En dode regels bepalen zeker niet wat mag of niet mag. Alles mag kun je gemakkelijk zeggen als je weet dat iedereen het uit z’n hoofd zal laten een ander te beschadigen. Als je de naaste liefhebt als jezelf, dan beschouw je niemand als een voorwerp dat voor jou bevrediging kan brengen, dan geef je geen drank of drugs, je kijkt wel uit. Zelfs de risico’s die jezelf misschien wil lopen voor je eigen plezier gun je een ander niet. En maakt dat van jou een dooie pier? Nou en? Werkelijke liefde geeft veel meer genot, dat gaat alles te boven, daar kan geen kick tegen op. Anderen, die ongelukkig waren, weer geluk en vertrouwen in het leven geven, is het mooiste dat er is. En het allermooiste is dat we er elke dag opnieuw mee mogen beginnen, elke dag weer, ook vandaag, net zo vaak als we willen, onophoudelijk.