Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2013

David riep alle soldaten op

donderdag, 21 maart, 2013

2 Samuel 12:26-31

Het verhaal van David en Uria had David bijna de dood ingejaagd. Hij had zich gedragen als een Heidense Koning en als van een Heidense Koning had zijn God het leven van zijn eerstgeborene geëist. Maar zo doet niet de God van Israël. Die laat niet varen het werk dat zijn hand begon. Als David getrouwd is met Batseba en haar liefheeft zoals liefde is bedoeld dat wordt een zoon geboren die de beminde van de God van Israël is. In het verhaal van het overspel komt de naam van Batseba niet voor, zij is “die van Uria”, maar na het huwelijk komt haar naam weer tevoorschijn, ze is weer een gelijke van David. De Koning komt weer tot leven en het verhaal van de schande van de Ammonieten kan nu uitverteld worden. Daar waren de gezanten van David vernederd terwijl zij met een aanbod van vrede en broederschap kwamen. Joab was er op uitgestuurd om te zorgen voor vergelding van deze wandaad.

Toen Joab werd uitzonden voor een Heilige Oorlog, waar ook de Ark bij betrokken was, gedroeg David zich nog als een Koning zoals de Heidenen die hebben. Nu keert het verhaal weer terug naar David als een Koning naar Gods hart. Van de Ark is geen sprake meer en Joab is kennelijk weer de bendeleider die hij altijd al was. Hij heeft de waterput van Rabba in handen gekregen, Rabba betekent grote stad. Een truc die ook David had gebruikt toen hij Jeruzalem innam. De verovering is echter niet aan Joab maar aan David. Koning David is echter niet meer de bendeleider die hij was. Hij brengt het leger van Israël op de been en daarmee veroverd hij de hoofdstad van de Ammorieten. De loodzware protserige kroon van de Koning van de Ammorieten zet hij zelf op zijn hoofd. De grote stad wordt leeggehaald, de bevolking weggevoerd. Voor Israël een eerste waarschuwing dat het ook hen zo zou kunnen vergaan als ze de Weg van de God van Israël verlaten.

Wat er met de soldaten van de Ammorieten gebeurde maakt op het eerste gezicht de indruk van een wrede straf. Slavernij in de steengroeven en de steenbakkerijen. Maar dan zien we toch onvoldoende de tegenstelling tussen soldaten en steenbakkers. Soldaten verwoesten, plunderen, vernielen, verwoesten steden en maken die tot puinhopen. Steenbakkers en arbeiders in de steengroeven bouwen op, leveren de bouwstenen voor steden en dorpen, voor huizen waar mensen in kunnen wonen. Van verwoesters worden de soldaten tot opbouwers en herstellers. En de hoekstenen die deze bouwlieden zullen afkeuren zullen gebruikt worden om het Heiligdom voor de God van Israël te bouwen. De Ammonieten worden door David al ingeschakeld bij het ideaal van Salomo, een Tempel te bouwen waar de God van Israël kan wonen. Zo wijst ook dit verhaal over smaad en verovering ons er op dat we zelfs onze vijanden lief moeten hebben en van verwoesters opbouwers moeten maken. Elke dag kan dat weer door onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag weer.

Die man, dat bent u!

woensdag, 20 maart, 2013

2 Samuel 12:1-25

In het nieuwe Testament wordt een verhaal verteld over Jezus van Nazareth die op bezoek gaat bij een Tollenaar. Als die Tollenaar door krijgt dat hij ook anders kan leven dan van de uitbuiting vn de armen roept die dat hij aan de armen vier maal het teveel zal teruggeven dat hij van ze gestolen heeft. Die tollenaar had dus heel goed naar de profeet Natan geluisterd toen die op bevel van de God van Israël aan koning David kwam vertellen hoe verkeerd zijn gedrag met Uria en Batseba wel niet geweest was. Eigenlijk had David moeten sterven maar hij kreeg berouw, nu moeten anderen sterven want dood en ellende zullen zich om David heen grijpen. De vrouwen die David als teken van macht heeft gekregen, hij had de hele harem van Saul overgenomen, zullen naar een ander gaan.

In dit verhaal blijft de eerstgeborene van David en Batseba naamloos. Maar eerder in het verhaal over David, in 2 Samuël 5, had dit kind al een naam, het heette daar Natan. Natan was dus van het bloed van David en het bloed van David moest vloeien om de dood van Uria te wreken en de verontreiniging ongedaan te maken. Batseba heette niet voor niets de “dochter van de eed”, door geleerden uitgelegd als de eed die de God van Israël had gezworen dat hij zou leven en zijn huis zou staan voor eeuwig. Matteüs zou veel later teruggrijpen op deze eerstgeborene die moest sterven, door in het geslachtsregister van Jezus Salomo op te nemen als geboren uit die van Uria. In die paar woorden zit de hele geschiedenis begrepen. De populariteit van Salomo had  het kind Natan voorgoed uit het geheugen gewist, in het uiteindelijke verhaal over David en Batseba zou hij ongenoemd blijven. Bij Matteüs blijft Batseba ongenoemd. Zoals de Zoon van David, de eerstegeborene van de God van Israël moest sterven zo was ook Natan gestorven, om de aarde te reinigen van de gevolgen van moord en onrecht.

Op de achtste dag van de ziekte sterft het kind, op die achtste dag verscheen Jezus in de Tempel, op die eerste dag van een nieuwe periode van zeven dagen stond Jezus op uit de dood. Dit verhaal wordt dus niet voor niets gelezen in de tijd waarop de Kerk zich voorbereid op Pasen. Want hoewel de dienaren bang zijn dat David zal blijven in de dood van zijn zoon, verandert zijn houding. Niet langer wordt er gevast en gerouwd.De rouw en het vasten waren om de God van Israël te vermurwen. De eerstgeborene hoeft toch niet te sterven? Abraham had Izaak niet hoeven te offeren, de Israëlieten die het bloed aan de deurpost hadden gesmeerd verloren hun eerstgeborenen niet, in tegenstelling tot wat de Egyptenaren overkwam. Maar er was geen ontkomen aan, de dood van Uria was het begin van moord en doodslag en het begin zou David moeten treffen. En na die dood begint er iets nieuws. Opnieuw had David Batseba lief, nu als getrouwd stel, nu volgens wet en regels en niet meer als object om lust te bevredigen. Nu komt er een nieuw kind, Salomo, een kind dat een grote rol zal spelen. Wij blijven zitten met de tal van keren waarop wij anderen gebruiken om onze lusten te bevredigen en niet uit liefde die de een gelijk maakt aan de ander. Het is maar goed dat we elke dag mogen werken aan een samenleving waar mensen elkaar tot medemens maken, dat mag elke dag opnieuw, ook vandaag.

Waarom bent u niet naar huis gegaan?

dinsdag, 19 maart, 2013

2 Samuel 11:1-27

Wij zijn altijd maar blij als het weer lente wordt, maar in Israël, Juda en de omliggende volken was men minder blij. De lente was de tijd waarop Koningen oorlog gingen voeren. Koning David hoefde zelf niet mee want hij had een bij uitstek ervaren generaal, Joab, die hij zelfs een Heilige oorlog kon laten voeren. En een Heilige oorlog was het die Joab tegen de Ammorieten voerde. Zelfs de Ark van het Verbond trok mee in het leger van Israël en Juda. De twee worden in het verhaal van vandaag steeds apart vermeld. Zo’n eenheid was het leger van David dus nog niet. Maar dat het een heilige oorlog was had wel zijn gevolgen. De soldaten moesten zich extra aan de wetten van Israël houden, wetten die al in de woestijn tijdens de uittocht waren opgesteld. Soldaten van Israël vielen ook onder het gebod “Gij zult niet doden”, daarom moesten zij zich in een oorlog “heiligen”, geheel in dienst stellen van God, extra ritueel wassen, afzien van de bevrediging van lusten en ook de overige geboden van niet stelen, niet begeren, in acht nemen, dus niet verkrachten en plunderen.

Het verhaal van vandaag gaat daarom over de vraag hoe een Koning omgaat met die Wetten. Die Koning zit op een mooie dag op het dak van zijn paleis van de lentezon te genieten. Hij heeft uitzicht op een ritueel bad op het dak van een huis in de buurt. Als een vrouw haar maandelijkse periode had dan moest ze na afloop een ritueel bad nemen. Bij veel Synagogen vindt je nog zo’n badhuis waar de vrouwelijke leden van de Synagoge hun ritueel bad kunnen nemen. Ook bij het bad van de buurvrouw van David wordt dus de wet in acht genomen. Maar dan stuurt de Koning een uitnodiging, of je zijn lusten wil bevredigen. Daar kun je als vrouw moeilijk om heen. Haar man was in het leger en de Koning was de baas nietwaar. David en Batseba plegen dus overspel. Nu was in het Midden-Oosten overspel een vorm van diefstal. De overspelige man had de vrouw van de ander gestolen en de bedrogen echtgenoot mocht dus ook de straf verzinnen. Zo niet in Israël, overspel was een zonde tegen de God van Israël, man en vrouw waren hier gelijk schuldig.

De Israëlieten joegen hen op de vlucht

maandag, 18 maart, 2013

2 Samuel 10:1-19

En weer volgt er een oorlogsverhaal. En opnieuw moeten we nauwkeurig lezen om niet in de val te trappen dat de verhalen in de Bijbel over oorlog en vrede dezelfde verhalen zijn die wij in de krant lezen over oorlog en vrede. In de Bijbel gaat het om andere zaken als macht en aanzien, ook als er verteld wordt over strijd en overwinning. Het begint bij de koning van Ammon, Nachas. Ammon was een zoon van Lot en dus een broedervolk van Israël. Nachas was een echte koning van de Heidenen. Hij had Jabes belegerd en gedreigd van alle mannen van Jabes het rechteroog uit te steken. Saul was de mannen van Jabes te hulp gekomen en had Nachas verslagen. Nachas had zich daarna niet meer verzet tegen de opkomst van David als koning van Juda en vervolgens als koning van Israël. David zoekt nu recht voor de zoon van Nachas. Verwante volken moeten hun verwantschap tonen klinkt het als boodschap in dit verhaal.

Maar angst en wantrouwen regeren in Ammon en de raadsheren van Chanum de nieuwe koning van Ammon kunnen het wantrouwen alleen maar versterken. Chanun laat nu aan David weten waar het hem om te doen is in zijn regering. Niet om vriendschap, niet om elkaar tot recht laten komen maar om mannelijkheid, om trots. Door de helft van de baarden te laten afscheren en de afgezanten met de blote billen weg te sturen wordt duidelijk gemaakt dat Chanum een koning wil worden zoals de heidenen nu eenmaal hun koningen hebben. De gezanten van David schamen zich diep aangezien te zijn voor mannetjesmakers. David laat hen in Jericho blijven om hen de schande te besparen zo onder de ogen van hun familie te moeten komen. De Ammonieten schoten vervolgens in hun angst en brachten een leger op de been om zich te verdedigen tegen David. Koning David kwam echter niet. Hij stuurde zijn bendeleider, Joab, met de vertrouwde bende die met David was rondgetrokken op de vlucht voor Saul. Joab verdeelde zijn legertje in twee delen, met zijn broer als generaal bij het tweede deel, Samen wisten ze een bloedbad te voorkomen door de vijand op de vlucht te jagen.

Nu zochten de Ammonieten nog meer bondgenoten om een nog groter leger tegen David op de been te brengen. Zoals een bevrijder betaamt brengt David nu alle weerbare mannen van Israël op de been. Weer rijdt het onrecht hoog te paard langs de wegen en bewapenen de vijanden zich als de Egyptenaren van weleer met paarden en wagens. En net als de Farao kunnen de paarden en wagens niet op tegen een onbevreesd Israël. Alle bondgenoten zagen geen andere mogelijkheid dan vrede te sluiten met David. Het afzien van macht en glorie had David uiteindelijk de overwinning geschonken, een overwinning zonder al te veel bloedvergieten, een overwinning ook waarbij het meest vreesaanjagende deel van de vijand werd vernietigd. Er bleef geen instrument over om welke bevolking dan ook te onderdrukken en uit te buiten. Wij denken vaak dat bruut geweld en bruut tegengeweld de oplossing kan bieden voor conflicten. Maar onbevreesd streven naar recht en gerechtigheid is wellicht toch ook nu nog een beter instrument. Dat recht doen aan de minsten in onze samenleving mogen wel elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer, zo brengen we dus vrede ook in onze samenleving.

 

‘Ik ben uw dienaar, heer.’

zondag, 17 maart, 2013

2 Samuel 9:1-13

Ooit hadden David en Jonatan afgesproken dat David koning zou worden en Jonatan zijn eerste minister. Nu David een onomstreden koning van Israël is geworden blijkt dat David die afspraak niet is vergeten. In de tijd dat Isboset nog Koning was over het Noordrijk werd Mefiboset al genoemd. Zijn verzorgster had hem laten vallen toen ze hoorde dat Jonatan gedood was in de oorlog met de Filistijnen. Als gevolg daarvan kon Mefiboset niet op eigen benen staan. Het huis van Saul is dus afhankelijk geworden van anderen, van de Koning in de eerste plaats. David beseft dat en laat zijn dienaren op zoek gaan naar overblijvenden van het huis van Saul. Overblijvenden zijn ook de meiden en de knechten, de slaven van het huis. En een knecht wordt gevonden. Een opperknecht wellicht die het toezicht op zich had genomen van alle bezittingen van Saul en daarvan ook zelf ruim profiteerde.

David informeert dan of er nog rechthebbenden zijn, directe afstammelingen van Saul. Er is er nog een. Hij die schande verspreidt, want dat betekent Mefiboset, de lamme. Hij woont in Nergenshuizen. Geen vertaling vertaalt dat zo, maar het staat er wel. Makir staat voor Manasse, de stam die het minst in tel was, daar woont hij bij Ammiël, dat “volk van God” betekent in Lo-Debar, dat “geen woord, geen daad” betekent. Aan de rand van de samenleving in vergetelheid, niet in staat een eigen weg te gaan, daar is het huis van Saul terecht gekomen. David nu besluit ook Mefiboset recht te doen. Deze nazaat van Saul hoort aan het hof. Zijn knechten horen voor hem te werken en bij de verdeling van het land door Israël heeft ook de familie van Saul land gekregen om van te leven. Zo krijgt Mefiboset de bezittingen van Saul terug, mag  Siba met zijn hele familie voor Mefiboset werken, en zichzelf en zijn familie daarvoor onderhouden en komt Mefiboset zelf aan het hof van David wonen, waar op koninklijke wijze voor hem gezorgd kan worden.

Zo doet David recht aan de armen, aan de lammen. De lammen laten lopen is een beeld van gerechtigheid dat in de Bijbel vaak voorkomt. Het verhaal over Mefiboset sluit dan ook aan op de verhalen dat David vrede bracht en recht en gerechtigheid bracht in Israël. Niet de wraak regeert hier, niet de dood dus, maar het leven regeert. Zo hoort een koning naar het hart van de God van Israël te regeren. Zo kan het dus, zo zal het niet altijd gaan als het over mensen gaat en ook daar zullen we in de verhalen over David nog wel achter komen. Ondertussen speelt er toch ook nog een beetje politiek een rol tussen de regels. David is getrouwd met de dochter van Saul, Michal, die woont ook weer aan het hof al is de verhouding met haar weinig vruchtbaar. Nu woont ook de laatste afstammeling van Saul aan het hof van David. Die afstammeling kan zelf niet uit de voeten en vormt dus geen concurentie of bedreiging. Het koningschap van David is gelegitimeerd, naar de God van Israël en naar het volk, naar menselijke maatstaven. We mogen beide wegen dus gerust bewandelen, zolang het effect maar is dat de minste een hand krijgt, dat lammen leren lopen en blinden het gezicht krijgen, dat recht en gerechtigheid ook voor de armen bestaat. Daar mogen ook wij elke dag weer voor opstaan, ook vandaag weer.

De HEER stond David bij

zaterdag, 16 maart, 2013

2 Samuel 8:1-18

Een afschuwelijk hoofdstuk, al dat bloedvergieten, in een God die daarbij helpt wil je toch niet geloven, een God moet vrede brengen en recht doen aan mensen. Maar pas op, je moet de Bijbel altijd zo lezen dat je je los maakt van wat je gewoon bent in het nieuws te horen, te zien en te lezen. Wij horen van vijanden, wij horen van partijen die elkaar op gruwelijke wijze bestoken. En als we niet uitkijken dan lezen we die verhalen ook in de Bijbel. Maar onze kranten staan niet in de Bijbel, wij worden geroepen om het nieuws dat in de Bijbel staat te doen landen in het nieuws dat in de kranten wordt beschreven. En het verhaal uit dit hoofdstuk zou ons daar wel eens bij kunnen helpen. Want Israël moet een voorbeeld zijn voor alle volken en uiteindelijk moeten alle volken zich richten naar de God van Israël. Als je hoofdstuk nauwkeurig leest dan maakt David daar een begin mee.

Hij trekt eerst op tegen de Filistijnen. Roeit hij de hele bevolking uit? Welnee, hij bezet de hoofdstad en zorgt dat Israël de baas wordt over de Filistijnen. Geen plunderingen meer van de oogst in Israël, maar ze mogen voortaan mee doen met het leven in Israël. Datzelfde geld voor de Moabieten, neven van de nakomelingen van Abraham, zij immers zijn nakomelingen van Lot. Net als Jozua deed voor Israël deed David voor Moab, hij legde het meetsnoer over het land, iedereen een gelijk deel. Met dat deel mag je meedoen, niet voor de helft, niet voor tweederde maar alleen maar met het geheel, een totale inzet van je bezit voor een land dat overvloeit van melk en honing en waar recht gedaan wordt aan de minsten en waar gerechtigheid heerst. Zo vergaat het ook Koning Hadadezer, koning van een klein landje bij Damascus. Hoog te paard rijdt onrecht langs de wegen dichtte Huub Oosterhuis eens. David ontneemt deze Koning zijn angstaanjagend teken van macht door de pezen van de paarden door te snijden. David wordt er rijkelijk voor beloond.

Blijft nog het broedervolk Edom, afstammelingen van Esau en spreekwoordelijke tegenstanders. Dat volk hoeft eigenlijk helemaal niet onderworpen te worden, laat staan uitgeroeid. David legert op strategische punten een militaire macht en heel Edom is belastingplichtig aan Israël. David regeerde rechtvaardig staat er dan. Met een groot staatsapperaat? Met dure raadgevers? Welnee, één generaal is genoeg, Joab, bendeleider bij uitstek. één raadsman, Josafat, twee priesters, Sadok en Achimelek, en natuurlijk een secretaris, hofschrijver Seraja. Voor het mooi is er dan ook nog een lijfwacht bestaande uit buitenlandse huursoldaten, de Kreti en de Pleti onder bevel van Benaja. David had overigens geen kroonprinsen aan het hof, zijn zonen waren priester. Konden wij  maar zo de conflicten in onze wereld oplossen. Wisten wij op deze manier maar de mensen te integreren die naar ons land zijn getrokken om te delen in onze welvaart, of omdat ze het in hun eigen land niet meer konden uithouden. In dit hoofdstuk wordt niet het bloedvergieten geschilderd maar hoe de Heidenen recht werd gedaan en tot hun recht konden komen. Zo mogen wij ook met mensen omgaan, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

U kent uw dienaar

vrijdag, 15 maart, 2013

2 Samuel 7:17-29

David had dus wat op de borst te kloppen. Hij mocht weliswaar geen Tempel bouwen maar de God van Israël zou er voor zorgen dat zijn huis eeuwenlang over Israël zou regeren. Op basis van die belofte bleven en blijven de Joden geloven dat de bevrijder van Israël een afstammeling van David zal zijn. Daarom spreekt de Christelijke Bijbel over Jezus van Nazareth als geboren uit het huis en het geslacht van David. Daarom gingen Jozef en Maria naar Bethlehem omdat daar het grondstuk lag dat aan de voorouders van David was toegewezen na de intocht in het beloofde land. Nog steeds geloven Joden dat er een messias zal komen die het land Israël voorgoed verlossen zal van al haar vijanden. Zeer conservatieve Joden erkennen zelfs de staat Israël niet omdat die niet is gesticht door een Messias, een bevrijder, die de afstammeling van Koning David is en die het huis van David opnieuw heeft gevestigd in Jeruzalem. Bij alle discussies over de Staat Israël en het volk van God moeten we dus niet al te gemakkelijk de beloften van de Bijbel plakken op de actuele politieke situatie in Palestina.

David gaat na het krijgen van de belofte naar het Heiligdom om God te danken. Dat dankgebed heeft ook het karakter van een verbond. U kunt dat wel beloven maar zorg dan ook dat die belofte waargemaakt wordt, want eigenlijk heb ik die belofte helemaal niet verdient, laat het dankgebed van David zich samenvatten. David zit hierbij voor de Ark, dat was per slot het enige dat in dit heiligdom stond voorzover wij weten. De Ark werd beschouwd als de voetenbank van God en daarom kan er staan dat David plaats nam voor de Heer, of voor het aangezicht des Heren, of voor het aanschijn van de Heer. Geleerden worstelen dan met de vraag hoe het komt dat David gewoon kan gaan zitten. Maar kennelijk gebruikt David het Heiligdom zoals Mozes het Heiligdom gebruikte, als een Tent der Ontmoeting. Met dat beeld krijgt David dezelfde trekken als waarmee Mozes werd beschreven. David is de leider van het volk die als instrument van God het volk vrede en veiligheid zou schenken.

Ook de vraag van David om de belofte tot een wet voor de mensen te maken verwart veel Bijbelgeleerden. Het is God die de belofte doet en zal houden, daar komen geen mensen aan te pas. Maar wij zijn besmet met het Romeinse denken over recht, wij moeten ons aan wetten houden. Het Bijbelse denken over recht en gerechtigheid zet mensen in beweging. Als wij het huis van David willen erkennen als Koning, als Heer, van de wereld dan zullen wij in beweging moeten komen. Geloven we echt dat Jezus van Nazareth de waarheid sprak toen hij zei dat hem alle macht in hemel en op aarde gegeven was? Jezus van Nazareth beroept zich op de belofte aan David gedaan, want echte vrede is er pas als er vrede voor iedereen is, als iedereen een veilige plaats op aarde heeft, als honger is gestild, als naakten zijn gekleed en de armen bevrijd. Dan zullen alle tranen gedroogd zijn en kan God zijn Tent op aarde spannen staat er in het slot van de Bijbel. Om dat te bereiken zullen we dus in beweging moeten komen, dan vervullen we de belofte van God aan David gedaan. Dat doen we dus door onze naaste lief te hebben als onszelf. Elke dag opnieuw mogen we daar mee beginnen, ook vandaag weer.

Hij zal een huis bouwen voor mijn naam.

donderdag, 14 maart, 2013

2 Samuel 7:1-16

Het lijkt soms jammer dat de Bijbel in een andere taal, zelfs in een andere taalsoort, geschreven is dan die wij spreken en verstaan. Maar het dwingt ons ook om nauwkeuriger te lezen en bij het vertalen van de oorspronkelijke tekst goed te letten op wat er in de tekst eigenlijk gebeurt. Het verhaal dat we vandaag lezen is daar een goed voorbeeld van. We kennen het misschien, David wil een tempel bouwen voor de God van Israël maar David mag dat niet. tot troost krijgt hij de belofte dat zijn zoon die Tempel mag bouwen. Zo wordt het verhaal van vandaag vaak samengevat. Maar als we de oorspronkelijke tekst lezen en we laten daarbij ook de Tora, de eerste boeken van de Bijbel, meeklinken, dan wordt er een ander verhaal verteld. Het verhaal van David die in zijn huis rust heeft gevonden verlost van al zijn vijanden en nu een huis voor de Naam van God wil bouwen. David wil doen wat in Deuteronomium staat, als het volk intrek in het land van God heeft genomen en rust heeft gevonden verlost van zijn vijanden dan zal er een huis voor de Naam van God gebouwd worden.

Geen wonder dus dat de profeet Natan zegt dat David zijn hart moet volgen omdat de God van Israël bij hem is. Maar als de nacht valt en ook de profeet rust vindt komen de woorden van de God van Israël nog duidelijker tot hem. Niet de Koning moet een huis voor God bouwen, maar God moet een huis voor de Koning bouwen. Het eerste koningshuis was immers ten onder gegaan. Voor ons lijkt het een woordspel, maar het gaat om de inhoud van de Naam van God en de inhoud van de Tempel. Ook voor Israël heeft God nooit in de Tempel gewoond, een psalmist dichtte eens dat de Tempel de voetenbank van God was. De Naam van God was de belofte met het volk te zijn, met de gelovigen mee te gaan en stok en steun te zijn in tijden van beproeving, het volk tegen vijanden te beschermen. Daarom was die God nooit ergens vast te leggen, daarom was er die Tent der ontmoeting waar geen beeld stond maar waar de Ark stond die de richtlijnen voor de menselijke samenleving bevatte. Pas als die richtlijnen gevestigd waren in het land kon je zeggen dat je daar overal de God van Israël tegen kwam. Dat is het verhaal dat Natan aan David ging vertellen.

Ook David moet weten dat terwijl hij overal heeft rondgetrokken, in het veld bij de schapen, aan het hof bij Saul, in de woestijn van Zif waar hij Saul had kunnen doden, in het land van de Filistijnen waar hij een stad had gekregen, steeds de God van Israël bij hem was geweest. De richtlijnen voor de menselijke samenleving in een tent in de hoofdstad, laten ook zien hoe vluchtig de aanwezigheid van die richtlijnen kunnen zijn. Voor je het weet zijn ze vastgelegd in wetten en regels waar mensen zich aan moeten onderwerpen in plaats van door bevrijd te worden. Pas als er een Koningshuis is naar Gods hart dan kan er een centrum ontstaan waar God ontmoet kan worden, waar met de armen, de familie, de levieten, de vreemdelingen maaltijd kan worden gehouden als een offer aan de God van Israël. De belofte dat het huis van David, dat huis naar Gods hart, eeuwig zal bestaan is voor Christenen vervult in Davids Zoon, Jezus van Nazareth die, zoals Paulus het uitdrukte, zijn Tempel bouwde in de harten van de gelovigen en daar de richtlijnen voor de menselijke samenleving in beitelde. Vervult van die richtlijnen, heb je naaste lief als jezelf, vervult van de liefde van God, mogen we elke dag weer op pad gaan om te zorgen voor de minsten in onze samenleving, om voor hen een huis te zijn, ook vandaag weer.

Voor de HEER danste ik!

woensdag, 13 maart, 2013

2 Samuel 6:1-23

De machtigen en de rijken willen altijd wat hebben om te laten zien. Mooie villa’s, schitterende gewaden, in onze tijd mooie auto’s en fraaie boten. Dat was ook al zo in de dagen van David. Hij had een mooie hoofdstad, de Davidsburcht. Daar stond een fraai paleis dat hij ook gekregen had van naburige koningen. Hij had een harem met vruchtbare vrouwen. En als Koningin een dochter van de vorige Koning van Israël, Saul. Maar er ontbrak nog wat. David had het altijd gehad over de God van Israël. Hij had een profeet van die God in zijn gevolg en een priester die hem ook hielp antwoorden van die God te vinden op de vragen die David had voor de oorlogen die hij voerde. Van die God was echter niets te zien in de mooie hoofdstad. Het werd dus tijd om daar wat aan te doen. Maar wat en hoe? Toen herinnerde men zich de Ark van het Verbond. Een geheimzinnige kist die ooit in een tent had gestaan, een tent die ook als Heiligdom had gediend. David zette dus bij zijn paleis ook een tent op en besloot de Ark op te halen.

De Ark had ooit dienst gedaan in de oorlog tegen de Filistijnen. Die hadden de Ark veroverd maar er alleen maar ellende van ondervonden. Op een kar met twee stieren er voor hadden ze de Ark uiteindelijk teruggestuurd naar Israël. En ook daar bleek dat je de Ark niet zomaar kon vereren en zo was de Ark bij Abinadab in een schuur terecht gekomen. De schuur werd het heiligdom. David nam het hele leger van Israël mee om de Ark op te halen. Muziekkorpsen voorop en de Ark op een kar zoals de Filistijnen hadden gedaan. Maar de Ark was geen godenbeeld en toen de Ark langs een dorsvloer kwam ging het mis. Een dorsvloer was een heiligdom van de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän. Later zou de Tempel van Salomo ook op een dorsvloer worden gebouwd. De Ark verzette zich tegen die religieusiteit en dreigde van de kar te vallen. Dat kostte de redder van de Ark het leven, mensen kunnen de God van Israël niet redden. En zo belandde de Ark weer in een schuur.

Maar die Ark van het Verbond schonk voorspoed. De richtlijnen voor de menselijke samenleving die in die Ark werden bewaard leiden tot een land dat overvloeit van melk en honing. Na drie maanden, de tijd was vol, haalde David de Ark opnieuw op. Maar nu zoals de Ark was bedoeld, je draagt de richtlijnen voor de menselijke samenleving zelf, je laat zien dat ze vreugde schenken. Niks deftigheid, niks verering van voorwerpen. Religie zoals de Heidenen hebben speelt bij de verering van de God van Israël geen rol. Dat blijkt ook als David uiteindelijk thuis komt om te zorgen dat van zijn huis het goede zal uitgaan, om zijn huis te zegenen. De Koningin, Michal, dochter van Saul, verweet David onvoldoende deftigheid te hebben laten zien. En David laat zien begrepen te hebben waar het bij de dienst aan de God van Israël eigenlijk om gaat: om te dienen, om je niet te verheffen boven de minsten maar een hand uit te steken naar de minsten in de samenleving, om te beseffen dat je door de God van Israël bevrijd bent van de slavernij. Die deftigheid leidt tot onvruchtbaarheid, Michal zal dan ook geen kinderen krijgen. Gelukkig dat ook wij tot op de dag van vandaag af mogen zien van al die deftigheid maar onze hand uit mogen steken naar de minsten, ook vandaag weer, met vreugde.

David ging in de bergvesting wonen

dinsdag, 12 maart, 2013

2 Samuel 5:6-25

Hebron was in de dagen van Jozua aan Kaleb toegewezen, de medespion van Jozua. Daarmee was Hebron de belangrijkste stad voor de stam Juda geworden. David, die koning was van Juda, had zich daarom met zijn leger in Hebron gevestigd. Maar nu David ook Koning van het overige Israël was geworden moest er een Koningsstad, een hoofdstad voor het rijk, komen die niet gebonden was aan een van de twee delen van Israël maar symbool kon staan voor de eenheid. In het midden tussen Juda en Israël lag de stad van de Jebusieten. Een onneembare vesting dachten ze zelf. Maar als je de watertoevoer in een warm land afsnijdt dan houdt een stad het niet lang vol. Zelfs de blinden en de lammen hielden David dus niet tegen. Matteüs legt veel later nog eens uit wat het betekent dat David een hekel heeft aan blinden en lammen. Nadat Jezus van Nazareth de Tempel gereinigd heeft van handelaars en wisselaars, vertelt Matteüs dat de blinden en de lammen naar Jezus toe kwamen. “En hij genas hen” staat er dan en genezen is dus beter dan ze buiten de samenleving te zetten en als minderwaardig te behandelen zoals de Jebusieten deden.

David werd een machtig vorst. Hij kreeg zijn paleis bijna aangeboden door de vorsten van de buurlanden die hem te vriend wilden houden. Ook de harem van David wordt uitgebreid en hij heeft een vruchtbaar gezinsleven. Bijna gaat de Koning van Israël lijken op de Koningen die ook de Heidenen hebben. David beweegt zich op een gevaarlijke grens. Maar nog blijft hij een Koning naar Gods hart. Hij bekent dat hij zijn koningschap en de bijbehorende grootheid van God zelf heeft gekregen. Hij hoeft zich niet te verheffen omdat hij zo goed is. Ook wij mogen daaraan denken als ons veel is toegevallen, als we gezondheid en welvaart kennen, een voorspoedig gezinsleven hebben, het is ons gegeven door de God van Israël en het is ons gegeven om te delen. Als dan de Filistijnen massaal tegen de nieuwe vorst optrekken went hij zich eerst tot de God van Israël om hulp en raad. En ja, als David met zijn legers de Filistijnen overspoelt dan is de winst verzekerd. Het vertrouwen in de God van Israël geeft kracht.

Maar de Filistijnen geven niet op, tot aan het eind van zijn leven blijft David last hebben van de Filistijnen. Ook daarom werd eerst Jeruzalem veroverd, zo heeft de herder van Israël een uitkijkpost op de hoogste berg om de gevaren voor Israël waar te nemen. De Filistijnen staan in de vallei, David komt van de bergen het bedreigde volk te hulp. Als hij bij de tweede keer een omtrekkende beweging maakt en gebruik maakt van een valwind die de bomen doet klinken als een aanstormend leger, dan wint Israël opnieuw. We moeten dus uitkijkplaatsen hebben waar we de gevaren voor de minsten en de zwaksten in de samenleving kunnen overzien. In veel kerken worden in deze dagen niet alleen bondgenootschappen gesmeed met de voedselbanken maar worden ook spreekuren ingericht voor de armen zodat hun hulpgeroep gehoord kan worden en versterkt kan worden door de Kerken, zodat de kerken de armen in onze samenleving te hulp kunnen komen. Jezus van Nazareth heeft ons niet voor niets geleerd dat een hekel aan armen, een hekel aan kreupelen en blinden, het best kan worden bestreden door bevrijding van de armen en genezing van kreupelen en blinden. Elke dag opnieuw mogen we daarvoor strijden zoals David deed, ook vandaag mag dat weer.