Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2013

Mij treft alle schuld

donderdag, 28 februari, 2013

1 Samuel 25:20-44

Soms moet je de geboden uit de Bijbel ook voor een ander houden. Wij zijn gewend dat ieder voor zich de wetten van het rijk moet houden en dat er een overheid is die daar op toezicht houdt en overtreders aanpakt. Zo zit het niet met de regels voor een menselijke samenleving die we in de Bijbel terugvinden. Voor die regels zijn we samen verantwoordelijk en als iemand ze niet kan of wil houden dan moeten we dat zelf maar doen voor die iemand omdat het doel, de menselijke samenleving, bij ons altijd voorop staat. Dat wil de God van Israël immers van ons, dat we door te houden van onze naaste als van onszelf die menselijke samenleving een stukje dichterbij brengen. Het is ook eigenlijk de boodschap die Abichaïl eerst aan David en dan aan Nabal brengt.

David was woest geworden om de botte weigering van Nabal iets bij te dragen aan het onderhoud van de beschermers van zijn bezit. Nabal was er rijker door geworden want hij had geen dier verloren in het seizoen dat ze buiten liepen, zich hadden vestgemest en voordat ze geschoren werden. David trok op met zijn mannen om de mannen van de clan van Nabal te doden, je doet het niet voor niks. Ze waren anders gedood geweest door plunderende Filistijnen. Maar Abichaïl de vrouw van Nabal, die door had hoe de verhoudingen lagen, was met eten bepakt naar David gereden. En haar toespraak overtuigde de krijgsheer. Haar complete toespraak vormt een literair hoogtepunt uit het eerste boek Samuël en verdient het meerdere malen gelezen te worden. Maar door de schuld op zich te nemen voor de afwijzing laat Abichaïl zien dat het houden van de wetten voor een ander de redding van een volk kan zijn. David krijgt nu de gelegenheid zich te houden aan het “Gij zult niet doden” Nabal krijgt de gelegenheid toch te delen. Van de arme Nabal houdt het hart dan op met kloppen.

Het hele verhaal laat ook zien hoe je met vrouwen moet omgaan. Luister je er naar, beschouw je die als gelijke of als handelswaar. Terloops wordt gemeld dat Saul zijn dochter Michal, die zo verliefd was op David, aan een ander heeft uitgehuwelijkt. David gaat pas achter Abichail aan als Nabal echt dood is. Kennelijk is David bereid de steun van haar te aanvaarden. Hij wordt er ook meer Koninklijk door want Koningen hebben nu eenmaal meer vrouwen. Abichail werd de derde vrouw, naast Michal en Achinoam. Ook voor ons geldt vaak dat we de regels voor de menswaardige samenleving voor een ander moeten houden. Als onze staat niet gastvrij kan zorgen voor vreemdelingen die hier aangespoeld en vastgelopen zijn, de papierlozen, dan moeten wij onze kerken maar openen om hen te voeden, te kleden en te helpen weer op weg te komen naar een veilige plaats onder de zon. Als men iedereen de slaaf wil maken van de economie en productie en consumptie op zeven dagen van de week mogelijk wil maken moeten wij ons maar verzetten om de bevrijding van de slavernij van productie en consumptie vol te houden. Als niemand meer zorgt voor zieken en eenzamen dan zullen we dat zelf moeten organiseren. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw werken aan die menselijke samenleving, ook vandaag weer.

Een nakomeling van Kaleb.

woensdag, 27 februari, 2013

1 Samuel 25:1-19

Samuël sterft. De profeet die de beide Koningen heeft gezalfd en zo gezorgd heeft dat Israël een land werd om rekening mee te houden. Een land met twaalf stammen die zich voortaan als één volk zullen gedragen. De eerste Koning deed niet wat de bedoeling was. Hij spiegelde zich aan de Koningen van de Heidenen, de buurvolken. Maar er was nog een koning die wachtte tot hij geroepen werd. David de herder en strijder uit Bethlehem, uit het huis van brood. Na de begrafenis van Samuël trekt David weer de woestijn in met zijn legertje. Nu is een guerillaleger altijd afhankelijk van de vredelievende boeren. Dat is ook in onze dagen nog steeds het geval en als de boeren niet vrijwillig geven dan worden ze gedwongen en als ze zich laten dwingen dan worden ze gestraft door het leger van de machthebbers.

Na de dood van Samuël, hoeder van de wetten van de God van Israël, is er natuurlijk de vraag hoe David met zijn positie van guerillaleider zal omgaan. Daarvoor is het verhaal dat we vandaag en morgen zullen lezen Een verhaal dat zich laat lezen als een sprookje, er was eens een rijk man die heel rijk was. Hij heette Nabal en was een afstammeling van Kaleb. Wie weet wat Nabal wil zeggen en wie Kaleb geweest is weet waar het verhaal heen zal gaan. Nabal betekent dwaas en Kaleb betekent hond of slaaf. Maar we kennen Kaleb als verkenner voor Mozes die samen met Jozua het land verkende en herkende als het land dat de God van Israël het volk had beloofd, het volk hoefde er niet bang voor te zijn. Van Nabal wordt dan vertelt dat hij getrouwd was met Abichaïl, dat betekent “mijn vader is blijdschap” en met die vader wordt ook de vader in de hemel bedoeld.

Als Nabal zijn oogst binnenhaalt, hij laat zijn schapen scheren, stuurt David een paar van zijn mannen met het verzoek van de oogst mee te mogen delen. Het verzoek is uiterst beleefd gesteld. Maar Nabal wijst het bot van de hand. Die zoon van Isaï ken ik niet, dus geef ik niet. Hij weet dus heel goed wie David is maar wil niet met hem geassocieerd worden. Een gevaarlijk standpunt. Dat snapt zijn vrouw ook als die hoort dat Nabal zo bot geweest is. Zij hoort dat David optreedt als beschermer van de herders van Israël. Er wordt niets meer gestolen of geroofd en van die soldaten hebben ze zelfs geen last. Van zulke beschermers wordt je rijk en ze laad haar ezels vol met voedsel en gaat zelf naar David. Weer leren we dat we moeten letten op de daden van de mensen die wat van ons willen. Beschermen ze de zwakken, zijn ze uit op het goede, of jagen ze alleen hun eigen voordeel na en als ze zeggen dat ze onbaatzuchtig zijn blijkt dat dan ook ergens uit. We leren dat het beste onderscheiden als we zelf het goede doen en niet dan het goede. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Dit is je kans!

dinsdag, 26 februari, 2013

1 Samuel 24:1-23

Het is geen toeval, het is hetgeen je toe valt in het leven. Mensen willen vaak graag greep hebben op het leven en ontkennen daarom dat er onverwachte en onverklaarbare gebeurtenissen zijn. Toeval bestaat niet. Maar die onverwachte en onverklaarbare gebeurtenissen zijn er wel. Soms vallen ze achteraf te beredeneren. Maar nog vaker zijn er zoveel ontelbare zaken die de gang van ons leven bepalen dat er van redeneren en verklaren niets terecht komt. Gelovigen wijzen dan op hun God die het al zou besturen. Nu zijn er naast goede en welkome zaken ook kwade en onwelkome zaken die je in het leven kunnen toevallen. Niemand immers weet wanneer een geliefde zal sterven, niemand wenst ook dat een geliefde voortijdig zal sterven. Toch gebeurt het dag in dag uit dat mensen hun partner verliezen, dat ouders hun kinderen verliezen en kinderen hun ouders. Is het de God die dat bestiert? We moeten er niet aan denken dat er een God is die de dood van geliefden wil, of de dood van je kinderen. Dat God een grens aan het leven heeft gesteld is al meer dan genoeg.

We moeten dus heel voorzichtig zijn God allerlei gebeurtenissen in het leven in de schoenen te schuiven. David bijvoorbeeld in ons verhaal laat het uit zijn hoofd de God van Israël verantwoordelijk te maken voor de schijterij van Saul. Want daar gaat dit verhaal om. David heeft zich verscholen in een van de grote grotten in de woestijn rond de Bokkenbron, Engedi. Met 600 man zit hij achterin een grot als Saul met 3000 soldaten naar hem op zoek gaat. Maar Koning, Keizer, Admiraal, hun behoefte doen moeten ze allemaal. Zelfs Saul die met kop en schouders boven een ieder uitsteekt moet achter een muurtje bij de ingang van een grot zijn voeten bedekken zoals er zo netjes in het Hebreeuws staat. De mannen van David zien er de hand van de God van Israël in. Hier is de kans om van Saul verlost te worden, Saul kan gedood worden. Maar David kijkt wel uit. Hij heeft de richtlijnen van de God van Israël en die moeten in elke situatie worden toegepast. “Gij zult niet doden”schalt het door zijn hoofd. Dit is immers zelfs de gezalfde van God. Daarom snijdt hij alleen een reep van de mantel. Het bewijs dat hij het goede wil doen.

Dat hij daarmee het koningschap van Saul zich toeëigent kan hij niet weten. Toen Saul een reep van de mantel van Samuël scheurde kreeg Saul te horen dat op die manier zijn koningschap van hem afgescheurd zou worden. En Saul kan nu niet anders dan beamen dat David de wettige koning van Israël zal worden. Nederig vraagt hij David om tenminste zijn familie de kans te geven voort te leven zodat zijn naam niet verloren zal gaan. En David kan niet anders dan daar in toe te stemmen. Zo gaan beiden uiteen. Gaan ze nu als vrienden verder? Is het conflict uit de wereld? Het lijkt er niet op. Saul gaat terug naar het hof, hij is weer de koning die hij was. David trekt met zijn mannen verder de woestijn in. Hij is weer de vluchteling die hij was. De ontmoeting was hen beiden toe gevallen en had hen beiden het leven geschonken. Zo mogen ook wij met al die zaken die ons toe vallen omgaan. Het goede blijven doen en niet dan het goede. Verdriet hebben om hen die ons ontvallen, troosten hen die verdriet hebben om hen die hen ontvallen zijn. De zieken verzorgen, de naakten kleden, de hongerigen voeden. Toevallig mag dat elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Je hoeft niet bang te zijn

maandag, 25 februari, 2013

1 Samuel 23:14-28

Angst is een slechte raadgever. In de Bijbel staat op tal van plaatsen en in zeer verschillende bewoordingen het “Vrees niet”. In het gedeelte dat we vandaag lezen is David degene die bang is. En niet ten onrechte zo blijkt. Hij heeft zich in een woestijn verborgen met zijn zeshonderd soldaten. Dat kan niet onopgemerkt blijven. Zelfs zijn vriend Jonathan, de zoon van Saul, weet hem te vinden. Het is een hartelijk bezoek. De banden die de twee hadden gebonden worden nog eens aangehaald en bevestigd. Het is Jonathan die zijn vriend een hart onder de riem steekt en bemoedigt. David hoeft echt niet bang te zijn dat Saul hem zal overwinnen. De toekomst ziet er volgens Jonathan anders uit. David zal koning worden en Jonathan zal zijn eerste minister worden. Met die belofte gaan de vrienden weer uiteen. Maar David is er niet gerust op. De inwoners van de woestijn Zif ook niet. Een legertje vrijbuiters in je buurt is altijd een risico. Ze moeten eten, zoeken vertier en aangezien er niemand is die ze betaalt zullen ze moeten plunderen. De Zifieten gaan dus naar Saul.

Maar Saul heeft al eens voor gek gestaan. David is zeer slim en niet zomaar gevangen. De Zifieten moeten daarom zorgvuldig nagaan waar dat legertje vrijbuiters hun onderkomen heeft en waar hun schuilplaatsen zijn. Als Saul dan goed op te hoogte is gaat hij op pad. David heeft inmiddels inderdaad een nieuwe schuilplaats gevonden. Hij is nog verder de woestijn in getrokken. Steeds verder van de bewoonde wereld vandaan. In een berggebied waar nog nauwelijks iets wil groeien. Het leger van Saul, goed gevoed en goed getraind met een achterland dat hen voorziet van eten en drinken, loopt daarom ook snel in op David. Maar als Saul op het punt staat met zijn leger David gevangen te nemen wordt het leger van Saul weggeroepen omdat er een leger Filistijnen misbruik dreigt te maken van de afwezigheid van de Koning. David wordt dus gered door de Filistijnen. Zoiets kun je niet voorspellen. Voor de latere lezers van het verhaal was het een bewijs dat de God van Israël gebruik maakt van alles in de wereld om de zijnen te helpen. De plek waar het gebeurde krijgt een naam zodat men zich het kan blijven herinneren: “Rots van de verdeling”.

Ook wij zijn vaak bang als het om ons geloof in de God van Israël gaat. Zeker in een wereld die steeds vijandiger lijkt te staan tegenover het geloof en kerkelijke instituten. En natuurlijk moet je niet zo flink willen zijn voortdurend over jouw goede geloof te praten en het ongeloof van de anderen te veroordelen. Van alleen praten is nooit iemand beter geworden. Getuigenis afleggen van je geloof doe je door te doen wat God van ons vraagt, je naaste liefhebben als jezelf. En als je je bezig houdt met het helpen van de zwaksten, opkomt voor de minsten, dan hoef je inderdaad niet bang te zijn. Dan zul je zien dat uiteindelijk de mensen die het goede zoeken je gaan bewonderen. En als je dan gevraagd wordt hoe je dat volhoudt dan kun je vertellen over je geloof. Dan vertel je misschien hoe zelfs een David rond moest trekken in de woestijn achtervolgd door zijn eigen koning omdat hij nu eenmaal het goede wilde doen en niet dan het goede. Want tot het goede doen zijn we geroepen. Daar mogen we elke dag weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

Bind de strijd aan met de Filistijnen

zondag, 24 februari, 2013

1 Samuel 23:1-13

David zoekt de grenzen van Israël op. Nog steeds moet het volk beschermd worden tegen de invallen van de Filistijnen. Dat blijkt als deze de Judese grensstad Keïla overvallen. Dat was een stad met sterke muren die je niet zo maar kon innemen. Geen wonder dat de manschappen van David beducht waren om met een handjevol, 400 soldaten waren er, tegen een echt Filistijns leger op te trekken. Maar David had de verzekering van de God van Israël gekregen dat hij de Filistijnen zou verslaan. Dit was immers zijn taak geworden, het volk te verlossen van de invallen van de rovers. Tot twee maal toe krijgt hij de verzekering dat hij zal overwinnen. Een dat doet hij dus ook. De stad valt en de bewoners worden bevrijdt van de Filistijnen. Hoe David die antwoorden kreeg vermeld het verhaal niet, maar het gooien van het lot zal een rol hebben gespeeld.

In het vervolg van het verhaal speelt de priestermantel van Abimelech namelijk een rol. Die geeft de antwoorden op de vragen die David stelt. Deze priestermantel en de priester komen ter sprake als het om Saul gaat. Zit de Koning nog steeds achter David aan en zullen de inwoners van Keïla David uitleveren aan het leger van Israël? Op beide vragen wordt bevestigend geantwoord. Saul heeft ondertussen al een leger op de been gebracht om Keïla in te nemen. Achter de muren van die stad en achter de dubbele poort zit David immers gevangen. De dobbelstenen, de Efod, uit de priestermantel geven echter aan David op tijd een antwoord zodat hij op tijd kan vertrekken en zich weer kan verschuilen in de grotten van het rotsgebergte. Het legertje van David groeit ondertussen wel. De Priestermantel met de Efod werd al genoemd in het verhaal van Mozes en is zeer lang een instrument van de godsdienst van Israël gebleven om antwoorden te krijgen van de God van Israël.

Voor ons lijken het primitieve verhalen die hier verteld worden. Een koning uit oeroude tijden heeft ruzie met een rivaal. De wereldliteratuur wemelt van dat soort verhalen. Dat de een of de ander, de goede of de slechte, geholpen wordt door een God, door dobbelstenen of de ingewanden van een vogel is ook niet vreemd. Die ingewanden vindt je in verhalen over Romeinse Keizers, ook al verhalen van ver voor onze tijd. Verschilt de communicatie met de God van Israël dan niet met de communicatie met Heidense afgoden? In concrete vragen, moeten we oorlog voeren of niet, zit de Koning ons achterna of niet, lijkt het er wel sterk op. Alleen het geloof in de God van Israël, het geloof in de richtlijnen voor een menselijke samenleving maakt dat de intrpretatie van het antwoord ook een juiste kan zijn. Het volk is het volk van God en moet alleen al daarom beschermd worden, Saul is nu eenmaal er op uit David te doden dus hij zal ook nu wel weer komen. Wij hebben geen priesters meer met een Efod, wij hebben de verhalen van de Bijbel, maar ook voor ons geldt dat we de juiste antwoorden krijgen als we die verhalen geloven. Wat zouden wij nodig hebben als we tot de minsten, tot de papierlozen of gehandicapten, tot de hongerigen of de armen, zouden behoren? Het antwoord op die vragen mag ook vandaag weer ons handelen bepalen. Net als de antwoorden het handelen van David bepaalden.

Hij is uw eigen schoonzoon

zaterdag, 23 februari, 2013

1 Samuel 22:6-23

Hoezeer je optreden en handelen vol zijn van goede bedoelingen en hoezeer je ook het goede nastreeft en niet dan het goede, je handelen kan de meest ongewenste en onbedoelde vreselijke gevolgen hebben. Dat blijkt uit het verhaal van vandaag. Daar  lezen we wat de gevolgen waren van het bezoek dat David bracht aan het heiligdom in de Priesterstad Nob.Van de Hogepriester kreeg hij het toonbrood uit het heiligdom en het zwaard dat hij op Goliat had veroverd. Hij had  dat zwaard geschonken aan het heiligdom als bewijs dat de God van Israël het mogelijk had gemaakt dat Goliat werd gedood. Wij zullen die gevolgen gemakkelijk in de schoenen schuiven van Saul maar David is zich blijkens het slot van het gedeelte van vandaag er zeer wel bewust van dat die gevolgen begonnen met zijn vraag om hulp.

Saul zit weer in zijn eigen huis in Gibea. Hij beklaagd zich er over dat er eigenlijk niemand onder zijn dienaren is die partij voor hem kiest en hem onvoorwaardelijk steunt in zijn strijd tegen David. Alleen Doëg uit Edom wil hem wel helpen. Dat Doëg uit Edom komt is natuurlijk niet toevallig. Edom is het volk dat afstamd van Esau de broer van Jacob en zo ontstaat een oorlog tussen broeders. Het was ook niet toevallig dat de ouders van David ondergebracht werden in Moab. De vader van David, Isaï, was immers een zoon van Ruth de Moabitische. David had dus nog verre verwanten in Moab wonen. Edom wordt in dit verhaal het werktuig van het kwade in Saul. Hoewel de hogepriester Abimelech zich beroept op de bekende vooraanstaande positie van David moeten hij en alle priesters uit Nob sterven. Doëg is de enige die dit wil doen. Zelfs de hele stad wordt uitgemoord. Alleen Abjatar ontsnapt en zo krijgt David een profeet, Gad, en een priester, Abjatar, in zijn gevolg. Zijn positie wordt er alleen maar sterker door.

Opmerkelijk is dus dat David het uitmoorden van alle priesters en de stad Nob zelf voor zijn rekening neemt. Hij was tot Koning van Israël gezalfd maar net zo min als Saul had David die positie gezocht. Er was ook geen sprake van dat hij er op uit was om Saul van de troon te stoten. Het was Saul die in hem een rivaal had gezien en hem wilde doden. Toch is de houding van David niet zonder belang. Als er in de Tweede Wereldoorlog een actie door verzetsmensen moest worden ondernomen speelden de represailles van de bezetter vaak een rol. Hoeveel onschuldige slachtoffers was een verzetsdaad waard? Dat het de bezetter was die het kwaad bedreef gaf zelden de doorslag. Ook ons eigen gedrag wordt vaak ter discussie gesteld. Hoeveel geketende kinderen zijn onze kleren waard, kinderen die gedwongen worden die kleren te maken? In de dagen van de Apartheid was het uitpersen van Outspan sinasappels het uitbuiten van arbeiders in Zuid Afrika. Zijn wij bereid om net als David de gevolgen van ons handelen op ons te nemen? Dat kan als we elke dag opnieuw beginnen recht en gerechtigheid te vragen in onze samenleving. Dat kan en dat mag elke dag opnieuw.

Dus vandaag zijn we zeker gewijd.

vrijdag, 22 februari, 2013

1 Samuel 21:2–22:5

In het boek Deuteronomium worden in hoofdstuk 23 de regels gegeven voor soldaten die toch in oorlog zijn. Het gebod waar ze zich aan te houden hebben is het “Gij zult niet doden”, maar iedereen snapt dat je over het algemeen geen oorlog of veldslag kan winnen zonder een tegenstander te doden of te verwonden. Eigenlijk moeten soldaten dus bestraft worden voor het overtreden van een van de grondregels voor een menselijke samenleving. Dat zou echter niet eerlijk zijn als ze er op uit trokken om het volk te beschermen tegen een gewelddadige vijand en zo deden wat de God van Israël van hen verwachtte. De regels gaan er daarom vanuit dat God zelf de legerplaats bezoekt om de soldaten te redden van die straf. De legerplaats is daarom een heilige plaats, net als de Tempel of bij ons de Kerk. De legerplaats moet schoon zijn en netjes en bevrediging van lusten is er niet bij. Deze regels spelen in het verhaal van vandaag een grote rol.

David is op de vlucht voor Saul. De ruzie tussen Saul en zijn zoon Jonathan heeft voldoende duidelijk gemaakt dat Saul er op uit is David te doden. Maar David wil leven. Hij weet dat er in Nob een heiligdom was voor de God van Israël. En aan de hogepriester van dat heiligdom Achimelech vroeg hij om eten. Het enige eten dat er was was het brood voor de God van Israël. Ook brood moet gedeeld worden en om te tonen dat men bereid was zelfs het brood te delen was er in het Heiligdom een tafel waarop steeds verse broden werden gezet voor de God van Israël. Niet om die God te voeden maar om ze te laten zien, toonbroden werden ze genoemd. Alleen de priesters mochten ze eten als ze ververst zouden worden. Maar levensgevaar breekt de wetten van de Tora. Het leven van een mens is altijd belangrijker. En als de soldaten en David zich houden aan de overige regels van de Tora dan is het toegestaan de broden te eten.

David vluchtte verder, maar ja verder was naar het land van de Filistijnen en je moet wel gek zijn om je daar veilig te voelen. Gekke Filistijnen waren er genoeg zegt de grap uit dit verhaal. David zoekt dus een schuilplaats in de bergen waar grotten beschutting brengen. Daar voegen zijn broers bij hem en de armen die slachtoffer waren van de onderdrukking en het onrecht van Saul. Het zal niet de plaats zijn waar David moet blijven. Wij moeten nog steeds leren dat de wetten van de Hebreeuwse Bijbel allereerst bedoeld zijn om mensen een menswaardig leven te bezorgen. Als Jezus van Nazareth op de vingers getikt wordt omdat zijn leerlingen op de Sabbat korenaren malen tussen hun handen beroept hij zich op het gedeelte dat we vandaag uit het verhaal van David hebben gelezen. Ook Jezus van Nazareth had immers geen plaats om zijn hoofd ter ruste te leggen? Wij moeten dus ook niet zomaar iemand bij de deur, onze landsgrenzen, wegsturen die hier om eten komt en een veilig bestaan. Misschien sturen we David of Jezus zelf weg. Gelukkig dat we ook met onze gastvrijheid elke dag opnieuw mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Laat me alsjeblieft gaan

donderdag, 21 februari, 2013

1 Samuel 20:24–21:1

Er is een feestdag in de geschiedenis die de Bijbel vertelt waar we maar weinig aandacht aan schenken. Dat is de feestdag van de nieuwe maan. Op allerlei plaatsen in de Bijbel wordt echter de indruk gewekt dat die feestdag net zo belangrijk is geweest als de Sabbath. Ook op nieuwe maan werden er feestmaaltijden gehouden of werd een heiligdom bezocht. Dat Koning Saul op de feestdag van de nieuwe maan een feestmaaltijd houdt is dus niet zo vreemd. Maar de plaats van David blijft leeg. Nu was David legeraanvoerder en dus veel in oorlog. Voordat hij aan een dergelijke religieuze maaltijd had kunnen deelnemen zou hij zich eerst ritueel moeten reinigen, dat kost tijd en daarom zou hij aanvankelijk verhinderd geweest kunnen zijn. Maar als hij de tweede dag van het feest ook verstek laat gaan dan is er wat aan de hand. Zoals afgesproken neemt Jonathan het voor David op. Er zou een offermaaltijd worden gehouden in Bethlehem waar David niet mocht ontbreken. Jonathan had David dus laten gaan.

De speer die David een paar maal bijna had getroffen dreigt nu Jonathan te treffen. De zoon van Isaï, klinkt het beledigend, moet en zal dood. Jonathan neemt het niet langer en waarschuwt David op de afgesproken manier.De twee geliefden moeten nu afscheid van elkaar nemen. Dat doen ze als niemand ze meer kan zien wordt er dan verteld. Jonathan gaat dan terug naar de stad. David gaat opnieuw naar een heiligdom. Eerst was hij in Rama geweest bij Samuël, maar daar had Saul hem weten te vinden. Nu zoekt hij zijn heil in een ander heiligdom, dat in Nob bij de priester Achimelech. Geleerden nemen aan dat de familie van Eli verhuisd is nadat de Ark van het Verbond door de zonen van Eli in de strijd tegen de Filistijnen was ingebracht en door de Filistijnen was veroverd. Die priesterfamilie was dan in Nob terechtgekomen. We moeten bedenken dat een centraal heiligdom als de Tempel in Jeruzalem pas na David gebouwd zou worden en nog veel later een echt centraal heiligdom voor Israël zou worden.

De liefde van Jonathan voor David staat zijn trouw aan zijn vader overigens niet in de weg. Telkens weer had hij tevergeefs zijn vader er van proberen te weerhouden kwaad te doen tegen David. Maar de woede van Saul had zich in de tijd steeds vermeerderd. Saul was er echt van overtuigd geraakt dat David de volgende koning van Israël zou willen worden en dat de kansen van Jonathan op de opvolging verkeken zouden zijn als David in leven zou worden gelaten. Jonathan kiest echter voor het leven van David. Overigens zoals David voor het leven van Saul zal kiezen. Die keuze voor het leven staat als gebod in het boek Deuteronomium. Het is daarom dat beiden God als getuige kunnen inroepen voor de eden die zij elkaar gezworden hebben. De eed dat ze elkaar trouw zouden blijven en de eed dat ze elkaars nageslacht niet zullen uitroeien. Na de dood van Salomo zal dit leiden tot de scheiding van het land in een Noordrijk en een Zuidrijk. Voor ons betekent dit dat de keuze voor het leven altijd de goede keuze is, aan wie we ook trouw willen blijven. Trouw aan de God van Israël gaat voorop. Elke dag opnieuw mogen we die keuze maken, ook vandaag weer.

Hij had David lief

woensdag, 20 februari, 2013

1 Samuel 20:1-23

Jonathan en David. Twee vrienden die elkaar lief hadden en een verbond van eeuwige trouw hadden gesloten. Daar lezen we vandaag over. Die vriendschap vinden we mooi, maar met die liefde hebben we nogal wat moeite. Twee mannen die met elkaar trouwen, want wat is een verbond van eeuwige trouw anders, dat is nieuw. Deze vriendschap heeft kennelijk de goedkeuring van de God van Israël. Deze liefde maakt zelfs een toekomst voor Israël mogelijk. De Koning waarvan God zich had afgekeerd zal niet de ondergang van Israël betekenen. Jonathan sluit in dit verhaal nogmaals een verbond, een verbond met het huis van David.  Daarbij gaat het om de toekomst. Daarbij gaat het veel later in de geschiedenis van Israël om de vraag wie de wettige koning van Israël mag zijn. Jonathan voorziet dat het huis van Saul tegenover het huis van David zal komen te staan. En zo is het ook gebeurd. Het huis van Saul leverde de koningen van het Noordrijk, het huis van David de koningen van Juda.

Toen de Bijbel haar definitieve vorm vond was er van dat zelfstandige rijk Israël geen spoor meer over. Juda met haar hoofdstad Jeruzalem werd hersteld en daar werden dan Samaria en Galilea aan toegevoegd. Maar een koning over dit rijk zou uit het huis en het geslacht van David moeten komen. De basis daarvan ligt in het verhaal dat we vandaag gelezen hebben. De bedoeling was een toekomstig conflict te voorkomen. Dat is natuurlijk niet echt gelukt. Het is door de geschiedenis heen een strijd gebleven tussen een Koningshuis zoals de Heidense volken die ook hebben en een Koningshuis zoals de God van Israël die wilde. Ook de koningen van Juda gingen overigens regelmatig het pad op van de Koningen zoals de Heidenen die ook hadden. Trouw blijven aan de God van Israël levert grote risico’s op. Risico’s die in dit verhaal ook door Jonathan worden genomen. Hij gelooft immers niet dat zijn vader er op uit is David te doden.

Als zijn vader daar inderdaad op uit is dan loopt Jonathan een groot risico als zijn vader er achter zou komen dat hij David lief had en dat hij met David een eeuwigdurend verbond had gesloten, ja dat hij zelfs met het huis van David een verbond had gesloten. Jonathan neemt het risico. Hij zal helpen uitvinden wat de plannen van Saul zijn. Moet David vluchten of zal David terug kunnen keren aan het hof. Trouwe Bijbellezers kennen de afloop, maar die doet hier even nog niet ter zake. De oplossing die de beide mannen kiezen beslecht een ander conflict, een conflict uit het verleden. Het conflict tussen Kaïn en Abel. Daar gingen twee broers het veld in en de ene broer dode de ander. Hier zullen twee broers het veld ingaan en maakt de ene broer het mogelijk dat de ander in leven blijft. In dit verhaal wordt gekozen voor het leven. Een keuze die mogelijk gemaakt wordt door de liefde. Een keus die wij dus ook mogen maken. Als wij werkelijk van onze naaste houden als van onszelf dan gunnen we die naaste een even liefdevolle relatie als wij voor onszelf willen. Met wie die relatie ook wordt aangegaan. Want zeg nu zelf, zou een ander jouw relatie mogen verbieden? Zo mogen we het elke dag opnieuw mogelijk maken dat mensen van elkaar kunnen houden, ook vandaag weer.

Het beeld van de huisgod

dinsdag, 19 februari, 2013

1 Samuel 19:1-24

Van God en alle mensen verlaten. Zo kun je je ook voelen als je heel alleen een veel te zware verantwoordelijkheid hebt te dragen. Zo zal het Saul ook vergaan zijn. Als hij besluit zijn rivaal David ter dood te laten brengen, zo doen machtige mannen immers, dan zijn het eerst zijn eigen kinderen die hem daarin tegenhouden en er van afbrengen. Jonathan, zijn oudste zoon, lokt hem mee naar het veld en weet hem daar te overtuigen van het belang van David voor Israël. Maar dat is niet genoeg. Als Saul David in diens eigen huis wil laten arresteren dan is daar de dochter van Saul Michal die een truc verzint om David de tijd te geven te vluchten. Wij kijken misschien even vreemd op van het beeld van de huisgod, maar we moeten niet vergeten dat ook Rachel, stammoeder van Israël, al de huisgoden van Laban had meegenomen toen ze met Jacob naar Israël trok. In die traditie staat ook Michal, de verbinding tussen het huis van Saul en dat van David.

David vlucht naar Samuël. Rond Samuël had zich een hele gemeenschap van profeten gevormd die samen een soort commune, of een soort klooster, moeten hebben gevormd. Bij Oosterse godsdiensten hoort dan ook dat je samen in trance raakt. Pas bij Paulus vinden we waarschuwingen tegen het overmatig zo in trance raken dat niemand meer begrijpt wat er wordt gezegd en gedaan. Maar ook Samuël laat Saul in de steek. Als Saul soldaten naar Rama, waar Samuël woont stuurt dan raken die net zo goed in trance als de profeten rond Samuël. Telkens weer mislukt daardoor de arrestatie. Zelfs als Saul ten einde raad zelf maar naar Rama trekt raakt hij onderweg al in vervoering en kronkelt naakt en tierend voor Samuël op de grond, een hele dag en een hele nacht. Opnieuw klinkt het nieuwe spreekwoord dat zich bij overdreven godsdienstigheid afvraagt of ook Saul al bij de profeten hoort.

De overdreven godsdienstigheid zegt dus niks over het al of niet dienen van de God van Israël. Je kunt nog zo mooi zingen en zo heftig met je armen zwaaien, ja zelfs dansen en springen, het zegt helemaal niets over je geloof in de God van Israël of in zijn zoon Jezus van Nazareth. Die overdreven godsdienstigheid wordt veel later door Jezus zelfs afgewezen. “Niet wie zegt “Here, Here” maar wie doet de wil van mijn Vader” houdt hij zijn leerlingen voor. En de wil van God is dat we hem liefhebben boven alles door de naaste lief te hebben als onszelf. Dat gold al voor Saul en dat is voor ons nog steeds zo. Jaloezie, angst voor de dood, eer en glorie, rijkdom en macht, ze moeten ons niet deren en zeker niet ons handelen bepalen. Alleen de zorg voor de zwaksten, zoals David zijn leven inzette voor zijn schapen, moet ons handelen bepalen. Onrecht begaan aan een ander is ook onrecht begaan aan onszelf. Zo moeten we onze overheid aanspreken, zo moeten we zelf handelen. Gelukkig dat we er elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.