Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2013

Een lichaam is een eenheid

maandag, 21 januari, 2013

1 Korintiërs 12:12-30

Vandaag lezen we een stuk dat Paulus geschreven heeft niet alleen voor de gemeente maar ook over de gemeente. En als we daarbij bedenken dat in de dagen van Paulus de gemeente van Jezus van Nazareth, de gemeente van de mensen van de Weg, beschouwd moest worden als blauwdruk voor een nieuwe samenleving, als tegenhanger van de bestaande Romeinse samenleving, dan wordt dit gedeelte ook een maatschappijkritiek op de samenleving waarin wij ons bewegen. De afkomst van de leden van de gemeente van Korinte was zeer divers. Joden op de eerste plaats, maar ook Heidenen van allerlei volken. Daarbij kwam dan nog het onderscheid tussen slaven en vrijen, tussen mannen en vrouwen en tussen ouderen en jongeren. Bij Paulus smelten die verschillen samen tot één lichaam. De verschillen worden niet ontkend maar het belang van al die verschillende mensen voor dat ene lichaam is hetzelfde. Geen van die verschillende delen mag en kan zeggen beter te zijn of belangrijker te zijn dan de andere.

Je moet in een dergelijke gemeenschap, zeg samenleving, dan ook niet proberen de ene groep tegen de andere op te zetten, of enige groep uit te sluiten van dat lichaam. Als er strijd uitbreekt of als er een deel wordt afgesneden gaat het hele lichaam ten onder. Daar mogen wij in onze samenleving nog wel eens bij stilstaan. Overigens ook in de kerken mag dit wel tot bezinning leiden. Wat moet je met processen waarbij het gaat over de vraag of iemand wel of niet moet worden uitgesloten en niet over de vraag hoe je het geloof in deze dagen het beste kunt verwoorden voor al die verschillende groepen mensen. De beeldspraak van Paulus over het lichaam en de delen zal ook in zijn dagen wel tot grappen geleid hebben. De vergelijking van een lid van de gemeenschap met het geslachtsdeel van een man is niet zo vleiend. Bij Paulus wel, hij weerkaatst de grap door op te merken dat een dergelijk lichaamsdeel, dat waar we ons voor schamen en die we doorgaans bedekt houden, met meer zorgvuldigheid behandeld wordt.

Belangrijker is het lichaamsdeel dat pijn lijdt. Dan lijden alle delen mee, zegt Paulus ons. Voelen we dat ook zo? Als er een grote ramp gebeurd wel. Binnen de kortste keren stroomt het geld binnen op giro 555 en komen de acties op gang. Maar voelen we die pijn ook als in onze buurt mensen pijn lijden? Of als mensen in onze kerk gebukt gaan onder problemen? Onverschilligheid kenmerkt toch vaak onze samenleving. Mensen die blijven toekijken als een ander verdrinkt. Niemand die uitstapt als iemand gewond op de weg ligt. De helden die van tijd tot tijd worden gehuldigd niet te na gesproken maar die helden zijn de uitzonderingen die een regel maar al te vaak helaas bevestigden. Wij moeten steeds meer beseffen dat we zelfs over de hele wereld deel uitmaken van een lichaam, het lichaam van de bevrijder van de wereld, bevrijder van armoede en ellende. Wij kunnen daarom niet anders dan mee lijden met al die lijdenden, mee delen met ieder die ons delen nodig heeft en stem geven aan stemlozen. Totdat de wereld geheeld is, het heil ter wereld is gekomen heet het deftig. Maar wie deel uitmaakt van het lichaam van Christus voelt de pijn en rust niet tot de pijn over is.Of je nu leider in de gemeente of knecht bent, dat maakt dus niet uit.

 

Over de gaven van de Geest

zondag, 20 januari, 2013

1 Korintiërs 12:1-11

Vandaag nog een stukje uit een brief die Paulus speciaal voor memsen als wij geschreven heeft. Want wij zijn immers ook Heidenen over het algemeen.Wij zijn niet opgegroeid in de Joodse traditie en er zijn tegenwoordig maar heel weinig mensen die eerst zijn opgegroeid in de Joodse traditie en later Christen geworden zijn. Die mogen natuurlijk ook best mee lezen maar Paulus heeft het Bijbelgedeelte van vandaag speciaal geschreven voor de Heidenen. Nu is de uitdrukking “de gaven van de Geest” een staande uitdrukking in het Nederlands geworden. In het oorspronkelijke Grieks van Paulus staat dat er niet helemaal. Daar staat iets als “geestelijke uitingen” , tegenwoordig zouden we misschien zeggen “de geest waarin je handelt”. Want over handelen gaat het. Bij de afgoden van de Heidenen gaat het over dienen van die afgoden. Je moet maar afwachten of ze wat voor je doen en ze geven in elk geval geen antwoord op vragen.

In de gemeente van de volgelingen van Jezus van Nazareth gaat het om het dienen van elkaar en van de naaste. Jezelf beschikbaar stellen, je capaciteiten in dienst stellen van de naaste kan niet zonder de Geest van Jezus van Nazareth. Dat is nu eenmaal in de Geest van hem. Iedereen in de gemeente heeft andere capaciteiten, gaven noemt Paulus dat. Samen ben je ineens een complete verzameling van alles wat mensen in het leven nodig kunnen hebben. Je moet dan wel willen opletten. Want er zijn altijd mensen die opzienbarende dingen lijken te kunnen. Predikers die de gave van het woord hebben, zangers en zangeressen die geweldig kunnen zingen, evangelisten die wonderen lijken te kunnen doen, kunstenaars en dichters die de mooiste dingen kunnen maken. Het gevaar is dat de mensen die dat allemaal zo goed kunnen zelf tot kleine godjes worden. Ze staan op podia of hoog verheven boven de gemeente en wat zij kunnen is belangrijker dan wat er nodig is voor de armen en de minsten in de wereld. Maar de tuinman die bij een weduwe de tuin onderhoud, de timmerman die bij een hoogbejaarde een schilderij weet op te hangen, de moeder die kinderen van een zieke andere moeder opvangt, zij zijn voor de mensen die ze helpen oneindig veel belangrijker dan de mensen die zo mooi kunnen spreken, wonderen kunnen doen, in klanktaal kunnen spreken of kunnen uitleggen wat er dan gezegd wordt.

Daarom moeten we kunnen onderscheiden wat er van de Geest van Jezus van Nazareth komt en wat er komt van de Geest van de goden van onze tijd, de goden van goud en beloften, de goden van de eerste de beste. We weten dat Jezus van Nazareth de mensen vaak vroeg om maar niks te zeggen over wat hij had gedaan, we weten ook dat hij gezegd heeft dat je naar de vruchten moet kijken van wat er gedaan wordt. Paulus voegt er aan toe dat je in de gemeente de ene gave ook niet boven de andere moet stellen, dat de Geest de gave geeft zoals die zelf wil. Dat het dus ook geen zin heeft te streven naar de gave van een ander, hoe spectaculair die ook kan lijken. Timmeren kunnen velen, wonderen verrichten maar weinigen. Maar degene die onverwacht en misschien zelfs ongevraagd door een timmerman is geholpen zal dat een groter wonder vinden dan iemand die gedwongen werd naar een mooiprater te luisteren. Zet je gave dus gerust in voor de minsten op aarde. Juist vandaag zijn die gaven meer nodig dan ooit. Want inzetten van die gaven is werken in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth en dat kan allen in zijn Geest.

Wees gastvrij voor elkaar

zaterdag, 19 januari, 2013

1 Korintiërs 11:17-34

Het hart van het Christelijk geloof is te leren uit wat wij noemen de Maaltijd des Heren. Tegenwoordig een symbolische maaltijd met een stukje brood en een slokje wijn, maar die maaltijd is als een echte maaltijd begonnen. Vandaag lezen we hoe dat toeging in de Christelijke gemeente in Korinthe. Dat ging dus niet goed. Zoals ze het daar deden leidde dat eerder af van het Christelijk geloof dan dat het iets bijdroeg aan de komst van het Koninkrijk van God. Nu was het ook niet eenvoudig. De gemeente in Korinthe bestond uit mensen van allerlei slag, rijken en armen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen en die Heidenen konden overal uit de Romeinse wereld vandaan komen. Met zo’n vreselijk gemengd gezelschap ga je niet gemakkelijk wekelijks aan tafel. Dat doen wij in onze dagen ook niet. We zoeken liever gelijkgestemden of mensen met dezelfde achtergrond op. Dat is nu net het soort partijvorming dat Paulus hier zo fel veroordeeld. Het gaat om het delen met elkaar en niet om de gezelligheid.

Paulus schetst nog eens waar die maaltijd en waar het belang van die maaltijd vandaan komen. Het was de herinnering aan de dood van Jezus van Nazareth. Op de avond voor hij werd gevangen genomen vierde men het feest van de bevrijding uit Egypte. Daar hadden de Joden bloed van een lam aan de deur gesmeerd en daardoor had de eerstgeborene in hun huis niet hoeven sterven. De Egyptenaren hadden ze uit woede het land uitgesmeten. Dat je dus door af te zien van geweld vrijheid kunt krijgen in plaats van door geweld te gebruiken was een fundamentele ontdekking in het leven van Israël. Die herinnering gebruikte Jezus van Nazareth om ook de geweldloze bevrijding van de Romeinse bezetting te krijgen. Zijn brood werd gebroken en gedeeld alsof het zijn lichaam was, de wijn in de beker werd gedeeld alsof het zijn bloed was. Zo moest het, alles delen van wat je hebt, met elkaar. Daar kon uiteindelijk geen Romeinse bezettingsmacht tegen op. Daardoor werd ook niet zijn beweging vernietigd maar alleen werd hijzelf gekruisigd. En ook aan het kruis hield hij die liefde voor de mensen vol, hij bad zelfs voor hen die hem vervolgden.

Daarom wordt Paulus ook zo kwaad als de gemeente in Korinthe zo achteloos met die maaltijd om gaat. Ze zouden juist moeten laten zien dat samen maaltijd houden met rijken en armen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen, jongen en ouden, van de gemeente van Christus een nieuw soort gemeenschap kon maken. Het was niet zomaar brood wat ze aten, om de honger te stillen, of wijn die ze dronken, om dronken te worden of dorst te lessen. Ze aten en dronken om te delen met elkaar, om gelijken te worden en door gelijken te worden van elkaar draaiden ze de bestaande samenleving om. Daar telde een leven niet, daar telde alleen de macht van de Keizer verder telde er niemand mee. In de Christelijke gemeente telde iedereen mee, was iedereen belangrijk, kwam iedereen tot zijn of haar recht. Als je zo niet eet en drinkt met elkaar in de Christelijke gemeenschap ben je niet meer dan een heidense gemeenschap. Wat Paulus ons vandaag vertelt hoort ook nu nog door te klinken. De maaltijd met dat kleine stukje brood en dat slokje wijn is niet veranderd in het vlees en bloed van Jezus van Nazareth, maar wijst ons op de Geest waarin wij samen moeten delen tot onszelf toe, met iedereen, elke dag, ook vandaag weer.

Zijn glorie straalt aan de hemel.

vrijdag, 18 januari, 2013

Habakuk 3:1-19

Vandaag zingen we een bijzondere Psalm mee. Deze Psalm staat niet in het boek van de Psalmen maar staat in het boek van de Twaalfprofeten als de Psalm van de profeet Habakuk. Een gebedslied. Habakuk had de vraag gesteld hoe het nu zat met het straffen van het ene Heidense onderdrukkende volk door het andere Heidense onderdrukkende volk. Het antwoord dat hij had gekregen is dat alle onderdrukkers eindelijk aan hun eigen misdaden ten onder zullen gaan. Een prachtig vooruitzicht voor de onderdrukten. Voor een volk Israël dat na de ballingschap door de Assyriërs werd ingelijfd door de Chaldeeën van Babylon en na hun terugkeer en wederopbouw van Jeruzalem veroverd werd door eerst de Grieken en daarna door de Romeinen. Geen wonder dat het lied van Habakuk waarin gebeden wordt om bevrijding van de onderdrukking en de hoop op bevrijding werd uitgezongen deel ging uitmaken van de liederen in de Tempel.

Habakuk wijst er op dat het volk die God van Israël heeft leren kennen in de woestijn, bij het land Edom het broedervolk dat zo vaak tegen Israël heeft gevochten. Teman en Paran zijn streken die voor de Sinaï en Edom staan. Daar bij de berg Horeb had de God van Israël beloofd met het volk mee te trekken zoals hij het volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt. Maar daar had het volk ook de richtlijnen voor een menselijke samenleving ontvangen. Richtlijnen die ze zouden moeten kunnen toepassen in het beloofde land, richtlijnen waardoor dat land een land zou blijven dat overvloeide van melk en honing, een land waar alle volken jaloers op zouden worden. Want dat zou een land zijn waar mensen recht betrachten, elkaar tot hun recht zouden laten komen en waar vrede zou heersen.

Die buurvolken hebben het ondanks hun lange geschiedenis met Israël nog steeds niet begrepen. Daar heerst nog steeds de afgoderij, daar worden de armen uitgebuit en onderdrukt, daar wordt steeds oorlog gezocht als oplossing voor de eigen binnenlandse problemen. De tegenstelling tussen de buurvolken die steeds opnieuw dezelfde niet werkende oplossingen kiezen en Israël dat steeds opnieuw de kans krijgt van de God van Israël maakt dat de profeet des te harder van de God van Israël gaat zingen. En al zal er in het land niets meer te eten zal zijn, dan nog zal hij jubelen voor de God die hem redt. Want ondanks alle problemen die je in het leven kan tegenkomen, het geloof in de God van Israël voorkomt geen problemen, lost zelfs de meeste problemen niet op, doet geen ziekte verdwijnen en zorgt niet dat geliefden niet dood gaan, ondanks dat, weet je dat de liefde voor de naaste een nieuwe toekomst geeft. Elke dag opnieuw, door die liefde mag elke dag nieuw zijn, ook de dag van vandaag weer. Een dag om een lied te zingen, bij snarenspel, als een singer songwriter die over de liefde zingt, als wij die liefde ook maar in de praktijk brengen.

Vol van schande ben je

donderdag, 17 januari, 2013

Habakuk 2:5-20

De vraag die in het boek Habakuk wordt gesteld is dus hoe het zit met afgodendienaars die zich lenen als instrument voor de God van Israël. Het antwoord lezen we vandaag. Dat zal niet anders gaan als met de andere afgodendienaars. Het zal slecht met ze aflopen. Het onrecht dat ze bedrijven zal zich tegen hen keren, het bloed dat ze vergieten zal op hen gewroken worden. Een heel stuk Bijbel waarin deze boodschap wordt onderstreept. Ze zullen vergaan als hun tijd om te vergaan gekomen is. Als de God van Israël geweld wil laten gebruiken tegen mensen om hun wandaden te bestraffen is dat dus ook niet zo heel erg moeilijk. Er zijn altijd mensen, groepen mensen, volken en groepen van volken die geweld tegen anderen willen gebruiken. Als er een sterk moreel verzet is, waarbij vooraf zorg is voor mogelijke slachtoffers, dan wordt geweld nog wel eens tegengehouden, maar anders is geweld de eerste manier om eigen gelijk te halen.

Het vraagstuk van de gerechtvaardige oorlog heeft geleerden door de eeuwen heen bezig gehouden. Natuurlijk, het ligt voor de hand dat een onderdrukt volk, dat onrecht en geweld ondervindt van haar eigen heersers tegen die heersers in opstand komt. Vaak kan dat niet anders dan ook door gebruik van geweld. Maar heel vaak begint het geweldloos, met demonstraties, met geweldloos verzet tegen de onderdrukkers. Als dat geweldloos verzet wordt gesteund door volken die niet door eigen heersers worden onderdrukt dan kan het zijn dat het bij dat geweldloos verzet kan blijven, de geschiedenis leert dat ook. Maar als dat geweldloos verzet niet wordt gesteund of als die steun te weinig is of niet wordt gehoord dan is gebruik van geweld soms onvermijdelijk. Zo kan zelfs militair ingrijpen onvermijdelijk worden.

Als we het Bijbelgedeelte van vandaag nog eens op ons in laten werken dan zullen we zien dat ook al moet er worden ingegrepen, ook al moet er geweld worden gebruikt tegen onderdrukkers, altijd is er vervolgens de vraag hoe wordt omgegaan met de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Speelt het “Gij zult niet doden” op de een of andere manier ook een rol? Wordt gedeeld met de armsten in de samenleving, worden de zwaksten ontzien in de strijd? Is er hulp voor de slachtoffers van het geweld, wordt het uiterste gedaan om slachtoffers te voorkomen? Of gedraagt men zich zoals de onderdrukker zich gedroeg toen die het geweld uitlokte? De oproep aan de aarde om stil te zijn voor de God van Israël is een oproep om te blijven luisteren naar het Woord van die God. Om de vragen te blijven stellen naar de toepassing van zijn Woord. Aan hen die geloven in zijn trouw is het om de vragen te blijven stellen en zo trouw te blijven aan zijn Woord. Dat mag en dat moet soms elke dag opnieuw, ook vandaag weer dus.

De rechtvaardige zal leven

woensdag, 16 januari, 2013

Habakuk 1:12 –2:4

Vandaag lezen we een stukje uit de Bijbel waar gelovigen niet zo heel erg van houden. Hier gaat een Profeet van de God van Israël openlijk in discussie met zijn God. Het gaat zelfs zo ver dat hij spreekt over het verwijt dat hij de God van Israël maakt. En dat verwijt is niet mis. God maakt gebruikt van de Heidense Chaldeeën, afgodendienaars, om de vijanden van Israël te straffen voor hun daden. Die Chaldeeën schrijven hun overwinning toe aan hun eigen afgoden die daardoor meer aanbeden worden. En aangezien de Israëliers gevangen worden gehouden door de vijanden van de Chaldeeën de Assyriërs lijden de Israëliërs ook onder de oorlog die tussen die twee volken wordt gevoerd. De God van Israël lijkt er wel helemaal niet aan te pas te komen.

Habakuk betrekt in zijn verwijt ook het lot van de andere volken. Of dat nu afgodendienaars zijn of niet, hun lot in de bestraffing door de God van Israël zal hen niet dichter bij die God brengen maar dichter bij de afgod van de Chaldeeën. De profeet wordt er strijdvaardig van. Hij bouwt als het ware een muur om zich heen en gaat op een bolwerk staan om eens te horen wat de God van Israël., Heer van de wereld, heeft te antwoorden op zijn verwijt. Dat is nogal wat een God ter verantwoording te roepen. Alsof jezelf altijd zo’n Heilig boontje bent. Maar de God van Israël laat zich ter verantwoording roepen. Die verschuilt zich niet achter zijn macht. Overal in de Bijbel kom je de roep tegen om toch vooral recht en gerechtigheid te betrachten en vrede te brengen. Daar waar onrecht heerst wordt God aangeroepen om recht te brengen, daar waar geweld en onderdrukking heersen wordt die God om vrede gesmeekt.

In deze profetie antwoord de God van Israël dan ook. Niet in een donderslag die verkeerd verstaan kan worden of met een briefje dat vervalst kan worden. Er wordt gewezen op platen waarin het antwoord te lezen is. En een visioen dat op platen gegrifd is doet ons denken aan de tien richtlijnen voor een menselijke samenleving die door Mozes gegrifd in platen van de Berg Horeb naar het volk werden gebracht. Daar staat hoe mensen samen moeten leven om te kunnen zeggen dat de God van Israël hen uit het land van de dood, uit Egypte, heeft geleid. Dat visioen wacht op die manier nog steeds op vervulling, want er wordt op aarde nog lang niet vanzelfsprekend geleefd volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Er wordt gedood, er wordt gelogen, er wordt gestolen wat van een ander is. Er wordt gedaan of dat recht en gerechtigheid is en die onoprechtheid zal vergaan. Nee, de rechtvaardige zal leven. Later zal ook Paulus dit verzuchten als hij het heeft over de vraag waarom gelovigen vervolgd worden. Ze leven door hun trouw, vaak vertaald als geloof. Maar het is niet alleen trouw van mensen aan de God van Israël, maar ook de trouw van de God van Israël aan zijn Woord. Dat klinkt hier door. Daardoor is ook hier een oproep te horen te gaan leven volgens die richtlijnen voor een menselijke samenleving, met elkaar te delen, te zorgen voor de minsten, ook vandaag dus weer.

Kijk naar de volken

dinsdag, 15 januari, 2013

Habakuk 1:1-11

Vandaag beginnen we te lezen in een bijzonder deel van het Twaalfprofetenboek, het deel van de profeet Habakuk. Wie die profeet was weten we niet. Zijn naam komt alleen in dit boek voor en over zijn persoon wordt niets verteld. Geleerden hebben wel gespeculeerd over de vraag wie hij was en wanneer hij geleefd heeft maar een sluitend antwoord blijkt niet te geven. Wel zijn er in het verleden legenden ontstaan over deze profeet. Op grond van zijn naam, die omhelzing zou kunnen betekenen, heeft men gewezen op de zoon van de weduwe van Sarfat die door Elia werd omhelst toen zijn moeder dacht dat hij gestorven was. Die omhelzing bracht de jongen weer tot leven. In het gedeelte van vandaag lezen we over de Chaldeeën en daar lezen we ook over in het boek Daniël. Sommigen denken daarom dat Habakuk samen met Daniël tegen de ongelovigen heeft gestreden.

Het bijzondere van dit boekje maakt dat echter onwaarschijnlijk. Het volk Israël was in ballingschap gevoerd door de wereldmacht Assyrië. De reden van die ballingschap was duidelijk. Het volk had de afgoden van Kanaaän gediend in plaats van de God van Israël. De Koningen van Israël en Juda hadden bondgenootschappen gesloten met Heidense volken, zelfs met Egypte, in plaats van te vertrouwen op de macht van de God van Israël. Die verkeerde keuzes hadden uiteindelijk tot de ballingschap geleid. Dat was nog duidelijk. Maar dan ontstaat er een probleem. Tijdens de ballingschap had een groot deel van het volk zich bekeerd tot de dienst aan de God van Israël. De geboden en de geschiedenis waren weer opgeschreven en werden breed bestudeerd. De boeken en geschriften van profeten werden gelezen en gehoord. De liederen en verhalen van het volk die hoorden bij de godsdienst van de God van Israël waren verzameld, geordend en toegankelijk gemaakt. Kortom, van afgodendienst was geen sprake meer, het volk had ervan geleerd en zich bekeerd.

En dan? Bracht God de ballingen terug? Wat Habakuk zag was wat anders. Was wat we vandaag lezen. Wat Habakuk zag was dat het machtige rijk Assyrië, dienaar van machtige afgoden, omver geworpen werd door de Chaldeeën, door het rijk van Babel. Die Chaldeeën waren net zulke afgodendienaars als de Assyriërs en de Egyptenaren. Het is voor de gelovige in de God van Israël duidelijk dat wie van zijn eigen kracht een god maakt uiteindelijk zal moeten verliezen. Maar verliezen van wie? Van anderen die van hun eigen kracht een god maken? Volgt het ene rijk van afgodendienaars het andere op? Waar blijft dan de God van Israël? Dat is de vraag die Habakuk stelt. Net als Job dat in het leven van indivuen stelde: waarom overkomt goede mensen het kwade? Waarom overkomt een volk van gelovigen het kwade van geregeerd te worden door afgodendienaars? Het antwoord is niet eenvoudig. Centraal in het boek van Habakuk staat de stelling dat de Rechtvaardige zal leven. En de Rechtvaardige is de gelovige in de God van Israël, die de minsten recht zal doen  Ook in onze dagen van geweld, onderdrukking en onrecht zullen we ons daaraan moeten vasthouden en blijven roepen om recht en gerechtigheid voor onderdrukten en slachtoffers van geweld. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

De zoon van Adam, de zoon van God.

maandag, 14 januari, 2013

Lucas 3:23-38

Er waren tijden dat kinderen dit uit hun hoofd moesten leren. Maar het geslachtsregister van Jezus zoals de schrijver van het Lucasevangelie het hier heeft opgetekend gaat niet zozeer over de namen dan wel over de betekenis. Het begint bij een dertigjarige Jezus en gaat terug op Adam, ja op God zelf. De boodschap is dat alle mensen familie zijn en alle mensen zijn dus familie van Jezus, ja alle mensen zijn familie van God. Het opstellen van stambomen is voor veel mensen een hobby. In onze samenleving kom je enkele honderden jaren terug uit. Soms ontdekt men dat er ergens in het verleden ooit iemand in de adelstand werd verheven die familie blijkt te zijn. Maar via Sem, Cham of Jafeth de zonen van Noach zijn we allemaal afstammelingen van Adam, en dus van God.

Wat doen wij onze broeders en zusters dus aan? Wat doen wij de kinderen van God op deze wereld aan? Zien wij in de armen van de wereld de kinderen van God? Zien wij in die raar geklede mannen en vrouwen van de Islam de kinderen van onze God? Zijn wij soms bang voor de kinderen van onze God? Er zijn politici die ons voorhouden dat we bang moeten zijn en onze broeders en zusters moeten uitwijzen en terugsturen naar het land dat onze God hen gegeven zou hebben, of het land waar ze door hebzucht van anderen terecht zijn gekomen. Erkennen wij in het Verbond de gevolgen van de mensenhandel van onze voorouders? Maar als onze God tegen de voorvader van Jezus, Abraham, zei dat die uit zijn land moest trekken waarom zegt God dat nu niet tegen onze broeders en zusters die ons de vraag komen stellen hoe wij tegen onze broeders en zusters aankijken?

Laatst werd er een vrouw opgepakt in ons land die hierheen was gevlucht met een groot deel van haar, en dus onze, familie. Zij werd opgesloten in Schiphol-Oost in afwachting van haar uitzetting. Haar drie zoons hebben een verblijfsvergunning, haar vier zusters hebben hier een verblijfsvergunning, haar bejaarde moeder heeft hier een verblijfsvergunning, maar zij werd uit het huis van haar zoon weggehaald en opgesloten. Vrienden van haar omschreven haar als een goed mens en de dominee die haar kent sprak op de zondag erna over goddelozen die de regels verzonnen en uitvoeren die haar afsnijden van haar familie, en van ons, en van de veiligheid die ze hier vond. Zij komt ook voor in het geslachtsregister van Jezus, als nakomelinge. Wij kunnen alleen maar werken voor een beter vreemdelingenbeleid door in onze omgeving te helpen bij de opvang van vreemdelingen. In Amsterdam en Den Haag hebben mensen uit kerken daarvoor leegstaande kerken gekraakt, zodat papierlozen die geen kant meer opkunnen de winter door kunnen komen. Door daardoor mee te gaan doen in het verhaal, in het geslachtsregister, van Jezus van Nazareth kunnen wij laten zien bij de familie van Jezus van Nazareth te horen, als kinderen van God, vandaag mogen we daar nog mee beginnen..

 

Heel het volk liet zich dopen

zondag, 13 januari, 2013

Lucas 3:10-22

Die Johannes moet een verpletterende indruk gemaakt hebben, heel het volk liet zich door hem dopen. Paulus zal veel later op zijn reizen in Klein Azië nog volgelingen van Johannes tegenkomen aan wie hij moet uitleggen hoe de verhouding was tussen Jezus van Nazareth en Johannes de Doper. In het verhaal zoals ons dat vertelt wordt in het Evangelie van Lucas neemt Jezus van Nazareth de predeking van de oproep tot verandering naadloos over van Johannes de Doper als deze eenmaal door koning Herodes gevangen is gezet. Deze Herodes was de opvolger van de Herodes die koning was toen Johannes en Jezus geboren werden. Sommigen vragen zich trouwens af door wie Jezus van Nazareth eigenlijk gedoopt was want eerst wordt verteld dat Johannes de Doper gevangen is gezet en daarna wordt verteld dat ook Jezus van Nazareth gedoopt werd.

Hoe het ook zij, toen Jezus van Nazareth zijn werk begon wilde iedereen wel de kant uit van delen en zorgen voor de naaste zoals Johannes de Doper had verkondigd. Dat de geschiedenis van Johannes de Doper diepe indruk had gemaakt blijkt ook uit de geschiedschrijving van het volk van Israël. Joden wezen de aanbidding van de Romeinse Keizer als god af, ze hielden een vrije dag in de week en ze hadden ingewikkelde regels over wat ze wel en niet mochten eten. In het Romeinse Rijk waren ze daarom vaak buitenbeentjes. De Joodse Historicus Flavius Josephus schreef in het begin van onze jaartelling een paar boeken  ter verdediging van de Joden. In zijn boek over de Joodse geschiedenis komt ook Johannes de Doper voor. Tegenover de liederlijkheid van het hof van Herodes wordt Johannes de Doper geschilderd als een goed man die de Joden opgeroepen had deugdzaam te leven door gerechtigheid te betrachten en zich te laten dopen. Uit dat boek komt ook het verhaal over Salome en de dans voor de Koning die als beloning het hoofd van Johannes de Doper op een schaal kreeg.

Het evangelie van Lucas is het enige verhaal dat vertelt dat Jezus van Nazareth aan het bidden was toen dat visioen met die duif en de stem die riep dat hij de zoon van God was gebeurde. Wil je een taak op je nemen als die van Johannes de Doper dan moet je wel alle moed verzamelen. De beste manier omdat te doen is je helemaal open stellen voor het Woord van God, alle verhalen in je op nemen en je volledig overgeven aan het vertrouwen dat God met je mee gaat als je de Weg van de God van Israël volgt en mensen oproept om te delen met elkaar van wat ze hebben en er samen voor te zorgen dat iedereen kan meedoen en niemand meer honger heeft of langs de weg hoeft te blijven zitten, dat noemen we bidden. De volgelingen van Jezus van Nazareth die deze omkeer maakten waren daar later zo blij over en wilden dat zo radicaal doen dat ze zich met hun hele gezin en iedereen die daar bij hoorde lieten dopen. Zo zijn we in de geschiedenis van de Kerk aan de kinderdoop gekomen. Het teken dat mensen met alles wat ze hebben willen horen bij een beweging waar het delen van wat je hebt en wat je te eten hebt voorop staat. Waar het gaat om de minsten van de wereld. Bij die beweging kun je je elke dag opnieuw weer aansluiten, ook vandaag.

Luid klinkt een stem in de woestijn

zaterdag, 12 januari, 2013

Lucas 3:1-9

Bij ons is iemand die roept als een roepende in de woestijn iemand waar niet naar geluisterd wordt. Het is een spreekwoord dat ontleend is aan het gedeelte dat we vandaag lezen maar het heeft een tegengestelde betekenis gekregen aan het verhaal. Naar Johannes werd wel degelijk geluisterd. De schrijver van het Evangelie naar Lucas meldt ons heel nauwkeurig wanneer Johannes is gaan optreden. Wie de geschiedenisboekjes er op narekent komt uit op het jaar 28 na het begin van onze jaartelling. Johannes wordt in dit verhaal heel uitdrukkelijk in de traditie van de profeten uit het Oude Testament gezet. Te beginnen met de traditie van Jesaja die zo uitdrukkelijk de bevrijding van het volk Israël had aangekondigd. Maar net als Jesaja in zijn dagen vraagt Johannes een duidelijke keuze van de mensen. Net als in de dagen van Jesaja waren de meeste mensen in de dagen van Johannes keurige mensen. Ze brachten hun offers, gingen op Sabbat naar de Synagoge, ze baden met voorgeschreven regelmaat, aten volgens de spijswetten en ze moorden niet, logen niet, stalen niet en aanbaden geen andere goden. Wat wil een mens nog meer.
Nu, een mens mag misschien niet veel meer verlangen maar God wil wel degelijk meer. Want met al dat uiterlijk godsdienstig vertoon wordt de aarde nog geen aarde waar mensen gelukkig kunnen wonen. Ondanks dat uiterlijk godsdienstig vertoon, dat fatsoen, die waarden en normen, gaan er nog steeds mensen dood van de honger, lijden mensen onder de koude, zijn er armen in het land. De Wet van de God van Israël moet een duidelijke inhoud krijgen, die Wet moet aan mensen zichtbaar worden. Daarom staat het delen met elkaar voorop, warme kleren als je die hebt, eten als je dat hebt, samen delen is het eerste zichtbare teken van de Weg van de God van Israël, de Heer van de wereld. Maar ook de belastinginners voor de Romeinen, de tollenaars mogen de Weg zichtbaar maken door niet meer te innen dan opgedragen is. Geen woekerwinsten maken uit het innen van belasting ten koste van de armen. Dat geldt ook voor de soldaten. Niemand afpersen, niet laten omkopen en genoegen nemen met je soldij.

Het zijn eigenlijk de eerste basisregels voor een geordende samenleving. Regels die we proberen ingevoerd te krijgen in een land als Afghanistan. Maar ook regels die ingevoerd zouden moeten worden op wereldniveau. Ook daar zou moeten gelden dat we beginnen met samen delen. Rijke landen die zorgen dat de verdeling van goederen en diensten op een eerlijke manier gebeurt zodat ook de armste landen mee kunnen delen van de welvaart in de wereld. Zorgen dat we allemaal te eten hebben en dat hongersnoden niet meer kunnen voorkomen, zorgen dat ook boeren in arme landen toegang hebben tot de wereldmarkt en mee kunnen concureren met de boeren in de rijke landen. En samen zorgen dat er geen corrupte regiems meer kunnen zijn die in rijke landen, bij banken met beschermd bankgeheim, hun gestolen gelden kunnen parkeren. Johannes vraagt van de mensen om zich te laten dopen, je zou bijna zeggen dat wij van de volken moeten vragen zich te laten dopen. Maar laten we beginnen met zijn Weg zichtbaar te maken door samen te delen en te protesteren tegen het roven door samenlevingen als de onze van de armsten in de wereld. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.