Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2013

Dwaal niet af

donderdag, 31 januari, 2013

1 Samuel 11:14–12:25

De inhuldiging van Saul werd een groot feest. Maar Samuël zat het nog steeds niet lekker dat het volk om een Koning had gevraagd en het niet had aangedurfd om het met de God van Israël te wagen. Het volk werd door Samuël dan ook getracteerd op een donderpreek. Dat nadat was vastgesteld dat het niet Samuël was geweest die het volk op die weg had geleid. Samuël had net als Mozes en Aäron steeds de bevrijding van het volk voor ogen gehad. En om bevrijding moest het blijven gaan. Achter de pracht en praal van koningen aan lopen levert geen bevrijding op. Die pracht en praal is leeg en dient tot niets. Als het goed is weten ook wij er alles van. Ook wij hebben langzamerhand een koningshuis dat versiering van onze staat is. Zonder kan het ook maar het levert nu eenmaal feestdagen en mooie optochten op. En we hebben afgeleerd een Koning macht te geven zodat die oorlogen kan voeren en ten eigen bate belastingen kan heffen.

Samuël vergeet bijna dat het de God van Israël zelf was geweest die hem had opgedragen een koning te zoeken en hem ook die koning had aangewezen. In het verhaal dat we vandaag lezen geeft het volk zelf aan waarom een Koning misschien een betere oplossing was dan iedere keer een nieuwe Rechter. Tussen de Rechters in deed iedereen immers wat goed was in de eigen ogen en dan werden uit voorzorg ook maar de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän gediend. Baäl beelden werden opgericht en op de hoeken van de velden werden Asjerapalen in de grond gedreven. Afgoderij waar de God van Israël steeds kwaad om werd. Die stuurde dan de buurvolken om de oogst te roven en daarmee het volk te straffen voor de afgoderij. Die zelfgemaakte goden leken misschien wel een goede oogst op te leveren maar als hun aanhangers die oogst kwamen wegroven dan had je daar niks aan. De God van Israël stuurde Rechters, mensen die het volk tot hun recht liet komen door de rovers te verslaan en het genot van de eigen oogst voor het volk te verzekeren.

Dat het volk had gekozen voor een Koning hoefde het volk daarom geen angst in te boezemen. De God van Israël zou het volk niet in de steek laten, zou niet laten varen het werk dat zijn hand was begonnen. Angst zouden ze pas moeten hebben als ze weer zelfgemaakte afgoden gingen aanbidden. Of als ze die Koning als God zouden gaan behandelen. Ook onder de nieuwe Koning had Samuël daarom een belangrijke taak. Hij zou moeten blijven vertellen over de Weg van de God van Israël: heb God lief boven alles door uw naaste lief te hebben als uzelf. Ook Samuël zelf zou zich hieraan moeten houden. Telkens weer moet je terug naar dat uitgangspunt van de God van Israël, terug naar de richtingwijzers voor een menselijke samenleving. Daar is na al de eeuwen die voorbijgegaan zijn sinds de dagen van Saul en Samuël nog steeds niets aan veranderd. Ook in onze dagen moeten we niet achter het lege klatergoud van de nieuwe Koning aanlopen, maar letten op de minsten en de zwaksten in de samenleving. Hebben onze voedselbanken nog voldoende voorraad is een belangrijker vraag dan wat de vrouw van de nieuwe Koning aan zal trekken bij de inhuldiging. En voor die voedselbanken kunnen we elke dag opnieuw zorgen, ook vandaag weer.

“Moet Saul onze koning zijn?”

woensdag, 30 januari, 2013

1 Samuel 11:1-13

Kijk zo’n koning zouden wij ook wel willen. Een koning die voor zijn eigen inkomen zorgt en het volk bijeen weet te krijgen als het volk bedreigd wordt. Van Saul wordt in het verhaal van vandaag immers vertelt dat hij met behulp van een span ossen het land aan het ploegen was. Maar dat beeld van een boer die zijn werk in de steek laat om het volk te redden van plundering door de vijand hoorde bij de tijd van de Rechters. Koningen doen anders. Koning Nachas van de Ammorieten geeft het voorbeeld. De Ammorieten hadden niet een natuurlijke grens om hun land, een bergketen, of een zee, of een rivier waar je niet over kon. De grenzen van hun land vroegen daarom steeds om uitbreiding zodat ze veilige grenzen hadden waar de vijand geen invloed had. Toevoegen van de stad Jabes aan hun gebied zou die doelstelling van veilige grenzen een stuk dichterbij brengen. Bovendien konden ze dat volkje van Israël laten weten niet een grote borst op te zetten.

De vernedering van Israël zou moeten komen van het uitsteken van het rechteroog van de mannen van Jabes. Voor ons een wrede straf, maar in de dagen van Saul een belangrijk militair gegeven. Als je rechteroog is uitgestoken kun je niet meer met pijl en boog schieten. En naast het zwaard waren pijl en boog in een oorlog geduchte wapens. Het uitsteken van het rechteroog was dus ook een vorm van ontwapening van de vijand. Geen wonder alles bij elkaar dat de inwoners van Jabes eerst wel eens wilden weten of ze op hulp konden rekenen. Electronica om met anderen te communiceren was er niet. Het hing van bodes af die te paard of te voet het land moesten doorkruisen. Zo kwamen ze bij Saul die de leiding nam zoals een leider de leiding moet nemen. Een slachtoffer van rundvee was het voorbeeld dat aansprak. Wilde je geofferd worden voor een vreemde God of doe je mee voor je eigen God van Israël. Ze deden mee, ook de stammen van het overjordaanse sloten zich aan. Israël en Juda werden tot één volk. met één leger. Dat was wel eens anders geweest en zou ook in de toekomst anders worden.

Er wordt van Saul verteld dat hij handelde in de Geest van de God van Israël. En dus is het voor ons van belang na te gaan wat er aan het handelen van Saul nu in de Geest van die God zou kunnen geweest zijn. Dat doden van vijandelijke soldaten in elk geval niet, maar Koning Nachas was niet gestopt met zijn veldtocht toen hij merkte dat de inwoners van Jabes hulp kregen. In het Hebreeuws staat dat ze niet zozeer om hulp hadden geroepen maar om een verlosser en Saul trad op als verlosser. Hij betrok bij de veldtocht het hele volk als een eenheid en dat was wat Samuël ook had geprobeerd met zijn volksvergaderingen. Niet langer handelden de stammen afzonderlijk maar deed iedereen mee. Ook bij ons moeten we dus niet het volk opdelen in groepen op grond van afkomst maar iedereen mee laten tellen. Verder claimt Saul niet de eer van de overwinning voor zichzelf. Dat er mensen zijn die zich niet kunnen vinden in zijn koningschap dat zal wel, de overwinning komt de God van Israël toe, die verdient de eer en daar verzette niemand zich tegen. Van een tegenstelling tussen de God van Israël en de Koning is in dit verhaal geen sprake. Dat moet ook bij ons niet het geval zijn. Ook bij ons zal bij het aantreden van een nieuwe koning de zorg voor de zwaksten in het land voorop moeten staan. We hebben daar in onze dagen een uitgelezen gelegenheid voor.

 

‘Waar is de man die ontbreekt?’

dinsdag, 29 januari, 2013

1 Samuel 10:17-27

Een God inruilen voor een Koning. Daar komt het op neer volgens het gedeelte dat we vandaag lezen uit het eerste boek Samuël. De politieke betekenis van die stelling, een stelling die volgens de het verhaal door de God van Israël zelf op tafel is gelegd, wordt meestal verwaarloosd. We zijn sinds de dagen van Saul zo gewend geraakt aan menselijke koningen dat we ons een samenleving zonder een regering van mensen helemaal niet meer kunnen voorstellen. Nu is dat ook wel moeizaam. Tijdens de Rechters die in het gelijknamige boek werden besproken was het idee dat ieder deed wat goed was in zijn ogen ook al niet een garantie op een vreedzame samenleving. Telkens weer werd de oogst van het volk Israël geroofd door buurvolken en van tijd tot tijd sloegen de stammen ook elkaar de hersens in. Dat de God van Israël wetten had uitgevaardigd die richtingwijzers waren voor een rechtvaardige samenleving vergat het volk voortdurend.

Zelfs als je Priesters aantstelde om recht en gerechtigheid te handhaven en te vertellen over die richtingwijzers voor de menselijke samenleving ging het verkeerd. De zonen van de Hogepriester Eli werden corrupt. En Eli was nog wel hogepriester bij de Tent der Ontmoeting waar de Ark van het Verbond werd bewaard. Dichter bij de Wet van de God van Israël kon je bijna niet komen. Maar de Ark van het Verbond werd verkwanseld alsof het een beeld van een God was die op eigen kracht bescherming bieden moest en niet het symbool van de samenwerking tussen het volk en die God. De zonen van Samuël, die zelf toch een prima Rechter en Profeet was, waren net zo corrupt. Veel en veel later zou men zeggen dat dus niet wie zegt “Here, Here” als voorbeeld moet dienen maar wie zich houdt aan die richtlijnen voor de menselijke samenleving, wie van de naaste houdt als van zichzelf.

Wie er Koning wordt is louter toeval. Een dergelijk heerser valt je toe en daar moet je het mee doen. Dat blijkt uit de manier waarop het volk bij Saul uitkomt. Die Saul had het al zien aankomen en had zich verstopt tussen de bagage van al die stammen die in Mispa bij elkaar waren gekomen. En zoals gebruikelijk in een volk is een deel onder de indruk van de heerser en staat een ander deel er uiterst kritisch tegenover. Bij Saul is de kracht imponerend en soldaten blijken graag in zijn leger te dienen. Zodra Saul koning is, blijkt uit het verhaal, is het ideaal van de samenleving zoals die door de God van Israël werd geschetst helemaal verdwenen. Hier is geen oog meer voor zwakken, geen wetten meer om de weduwen en de wees te beschermen. Nu gelden de rechten van de koning, rechten op soldaten, op een inkomen, op voedsel en huisvesting. De tegenstelling tussen een regering op basis van het program van de God van Israël en een regering op basis van macht kan niet duidelijker geschetst worden. Tot in onze dagen kunnen we tussen de twee kiezen, tot in onze dagen mogen we geloven dat een samenleving volgens het program van de God van Israël vrede en recht brengt. En elke dag mogen we daar mensen van overtuigen, ook vandaag weer.

Hierbij zalft de HEER u tot vorst

maandag, 28 januari, 2013

1 Samuel 9:26–10:16

Het is nauwelijks te bevatten wat Saul hier overkomt. Hij gaat met zijn knecht op stap om de ezelinnen van zijn vader te zoeken. Ze zoeken een groot deel van het land af, maar de ezelinnen zijn nergens te vinden. Dan haalt zijn knecht hem over om naar de ziener Samuël te gaan. Die knecht stelt zelfs nog een zilveren muntje ter beschikking om Saul over te halen. En dan gaat er iets vreemds gebeuren. In de stad van Saul wordt hij ontvangen door een groep meisjes die hem naar een feest sturen, een offerfeest. Het blijkt niet zomaar een feest te zijn maar Saul mag aanzitten bij de belangrijkste mensen van de stad en hij krijgt het beste deel van het feest. Hij krijgt zelfs nog een vertrouwelijk gesprek met de Profeet die de baas van Israël blijkt te zijn, de rechter, priester en profeet tegelijk, vader van de twee rechters die in Berseba de traditie van corrupte rechters voortzetten.

Als je dan na een nachtje slapen weer naar huis wil dan neemt die Profeet je apart en zalft je tot koning. Het zalven van een Koning is al een heel oud ritueel. Ook Christus betekent gezalfde en slaat op de Koningspretenties die zijn volgelingen hem hadden toegedicht. Hij stierf aan een kruis met als opschrift “Koning der Joden”. Zijn volgelingen werden later “Christenen” genoemd, zalfjes. Daar had Saul nog heel geen weet van. Hij was al blij dat zijn ezelinnen terug waren gevonden, wat hij te horen kreeg bij het graf van Rachel, moeder van Israèl. De kans die hij kreeg om dansend en zingend naar huis te gaan greep hij met vreugde aan. Hij was wel geen profeet maar mocht zich mengen onder de zingende profeten die van de offerhoogte naar beneden kwamen met een compleet muziekkorps voorop. Later zou Saul een strenge koning worden, nu was hij nog de opvallende zoon van Kis, profeet was hij nooit. En als iemand voortaan zou spreken als een profeet, maar ongeloofwaardig was, dan zij men tegen elkaar “Hoort Saul nu ook al bij de profeten?”

De Bijbel vertelt graag verhalen waarin blijkt dat God ingrijpt in de geschiedenis van mensen. Voordat mensen op het idee komen heeft God al gezorgd dat het kon. Samuël zalft Saul al voordat het volk er over heeft kunnen beslissen. Ook de opvolging van Saul zal later geregeld zijn ver voordat die opvolging aan de orde is. David wordt achter de schapen vandaan gehaald en gezalfd ver voordat Saul en zijn zonen de dood op het slachtveld gevonden hebben. Het op deze manier vertellen legt nog eens de nadruk op dat ingrijpen van de God van Israël in onze geschiedenis. Dat ingrijpen is niet terug te vinden in de geschiedenisboekjes. Daarom lijkt de Bijbel vaak in strijd met de officiële geschiedschrijving. Het heeft echter geen enkele zin de geschiedenis van God in overeenstemming te willen brengen met de geschiedenis zoals die door menselijke geleerden is opgeschreven. Als we de geschiedenis van God willen volgen en zijn ingrijpen willen leren herkennen dan moeten we ons aan zijn gebod houden onze naaste lief te hebben als onszelf. Dat is de enige manier. Dat kan elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Hij zal mijn volk beteugelen.

zondag, 27 januari, 2013

1 Samuel 9:1-25

Hoe komt je aan een Koning? Je kunt niet zomaar de eerste de beste nemen en je moet al helemaal uitkijken als mensen zichzelf opwerpen als de beste. In onze eigen vaderlandse geschiedenis heeft het tot 1811 geduurd voordat we een Oranje tot koning durfde kronen en dat gebeurde alleen nog omdat de verenigde vorstenhuizen na de overwinning op Napoleon vonden dat we beter af zouden zijn met een Koningshuis. Willem de Zwijger, de vader des vaderlands genoemd, ging niet zo ver. Hij keek wel uit. Hij zocht geschikte koningen in het buitenland, maar vond die niet. Samuël vond wel een geschikte kandidaat voor zijn volk, maar Samuël had dan ook de hulp van de God van Israël. Die God kijkt gewoonlijk al helemaal niet naar de eerste of de beste. Die God kijkt naar de kleinste, de minste. Een psalmdichter schreef eens dat de steen die door bouwlieden weggeworpen was tot hoeksteen was gemaakt door die God. Zo organiseert die God de wereld.

Dat blijkt uit het mooie verhaal dat we vandaag lezen uit het eerste boek Samuël. De mooie Saul, hij stak met kop en schouders boven iedereen uit, gaat op zoek naar een kudde ezelinnen. Lopend, met alleen een knecht. Dat is dus niet een koningskandidaat die met paarden en wagens op zoek gaat naar nog meer rijkdom, nee hij zoekt naar hetgeen verloren is. Zo ziet de Bijbel dat graag in haar verhalen. Bovendien heeft die Saul zijn naam mee. Saul betekent “gevraagde” en het volk had immers gevraagd om een Koning. Maar een koning mag dan bescheiden zijn hij moet wel representatief zijn en niet bang uitgevallen voor deftige gezelschappen. Het komt daarom mooi uit dat er een offerfeest is, met een maaltijd waarbij de upper ten, het zijn er dertig, van de stad van Samuël aanwezig zijn. Offers zijn in de Bijbel gelegenheden om te delen, om maaltijd te houden. Er was zelfs een mooi stuk vlees achtergehouden voor Saul.

Wat Samuël op het dak van zijn huis met Saul heeft besproken vermeld de historie niet, het was immers vertrouwelijk. Of Samuël Saul heeft ingelicht over zijn bestemming als Koning is maar de vraag. Maar een afstammeling van de kleinste stam, afstammelingen van de jongste zoon van Jacob, lid van de kleinste familie van die stam zou de koning moeten worden van Israël. Volgens het slot van het boek Rechters stond die stam ook nog niet eens zo goed bekend onder de stammen van Israël. Maar het werd tijd om de stammen tot een volk om te smeden. Verdeeldheid in een volk is altijd slecht, ook in onze dagen nog. Daarom moeten ook wij bij het kiezen van onze bestuurders niet zomaar de beste sprekers, de mooist gesneden pakken, de hardste schreeuwers kiezen, maar dat letten op de minsten voor ogen houden. Wie stelt nu iets voor dat vrede brengt in de samenleving en let op de mensen die het minste inkomen hebben, de minste kansen in het leven, de hongerigen, de invaliden, de slachtoffers van geweld. En dat opletten moet niet alleen als er weer eens verkiezingen aan komen maar dat moet elke dag. Wie houdt van de naaste als van zichzelf komt dan vanzelf de juiste mensen tegen, net als Samuël deed.

Stel een koning over hen aan.

zaterdag, 26 januari, 2013

1 Samuel 8:1-22

Wat moeten we met een verhaal over een primitief volk dat zo graag een koning wil? Wij hebben een koningshuis en we hebben er voor gezorgd dat het koningshuis nauwelijks macht meer kan uitoefenen over het volk. Een dienstplicht invoeren om een fraai leger te vormen dat kan niet. Het afpikken van land om de hofhouding te kunnen voeden, dat kan niet. Het heffen van belastingen om er groots van te kunnen genieten, dat kan niet. Het opleggen van zogenaamde Herendiensten die de onderdanen zonder betaling moeten verrichten, dat kan niet. Er kan dus een heleboel niet wat je in de dagen van Samuël wel van een vorst kon verwachten. Maar een koning in de dagen van Samuël is niet beter dan de slechtste rechter. De zonen van Eli, bij wie Samuël in opleiding was geweest, deden hetzelfde als de zonen van Samuël, die Samuël zo graag als zijn opvolger had gezien.

Als je toch met corrupte bestuurders te maken hebt dan lijkt een koning toch mooier, dat hadden ze immers in de buurlanden ook en daar zaten optochten en feestdagen aan vast en daartegen keek iedereen op. Dat laatste is ook in onze dagen het geval. De meest Christelijke omroep de EO, die zich er op voorstaat in al haar programma’s het Evangelie uit te dragen, is de enige die een wekelijks programma heeft rond de Europeese vorstenhuizen. De pracht en praal van die vorstenhuizen wordt breed uitgemeten. We moeten vooral tegen de vorstenhuizen opkijken. Dat de Bijbel blijkens het gedeelte dat we vandaag uit het eerste boek Samuël lezen zich zeer verzet tegen deze invulling van het koningschap komt kennelijk bij de EO niet op. Het weerhoudt deze merkwaardige omroep er niet van het klatergoud van de vorstenhuizen breeduit uit te meten.

Ondertussen moeten wij niet vergeten dat het Koningschap een vorm van regering is naast andere vormen die we pas in onze dagen tot ontwikkeling hebben zien komen. De democratie is bijvoorbeeld nog maar zeer jong. De discussie in het Bijbelgedeelte van vandaag gaat dan ook niet in de eerste plaats over de pracht en praal maar over wie nu eigenlijk de wetten van het land gaat bepalen. Laten we ons regeren door de Wet van de God van Israël, heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf, of maak je de machtigen machtiger en bescherm je de rijkdom van de rijken? Met andere woorden: wordt er door een regering in de eerste plaats gelet op de minsten, op de hongerigen, op de weduwe en de wees of wordt er ruimte geschapen voor het eigenbelang van de sterksten? Juist in onze dagen van democratie hebben we als volk opnieuw de keus die het volk Israël had ten tijde van Samuël. Als we geleerd zouden hebben van de geschiedenis kiezen we voor God. Maar het lijkt er niet op, we zullen de discussie elke dag opnieuw moeten voeren, ook vandaag weer.

Alles moet op gepaste wijze

vrijdag, 25 januari, 2013

1 Korintiërs 14:26-40

Wat zullen de buren er wel van denken had ook boven dit stukje kunnen staan. Maar we kiezen altijd een citaat uit het Bijbelgedeelte als opschrift. De uitstraling van de bijeenkomsten van de gemeente speelt echter wel degelijk een rol. Uit de aanwijzingen van Paulus in het gedeelte van vandaag is de nadruk komen te liggen op de aanwijzing voor vrouwen. Maar vergelijk die aanwijzingen voor de vrouw eens met de aanwijzingen voor het spreken in klanktaal of zelfs die voor het profeteren. Er moet niet zomaar door iedereen altijd in klanktaal gesproken worden, er moet ook niet door iedereen op elk ogenblik geprofeteerd worden en vrouwen moeten helemaal hun mond houden lijkt het dan te klinken. Volstrekt in strijd met de vrijheid waar Paulus het over heeft en met de gelijkheid tussen mannen en vrouwen waar hij elders over schrijft. Ja hij heeft zelfs geschreven dat in de Christelijke gemeente het onderscheid tussen mannen en vrouwen verdwenen is.

Hoe moeten we de regels uit het gedeelte van vandaag daarmee in overeenstemming brengen. Dat is niet eenvoudig. Dat hangt samen met de positie van vrouwen in de samenleving ten tijde van het leven van Paulus. En vooral met de positie van de vrouwen in de religie. Die positie van vrouwen in religieuze bewegingen leek op het eerste gezicht nogal vooraanstaand. Ze waren priesteressen, orakels of tempelprostituees. Zonder vrouwen geen godsdienst leek het wel. Maar daarmee waren ze ook onderdrukt. Een vrije zelfstandige positie van vrouwen, gelijk aan mannen was er niet bij, integendeel, het waren mannen die uitmaakten welke positie de vrouw mocht innemen, in de Tempel of in huis, als ze maar in hun rol bleven. Vrije vrouwen waren losbandig, die leefden alleen voor genot en namen geen serieuze plaats in de samenleving in. Paulus wijst al die religieuze en maatschappelijke rollen voor vrouwen af. Ze moeten gelijk zijn aan hun man en eerder in deze brief heeft hij mannen opgeroepen hun vrouwen daarbij te helpen. Hier roept hij vrouwen op van die hulp gebruik te maken.

De verandering van de samenleving gaat dus niet vanzelf. In Korinthe waren er diverse groepen ontstaan van mensen met eenzelfde maatschappelijke achtergrond. Ook die ontwikkeling heeft Paulus afgewezen. Dan pas blijft er een gemeente van Joden en Heidenen, armen en rijken, slaven en vrijen, mannen en vrouwen waar al die verschillen opgelost moeten worden door de liefde. Dat is zelfs vandaag de dag nog een bijna onmogelijke opgave. Onze verschillende kerkgenootschappen laten zich onderscheiden door verschillen in inhoud en opvatting maar ook in verschillen in cultuur en opvattingen over hoe mensen met elkaar om moeten gaan. Paulus roept aan het eind van dit gedeelte de gemeente op om te profeteren, in de Geest van God te spreken over de manier waarop de samenleving is ingericht, dus ook waarop de gemeente is ingericht. Die Geest kennen we als de Geest van liefde. De oproep van Paulus aan vrouwen om te zwijgen te behandelen of de situatie van vrouwen in religieuze en maatschappelijke zin niet wezenlijk veranderd is lijkt daarom liefdeloos naar vrouwen. Beter is nu te zien waar nog onderscheid is en wordt gemaakt, ook in kerken. Als de gelijkheid van mannen en vrouwen in kerken nog wordt ontkend is er iets mis, dan is Heidendom de kerkelijke praktijk binnengedrongen en gaat het dus niet ordelijk toe, niet volgens Gods orde. Daar kunnen we verandering in brengen, vandaag te beginnen.

Ik zal tot dit volk spreken

donderdag, 24 januari, 2013

1 Korintiërs 14:13-25

Het spreken in onverstaanbare klanken tijdens een extase van de gelovige wordt nog al eens verward met het gebeuren op de eerste Pinksterdag. Toen ging het er om dat iedereen de boodschap van de bevrijding kon horen in de eigen taal. En alle mensen uit alle toen bekende landen en talen konden het verstaan. Dat was een wonder op zich. Niet helemaal onverwacht overigens vertelt Paulus ons in het gedeelte dat we vandaag lezen. Er staat al in de Hebreeuwse Bijbel dat God het volk zou toespreken door mensen die vreemde talen spreken, door vreemdelingen. Niet dat het zou helpen, vreemde ogen dwingen maar vreemde talen dwingen ons niet tot beter luisteren. Het extatisch spreken is dus helemaal niet bestemd voor de gemeente van Christus. Daar moet je amen kunnen zeggen op hetgeen je broeder of zuster je voorhoud, als dank, als bede, als lof aan God. Door dat te beamen deel je gevoelens van je medegelovige. Als het blijft bij onverstaanbare klanken dan is er van delen geen sprake meer en verbreek je de noodzakelijke band in de gemeente.

Het spreken in onverstaanbare klanken in de gemeente is in de kerken, de Protestantse Kerk Nederland zowel als de Rooms Katholieke Kerk, uitgestorven. En terecht laat Paulus hier doorschemeren. Het spreken in extatische klanken of onbegrijpelijke raadsels was in de Heidense godsdiensten uit zijn tijd heel normaal. De orakels waarover wij zelfs in geschiedenisboeken kunnen lezen waren daar een treffend voorbeeld van. Maar voor die orakeldiensten werden vrouwen op een gruwelijke manier misbruikt. Ze werden aan kettingen rondgevoerd en voortdurend in een zeer ongezonde kunstmatig opgewekte roes gehouden. Voor zulke praktijken was in de Christelijke gemeente geen plaats. Ook Paulus zelf kon in extase raken lezen we in het gedeelte van vandaag. Maar hij had zelf ook gemerkt dat het spreken in onverstaanbare klanken hem en zijn gemeente geen stap verder had gebracht. Integendeel, als een hele gemeente tot klanktaal was vervallen dan werden ze voor gek uitgemaakt. Profeteren had een heel andere uitwerking.

Nog steeds moeten wij ons realiseren dat het profeteren waar Paulus over schrijft niets te maken heeft met toekomst voorspellen. Als misdadigers niet worden opgespoord en bestraft dan wordt de samenleving heel onveilig. Dat is geen voorspelling van onze toekomst dat is een waarschuwing voor het heden. Maar het kan wel een profetie zijn. Het is een uitspraak die ook getuigd van de liefde voor mensen, vooral voor de zwaksten die het eerst slachtoffer zullen zijn van misdadigers. Als op die manier een hele gemeente het opneemt voor de zwaksten in de samenleving, voor de mensen die tot honger dreigen te vervallen, die dakloos dreigen te worden, die papierloos geworden zijn, dan kunnen ook ongelovigen zien en horen waar het in de Christelijke gemeente eigenlijk om gaat, om de liefde van God ook als liefde tussen mensen te laten gelden. Dan kunnen ook ongelovigen mee gaan bouwen aan het koninkrijk van God. Elke dag kunnen we zo als gemeente van Christus opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Jaag de liefde na

woensdag, 23 januari, 2013

1 Korintiërs 14:1-12

Mensen die in vervoering raken stoten soms onverstaanbare klanken uit. Als dat gebeurt in een religieuze omgeving dan noemen we dat soms tongentaal. Er zijn groeperingen waar die vervoering een belangrijke rol speelt. Pas als mensen in vervoering raken, buiten zichzelf treden, dan geloven ze echt zegt men dan. Dat geeft daarna nog een probleem want wanneer weet je nu echt of een God., de God van Israël zelfs, je in je hart heeft gewerkt, je in vervoering heeft gebracht, of dat het een wens vanuit jezelf was die zo sterk was dat je inderdaad in vervoering raakte. In het gedeelte dat we vandaag uit de Bijbel lezen staat dat het in vervoering raken en vooral het uitstoten van zogenaamde tongentaal, taalklanken die niemand kan verstaan, helemaal niet zo Christelijk is maar eigenlijk een zeer egoïstische bezigheid is. Het is mooi dat iemand zo rechtstreeks met God kan praten maar die iemand wordt er zelf niet beter van en zijn of haar omgeving al helemaal niet.

Paulus legt de nadruk op het profeteren. Mannen worden zelf opgeroepen hun vrouwen daarbij te helpen. Dat is nodig omdat vrouwen in de cultuur waarin Paulus leefde bij uitstek de waarzegsters waren. Zij konden in vervoering, in trance, worden gebracht en in orakelspreuken de toekomst duiden voor een persoon of een groep. Dit soort gebruik van mensen wijst Paulus radicaal af, de stem van de orakelspreeksters, de stem van de vrouw bij uitstek, dient in de Christelijke gemeente te zwijgen. Maar profeteren is wat anders dan de toekomst voorspellen. Die orakelspreuken lijken op de klanktaal van hen die in vervoering spreken. Je moet maar raden wat er bedoeld wordt en wat je er mee kunt. Profeteren is heel wat anders. Een profetie vertelt je waar het gedrag op uit zal lopen als je dat gedrag stelt in het licht van de Bijbel. Een profetie kan je op het idee brengen je gedrag te veranderen.

Als je je eigen roem nastreeft, alleen maar leeft om rijker te worden of machtiger dan loopt dat uit op eenzaamheid, ongeluk en ellende. Het nastreven van rijkdom en macht heeft ons in de hele wereld in een financiële crisis gebracht. De Profetie dat het nastreven van rijkdom en macht ons in ellende zal storten is een zeer actuele. Het kan er ons toe brengen, het zal er ons toe moeten brengen, ons gedrag te veranderen. Paulus rijkt ons daarvoor twee ijkpunten aan. De eerste is de Liefde, jaag de liefde na staat in het gedeelte dat we vandaag lezen. En wat die liefde is en kan hebben we in het hoofdstuk hiervoor kunnen lezen. De tweede is de vraag of wat we zeggen ook kan helpen bij de opbouw van de gemeente. Worden mannen en vrouwen echt gelijk? Vervalt het verschil tussen allochtonen en autochtonen? Delen armen en rijken met elkaar? Steekt men in de gemeente samen een hand uit naar de papierlozen? Is er voldoende aandacht voor de zieken en gehandicapten en hun positie in de samenleving? Wie de liefde najaagt en de gemeente ziet als een lamp voor de samenleving, zoutend zout zou Jezus dat noemen,  kan de rij vragen oneindig uitbreiden. En die vragen stellen is profeteren. Dat mag dus iedereen in de gemeente, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Ze is niet grof en niet zelfzuchtig

dinsdag, 22 januari, 2013

1 Korintiërs 12:31-13:13

Vandaag zingen we met de Kerk van alle tijden het beroemde lied van de liefde mee  uit de eerste brief van Paulus aan de mensen in Korinthe. Dat zelfzuchtig uit de titel die we voor vandaag boven dit stukje hebben gezet heette in de Statenvertaling nog “Zij zoekt zich zelfve niet” Ofwel 4 x z n. Dat was de titel van een van de eerste omroepacties in Nederland om geld in te zamelen voor de armen. Het was nog een radioactie, van de NCRV die werd geleid door Johan Bodegraven. Die actie zette de toon voor latere televisie acties, van Open het Dorp tot de Tsunami actie. Nederlanders staan op en komen in beweging om mensen in nood te helpen waar ook ter wereld. Dat in beweging komen voor anderen die zonder die beweging van mensen niet kunnen voortleven is de liefde die hier bezongen wordt. We kunnen de waarheid vertellen wat we willen. We kunnen de beste pr methoden hanteren, boekjes maken zo mooi als het kan, tv programma’s, liederen shows, documentaires noem maar op zegt het door Paulus aangehaalde lied hier, maar als we de liefde niet hebben die mensen in beweging brengt dan wordt het allemaal niks.

De Liefde steekt overal boven uit. Als alle hoop vervlogen is lijkt het leven zinloos, dan lijkt er niets meer over, dus ook hoop is belangrijk. En als je nergens meer in kunt geloven, er geen idealen meer zijn, het leven leeg en plat is geworden, als je zelfs niet meer in jezelf of in je helden kunt geloven is het leven ook niks meer, dus ook het geloof is belangrijk. Maar boven geloof en hoop stijgt de liefde uit. Zonder de liefde zijn ook het geloof en de hoop niks meer. In kerken wordt vandaag veel over het geloof gesproken, mensen wordt weer op het hart gebonden te gaan geloven en te blijven geloven. Mooie woorden worden er gesproken en fraaie muziek ten gehore gebracht. Op de TV vertellen mensen waarom ze van hun geloof zijn gevallen of wat geloof voor hen betekent.  Mensen moeten van alles van hun geloof of mogen juist van alles niet van hun geloof en vinden dat anderen iets moeten of juist niet mogen van hun geloof. De meeste mensen geloven het wel als ze al die stelligheden over geloof horen.

Maar al die woorden over het geloof zijn niets waard als gemeenschappen van gelovigen niet de liefde hebben voor de verworpenen van deze aarde. Als mensen niet in beweging komen voor de kinderen die ook vandaag opgesloten zitten in onze gevangenissen. Als we geen hoop weten te geven aan gevangenen in de wereld die ten onrechte zitten opgesloten, als we niet het voedsel weten te brengen aan de hongerigen in Afrika, kleding aan de armen, troost aan de nabestaanden van oorlogsslachtoffers en slachtoffers van natuurrampen. Zonder liefde slapen de papierlozen in onze straten en niet in niet meer gebruikte kerken. Zonder liefde vergaan ouderen van eenzaamheid. Zonder liefde is er van een samenleving geen sprake meer. Daarom kan dit lied besluiten met het erkennen van het bestaan van geloof, hoop en liefde maar bezingt het als de grootste van deze drie de liefde, niet het geloof dus, niet de hoop, maar de liefde, vraag daarnaar als men spreekt over wat er allemaal van geloof moet of juist niet mag. En verspreidt de Liefde voortdurend om je heen, ook vandaag weer.