Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2012

In het huis van mijn Vader

maandag, 31 december, 2012

Lucas 2:41-52

Jezus van Nazareth werd volgens het verhaal van Lucas geboren in Bethlehem en groeide op in Nazareth. Maar in Bethlehem was geen plaats voor hem geweest en Nazareth was wel het dorp van zijn ouders maar niet zijn dorp. Waar hoorde die Jezus van Nazareth dan wel thuis? Dat bleek toen hij volwassen werd. Joodse jongens worden volwassen rond hun twaalfde jaar. Dan mogen ze voor het eerst in de synagoge uit de Hebreeuwse Bijbel lezen. Dat lezen gaat niet vanzelf. Hebreeuws is niet meer een taal die we spreken. Oorspronkelijk was het alleen opgeschreven in medeklinkers, eigenlijk was het alleen uit het hoofd geleerd. Maar tijdens de ballingschap in Babel was men begonnen alles op een rij te zetten en op te schrijven. Later kwamen daar ook tekentjes voor de klinkers en de klemtonen bij. Jongens die hun “Bar Mitzwa” willen doen moeten dus hard studeren op het stuk uit de Bijbel dat ze mogen voorlezen.

Jezus van Nazareth vond zijn plaats toen hij twaalf jaar werd. Zijn ouders volgden de wetten van Mozes en gingen dus elk jaar naar de Tempel in Jeruzalem. Eigenlijk moesten ze wel drie maal per jaar naar Jeruzalem maar de meeste mensen gingen in elk geval met het Pesachfeest. Dan werd gevierd en herdacht hoe het volk bevrijdt was van de slavernij in Egypte. Elk jaar werd die bevrijding opnieuw beleefd. In Jeruzalem brachten ze een offer en hielden een maaltijd met de familie, de armen, de tempeldienaren en de vreemdelingen uit hun stad. Daarom spreekt het verhaal ook over een groot gezelschap dat met de ouders van Jezus van Nazareth meereisde. Maar Jezus van Nazareth ging niet mee terug. Hij bleef hangen in de voorhof van de Tempel. Daar hielden de schriftgeleerden zich op. Mensen die hun hele leven geweid hadden aan de bestudering van de Wetten van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen en de Spreuken. Via vragen en discussies met elkaar probeerden ze achter de juiste betekenis van de Bijbelteksten te komen.

Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zijn veel van die discussies ook opgeschreven zodat de Joden in de verstrooiing die discussies konden blijven bestuderen en voortzetten. Ze zijn voor een groot deel verzameld in de Talmoed. Jezus van Nazareth ging deelnemen aan die discussies. Nu hij twaalf was geworden mocht hij dat ook. Maar een jochie van twaalf weet meestal niet zo veel. Zeker niet genoeg om met geleerden mee te kunnen discussiëren. Hij echter gaf blijk van een grote wijsheid waardoor hij de geleerden versteld deed staan. Waarover de discussies gingen vermeld het verhaal niet. Maar één element wordt duidelijk als zijn ouders hem gevonden hebben. Ook in de Hebreeuwse Bijbel wordt God al aangesproken als “Vader” en als je God als Vader aanspreekt dan is je huis de Tempel in Jeruzalem. Later zullen de schriftgeleerden in discussie blijven met Jezus van Nazareth. Dan zal het met name gaan over het liefhebben van je naaste. Dat gaat terug op de Wet die in de Tempel werd bewaard. En dan is die wijsheid eenvoudiger dan je zou denken. Dan is die kinderlijk eenvoudig, zelfs voor ons te begrijpen. Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, gewoon vandaag weer mee beginnen. Als we dat horen zijn ook wij weer thuis, dan weten we tenminste weer wat ons te doen staat, ook vandaag weer en in het nieuwe jaar dat voor ons ligt.

Allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.

zondag, 30 december, 2012

Lucas 2:36-40

De beweging van Jezus van Nazareth is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Er waren dan ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde messias. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ook op. Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we ook dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen. Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen. Over Simeon, waarover we gister lazen, en Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Over die Hanna weten we verder niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden, dat betekent Aser, één van de tien stammen die na de ballingschap als zodanig niet meer was teruggekeerd, ze was de dochter van het gelaat van God, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent genade. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets. De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de oude wetten van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die wetten voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de wet van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden.

Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de Wet van Mozes nog steeds de geldende wet in Israël was. Daar mocht zij bevrijding uit haar benarde situatie van verwachten. Dat zou de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen. Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude Wet bewaard werd. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die wet te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die Wet, heb uw naaste lief als uzelf. Daarom is de toepassing van de wet zoals Maria en Jozef dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld. Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat die Wet weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de messias, de christus, voor op aarde gekomen. Zo mogen wij ons voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Wij mogen er voor zorgen dat de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Zodat iedereen er bescherming van kan genieten. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen.

Hij zal een teken zijn dat betwist wordt

zaterdag, 29 december, 2012

Lucas 2:22-35

Dat Maria en Jozef zeer wetsgetrouwe Joden waren was al gebleken uit hun reis van Nazareth naar Bethlehem. Want wie zou onder een wrede Romeinse bezetting het bevel van de Keizer durven trotseren en in plaats van thuis te blijven een lange reis te ondernemen? Maar in het verhaal van Lucas speelt de Hebreeuwse Bijbel nu eenmaal een belangrijke rol. Jezus van Nazareth was niet alleen een afstammeling van David, geboren op de akker die aan de familie van David was toegewezen, maar hij was opgenomen en opgevoed in de godsdienstige traditie van het volk Israël. Jozef en Maria hielden  hun eerstgeboren zoon daarom niet zelf maar brachten hem naar de tempel, zoals was voorgeschreven voor een eerstgeboren zoon. Ooit was ook het verhaal van Koningen van Israël en dus ook het verhaal van Koning David begonnen met een moeder die haar kind naar de Tabernakel bracht. Die moeder was Hanna en dat kind was Samuel die later als priester en profeet de koningen van Israël zou zalven.

Toen Maria bij Elisabet op bezoek was had ze nog het liet gezongen van Hanna, over machtigen die van de troon gestoten zullen worden en onvruchtbaren die vruchtbaar zullen zijn. Maria en Jozef nemen twee duiven mee, het voorgeschreven offer voor de armen, iedereen kan immers iets delen, hoe arm je ook bent. En ook in de Tempel klinkt een bijzonder lied voor het kind  van Bethlehem. Er staat een profeet, Simeon, die niet eerder zou sterven dan dat hij de bevrijder van Israël zou hebben gezien. Dat klinkt als een eeuwig leven maar voor Simeon gaat het niet om zijn leven maar om het leven van alle mensen op de wereld. Die worden gered van oorlog en ellende, de wrede bezetting van alle volken zal voorbijgaan, het kind dat buiten alle regels om werd geboren is daarvan het teken. Ook Simeon put uit de liederen van het Oude Testament, vooral uit het boek Jesaja. De vader en moeder van Jezus van Nazareth waren verbaasd over alweer een lied en nu van een oude man. Maar ook hier geen romantiek, geen herdertjes en engeltjes die door het luchtruim zweven. Geen warme stal, geen grootse ontvangst in de Tempel. Nee, dat kind krijgt al het stempel mee van een dubieus optreden, een teken dat betwist zal worden.

Een teken dat nog steeds betwist is. Nu al spreken mensen er schande van dat de kerk de afgelopen dagen zozeer de televisie heeft gedomineerd. In alle toonaarden werden het kleine kindje, zijn zielige ouders, de arme herdertjes en de zwevende engeltjes bezongen. En in alle talen kwamen voorgangers vertellen dat we vooral lief voor elkaar moeten zijn en dankbaar dat God de wereld zo lief had dat hij een kindje geboren liet worden. Over het feit dat Maria als door een zwaard doorstoken zou worden geen woord. Over het feit dat we aan de slag moeten om heel de wereld te veranderen geen woord. Dat er geen zielige herdertjes zijn maar onderdrukten die recht gedaan moet worden is met Kerstmis meestal vergeten. Dat God ook aan de armsten een bestaan heeft beloofd en als ze dat bestaan niet hebben er rijken zijn die ze van dat bestaan hebben beroofd geen woord. Dat kind zou de belofte van Liefde voor de minsten in absolute geweldloosheid zelfs door de dood heen dragen. Daarom bestaat dat verhaal ook vandaag nog. Daarom klinkt ook nu nog de roep om mee te gaan op de weg van Jezus van Nazareth  door te houden van je naaste als van jezelf, door te letten op de minsten op aarde, door de hongerigen te voeden en de armen recht te doen. Aan het werk dus.

 

U hebt het kwaad overwonnen.

vrijdag, 28 december, 2012

1 Johannes 2:12-17

Dat is mooi, dat we het kwade overwonnen kunnen hebben. Dat is dus niet met je hoofd in de wolken gaan lopen, zo van ons kan niks meer overkomen want wij hebben het kwade overwonnen. Je komt die mensen zo af en toe wel eens tegen. Ze zijn in Jezus en kunnen dus geen kwaad meer doen. Ze zijn eigenlijk zielig, want ze hebben het niet begrepen. In deze brief stond toch ook dat wie zegt geen zonde te hebben juist zondigt. De vraag is dus niet of je in Jezus bent maar of Jezus, of de geest van Jezus van Nazareth in jou is. Hetzelfde geldt ook een beetje voor het houden van de wereld. Als Jezus van Nazareth je handel en wandel bepaalt, als je in zijn geest handelt, dan hou je van de wereld, dan zijn alle mensen je broers en zusters en is elk leven op de wereld je alles waard. Hoe dat zich rijmt met wat er over in deze brief staat? Nou, naadloos, want in onze wereld wordt echt niet van mensen gehouden.

Mensen zijn arbeiders, of consumenten, of stemvee, of kannonenvoer, of vijand, maar geliefde broeders en zusters zijn ze niet. Dat elk leven van elk mens in deze wereld alles waard is kun je ook niet direct zeggen. Als er niks aan te verdienen valt dan kunnen ze sterven van de honger, als ze een ander geloof of een andere politieke opvatting hebben dan mag je ze ook doodschieten of oorlog met ze voeren, of elke handel met hen verhinderen. Dat is de manier zoals het in de wereld gaat, de rijken worden rijker en de armen worden armer, wie sterk is telt mee, wie zwak is telt niet. Wat Johannes dus bedoeld is dat wie het wel goed vindt zoals het in de wereld gaat die moet dus eigenlijk niks van God weten. De brief noemt het ook allemaal keurig op: zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht. Sla de krant open, kijk naar de televisie, luister naar een radiostation en je leest, ziet en hoort al die zaken aanprijzen die deze eerste brief van Johannes zo duidelijk verwerpt.

De brief verwerpt dus niet leuke muziek, samen dansen, plezier maken, toneel spelen, een mooie film, wandelen in de natuur of al die andere dingen die in onze samenleving of in onze wereld mensen plezier kunnen geven. Maar al die zaken moet je kunnen en willen delen met elkaar. Voordat je geniet moet je er eigenlijk ook voor zorgen dat iedereen kan genieten, dat iedereen mee kan doen met onze samenleving. Dat iedereen dus te eten heeft gehad, een dak  boven het hoofd heeft, gekleed is, warmte heeft en veiligheid. Als het genieten alleen maar voor jezelf is en ten koste van anderen gaat dan hoort het bij de manier van de wereld en hoort het niet bij de manier waarop mensen willen leven die mee willen gaan op de weg van Jezus van Nazareth. Maar als je het kunt delen, als je samen kunt genieten, dan hoort het er echt wel bij. Laten we dus samen er aan werken dat ook iedereen werkelijk mee kan doen.

Dat oude gebod

donderdag, 27 december, 2012

1 Johannes 2:3-11

Wat moet je nu met dat oude gebod zullen veel mensen vragen. Eeuwenlang hebben mensen geroepen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf maar kijk eens om je heen. Doe je ogen eens open. Er is toch niemand meer die de naaste lief heeft als zichzelf? Er is toch geen volk dat zich daaraan nog houdt? Een volk als Israël valt de Gazastrook binnen omdat de mensen daar niet boos mogen worden dat er een maanden durende blokkade van alles is geweest. Die Israëli hadden toch zeker met liefde moeten reageren op de woede van hun arme naasten? Het deel van de brief dat we vandaag lezen laat zien dat de vragen terecht zijn. Als de vragen gesteld worden aan de mensen die hun naasten niet lief hebben. Als je er maar van uit gaat dat dat oude gebod het enige is dat de wereld aan vrede kan helpen, dat het echt gaat om in mensen een welbehagen te hebben.

Natuurlijk zijn er overal in de wereld mensen die dat oude gebod houden. Je hoort ze vaak niet want ze staan er zich niet op voor. Maar in onze steden zijn voedselbanken opgekomen, zijn Fair Trade winkels te vinden. Daar werken vrijwilligers in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, bij burenhulp, in buurthuizen en wijkcentra, bij scoutinggroepen en sportverenigingen. Maar ook bij Amnesty International, Unesco en Unicef en bij allerlei organisaties die werken voor projecten in arme landen. Bijna de helft van de mensen in ons land is op de een of andere manier bezig van onze samenleving een betere samenleving te maken. Dat is wat dat oude gebod ons voorschrijft. En als we daarin af en toe de minsten overslaan, of de grote monden voorrang geven isdat niet goed maar houdt dat ons ook niet af van het einddoel.

 Juist met het zicht op Jezus van Nazareth, die het oude gebod door de dood heen volhield en zelfs aan het kruis vergeving vroeg voor hen die hem de dood in stuurden, weten we dat we elk moment weer opnieuw mogen beginnen met dat oude gebod en dat dat oude gebod weer een nieuw gebod kan worden zoals Johannes in deze brief schrijft. Johannes spreekt over de bemiddelaar, maar het Griekse woord dat hij gebruikt wordt ook gebruikt voor de Heilige Geest, de Geest waarin we ons handelen mogen verrichten, de Geest van liefde. Dus als je zegt het goede te willen maar het kwade doet heb je het nog niet door, loop je nog steeds in het duister zegt de brief. Met oorlog bereik je geen vrede weten we uit de geschiedenis. Zelfs aan het eind van Tweede Wereldoorlog was duidelijk dat economische hulp van rijke landen aan de verwoeste landen in Europa uiteindelijk pas echte blijvende vrede zou brengen. Zo zullen ook wij nu moeten willen delen met de slachtoffers van geweld in de wereld. Dat brengt pas echte vrede. Maar met dat delen moeten we nog beginnen.Maar het mooie, we noemen het genade, is dat we er elke dag opnieuw mee mogen beginnen, iedere dag weer, ook vandaag dus.

Het Woord dat leven is

woensdag, 26 december, 2012

1 Johannes 1:1-2:2

Hier beginnen we te lezen in de eerste brief van Johannes. Door de lengte en hoeveelheid van de brieven van Paulus zijn de andere brieven van het Nieuwe Testament soms een beetje verwaarloosd. Ze zijn het echter niet minder waard om te lezen. Welke Johannes de brieven geschreven heeft, er zijn drie brieven op zijn naam, dat weten we niet precies. In elk geval sluit de inhoud van de brieven en de manier waarop ze geschreven zijn aan bij het Evangelie van Johannes. In het begin van deze eerste brief, het gedeelte dat we vandaag lezen, komen we al een soort conflict tegen dat we ook bij het lezen van het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes tegen kwamen. De brieven en het evangelie zijn geschreven na honderd jaar na het begin van de jaartelling. Leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazareth waren toen al geruime tijd geleden. Het Christendom had zich over het Romeinse Rijk verspreid en had allerlei mensen getrokken, rijken, armen, geleerden, slaven, arbeiders, noem maar op.

Het is dan ook niet vreemd dat invloeden van andere culturen en godsdiensten binnenslopen in dat vroege christendom. Johannes is de naam die verbonden is met het verzet tegen die intellectuele invloeden. Daarom begint deze brief met de verzekering dat het Woord van God geen abstracte zaak is waar je vrij over kunt filosoferen maar dat het heeft geleefd en dat mensen het hebben beleefd, gezien en gehoord, ja zelfs aangeraakt. Dat Woord was Jezus van Nazareth, de manier waarop hij leefde, de boodschap die hij verkondigde en de manier waarop hij met mensen omging was het Woord van God dat gedaan moet worden. Zijn sterven was niet het einde maar het begin en daarmee bevrijdde het de mensen aan wie deze brief geschreven werd, ons dus ook, van wat de Bijbel zonde noemt.

Iedere keer als we niet leven en werken volgens de weg van Jezus van Nazareth zondigen we. Iedere keer dus als we oorlog en geweld proberen te rechtvaardigen, als we hongerigen laten hongeren, als we vervolgden en verdrukten vervolgd en verdrukt laten, dan zondigen we. Iedere keer dat we zondigen mogen we echter omkeren en opnieuw de weg opgaan van Jezus van Nazareth. Niemand heeft nooit gezondigd, dus zonde hoeft ons niet te benauwen. De mensen om wie het moet gaan moeten ons iedere keer weer in beweging brengen. Joden in Israel, Palestijnen in de Gazastrook, vluchtelingen in het Midden Oosten, hongerenden in Afrika, gevangenen in China, asielzoekers en papierlozen in Nederland, kinderen in onze gevangenissen, boeren in de derde wereld. De lijst kan oneindig worden uitgebreid. Maar elke dag dat we proberen de wereld voor hen een beetje meer op de hemel te laten lijken worden ook wij gereinigd van kwaad. Ook vandaag dus maar weer aan het werk.

Allen die het hoorden stonden verbaasd

dinsdag, 25 december, 2012

Lucas 2:15-21

Dat moet een heel gedoe geweest zijn daar in Bethlehem. Een oploop over een volkstelling, een kind dat de afstammeling van koning David zou zijn en mensen die daarin waren gaan geloven dwars tegen de macht van de wereld in. Want de dreiging van de Romeinen en van ongeloof was nog lang niet voorbij. Misschien zou je kunnen zeggen dat die dreiging pas echt zichbaar werd na het Kerstfeest. In de oude traditie van de kerk werd dat al duidelijk gemaakt. Op Tweede Kerstdag werd dan het feest van Stefanus gevierd. Die Stefanus was een Griekse Jood die tot diaken gekozen was nadat op Pinksteren er een eerste gemeente was gevormd van mensen die Jezus van Nazareth wilde navolgen. Het was zijn taak om de arme Griekssprekende leden van die gemeente te voorzien van het nodige maar hij sprak vurig over de leer van Jezus van Nazareth in de Tempel. Dat leidde tot zijn dood door steniging. De eerste moord op een bekeerling.

Maar het kerstfeest en de oploop in Bethlehem hadden al eerder tot moord geleid. Een week na het kerstfeest vieren we immers het feest van de onnozele kinderen. De Kerk is er in de geschiedenis heel vaak in geslaagd om vredelijke gebeurtenissen te voorzien van een vriendelijke naam. Dat feest van die onnozele kinderen herdenkt namelijk de kindermoord in Bethlehem. Heersende machten kunnen er nooit tegen als zwakke krachten in de samenleving het werkelijk voor het zeggen krijgen. Zo’n kind Koning maken en de wet laten voorschrijven kan natuurlijk helemaal niet. Jozef en Maria waren gedwongen te vluchten. En net als vroeger Jozef de zoon van Jacob kwam ook deze Jozef in Egypte terecht. Hedendaagse psychologen zouden het geen wonder vinden dat de volwassen Jezus van Nazareth zo’n enorme afkeer van geweld had. Een start die zo vol was van geweld en bedreiging moet wel sporen achterlaten. Het is in elk geval voor de hedendaagse kinderbescherming maar al te vaak reden om hele gezinnen voorgoed uit elkaar te halen, alsof dat ook niet voor kinderen een zeer gewelddadige ingreep is.

Rond dat eerste kerstfeest werd die Jezus van Nazareth nog gezien als de nieuwe Jozua. Ook bij die naamgeving speelt het mengsel van talen en vertalen waarin de Bijbel aan ons overgeleverd is ons parten. Jezus is onmiskenbaar een Griekse naam, maar die Griekse naam is de vertaling van een Hebreeuwse naam en wie dat gaat uitzoeken komt tot de ontdekking dat Jozua en Jezus dezelfde naam dragen. En die naam betekent ook nog wat: “God is redding”. Daar ging het toen om en volgens veel predikers gaat het daar vandaag ook nog om. Redding van zonden heet het dan. Nu voelen de meeste mensen zich niet zo zondig, ze proberen netjes te leven, vallen niemand lastig en doen een duit in het zakje als het tegen malaria is of voor andere goede doelen. Maar die redding is van veel groter kwaad dan een enkel gewoon mens zou kunnen doen. We kunnen gered worden van hongersnood, van malaria en veel andere armoedeziekten, van oorlog en geweld. Daarvoor moeten we net als de herders doen, iedereen opwekken mee te gaan doen in dat verhaal van je naaste liefhebben als jezelf. Niet zomaar alleen met kerstfeest, maar elke dag opnieuw en niet alleen in een vreedzame samenleving maar ook als je gestenigd zou kunnen worden of als je kinderen vermoord zouden kunnen worden. Dat is pas volhouden, maar het loont, ook vandaag nog.

Wees niet bang.

maandag, 24 december, 2012

Lucas 2:1-14

Waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Je kunt wel schrikken van een stralende engelfiguur, maar om er nu bang van te worden. Engelen worden op die manier wel niet dagelijks gezien maar de verhalen er over zijn toch wel bekend en meestal betekenen ze iets goeds. Dus waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Om dat te begrijpen moeten  we het kerstverhaal ontdoen van een heleboel romantische verzinsels die er in de loop van de eeuwen aangegroeid zijn. In het verhaal worden drie machthebbers genoemd. Augustus, Quirinius en David. Een keizer, een stadhouder en een koning. Die Keizer was de baas en die stadhouder zou de baas worden. Die keizer wilde een volkstelling houden. Dat was om te beginnen al schrikken en iets om bang voor te worden. In het oude verhaal van Koning David stond ook iets over een volkstelling, toen kreeg iedereen de pest en gingen er duizenden mensen dood. Zou dat nu ook kunnen gebeuren?

Het volk Israël had het niet gemakkelijk en de volkstelling was in de eerste plaats bedoeld om belasting te kunnen heffen, het volk zou het daarom nog minder gemakkelijk krijgen. Maar er was nog een verhaal over een volkstelling, dat was wat recenter in de geschiedenis. Wij kennen het uit het derde boek van de Makkabeeën, een boek dat niet opgenomen is in de Bijbel maar dat in het begin van onze jaartelling veel werd gelezen. Het gaat over de bezetting door de Grieken, die uiteindelijk werden verdreven door de Romeinen. Toen was er ook een plan voor een volkstelling geweest. Die was bedoeld om het hele Joodse volk te kunnen uitroeien. In dat derde boek van de Makkabeeën staat ook hoe dat niet doorging, volgens dat verhaal hadden engelen het volk gered, maar nu het opnieuw werd geprobeerd was het toch iets om bang voor te zijn. Die volkstelling was iets om bang voor te zijn maar er was ook het bevel om thuis te blijven. Dat kunnen herders zich niet permiteren. Wij kunnen nog thuiswerken als het vervoer in ons land plat ligt maar herders, boeren en vissers kunnen dat niet. En Jozef en Maria? Die deden dat niet. Die namen een gok om hun afkomst van David tot gelding te brengen.

Op grond van die afkomst hadden ze recht op een akker in Bethlehem, de akker van Isaï waar ooit David de herder bij zijn schapen tot koning was gezalfd. Daar werd hun kind geboren, niet in hun of zelfs een huis, er was daar geen plaats, maar bij de dieren zodat het kind in een voederbak gelegd kon worden, gewikkeld in doeken zoals het na zijn sterven in doeken gewikkeld in een graf gelegd zou worden. Dat vertrouwen op de belofte van God dat het land voor eeuwig in de familie zou blijven, dat elke vijfig jaar een familie opnieuw zou mogen beginnen dat bracht de redding voor heel het volk. Die Quirinius zou pas tien jaar na de dood van Koning Herodes stadhouder worden, en het verhaal over Elisabet, Zacharias, Maria en Jozef begon in de dagen van Koning Herodes. Het ligt daarom voor de hand dat de geboorte van een kind in een open veld op een plaats waar het niet thuishoorde de volkstelling deed mislukken. Die stal staat dus ook niet in de Bijbel. Met die geboorte kon de angst van de herders verdwijnen, geen opstand, geen doden, maar vrede op aarde en van de mensen houden. En dat welbehagen in mensen, van mensen houden en vooral van de zwaksten kan ons ook vandaag bevrijden van de angst voor oorlog en ellende. We mogen er vandaag opnieuw mee beginnen, dankzij Jozef en Maria, dankzij dat kind geboren in Bethlehem, de Koning van de wereld.

De eed die hij gezworen had

zondag, 23 december, 2012

Lucas 1:67-80

Zacharias begint in het gedeelte van vandaag een lied te zingen. Als een profetie staat er. Daarmee verbindt de schrijver van het Lucas evangelie ook dit lied heel uitdrukkelijk met het Oude Testament. Zacharias begint dan ook zoals veel psalmen beginnen door de God van Israël te begroeten als een koning. Niet de Keizer in Rome of de Koning in Jeruzalem begroeten als een God maar de God van Israël begroeten als een Koning. Geen andere Heer is er voor deze priester dan de God van Israël. Want het volk Israël wordt bevrijd van zijn vijanden. Het kind dat zojuist geboren is is daarvan het teken. Opnieuw kan een profeet in Israël opstaan, opnieuw zal een gezalfde bevrijder, een messias, op kunnen staan. In het Grieks heet zo’n gezalfde de Christus en later zal Jezus van Nazaret met deze titel worden aangesproken. Die belofte van een volk dat in vrijheid en vrede in een land zal wonen dat overvloeit van melk en honing, waar alle volken zich naar zullen buigen werd al aan Abraham gedaan.

Die belofte is ook te horen in de naam Elisabet, dat betekent “God heeft gezworen”. Als in een psalm herhaalt Zacharias de oude beloften en laat merken dat ze voor hem op die dag vervuld zijn. Want zijn zoon zal genoemd worden “profeet van de allerhoogste” Zo was het gezegd in het visioen dat Zacharias in de Tempel had gekregen. Nu hebben we wel meer visioenen, we denken wel meer aan een aarde zoals die zou moeten kunnen zijn, een wereld zonder voedselkrisis, zonder oorlogen, zonder bedreiging van het klimaat, zonder honger en ziekten, zonder het ruimen van gezonde dieren in rijke landen, zonder leed en ellende voor eenvoudige mensen. Een wereld waar iedereen mee kan doen en niemand wordt uitgesloten op grond van geloof, geaardheid, afkomst, of wat dan ook Maar is zo’n visioen louter een dagdroom, een droom die vervliegt met de wolken aan de hemel, of durven wij het met die droom aan? Durven wij het aan met een Schepper van een aarde die beantwoord aan dat visioen?

Volgens Zacharias zal de liefdevolle barmhartigheid van die God een stralend licht uit de hemel doen opgaan, zoals in het begin van de Bijbel als gezegd wordt: “God sprak, er zij licht, en er was licht”. Dat begin van de Bijbel ligt dus niet achter ons maar voor ons. Zacharias durfde het met dat visioen aan in een tijd dat de bezetting van zijn land een inktzwarte periode was. Hij durfde zijn pasgeboren zoon aan dat visioen toe te vertrouwen. Een zoon die hij pas op hoge leeftijd had gekregen en die daardoor extra kostbaar was. Meer kansen op nageslacht waren er niet. Maar ook Abraham en Sara waren oud toen Izaak werd geboren en ook Abraham durfde zijn zoon toe te vertrouwen aan dat visioen van een aarde zonder mensenoffers. Een feest dat door de Moslims nog ieder jaar wordt gevierd. Als we de oude verhalen over de beloften van de God van Israël opnieuw vertellen, en opnieuw vertellen in onze tijd, de tijd van voedselkrisis en economische krisis, de tijd van uitsluiting en verdeling van groepen in onze samenleving, dan kunnen we niet anders dan vertellen dat ook onze samenleving zich zal moeten omkeren. Dat we samen onze voeten moeten en kunnen zetten op de weg van de vrede. Maar die weg kunnen we al vandaag opgaan.

 

Hoe zal het verder gaan met dit kind?

zaterdag, 22 december, 2012

Lucas 1:57-66

Het is tijd voor de geboorte van het kind van Elisabet, Maria is net weer naar huis gegaan zegt het verhaal. Ook nu volgt Lucas de verhalen van het Oude Testament. De aankondiging van de geboorte is bijna letterlijk hetzelfde als het verhaal over Rebekka die twee kinderen kreeg. En ook hier gaat het immers om een nieuw begin voor het volk Israël. En natuurlijk moet de nieuwgeboren jongen besneden worden, op de achtste dag zoals de wetten van Mozes het hadden voorgeschreven. De geboorte en de opname in het volk van Israël zijn geen zaak meer van de ouders alleen. Iedereen uit de buurt bemoeit zich er mee. Iedereen uit de buurt deelt in de vreugde die de geboorte van een kind meebrengt. Als je vandaag de dag hoort over kinderen die achtergelaten zijn, te vondeling of zelfs gedood zijn vlak na de geboorte dan vraag je je wel eens af of we mensen niet al te vaak alleen laten en in hun eigen sop laten gaarkoken.

De vreugde van de komst van een kind, de vreugdevolle zwangerschap die niet voor niets “in verwachting” heet, wordt soms niet of te weinig gedeeld, kan soms niet gedeeld worden omdat de zwangere wordt afgewezen of genegeerd. Elk verhaal over een dode baby of een te vondeling gelegd kind moet ieder van ons doen afvragen of ook in onze omgeving een jonge vrouw kan voorkomen die ongemerkt zwanger is en dat alleen moet dragen. Iedere moeder kent de advent, de tijd van verwachting van nieuw leven, maar elke advent moet uit kunnen lopen op samen vreugde delen met de omgeving. Zoals Maria de vreugde van de geboorte van haar kind later in het verhaal zal delen met de herders. In het verhaal van vandaag gaat het nog om de naamgeving. Elisabet wil dat de jongen “God is een genadig gever”, Johannes, gaat heten. Maar kennelijk hoort dat niet zo. Er zijn, ook op het gebied van naamgeving, nu eenmaal gewoonten en tradities. Volgens de omgeving moet het kind naar zijn vader genoemd worden.

Maar zijn vader zwijgt en het zal de bedoeling zijn dat het kind gaat spreken. Dat was aangekondigd in het visioen in de Tempel. Nu komt het er op aan of Zacharias op dat visioen durft te vertrouwen, het aandurft om ook zijn kind aan dat visioen toe te vertrouwen. En dat doet hij. Hij erkent dat zijn vrouw terecht als eerste heeft gesproken over de naam van het kind. In die naamgeving komt het buitengewone van zwangerschap en geboorte tot uiting en de erkenning van dat buitengewone maakt dat Zacharias weer kan spreken. Dat buitengewone is het vertrouwen dat die God ook met dat kind zal meetrekken, zoals hij met Elisabet en Zacharias is meegetrokken is. De geboorte van dat kind bevestigt ook weer de naam van de God die beloofde er te zullen zijn en die er was toen zijn volk bevrijd moest worden uit de slavernij in Egypte. De bezetting door de Romeinen maakte het eens te meer nodig dat die God er ook zou zijn voor zijn volk. De geboorte van een kind, nog wel uit ouders die er eigenlijk te oud voor waren, maakt dat het vertrouwen opnieuw bevestigd wordt. Geen wonder dat mensen zich afvroegen hoe het verder zou gaan met dit kind. Ze konden weer gaan geloven aan de komst van die nieuwe aarde, waar geen angst en verdrukking meer zal zijn. Dit verhaal vertelt ons dat ook wij daar weer in mogen gaan geloven. God zal het ons ook geven dat honger en dorst zijn verdwenen van de aarde, als we er nog vandaag aan gaan werken in het vertrouwen dat zijn woord waarheid is.