Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2012

Val op ons neer!

woensdag, 31 oktober, 2012

Openbaring 6:9-16

Johannes had een mooie toekomst geschilderd. Het Romeinse Rijk was dus niet zo onoverwinnelijk en onkwetsbaar als je zou denken op grond van de vele overwinningen die er waren geweest. Het zou eens afgelopen zijn met dat Rijk. Maar hoeveel slachtoffers zouden er nog moeten vallen? Er waren er al zoveel geweest. Johannes zal om zich heen gekeken hebben op Patmos waar in de mijnen nog dagelijks gevangenen stierven. Johannes kende natuurlijk de verhalen over de opstand die geleid had tot de verwoesting van de Tempel. In die opstand waren ook toen al vele onschuldige burgers gestorven, afgeslacht in het geweld dat een opstand met zich meebrengt. Johannes kende ook de vervolgingen van Christenen die overal in het rijk oplaaide. Hij kende ook de opvatting dat er een opstanding van de doden zou zijn en dat de misdadigers gestraft zouden worden. Was Jezus van Nazareth niet de eerste die was opgestaan uit de doden?

In de Tempel die Johannes nog in de hemel zag maar die weer op aarde zou komen werden de doden bewaard die zouden opstaan en aan wie recht zou worden gedaan. Hoe? Dat was onbekend, in het Hebreeuws was er geen woord voor, volgens Genesis zou de adem die het leven gaf aan mensen weer terugkeren naar God. De Grieken hadden er wel een woord voor, de ziel maar volgens de Joden was die ziel alleen van toepassing als het lijk van een mens nog geïdentificeerd kon worden. Johannes neemt hier maar aan dat de doden die op de opstanding wachten gekend zijn, hen zal recht worden gedaan. Maar het is nog niet zover, er moeten nog meer slachtoffers vallen, er zullen nog meer slachtoffers vallen. Johannes herinnert de mensen aan de uitroepen in het Oude Testament, aan de Psalmen die ze gezongen hadden en die ook al gezongen hadden van hoe lang het lijden van mensen nog zou moeten duren.

Wat we in elk geval nog zullen meemaken zijn de natuurrampen die we overal zien. En natuurrampen zijn vaak verre te verkiezen boven oorlogen en opstanden. Dat is zelfs vandaag de dag nog zo. De roep van hoe lang nog lijkt te verstommen met het verdwijnen van het geloof in de God van Israël. Mensen zijn zelf verantwoordelijk klinkt het dan. Maar juist de gelovigen, mensen die er van overtuigd zijn dat een aarde zonder oorlog en geweld mogelijk is, verzetten zich het hardst tegen oorlog en geweld. Het zijn geen natuurrampen, oorlog wordt gevoerd door mensen en als er niemand naar de oorlog gaat is het vrede. Oorlog wordt gevoerd met wapens en als er niemand is die wapens maakt kan er geen oorlog worden gevoerd. De roep van hoe lang nog zal het duren zet mensen op het spoor van hun eigen verantwoordelijkheid, van hun eigen aandeel in het voortduren van oorlog en geweld. Daarvoor is het geloof van Johannes nodig, het geloof dat er een aarde komt waar de God van Israël zal willen wonen, waar leed en ellende voorbij is. Elke dag mogen we die aarde dichterbij brengen door ons te verzetten tegen oorlog en geweld en onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag mag dat weer.

Met een geluid als een donderslag

dinsdag, 30 oktober, 2012

Openbaring 6:1-8

In het boek Openbaring laat Johannes de beelden van de profeten uit de Hebreeuwse Bijbel over elkaar heen tuimelen alsof hij wil zeggen dat de hele Hebreeuwse Bijbel al gewaarschuwd heeft voor de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem maar ook dat die verwoesting uit zal lopen op de overwinning van de God van Israël. Er is sprake van vier dieren. Dat beeld komt uit het boek van de profeet Ezechiël. Die zag een wagen uit een onweerswolk tevoorschijn komen die gedragen werd door vier dieren, dezelfde als Johannes hier beschreven heeft, rondom die dieren en die wagen waren allemaal ogen, alle godjes van de wereld hielden de mensen in de gaten. De donderwolk stond voor de oppergod van Babel, Mardoek, de dondergod. De vier dieren waren de goden van de vier hoeken van de wereld. De hele wereld was er dus aanwezig. Maar de wagen werd bestuurd door de God van Israël op zijn azuurblauwe troon. Die God stak overal bovenuit.

Die vier dieren uit het boek Ezechiël worden nu getuigen van het openen van het testament dat aangeeft wat er met de wereld moet gebeuren nu de Tempel in Jeruzalem is verwoest. Dat is het verhaal van Johannes. Het lam is het lam dat zijn bloed had vergoten zodat het volk bevrijdt zou worden van de dood. In de Christelijke gemeente zou de gekruisigde Jezus van Nazareth als de bevrijder, de Messias, de gezalfde koning van de wereld, als het lam worden aangeduid dat alle mensen van de dood heeft bevrijd. Dat lam bepaald wat er gaat gebeuren na de verwoesting van de Tempel. Maar als de zegels worden gebroken komt een ander beeld van een profeet ter sprake. Het zijn de paarden uit de Nachtspreuken van de profeet Zacharia. En telkens als een zegel wordt verbroken klinkt het als een startschot met de kracht van een donderslag “Kom”

De vier paarden staan hier voor de gevaren die het Romeinse Rijk belagen. De Parthen, buurvolken die het rijk zouden kunnen verslaan, economische tegenspoed als de prijzen de pan uit zouden rijzen, burgeroorlogen die het Rijk van binnenuit zouden kunnen verzwakken en epidemieën van besmettelijke zieken als de pest. Dat Romeinse Rijk was dus helemaal niet zo onaantastbaar en onverslaanbaar als je zou denken op grond van de geschiedenis van het Rijk en de verwoesting van de Tempel. Eigenlijk zingt Johannes hier al een Triomflied. Kijk eens wat dat Lam, wat die Christus van jullie niet allemaal tevoorschijn kan brengen. Roept het geloof in Christus dan geweld op? Dat niet, maar als je gelooft dat het goede zal overwinnen dan zie je de zwakke kanten van het kwade wat gemakkelijker en dat is wat hier gebeurt. Dat is ook wat ons mag bemoedigen in ons streven de wereld wat leefbaarder te maken voor mensen. Van onze naaste houden als van onszelf mag dus gewoon doorgaan als iedereen ons voor gek verklaard. Uiteindelijk zal het de basis worden van de wereldsamenleving. Elke morgen mogen we er gelukkig weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

Wees niet verdrietig.

maandag, 29 oktober, 2012

Openbaring 5:1-14

Soms lijkt de taal van het boek Openbaring droomtaal terwijl het voor de schrijver een heel gewoon alledaags beeld was. Wij kennen de alledaagse werkelijkheid van de schrijver van dit boek niet. We leren op school nog wel wat over het Romeinse Rijk, maar de meeste details ontgaan ons. Ook het vertalen van de mooie boeken van de Romeinse schrijvers uit het Latijn helpen ons niet de alledaagse werkelijkheid van gewone mensen te verstaan. Een boekrol die aan beide kanten is beschreven en verzegeld is met zeven zegels is niet iets geheimzinnigs, iets wat buiten de gewone werkelijkheid staat. Het is een testament waarmee iemand met bezit beschrijft wat er met dat bezit moet gebeuren als hij dood gaat. De Romeinen hadden nauwkeurige voorschriften voor het maken van een testament en vooral voor wat er met een testament moest gebeuren bij het overlijden van de opsteller ervan.

Nu was het oorlog geweest in Israël en in het jaar 70 was de Tempel in Jeruzalem verwoest. Er was dus weer een einde gekomen aan de godsdienst van Israël. Maar niet in de dromen van Johannes van Patmos. Wat was de erfenis van de godsdienst van de God van Israël? Wat zouden de Priesters en de Levieten in de Tempel zingen als er nu eens wel een Tempel zou zijn geweest? In de droom van Johannes zouden ze gezongen hebben over de bevrijding van de slavernij uit Egypte. Toen was er een Lam geslacht en het bloed was op de deurposten gesmeerd waardoor de eerstgeborenen in leven bleven en de Egyptenaren het volk het land hadden uitgejaagd omdat hun eerstgeborenen wel gestorven waren. In de droom van Johannes blijft de bevrijding niet bij Israël zelf maar geldt de bevrijding van de dood en de slavernij voor alle mensen op aarde.

Dat het voor alle mensen op aarde geldt komt door Jezus van Nazareth. Die had laten zien dat ondanks zijn dood het verhaal over de liefde voor de mensen toch gewoon doorging. En de liefde voor de mensen betekende dat alle mensen gelijk geworden waren. Er was een volk van koningen en priesters ontstaan. Niet meer een handjevol zoals de leerlingen, niet meer alleen Joden en een handvol meelopers, drieduizend waren er op de eerste Pinksterdag, maar tienduizenden uit alle volken op aarde. “Amen” betekent “zo is het” en zo is het maar net. Het afwijzen van geweld zoals Jezus van Nazareth had gedaan bij zijn gevangenneming, het blijven zorgen voor anderen, zoals hij zelfs aan het kruis nog had gedaan, had mensen blijvende moed gegeven om de Liefde als wapen te nemen om het kwaad in de wereld te bestrijden. In de droom van Johannes is de overwinning van de Liefde op het kwaad een tastbare werkelijkheid geworden. Het mag ons de moed geven er elke dag opnieuw mee te beginnen, als een volk van koningen en priesters, horen en zien waar de minsten zijn en onze naaste lief te hebben als onszelf.

Hierna had ik een visioen

zondag, 28 oktober, 2012

Openbaring 4:1-11

Mensen die tegenwoordig dit soort visioenen hebben vertrouwen we meestal niet meer zo veel. Maar als je gevangen bent en in de brandende zon dwangarbeid moet verrichten voor een keizer die zich tot God verheven heeft dan zoek je droomtaal om duidelijk te maken dat je niet te breken bent maar in die Eeuwige blijft geloven. De gevangene van Patmos sluit daarbij aan bij de profeet Daniël. Eén van de profeten uit de ballingschap van het volk Israel in Babel. Daniël had een hoge functie aan het hof van de koning maar bleef trouw aan de wetten van Israel, de Wet van de Woestijn. Ook Daniël kreeg daardoor van tijd tot tijd moeilijkheden en ook hij gebruikte droomtaal om zijn blijvende trouw aan God tot uitdrukking te brengen. Na de martelingen komt namelijk onherroepelijk de bevrijding.

Een troon zoals hier beschreven wordt is niet te evenaren, door geen Keizer en geen machthebber waar ook ter wereld. Bovendien mag iedereen er vanuit gaan dat je ook vanuit die troon wordt gezien. Wij herkennen misschien in de beschrijving van de vier wezens godenbeelden uit het oude oosten, maar duidelijk wordt dat ook die goden, als ze al goden zijn, volledig in dienst staan van de God van Israel. Dat is de Almachtige Heer van hemel en aarde en uiteindelijk werpen alle volken zich aan zijn voeten. Dat Almachtige is sinds de Tweede Wereldoorlog een taal die we niet meer zo zullen spreken. In onze wereld zijn er geen wereldleiders meer die zichzelf tot God uitroepen. Soms roept er een zijn volk tot God uit en zichzelf tot leider van dat volk. Aan mensen om zo’n volk en zo’n leider een halt toe te roepen. De God van Jezus van Nazareth is ondertussen met de slachtoffers van zo’n politiek en zolang wij geen hand uitsteken en ons leven niet in de waagschaal willen stellen blijven die slachtoffers vallen, bij miljoenen in de vorige eeuw.

Aan ons dus om de aarde af te maken zoals God die gewild heeft. Goed, een plaats waar niet dan het goede te vinden is. Voor slachtoffers van natuurrampen bijvoorbeeld. De leiders van de wereld organiseren al hulp en aan ons om het hen mogelijk te maken. Maar ook voor de hongerenden in Afrika en Azië, voor de armen overal op de wereld, voor de gevangenen en vooral voor hen die opkwamen voor mensenrechten en die onschuldig gevangen zitten. Wij hebben geen geheimtaal meer nodig om ons visioen duidelijk te maken. Dit soort geheimtaal zou ons zelfs wel eens dwars kunnen zitten. Wie heeft het er nu over een glazen zee voor een troon in de hemel. Maar een wereld waar de tranen zijn gedroogd, waar gevangenen zijn bevrijd, waar geen honger meer heerst en de naakten gekleed, de bedroefden getroost en de zieken genezen zijn is een wereld die we ons elke dag kunnen voorstellen. En waar we dus aan kunnen werken, bevrijd van slavenarbeid als we zijn.

Maar ze werden uitgelachen en bespot.

zaterdag, 27 oktober, 2012

2 Kronieken 30:1-12

Koning Hizkia had grote plannen. De Tempel was weer in orde. De Priesters hadden zich eindelijk allemaal volgens de voorschriften geheiligd, dat wil zeggen, gewassen en de voorgeschreven schone kleren aan. Dat lijkt nogal gewoontjes maar het betekende ook dat de Priesters innerlijk en uiterlijk de afgoderij hadden afgelegd en zich naar de dienst van de God van Israël hadden gekeerd. Nu werd het tijd om de traditionele feesten te gaan vieren. Allereerst het Pesachfeest. Een feest bij de Gersteoogst ter herinnering aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte. De tijd van het feest was echter al voorbij maar in een grote volksvergadering besloot men het feest toch te gaan vieren maar dan wat later. Je moet de voorschriften van de Bijbel niet al te letterlijk nemen nietwaar, als het zo uitkomt mag het ook anders, als je het maar in de dienst van de God van Israël doet.

Nu moet je Koningen met grote plannen niet altijd even serieus nemen. In het Noordrijk, het deel van Israël dat zich had afgesplitst en dat als hoofdstad Samaria had gekozen, hadden ze ook van die Koningen met grote plannen gehad. Het gevolg was geweest dat Assyrië Samaria had ingenomen en dat de elite van het Noordrijk naar Assyrië was overgebracht. Alleen een aantal armere gewone mensen was er achter gebleven. Nu kwamen de gezanten van koning Hizkia met hun officiële documenten waarin werd opgeroepen om naar Jeruzalem te komen. De schrijver van de Kronieken gebruikt Hebreeuwse woorden die elders niet zozeer voor gewone brieven worden gebruikt maar juist voor officiële regerings of koninklijke documenten. Geen wonder dat de achterblijvers in het Noordrijk alleen maar konden lachten om een koninkje van Juda die dacht dat een offer aan de God van Israël, de God van de voorvaderen, wel als bescherming tegen Assyrië zou kunnen werken.

Ook in onze dagen worden zaken als de crisis en natuurrampen nog wel eens als straf van de God van Israël voorgesteld en zou bekering en vroom dienen van die God als bescherming kunnen gelden. Niets is minder waar. We hebben in het boek Koningen al eens gelezen hoe het afliep met Hizkia, hij stierf in een veldtocht tegen Egypte. En zijn opvolgers verging het niet beter, zelfs ondanks een Koning Josia die de Wet van Mozes weer invoerde. Uiteindelijk werd ook Jeruzalem verwoest en werd ook daar de elite naar Babel gevoerd. De dienst van de God van Israël, het heb uw naaste lief als uzelf en de bereidheid alles te delen tot jezelf toe, levert geen beloning op. Al het goede dat je toevalt is genade van God, al het slechte het gevolg van hoe wij mensen nu eenmaal met elkaar omgaan. Het enige dat het beter op aarde kan maken is het goede waarmee we het kwade bestrijden. Elke dag mogen we daar weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Er waren echter te weinig priesters

vrijdag, 26 oktober, 2012

2 Kronieken 29:31-36

Het heeft geen zin om alleen als Koning de Tempeldienst voor de God van Israël te onderhouden. In de Heidense landen kwam het nog wel eens voor dat Koningen de leiders waren van de godsdienst en als de Koning nu maar vroom de rituelen vervulde die de godsdienst eiste en offers bracht aan de god van het land dan zou het het hele volk ten goede komen. Het volk had alleen maar eerbied te hebben voor die god van het land en moest natuurlijk op tijd de belasting betalen voor de plaatselijke godentempel. Voor de eigen behoeften had men de zogenaamde volksgoden of plaatselijke goden waar men zich als gewone burger toe kon wenden. In Israël was dat anders. De God van Israël was er allereerst voor het volk. Hij had het volk immers bevrijd van de slavernij en door de woestijn geleid naar het beloofde land?

Zo vinden we dat ook terug in het verhaal van Koning Hizkia die de Tempel weer in gebruik nam. Het was het volk dat moest laten zien dat het niet het eigen bezit aanbad maar bereid was dat bezit te zien als een geschenk van God en bereid was dat bezit ook te delen. En het volk volgde haar Koning. Nu was het Hizkia niet alleen te doen om zijn eigen Koningkrijk Juda maar wilde hij ook het Koninkrijk Israël er bij betrekken. Het volk wees hem daarop door na de zeven stieren van de Koning zeventig runderen te brengen. Dat getal zeventig is altijd een bijzonder getal, het staat voor het aantal volken dat er volgens de overlevering op aarde was. De gemeenschap wilde dus dat alle volken naar de Tempel in Jeruzalem zouden komen om de God van Israël te aanbidden.

Het getal drieduizend wordt in de Bijbel nog wel eens gebruikt om grote rijkdom aan te duiden. Zo ook in dit verhaal over de offerdieren van het volk. Het maakt de indruk dat per soort dier de eigenaren elkaar aan het overbieden waren, honderd rammen, tweehonderd jonge rammen, zeshonderd runderen en drieduizend schapen en geiten. Als je zo overdrijft dan kan de Tempel dat helemaal niet aan. De hele stam Levi werd daarom ingeschakeld. Dat was in de woestijn al de stam die het meest fanatiek de dienst aan de God van Israël had uitgeoefend. De nakomelingen van Aäron waren de priesters maar zij stonden klaar om de priesters te helpen en de Tempel te verdedigen. Het hele verhaal loopt uit op een feest. Het vlees werd geroosterd en wijn werd geschonken. Ze hadden binnen de korste keren weer een Tempel in Jeruzalem met de dienst voor hun God. Wij hoeven er niet zoveel voor overhoop te halen, wij kunnen elke morgen opnieuw beginnen met onze naaste lief te hebben als onszelf, dan zijn we zelf een tempel, ook vandaag weer.

Zodra het offer werd ontstoken

donderdag, 25 oktober, 2012

2 Kronieken 29:20-30

Wij kennen het offeren eigenlijk niet meer zoals het in het gedeelte uit het tweede boek Kronieken dat we vandaag lezen staat beschreven. Wij kennen het offer uit de Rooms-Katholieke mis als de ouwel en de miswijn worden geheven door de Priester, een offer dat volgens de leer van de Protestantse Kerk een vervloekte afgoderij is. Wij kennen het offer misschien ook nog van offerblokken of het kerkezakje waarin we munten en papiergeld kunnen laten verdwijnen. Maar offeren van stieren en bokken en ander vee terwijl de trompetten klinken en het koor een machtig lied aanheft is ons vreemd. Toch komen onze offers oorspronkelijk daar vandaan. In religieuze zin zijn er twee soorten offers. In sommige religies moeten goden tevreden worden gesteld, moeten goden zelfs gevoed worden door offers, in de Joodse godsdienst vraagt de God van Israël geen offers maar gerechtigheid.

Hoe zit het dan met al die verhalen en voorschriften over offers? Er wordt toch een hoop vee geslacht in het verhaal van vandaag. Wie goed leest wordt het duidelijk. Er worden om te beginnen groepen van zeven dieren geslacht en geofferd. Voor elke dag van de week één. Het bloed wordt over het altaar gesprenkeld staat er steeds. Dat betekent dat je elke dag van de week bereid bent van je bezit, je vee in een landbouwsamenleving, te delen, dat je je ook bewust bent dat het leven, want in het bloed huist het leven, van de God van Israël afkomstig is en dat al dat vee niet je eigen verdienste is. Je hebt het te leen en wil het dus delen. Maar er wordt toch ook geofferd om verzoening van zonden te krijgen? Jazeker wel en op een bijzondere manier. De offeraar legt de handen op de kop van het offerdier. Daarmee wordt het dier het symbool van degene die het offert. Dan wordt het dier geslacht en blijft degene die offert leven. Het bloed van het dier houdt de gelovige in leven.

Voor ons klinkt dit maar raar in de oren, een bloederig tafereel dat gelovigen moet beschermen. Maar zo is het niet helemaal. Het herinnert aan de bevrijding van de slavernij uit Egypte. Daar moest elke eerstgeborene geofferd worden aan de goden, kinderen niet uitgezonderd. Alleen het volk Israël bleef daarvan gespaard. Zij hadden het bloed van de geofferde aan de deurposten gesmeerd. En toen uitkwam dat het het bloed van lammeren was en niet van mensen werden ze het land uitgejaagd, het zou de goden maar eens kwaad kunnen maken. Het bloed van een dier dat de plaats in nam van de mensen had hen dus niet alleen behoed voor de dood maar ook voor de bevrijding gezorgd. Kinderoffers waren dan ook de grootste gruwel die het volk Israël kon begaan en Hizkia wijst bij de herinwijding van de Tempel weer op de unieke positie van Israël. Dat wij ons leven moeten inzetten voor de bevrijding van onderdrukten, dat wij ons bezit moeten bestemmen om te delen met de minsten zijn nog steeds boodschappen die we als Christenen meedragen. Niet de Christus moet in elke mis geofferd worden maar we moeten elke dag opnieuw onszelf daarvoor beschikbaar stellen. Gelukkig mogen we daar elke morgen opnieuw mee beginnen door onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag weer.

Aan het werk nu

woensdag, 24 oktober, 2012

2 Kronieken 29:1-11

Wie denkt dat je gestraft wordt door de God van Israël als je niet doet wat die God wil dan moet je dit gedeelte van het tweede boek Kronieken nog eens goed nalezen. De twee boeken Kronieken behandelen dezelfde geschiedenisperiode als de twee boeken Koningen. Maar het zijn geen geschiedenisboeken zoals wij die kennen, met jaartallen en gebeurtenissen die zich onafhankelijk laten nagaan in documenten en artefacten. De vier boeken behandelen de vraag hoe het nu gekomen is dat het volk dat bevrijdt was uit Egypte door de God van Israël terecht kwam in de ballingschap in Babel en dat van dat mooie land, die mooie tempel en die bijzondere godsdienst niets is overgebleven. Het gebeurde allemaal toen er koningen aan de macht waren in Israël. De twee boeken Koningen die in de Bijbel staan behandelen dan de positie van Israël en Juda temidden van de andere volken en de wereldmachten. De twee boeken Kronieken gaan meer over de vraag hoe men in Israël en Juda met de dienst aan de God van Israël is omgegaan.

In dit verhaal over de koning, die we uit de boeken Koningen kennen als Koning Hizkia, lezen we hoe het is gegaan in de Tempel in Jeruzalem. Dat was vanouds de plaats waar je de godsdienst van het volk Israël voor je ogen kon zien afspelen. Er werden offers gebracht, er werden maaltijden gebruikt en er werd gestudeerd op de wetten van het volk zoals het volk die in de Woestijn onder Mozes had gekregen. Die offers waren niet om God te eten te geven maar om te laten zien dat je je bezit niet alleen voor jezelf wilde houden. De oogstfeesten als Pesach, Pinksteren en Loofhuttenfeest maakten dit nog groter als er maaltijden gehouden werden met tempeldienaren, familie, slaven en knechten, armen en vreemdelingen. Beelden van goden kon je er niet vinden. Het liefhebben van de God van Israël deed je door je naaste lief te hebben als jezelf. Dat maakte de godsdienst van het volk Israël ook zo bijzonder, zo bijzonder zelfs dat het volk onoverwinnelijk bleef.

Maar de Koningen hadden al die aandacht voor de Tempel liever voor zichzelf. Ze moesten belasting hebben om legers op de been te houden, om pracht en praal te kunnen etaleren, om te kunnen wedijveren met de Koningen van de buurlandjes en de wereldmachten. We lezen vandaag tot hoe diep de dienst in de Tempel wel niet was afgebroken. Dat betekent dat het volk Israël helemaal niet zo’n bijzonder volk was. Er stonden wel degelijk beelden in de Tempel en de goden van die beelden moesten door offers in leven worden gehouden. Delen met de armsten en de minsten was er niet meer bij. Het was dus ook uit met de onoverwinnelijkheid. Het antwoord op de vraag hoe die ballingschap nu eigenlijk had kunnen gebeuren is daarom eigenlijk dat het volk het zichzelf had aangedaan. Als je net zo wilt worden als iedereen dan wordt je ook behandeld als iedereen en overkomt je wat iedereen overkomt. Dat is ook vandaag nog zo. Gelukkig dat we elke dag opnieuw met dat bijzondere van de God van Israël mogen beginnen, onze naasten lief te hebben als onszelf, de hand uitsteken naar mensen langs de kant van de weg, dat mag ook vandaag weer.

Luister naar mijn smeken

dinsdag, 23 oktober, 2012

Psalm 143

Vandaag zingen we met de kerk een boetepsalm mee. Een gebedslied van iemand die zich schaamt voor wat hij heeft gedaan. Het staat in de Bijbel als een psalm uit het boek van de Psalmen maar volgens het opschrift komt het uit de bundel psalmen die David heette. De psalm zelf is gedicht na de ballingschap, daar zijn de geleerden het wel over eens. In die ballingschap is het geloof in de God van Israël opnieuw onder woorden gebracht. De oude verhalen en oude boeken zijn netjes bij elkaar gezet en voor zover nodig in overeenstemming gebracht met de nieuwe manier van spreken over het geloof in de God van Israël die men in de ballingschap had geleerd. De ballingschap zelf was daarbij ook tot een religieuze ervaring geworden. De God van Israël was niet aan een stuk grond gebonden maar trekt mee met het volk, de God van Israël laat het volk ook niet in de steek als het verkeerd heeft gedaan maar wil altijd verder met zijn verbond het volk te brengen naar het land dat overvloeit van melk en honing.

Dat wordt dan lastig voor de individuele gelovige. Je houden aan het verbond met de God van Israël, je naaste liefhebben als jezelf, zou dus een beloning in zich hebben. Logisch is dus dat het niet houden aan het verbond met de God van Israël een hoop ellende met zich zal meebrengen. Maar wie is zo goed dat die zich altijd kan houden aan het verbond? Jezus van Nazareth zou veel later zeggen dat niemand goed is alleen God, hij wilde dan ook niet “goede Meester” genoemd worden. Daarom vraagt deze psalmdichter aan God hem niet voor de rechterstoel te dagen ook al wordt hij gestraft met vijanden die hem laten wonen in duisternis, donker als het graf. Maar als je bedenkt wat die God van Israël betekent dan moet het toch anders in elkaar zitten. Die God laat immers nooit varen het werk dat zijn hand is begonnen?

Hoe verkeerd je ook bezig bent geweest, elke morgen opnieuw mag je nieuw beginnen met de God van Israël, mag je opnieuw je leven in dienst stellen van de Liefde, de onvoorwaardelijke liefde voor de naaste, in dienst stellen van de gerechtigheid die ook de God van Israël betoond heeft. Die vijanden, die belagers, die moet je dus maar aan die God overlaten, dan kun jij je weer richten op het recht doen aan mensen die in onrecht leven. Want uiteindelijk verdien je helemaal dat land van melk en honing niet. Maar je krijgt het toch, dat heet genade. Iedere keer dat je je naaste tot zijn of haar recht laat komen komt dat rijk van vrede en gerechtigheid naderbij. Het is als dat meisje uit Pakistan dat het recht voor onderwijs voor meisjes een stem en een gezicht gaf. Haar vijanden probeerden haar te vermoorden, maar het resultaat was dat nog meer mensen dan daarvoor hoorden van het recht op onderwijs voor meisjes dat beschermd moet worden en gestalte moet krijgen onder alle volken op aarde. Zo kunnen ook wij dat rijk van vrede dichterbij brengen, gewoon er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Dan kunnen we lachen

maandag, 22 oktober, 2012

Rechters 16:23-31
 
Ze dachten hun overwinning binnengehaald te hebben met het gevangen nemen van Simson. Het haar, waaraan hij zijn kracht ontleende, was afgeknipt en zijn ogen waren verblind. Maar haar groeit weer aan, en bij Simson zelfs weer vlug en het “liever langharig dan kortzichtig” kreeg een heel aparte betekenis. Twintig jaar had Simson de Filistijnen in bedwang gehouden maar uiteindelijk gingen ze allemaal ten onder aan die strijd. Simson net zo goed als de Filistijnse koningen en de priesters van de god Dagon. Een vruchtbaarheidsgod, half vis half man, ook die god hielp niet. Een strijd van 20 jaar is nooit vruchtbaar en als je tempels gaat bouwen voor de vruchtbaarheid stort de zaak uiteindelijk in. Een gruwelijk slot van een verhaal dat met de mop over de poorten van de stad begon, het lachen verging ze daardoor.

Toen de opstellers van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat rooster maakten zetten ze boven elk stukje een titel, een soort aanwijzing. Boven dit stukje stond “levend begraven”. Dat roept direct het beeld van een aardbeving op. Toen we uit het boek Job lazen, hebben we geleerd dat dit soort natuurrampen nu eenmaal gebeuren. Of God daar nu wel of niet mee te maken heeft gaat ons niet direct aan. Wat ons wel aangaat is wat we er mee doen. Gelukkig is er een beetje geleerd van de Tsunami in Thailand, Sri Lanka en Atjeh en van de orkaan Katrina in New Orléans net als bij de aarbeving in Pakistan. De eerste hulp was al binnen een paar dagen uit Nederland in Pakistan aangekomen. Giro 800800 was direct opengesteld en meer hulp was onderweg. Zelfs India, toch lang in strijd met Pakistan, hielp de slachtoffers. De eerste dagen werden dus nog mensen van onder het puin gered. Daarna moesten de overlevenden een kans krijgen weer een draagbaar leven op te bouwen.

Voor de eerste redding had de Nederlandse regering 1 miljoen beschikbaar gesteld. Wij kunnen bij zulke rampen een giro-tje schrijven en net als Simson onze krachten verzamelen om het onheil voor het getroffen volk af te wenden. Je hoopt wel dat het niet blijft bij een gift maar dat we ook werk en handel eerlijk gaan delen met de arme landen die door natuurrampen onze hulp zo dringend nodig hebben. Arme landen worden extra getroffen door natuurrampen door de armoede. Dat gold voor de inwoners van Thailand, Sri Lanka en Indonesië die slachtoffers van de Tsunami werden, dat gold ook voor de arme inwoners van New Orléans die slachtoffer van Katrina werden, dat geldt elk jaar ook voor de inwoners van Bangla Desh die slachtoffers van overstromingen zijn, dat geld voor inwoners van Afrika die slachtoffers van droogte zijn. Voor al die armen in de wereld geldt dat wij bereid moeten zijn om eerlijk te delen zodat zij bevrijdt zijn van de gevolgen van natuurrampen. Dan breekt pas echt een vrolijke tijd aan.