Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2012

De aarde schoot haar te hulp

zondag, 30 september, 2012

Openbaring 12:13-18

Wij willen zo graag in de hemel komen. In de dagen dat Johannes zijn dromen opschreef, tijdens zijn gevangenschap op Patmos, was het graag in de hemel willen komen voor Christelijke gemeenten zelfs af en toe een probleem. De enorme maatschappelijke druk waartegen men zich te weer moest stellen maakte dat men ging geloven dat alleen marteling en dood bewezen dat je werkelijk Christen was, je moest dus een weg zoeken waarbij je zo snel en zo pijnlijk mogelijk in de hemel zou komen. Dat was dus niet de bedoeling schrijft Johannes. Het zal hier op aarde moeten gebeuren dat het kwaad wordt overwonnen en het kan dus ook op aarde gebeuren dat het kwaad, die geweldige draak die ons belaagd, zal worden overwonnen. Op het eind van zijn boek schrijft Johannes dan ook dat de hemel op aarde neerdaalt en God zijn tenten hier op aarde spant.

Dat de vrouw, hier het symbool van de verwachting, de hoop die mensen nodig hebben om te kunnen overleven, kan ontsnappen komt door de enorme adelaarsvleugels die ze krijgt. Adelaarsvleugels? Jazeker, de Hebreeuwse Bijbel zegt dat de God van Israël zijn kinderen draagt als een adelaar op haar vleugels. Biologisch klopt dat beeld niet maar de grote vleugels waarmee een adelaar zich bewegingsloos door het gebergte beweegd hebben altijd veel indruk gemaakt. Daar kunnen jongen onbevreesd op leren te vliegen, ze worden altijd beschermd was de gedachte. Die gedachte vinden we hier weer terug. De beelden uit het gedeelte van vandaag zijn ook niet nieuw. De tijd die ze mag wonen in de woestijn wordt ook al in het boek Daniël vermeld. Daarmee wordt de vrouw overigens ook een symbool voor het volk dat in de woestijn de richtlijnen voor het leven, de richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving ontving. Zo zou het leven er uit moeten zien: niet doden, niet liegen in een rechtzaak, niet stelen en zo.

En in de woestijn was het kwaad al eens eerder opgeslokt. In het boek Numeri staat daar een mooi verhaal over als in het volk Israël bij sommigen het verlangen naar de doodscultuur van Egypte groter wordt dan de ontdekkingsreis door de woestijn waar je voortdurend op elkaar moest kunnen vertrouwen om te kunnen overleven. Ook toen werd de splijtzwam die het volk dreigde mee te sleuren opgeslokt door de aarde. De hulp en de kracht die we nodig hebben om het kwaad te overwinnen komt dus niet in de eerste plaats van de hemel. De God van Israël, de God die met je meetrekt is hier op aarde. In Christelijke zin heeft hij onder ons gewoond en is het Zijn Geest die in ons wil wonen. In die Geest van liefde kunnen we het kwaad bestrijden door het goede te doen en niet dan het goede. Johannes laat zien dat het niet gemakkelijk is, geen liefelijke oase wordt geschilderd, maar een harde strijd. Maar elke dag weer mogen we de keuze maken om onze naaste lief te hebben als onszelf en daarmee het kwaad te bestrijden door het goede te doen, ook vandaag weer.

Wee de aarde en de zee

zaterdag, 29 september, 2012

Openbaring 12:7-12

We moeten om te beginnen steeds voorzichtig zijn met de taal van het boek Openbaring. Het is droomtaal, beeldtaal, de woorden wijzen naar dromen en proberen die dromen onder woorden te brengen. Op geen enkele manier zijn die beelden terug te vinden in de werkelijkheid. Hooguit zou je er een film over kunnen maken, een fantasiefilm en in onze fantasie kunnen we dan het verhaal van Openbaring meebeleven. Er is dus geen mannetje met bokkepoten en hoorns die naar de aarde is afgedaald om hier onschuldige jonge meisjes te verleiden. Een beeld dat vroeger nog wel eens werd gebruikt om te vertellen wat het betekende dat de duivel naar de aarde was afgedaald. We geloven niet in de duivel, wij geloven in de God van Israël. Maar net als wij had Johannes, de schrijver van Openbaring, te maken met het kwaad dat mensen doen, het kwaad dat mensen elkaar aandoen en hij had vooral te maken het het kwaad dat mensen gingen doen tegen mensen die alleen het goede deden.

Het beeld van de draak als verleider, als opposant van de God van Israël kennen we uit het boek Job. Job deed wat goed was, maar dat kon dus niet volgens de opposant. Vervolgens liet God Job op de proef stellen en waarempel, Job kon het wel. Ondanks alle valse redeneringen waar zijn vrienden hem aan blootstelden. Die valse redeneringen hadden als kern dat de mens nu eenmaal zondig is en de straf van God heeft verdiend. Dat bleek dus flauwekul in het verhaal van Job. Hier wordt het verhaal op een andere manier vertelt. Het is over met de beproever, niks meer het kwaad over goede mensen brengen in de naam van God. Het kwaad dat mensen doen doen ze zelf, er is altijd een andere keuze. De keuze van Jezus van Nazareth. Die weigerde het zwaard te trekken en volstrekt onschuldig riep hij genade af over zijn vervolgers, die wisten niet beter, nog aan het kruis luisterde hij naar zijn medegekruisigde en trooste deze, bleef hij zelfs zorgen voor zijn moeder. Als je dat bloed aan de deurpost smeert dan gaat de engel van de dood je voorbij. Dat is het bloed van het lam dat ooit de slaven redde van de dood en hen deed bevrijden.

Het kwaad is dus geconcentreerd op aarde. In de dagen van Johannes was dat ook zo. Christenen die weigerden te offeren aan de goddelijk verklaarde keizers werden gevangen genomen, gemarteld en gedood. Juist zij die de dood aanvaarden maar het goede bleven doen, bleven zorgen voor slaven, voor armen ondanks de verdenkingen die dat opriep bestreden het kwaad. Ze zouden alle Christenen moeten uitroeien om nog enige zeggenschap te hebben. Maar door gewonde soldaten te verzorgen, ook al waren het hun vervolgers, door vreemdelingen in hun midden op te nemen waardoor spanningen in de samenleving verminderden, door het onderscheid tussen vrouwen en mannen te laten verdwijen waardoor er veel meer denkkracht en creativiteit vrij kwam, door niet langer bang te zijn voor het vreemde,het andere maar alleen te leven volgens de liefde groeide de beweging van de Weg dwars tegen de verdrukking in. Daar mogen wij in onze dagen ook moed uit putten, door het goede te doen en het kwade te bestrijden door het goede, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt

vrijdag, 28 september, 2012

Openbaring 12:1-6

Hebben wij nog de fantasie om met het boek Openbaring weg te dromen over hoe de wereld ook in elkaar zit? De schrijver van dit boek zat gevangen op een bijna onbewoonbaar eiland, Patmos. Hier werd gewerkt in de mijnen. Hier telde een mensenleven niet. Waar was nu de God van Israël? Waar waren de grazige weiden waar Psalm 23 zo mooi over kon zingen? Hier was meer het kruis waar Jezus van Nazareth over had gesproken. Maar over de vreselijke martelingen was ook al in de Hebreeuwse Bijbel gesproken. Daniël had het al gehad over draken en monsters die het volk van de God van Israël zouden bedreigen en misschien zelfs zouden verslinden. En was aan Eva niet al vanaf het begin beloofd daar haar nageslacht de kop van de duivelse slang zou vernietigen? Al die beelden speelden door het hoofd van Johannes. Al die beelden vertelden de gelovigen dat ze ook in bittere tijden van beproeving moesten blijven vertrouwen op de God van Israël, de God die het volk had bevrijd uit de slavernij in Egypte en de ballingen had doen terugkeren uit de ballingschap in Babel.

En deze beelden gebruikte Johannes om ook zijn verhaal te vertellen. Niet een verhaal over een verre onbekende toekomst, dat willen sommigen er tegenwoordig graag in lezen, maar een verhaal over de situatie van hem en zijn medegelovigen. Mensen die door hun omgeving als ongelovigen werden beschouwd omdat ze weigerden de machthebbers en de zelfgemaakte godenbeelden te aanbidden. Johannes laat het verhaal door de sterren vertellen. Dat hadden de Israëli geleerd in Babel, daar noemde men de sterren het schrift van de goden. En had de God van Israël niet de sterren aan het firmament gezet? Johannes ziet het sterrebeeld Maagd oplichten alsof ze de zon als haar mantel had aangetrokken, zoals God volgens Psalm 104 het licht als mantel had aangetrokken. Een krans van twaalf sterren geeft de Maagd iets vorstelijks. Ze verwacht een baby. Dan verschijnt het sterrebeeld Draak dat zich uitstrekt over de sterrebeelden Weegschaal, Maagd., Leeuw en Kreeft.

Het teken herinnert gelovige Joden aan het boek Daniël waar de Draak het zinnebeeld is van de antichristelijke macht waar de ballingen onder moeten leven. Een zelfde macht treft hen nu weer, nu als het Romeinse Rijk. Er zijn veel commentatoren die de vrouw duiden als Maria en het kind als de Messias, maar het beeld van Johannes klopt niet met het verleden. De vrouw die hier optreed is eerder de vrouwe Jeruzalem zoals de profeten haar hadden aangeduid. Hier is het het nieuwe Jeruzalem, het volk Israël samen met de gemeenschap van gelovigen in Jezus van Nazareth die nu nog een tijd in de woestijn moeten lijden maar hun Heer, het kind dat ze koesteren in hun hart maar als Vader en Koning aanbidden, is in de hemel om terug te komen op aarde om hun uit hun lijden te verlossen. Het zijn prachtige beelden. Johannes bemoedigt de gemeente om door te gaan met het liefhebben van hun naast als zichzelf, de Weg van Jezus van Nazareth, gemeenschappen vormen waar het onderscheid tussen man en vrouw, slaaf en vrije, Jood en Heiden, rijke en arme is verdwenen. Dat zijn gemeenschappen die het tegendeel vormen van de bestaande wereld en daardoor voortdurend in conflict komen. Maar aan dat conflict zal een einde komen. Ook voor ons geldt dat vandaag nog. Ook wij worden aangezet te blijven doorgaan met de liefde voor de naaste, elke dag weer, ondanks spot en hoon mag het ook vandaag weer.

Angst voor mensen is een valstrik

donderdag, 27 september, 2012

Spreuken 29:14-27

In het boek Spreuken is de Koning bij uitstek de beschermer van de armen. Daarom zal Paulus veel later kunnen zeggen dat de gemeente van Jezus de Bevrijder, de Christus, een volk van Koningen en Priesters is. Als Koningen beschermen ze de armen en als Priesters dienen ze daardoor de God van Israël. Op die manier laat je mensen tot hun recht komen. Dat gaat in het groot, over een heel volk, maar ook in het klein, in de opvoeding. Een goddeloze opvoeding leidt tot criminelen en een goddeloze regering tot meer misdaad in de samenleving. Alleen de rechtvaardigen, de volgelingen van de God van Israël die hun naaste liefhebben als zichzelf en die mensen tot hun recht laten komen zullen meemaken dat de goddelozen ten val komen, dat de slechte gevolgen van hun slechte daden aan het licht komen. Een goede, strenge en rechtvaardige opvoeding is dus voor een ouder en voor een kind van belang maar dient uiteindelijk de hele samenleving, dient uiteindelijk de God van Israël.

Eén van de meest bekende Spreuken uit de Nederlandse politiek is dat een volk zonder visioen tot bandeloosheid zal vervallen. Hier wordt dat visioen vertaald met profetie en de Bijbel koppelt het direct aan de Wet. Het visioen is dan ook een samenleving waarin iedereen tot zijn of haar recht komt, waar de minsten voorop staan en de weduwe en de wees worden beschermd. Dat is een samenleving waarin de Wet van heb uw naaste lief als uzelf een grondwet is, waar niet wordt gedood, waar niet wordt gestolen, waar niet wordt gelogen in de rechtspraak. Als we met elkaar die richtlijnen voor een menswaardige samenleving vergeten dan leidt dat onherroepelijk tot een samenleving van het oerwoud, ieder voor zich en het recht alleen voor de sterkste, dat is dan ook de waarheidszegging die we profetie noemen, daar loopt het op uit.

Voor vrede en recht moet in onze samenleving ook nog het nodige gebeuren. Centraal daarbij staat dat je niet bang moet zijn. Dat “Vreest niet” is niet alleen voor de herders met het kerstfeest dat is is voor altijd en overal. Hier wordt die angst een valstrik genoemd. Als je mensen met een ander geloof als het jouwe maar vaak genoeg als vijanden afschildert dan wordt je er vanzelf bang van. En natuurlijk zijn er altijd mensen die willen beantwoorden aan wat er in de samenleving van hen wordt gevraagd. Als je jongeren steeds maar afschildert als nietsnutten die rondhangen dan gaan jongeren rondhangen op straten en pleinen en zich daar vervelend gedragen, als je aanhangers van de Islam afschildert als terroristen gaan ze zich afzetten tegen jouw samenleving en zich met geweld daartegen verdedigen. De Bijbel wijst een andere weg, de weg van vrede en gerechtigheid. Samen maaltijd vieren staat er in de Wet, mensen tot hun recht laten komen, benoemen wat goed is en wat slecht is en het daarover eens worden. Delen met de armen, met de minsten zorgen die ieder krijgt wat een ieder toekomt. Gelukkig dat wij daar elke dag opnieuw mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

Wijzen doen woede bedaren.

woensdag, 26 september, 2012

Spreuken 29:1-13

In de verzameling Spreuken die we vandaag lezen worden steeds tegenstellingen gegeven. Tegenstellingen tussen goed en kwaad. Maar bedenk wel, het gaat om goede en slechte daden en ieder mens kan kiezen tussen goede en slechte daden. Het laatste vers van het gedeelte van vandaag benadrukt het nog eens treffend: er is een overeenkomst tussen een arme en een onderdrukker. Beide hebben het licht in de ogen gekregen van de God van Israël, het zijn broeders. Niet broeders in het kwaad maar beiden zijn kinderen van God. In onze dagen hebben we daar nog weet van. Als onderdrukkers van hun troon vallen en gevangen worden dan vinden we niet dat ze direct ter dood gebracht moeten worden zoals zij hun tegenstanders en vermeende tegenstanders ter dood brachten maar dan vinden we dat ze terecht moeten staan en verantwoording voor hun misdaden moeten afleggen. Want een rechtzaak, met getuigen en bewijs, moet anderen weerhouden hetzelfde gaan doen, moet mensen de ogen openen voor wat goed is en wat slecht is, voor wat rechtvaardig is en voor wat goddeloos is.

De Bijbel veroordeelt prostitutie niet. Elke vorm van dwang tot prostitutie heet in de Bijbel overigens verkrachting en de bescherming van de weduwe is ook bedoeld om haar een plaats in de samenleving te verzekeren die haar behoed voor de keus over te gaan tot prostitutie. Maar de man die een prostituee bezoekt verkwanselt het vermogen van zijn vader. Het staat hier zo simpel maar er zit een heel economisch systeem achter. Toen het land Israël was ingenomen heeft Jozua het land onder de families van het volk verdeeld. Iedereen kreeg een stuk land waarvan het zou kunnen leven. Als door wat voor omstandigheden de eigendom van dat land verloren zou gaan dan zou de familie het na vijftig jaar weer terugkrijgen. Dat land is dus van letterlijk levensbelang voor je kinderen. Dat levensbelang van je kinderen op het spel zetten door het bezoek aan een prostituee wordt hier dus veroordeeld, het is net zo slecht als het werk van uitzuigers en vleiers.

De manier waarop de schrijver van het boek Spreuken de goede en de slechte daden tegenover elkaar zet, door typeringen van mensen naar hun handelen, maakt niet alleen dat de keuzes die we zelf hebben duidelijk worden, maar maakt ook herkenbaar aan wie wij wel en niet ons vertrouwen moeten schenken. Worden de rechten van de armen erkent? Bedaart men de woede of stookt men onrust? Bevordert men een goede rechtsgang, ook al is die tegen zichzelf gericht, of laat men met geraaskal en gesneer alles in het honderd lopen? Het zijn de keuzes die gemaakt worden tussen leven en dood. De Bijbel is daar soms zeer radicaal in, mensen die goddeloos leven kiezen voor de dood, zijn moordenaars, lokken opstand, woede en wraak uit. Ze moeten dag en nacht beveiligd worden om zelf niet vermoord te worden door de woede die ze opwekken met gesneer en geraaskal. Een dwaas geeft uiting aan zijn gevoel, een wijze houdt ze in toom. Dat geldt ook voor politici en regeerders. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw de keuze maken tussen leven en dood, tussen recht en onrecht, tussen zorg voor de minsten en zorg voor onszelf. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

U kunt in het land blijven wonen

dinsdag, 25 september, 2012

2 Koningen 25:18-30

Vandaag lezen we het slot van het spannende verhalenboek 2 Koningen. Een boek over oorlogen, legers, machthebbers en regeerders en soms ook over het gewone volk. Een boek over de keus die mensen hebben. Willen ze dienaren zijn van de God van Israël, zorgen voor de minsten in het land. Of willen ze dienaren zijn van zichzelf, zelf goden maken van hout en steen en die bekleden met zilver en goud en macht verwerven ten koste van anderen, een hoge plaats proberen te verwerven tussen de andere volken die hetzelfde nastreven. In dit laatste stuk van het boek gaat het ook hierover. Er komt een goeverneur die namens de koning van Babylonië de samenleving van armen zal besturen. Maar in die samenleving blijken er soldaten van Juda met hun leiders te zijn ondergedoken en in plaats van een vruchtbare samenleving te stichten komen ze weer in opstand en vermoorden de goeverneur. Heel het volk moet naar Egypte vluchten.

En hoe vergaat het de ballingen in Babel? Er was nog een echte koning van Juda die zich had overgegeven aan de koning van Babel en die naar Babel was weggevoerd. Die koning was gevangen gezet maar daarmee was zijn verhaal nog niet uit. Helemaal aan het einde van het spannende verhalenboek 2 Koningen staat er nog, bijna terloops, een bijzonder verhaal van hoop. Want na zevenendertig jaar kwam er een nieuwe koning in Babel en nieuwe koningen schenken gevangenen genade, gratie. Zelfs in onze dagen kom je die gewoonte nog wel tegen. En deze nieuwe koning van Babel schonk genade aan die gevangen koning van dat kleine koninkrijkje Juda. En niet zomaar gratie, maar Jojachim werd opgenomen aan het hof van de nieuwe Koning en kreeg kennelijk een belangrijke positie. Dat maakte ook de positie van zijn landgenoten die in ballingschap waren wat beter.

Het boek dat gaat over de ondergang van het Koninkrijk van David en Salomo eindigt dus met een sprankje hoop. Net als ooit Jozef overkwam werd ook de laatste Koning van het zuidelijk rijk Juda, de laatste koning die in Jeruzalem had geregeerd, bevrijd uit gevangenschap. En wat had de bevrijding van Jozef wel niet voor gevolg gehad. Uiteindelijk de bevrijding van de slaven uit Egypte. En zou de verlossing uit de gevangenschap van Jojachin niet een eerste signaal zijn dat ook de ballingen uit Babel ooit terug zouden mogen keren naar Jeruzalem? Dat verhaal is voor een ander Bijbelboek. Wij eindigen hier in het verhaal over crisis, verwoesting van Jeruzalem waar pas na lang wachten een klein lichtpuntje te ontwaren is. Toch mogen we ook in onze crisis op dit soort lichtpuntjes vertrouwen. Jeremia zou de ballingen oproepen eilanden van rechtvaardigheid te stichten waar groente werd verbouwd en men zich aan de Wet van de God van Israël zou houden. Ook in onze dagen geloven de aanhangers van de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth dat het liefhebben van de naaste als ons zelf uiteindelijk ons zal verlossen van de huidige crisis. Elke dag opnieuw mogen wij die keuze maken, ook vandaag weer.

Iedereen die nog over was.

maandag, 24 september, 2012

2 Koningen 25:8-17

Het verhaal dat we vandaag lezen gaat over de sloop van de Tempel. De stad Jeruzalem is na twee jaar belegering gevallen. De koning en de soldaten zijn gevlucht, gevangen genomen en gedood of als ballingen weggevoerd. Nu is het de beurt aan de stad. De godsdienst van de God van Israël is voorbij er is niets meer dat het behouden waard is. Soms moet je de woorden van de Bijbel goed op je in laten werken om te snappen wat er nu eigenlijk staat. Als het gaat over de bevolking van Jeruzalem dan zijn er drie groepen, zij die zich hebben verzet tegen Nebukadnesar, zij die overgelopen waren naar de koning van Babel en de armsten in de stad. In de godsdienst van Israël stonden de armsten voorop. In de godsdienst van de Heidenen tellen ze niet mee: iedereen werd in ballingschap gevoerd alleen de armsten mochten achterblijven om de wijngaarden en de akkers te verzorgen, zij hoorden niet bij “iedereen”

In de boodschap die profeten aan Koningen hebben gegeven kregen die armen van Jeruzalem een groot geschenk. Jesaja had daar Koning Hizkia nog eens op gewezen. Er was een wet die zei dat je elke zeven jaar het land braak moest laten liggen en moest leven van wat er spontaan op zou groeien. Daar kon ook een heel volk van leven. Dat geschenk kregen de armen nu van de Koning van Babel, die niet wist wat hij eigenlijk weggaf. De armen werden in één klap rijk maar alleen de godsdienst van de God van Israël laat dat zien. De Koning van Babel keek eerder naar de geweldige hoeveelheid brons die hij uit de Tempel in Jeruzalem kon meenemen. Bronzen pilaren, bronzen wasbekkens, onderstellen van brons, altaren in brons versierd. In het bronzen tijdperk was dit een onmetelijke rijkdom.

Dat van die armen heeft de Bijbelgeleerden nog lang in verwarring gebracht. De termen die in het Hebreeuws worden gebruikt konden niet zomaar op de bevolking van Jeruzalem worden toegepast. Volgens sommigen zouden het wel boeren en tuinders moeten zijn geweest. Maar ook de profeet Jeremia schrijft over deze gebeurtenis en hij spreekt onomwonden over de armen die buiten beschouwing werden gelaten. Dus waren het volgens sommigen toch boeren die wat minder opstandig zouden zijn geweest dan de stedelingen. Dat de godsdienst van Israël, de godsdienst ook van Jezus van Nazareth de armen voorop stelt en er om gaat dat de armen, de minsten in de samenleving, de weduwe en de wees, recht wordt gedaan is ook in onze dagen voor velen moeilijk voorstelbaar. Het gaat toch om je eigen zieleheil, om het redden van de fatsoenlijke burgers? In de godsdienst van de Bijbel gaat het daar dus helemaal niet om. Die godsdienst zet de zorg voor de minsten tegenover de zorg voor materieel gewin, tegenover de zorg voor rijkdom en overvloed.

Er was voor de bevolking niets meer te eten

zondag, 23 september, 2012

2 Koningen 24:18-25:7

Die Sedekia maakte er helemaal een puinhoop van. Alsof hij nog eens wilde onderstrepen dat het echt helemaal uit en over was met de godsdienst van de God van Israël. Hij was al aangesteld door Nebukadnessar, een vazal dus die niets meer te maken had met de Koningen die van geslacht tot geslacht in Jeruzalem hadden geregeerd. Hij had dus blij mogen zijn met de armzalige positie die hij had en die hem toch nog een beetje aanzien gaf. Maar hij was niet tevreden. Hij kwam in opstand tegen zijn leenheer. Alsof zo’n klein heersertje het op zou kunnen nemen tegen een wereldmacht. Nu was Jeruzalem een stad die op een strategische plek lag. Je kon die stad niet zomaar innemen, zelfs de grote Koning David had een list nodig gehad om de stad in te nemen. Niet dat Nebukadnessar daar mee zat. Hij legerde een grote legermacht rond de stad en daar bleven ze twee jaar zitten.

Het gevolg was dat er na twee jaar niets meer te eten over was in de stad. We kennen dit soort verhalen ook uit de vaderlandse geschiedenis. Ooit werd ook een stad als Alkmaar zo belegerd, al duurde het daar maar van augustus tot begin oktober. Een jaar later onderging Leiden hetzelfde lot. Beide steden vieren nog elk jaar dat zij volhielden en dat het natte stormachtige herfstweer waar ons land om bekend staat de warmbloedige Spanjaarden op de vlucht joeg zodat bij Alkmaar de Victorie begon en de geboorte van ons land gevierd kan worden en Leiden haar universiteit kon binnenhalen met haring en wittebrood. De soldaten van Sedekia gingen er uiteindelijk met hun koning vandoor. De rest van de bevolking van Jeruzalem aan hun lot overlatend. Ook dit vluchten liep op een mislukking uit. Een wereldmacht is altijd veel sterker dan kleine landjes met flink doende dictatoren kunnen denken.

Sedekia kreeg van de Heidense koning nog eens een les in hoe verkeerd hij het allemaal wel gezien had. Voor zijn ogen werden zijn zonen vermoord. Waarom dan altijd wordt gevraagd waarom God dat allemaal wel niet toeliet is een raadsel. Het zijn mensen die zo wreed zijn. Het wordt tijd dat wij inzien dat het mensen zijn die zo wreed zijn. Mensen hebben ook andere keuzes. Bijvoorbeeld de keuze die Nebukadnessar maakte, hij liet Sedekia in leven. Door hem de ogen uit te steken zou hij hem de rest van zijn leven er aan herinneren hoe verkeerd hij het allemaal gezien had. Aan de wreedheid die mensen elkaar aandoen komt de God van Israël niet te pas. Hier worden geen zwakken beschermd, geen weduwe of wees wordt recht gedaan. Pas als we ons daar mee bezig houden merken we dat de God van Israël met ons is en ons de richting aangeeft waarin wij het met de mensen samen moeten zoeken. Als we dat gaan zien dan weten we dat we dat elke dag opnieuw mogen zien en mogen doen, je naaste liefhebben als jezelf, dat mag ook vandaag weer.

Jeruzalem werd in ballingschap weggevoerd

zaterdag, 22 september, 2012

2 Koningen 24:8-17

De zwartste bladzijde uit de Hebreeuwse Bijbel. Heel het volk werd weggevoerd naar Babel en wat er nog resteerde kreeg een schijnkoning: Sedekia. Het experiment dat met Jozua was begonnen en waarvoor Mozes het fundament had gelegd was definitief mislukt. Het volk had onder de achtereenvolgende koningen de Weg van de God van Israël verlaten. Het had zich gedragen als een gewoon volk zoals er vele zijn. Met goden die in de mode waren, met zelfverheffing en misleiding. Het had kinderoffers gebracht, gouden en zilveren goden gemaakt en bondgenootschappen gesloten die het de schijn van grootsheid en onaantastbaarheid hadden gegeven. De paar koningen die ondanks die geschiedenis toch de Weg van de God van Israël hadden willen bewandelen, koningen als Hizkia en Josia, hadden het tij niet kunnen keren. Het was te erg geweest.
De regering van de nieuwe Koning was hoopvol begonnen. Jojachin betekent “YHWH bevestigt”, moge de Heer bevestigen. Maar zijn moeder heette niet voor niets Nehusta, slang, want in plaats van te vertrouwen op de God van Israël als de sterkste bondgenoot die je je zou kunnen wensen gaf Jojachin bij de eerste de beste belegering door Nebukadnezar de stad over aan deze machtige vijand, of die machtiger zou kunnen zijn dan de God van Israël. Achteraf wordt deze beslissing gezien als wijs beleid. Hij redde hiermee niet alleen zijn eigen leven maar voorkwam ook dat de bevolking van Jeruzalem werd uitgemoord door de wrede koning van Babel. De ballingen kenden zelfs een lied waarin de beslissing van Jojachim werd vereerd.
Het verhaal zoals wij dat hier lezen is opgeschreven tijdens de ballingschap die volgde. De profeten die steeds hadden gewaarschuwd tegen het afdwalen van de Weg van de God van Israël, tegen het maken van eigen goden van goud en zilver, tegen het brengen van kinderoffers, tegen het plegen van onrecht tegen de armen, de weduwen en de wees, die profeten bleken gelijk te hebben. En in de ballingschap zou er een zuivering plaatsvinden. Alleen de mensen die trouw zouden blijven aan de God van Israël zouden voortaan gerekend worden tot het volk van Israël, tot de Judeeërs. Zover is het in het verhaal nog lang niet. Zelfs de Tempelschatten worden geroofd en naar Babel gebracht. Het is uit, streep er onder, de oorspronkelijke godsdienst van Israël is uitgewist, niks meer van te vinden. Het verhaal zou zich in het jaar 70 van onze jaartelling herhalen. Maar de godsdienst van Israël zit niet in Tempels, het zit in de harten van de mensen en zolang er gemeenschappen gevormd kunnen worden die de verhalen van de  God van Israël kunnen lezen, zijn richtlijnen kunnen volgen, de naaste dus kunnen liefhebben als zichzelf, blijft die godsdienst bestaan. Zelfs het uitmoorden van de gelovigen in gaskamers en moordkampen heeft de aanbidding van de God van Israël niet kunnen stoppen. Door Jezus van Nazareth mag zelfs iedereen op de wereld, ondanks zijn kruisdood, daaraan mee blijven doen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed.

vrijdag, 21 september, 2012

2 Koningen 23:31-24:7

Het optrekken tegen wereldmachten heeft voor de kleine koninkjes van Juda weinig zin. Josia had het hele volk weer in dienst van de God van Israël gekregen en de Wet die in de Tempelmuur was gevonden centraal in het landsbestuur gesteld maar toen hij optrok tegen de Farao van Egypte vond hij de dood. Het had een waarschuwing moeten zijn. Maar kennelijk concludeerde men dat ook die God van Israël geen garantie bood voor zelfstandigheid. Joachaz, de opvolger van Josia, ging daarom net als zijn voorouders weer mee in de verering van Baäl, Asjeera en andere vruchtbaarheidsgoden die in de buurvolken van Israël werden aanbeden. Prompt werd hij in Egypte gevangen gezet, kreeg het land een schatting opgelegd en werd zijn broer Eljakim koning gemaakt. Zelfs de naam van de koning werd door de Farao van Egypte bepaald, Jojakim. Dat was overigens een fatsoenlijke naam, het betekent: YHWH richt op, alsof de God van Israël zelf Jojakim op de troon had gezet.

Jojakim stelde zich aanvankelijk op als een trouw vazal van Egypte. Maar toen de koning van Babylonië de baas werd over de toen bekende wereld werd Jojakim vazal van die koning. Maar dat verveelde kennelijk. Na drie jaar kwam Jojakim in opstand, alsof je zomaar een wereldmacht kan verslaan. De profeten van de God van Israël hadden hiertegen gewaarschuwd, lees het boek van de profeet Jeremia er maar op na. Daar staat ook beschreven hoe Jojakim een volgeling van Jeremia, de profeet Uria, ter dood had laten brengen omdat die wat al te hard had geprofeteerd tegen Jojakim. Volgens die profeten was de langdurige regering van Manasse, wel 55 jaar, waarin het volk zich niet had verzet tegen de afschuwelijke afgoderij de werkelijke oorzaak van de ondergang van Juda. Er waren kinderoffers gebracht en als je tussen de regels doorleest moet je aannemen dat ook Jojakim kinderoffers heeft gebracht.

In het verhaal van het spannende verhalenboek 2 Koningen is de rol van Egypte uitgespeeld. Niet de rol van de slavernij. De ballingschap ook van Juda staat op het punt van beginnen. Voor onze dagen is de boodschap nog steeds dat niet de grootmachten in de wereld moeten bepalen waar wij ons mee bezig houden. Zeker niet de culturele grootmachten of de economische grootmachten, maar alleen de grootmacht van de God van Israël. Door zijn zoon Jezus van Nazareth kunnen alle volken de weg van die God volgen. Door die zoon kunnen wij daar elke dag weer mee beginnen. Voor de koningen uit ons spannende verhaal was dat recht en gerechtigheid brengen. De armen recht doen, de zwakken beschermen, niet rijkdom maar rechtvaardigheid nastreven. Iedereen mee laten doen in de samenleving en je oogst delen met de familie, de tempeldienaren, de armen en de vreemdelingen. Daar kunnen we ook vandaag nog een samenleving mee opbouwen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.