Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2012

Een land van graan en wijn

dinsdag, 21 augustus, 2012

2 Koningen 18:26-37

Vandaag leren we allereerst waarom onderhandelingen tussen naties achter gesloten deuren worden gevoerd. We zien dat over de hele wereld gebeuren. Keurige mannen in strakgesneden pakken, nette mevrouwen in broekpakken of mantelpakjes die glimlachend naar de onderhandelingstafel gaan en nog even gefotografeerd worden als ze samen zitten. Maar dan gaan de deuren dicht en mag het gewone volk raden wat er achter de gesloten deuren gebeurd en afwachten wat het resultaat wordt. Heel af en toe komt er iemand naar buiten die komt dan vertellen hoe dapper die wel niet is en hoe ferm hij of zij zich opstelt in de onderhandelingen. Ook stiekum komt er informatie naar buiten, dat heet lekken en gaat er heel vaak over wie zo stijfhoofdig is om populaire uitkomsten van de onderhandelingen tegen te houden. Dat is om de druk op te voeren heet dat dan.

In het gedeelte dat we vandaag uit de Bijbel lezen horen we waarom er zo wordt omgesprongen met de belangen van de mensen waarover wordt onderhandeld. De hoogste legerleiding van Assyrië onderhandelt met de hoogste paleisvertegenwoordigers van Juda, alleen de koning van Assyrië en de koning van Juda zijn er niet zelf bij. Ze praten Judees. Opmerkelijk is natuurlijk de vraag om Aramees te praten. Dat was de eigen taal van de Assyriërs maar zou den duur de algemene rijkstaal worden van het rijk van Meden en Perzen. Zelfs in de Romeinse tijd spraken de mensen in Israël en omgeving nog Aramees. In het Nieuwe Testament hoor je Jezus van Nazareth regelmatig de taal van de gewone mensen spreken, Aramees. De deftige taal was toen het Grieks geworden, de taal waarin ook het Nieuwe Testament was geschreven. In de dagen van Koning Hizkia was dus de deftige taal het Aramees, de taal waarin een deel van het boek Daniël is geschreven.

Maar de legerleiding van Assyrië blijft Judees praten zodat alle mensen op de muren van Jeruzalem kunnen horen wat de Koning van Assyrië heeft aan te bieden. Allereerst macht, die koning is zo machtig dat geen bondgenootschap maar ook geen enkele god de macht van die koning heeft kunnen weerstaan. En die koning is zo machtig dat hij voor het volk van Juda een geweldig vruchtbaar en rijk land in de aanbieding kan doen. En als de God van Israël net zo zwak, of sterk, is als al die andere goden dan is het aanbod van de Koning van Assyrië toch wel een heel aantrekkelijk aanbod lijkt het. De propaganda druipt er af en propaganda kennen we onder meer uit de Tweede Wereldoorlog. Toen waren er mensen die dachten dat de Duitsers wel zo machtig waren dat ze niet te verslaan zouden zijn, je moest het maar op een akkoordje gooien. In het gedeelte dat we vandaag lezen zwijgt het volk, zoals opgedragen, maar het wacht af. Voor ons is het zaak te leren door de propaganda heen te kijken. Wie ons wil hebben onder dreiging van geweld kan nooit iets goeds te bieden hebben moeten we maar bedenken. En dan blijkt het zorgen voor de minsten in de samenleving een heel erg sterk wapen te zijn, zeker als je zelfs je vijanden weet lief te hebben. Wij kunnen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

“Val dit land aan en vernietig het.”

maandag, 20 augustus, 2012

2 Koningen 18:13-25

We horen dezer dagen van geweld en oorlog en van onderhandelingen en mooie praatjes. Wie goede voorbeelden wil bestuderen kan in de Bijbel terecht. Het verhaal van Koning Hizkia was al begonnen bij zijn vader Achaz. Die had een verbond gesloten met de koning van Assyrië zodat hij zelf koning kon blijven en Juda geen last zou hebben van de legers van Assyrië. Hij had daarvoor het goud en zilver uit de Tempel en het Paleis moeten laten halen en dat aan de Koning van Assyrië gegeven. Toen de kleine vorstendommen in de buurt optrokken tegen Juda omdat zij een verbond met Egypte hadden gesloten was de koning van Assyrië koning Achaz te hulp gekomen. Maar die had nog meer moeten betalen en de prachtige koperen altaren en versieringen die voor de Tempel stonden ook naarde koning van Assyrië moeten brengen.

Hizkia was een andere weg ingeslagen. De afgodendienst waar zijn vader zich schuldig had gemaakt had zijn broer het leven gekost toen die in het vuur werd geofferd aan de god Moloch. Hizkia ging weer terug naar de God van Israël als enige God voor het volk van Juda. Afgodsbeelden en vruchtbaarheidspalen werden vernietigd en alleen voor de God van Israël mochten nog offers worden gebracht. Maar Hizkia stopte ook met het verbond met Assyrië. Hij droeg geen schatting meer af. En dat pikte de koning van Assyrië niet. Hij stuurde een leger op Jeruzalem af dat zich legerde naast de watervoorziening voor de stad. Een bedreiging die je wel serieus moest nemen, een stad zonder water is als een mens zonder bloed. In het gedeelte dat we vandaag lezen erkent Hizkia dat hij stom is geweest. Een verdrag hoor je te respecteren. Zo doet ook de God van Israël met zijn verbond. Een enorm bedrag aan goud, zilver, edelstenen en slavinnen en  kostbare voorwerpen wordt als afkoopsom betaald.

Maar het gaat er ook om de machtsverhoudingen zuiver te stellen. Volgens de koning van Assyrië kan zelfs een vertrouwen op de God van Israël niet op tegen de macht van de wereldmacht Assyrië. De macht van de andere wereldmacht Egypte stelt al helemaal niets voor in de ogen van Assyrië. Of dat waar is moeten we maar afwachten, we hebben het spannende verhaal uit dit spannende verhalenboek nog niet tot het eind gelezen. Maar wat toen gold en vandaag nog geldt is dat je een verdrag niet zomaar kan opzeggen. Zoals Europa nu georganiseerd is hebben we voor een groot deel zelf mee bepaald, we kunnen het veranderen, maar we kunnen er niet zomaar af. Europa is zo georganiseerd om wereldoorlogen als in de vorige eeuw te voorkomen. Als kleine landjes zich losmaken uit eigen belang kunnen grote dat ook en komen de gevaren die geleid hebben tot wereldoorlogen weer terug. De God van Israël blijft trouw aan zijn verbond en roept op voor de minsten en de zwaksten te zorgen. Misschien moeten we in Europa daar ook maar eens mee beginnen. We krijgen er elke dag een nieuwe kans voor, ook vandaag weer.

De dorre vlakte vrolijk zijn

zondag, 19 augustus, 2012

Jesaja 35:1-10

Vandaag lezen we een stukje uit de Bijbel dat in kerken heel beroemd is geworden. Dat komt met name door dominee J.J.L. ten Kate. Die leefde in de negentiende eeuw en maakte een heleboel gedichten. Het gedeelte dat we vandaag lezen inspireerde hem tot het gedicht  “de dorre vlakten der woestijnen zal zich verheugen eindeloos, de zandzee zal herschapen schijnen want bloeien zal zij als een roos”. Het werd een zeer populair kerklied dat in 1938 als gezang 111 werd opgenomen in de zangbundel van de Hervormde Kerk. Toen in 1973 het liedboek voor de kerken uitkwam was het lied daaruit verdwenen. Want hoewel de springende lammen, de sprekende stommen, de ziende blinden en de horende doven er ook in voorkwamen was er één element niet aanwezig. Dat moedeloze volk dat sterk moet zijn en niet moet vrezen, dat moet vertrouwen op Gods wraak, op Gods vergelding.

Want de vrolijke melodie die bij het lied van dominee ten Kate was gemaakt paste niet bij de plaats die Jesaja aan zijn lied over de wildernis had gegeven. Jesaja plaatst het visioen midden in het verhaal over de ballingschap. In het gedeelte dat hier pal voor staat beschrijft hij wat er van de aarde is geworden, een bloeddoordrengte vruchteloze aarde waar niets meer aan te beleven valt. Een aarde zoals wij dezer dagen in Syrië zien ontstaan. Maar volgens Jesaja zal het daar niet bij blijven. De ballingen zullen weer naar huis keren. Het verwoeste Jeruzalem en de Tempel zullen weer opgebouwd worden. De wilde dieren zullen er verdwijnen. We weten dat na de ballingschap er zelfs leeuwen in Israël rondliepen die mensen aanvielen die naar de verlaten streek waren gedeporteerd. Het is dus een lied van hoop dat Jesaja ons laat zingen.

Die hoop is duidelijker terug te vinden in een lied dat Huub Oosterhuis dichtte bij dit Bijbelgedeelte:  “De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen juichen, de rotsen die staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open”. In het laatste couplet zet hij het ook voor ons in een toekomstperspectief als hij schrijft over een stem die ons zal roepen “dode, dode sta op” over de hand die ons zal wenken. Al de ellende die ons overkomt, die volken als dat van Syrië overkomt zijn geen natuurwetten. Tegen die dodende ellende mogen we opstaan. En in dat beeld van hoop passen weer de huppelende lammen, de sprekende stommen, de horende doven en de ziende blinden. Antoine Oomen componeerde een prachtige pianopartij bij het lied van Oosterhuis. Die pianopartij is zo mooi dat we het lied niet zo vaak zullen zingen als ooit de “dorre vlakten” van Ds.ten Kate was gezongen. Maar de hoop van Jesaja mag ook ons in beweging zetten. Want als wij elke dag opnieuw beginnen te leven volgens de regel van heb uw naaste lief als uzelf, dan zal de woestijn gaan bloeien, dan breekt eindelijk de vrede aan, daar mogen we ook vandaag weer aan beginnen.

Hij deed wat goed is.

zaterdag, 18 augustus, 2012

2 Koningen 18:1-12

Wie dit tweede boek Koningen leest zal het opvallen dat het nalopen van vreemde goden, andere goden dan de God van Israël, nogal sterk wordt veroordeeld. Het is dan ook iedere keer een verademing als er in Juda of Israël nog eens een Koning komt die de verering van vreemde goden afschaft en de verering van de God van Israël weer in ere hersteld. Over dat herstel lijkt het verhaal van vandaag wel te gaan. Nadat Achaz gestorven was komt een zoon van Achaz aan de macht, Hizkia. Er staat in de vertaling wel “de zoon” van Achaz maar er staat hiervoor in het verhaal ook dat Achaz een zoon had geofferd in het vuur. Hizkia was vijfentwintig toen hij koning werd. Voor ons lijkt dat jong maar de levensverwachting was meer dan honderd jaar terug in onze geschiedenis veel en veel minder dan tegenwoordig, onze discussie over de pensioengerechtigde leeftijd komt nu eenmaal omdat we met elkaar gemiddeld veel en veel langer leven dan in het verleden. Hizkia werd op een redelijke leeftijd Koning.

Voor de beoordeling van Hizkia moeten we ook de laatste verzen van het gedeelte van vandaag eerst even lezen. Daar staat dat het concurende koninkrijk van Juda, het noordrijk Isräel ophield te bestaan omdat de mensen daar vreemde goden waren gaan aanbidden en hun identiteit als nazaten van Jacob hadden opgegeven. Zij waren de onderdanen van Koning Hosea en als Koning Hizkia gewoon was doorgegaan waar zijn vader gebleven was zou ook Juda hetzelfde lot hebben moeten treffen dat Israël had getroffen. Hizkia lijkt het echter anders te willen gaan doen. Hij wordt weer koning zoals David ooit koning was geweest. Hij maakte een eind aan de cultus van Asjeera, de vruchtbaarheidsgodin van Kanaän. En hij verbrijzelde een bronzen slang die het volk ooit onder Mozes in de woestijn behoed had voor slangenbeten, maar die ze waren gaan aanbidden.Onze keurige Nieuwe Bijbelvertaling laat een beetje in het midden hoe, maar letterlijk staat er dat ze de slang aanriepen als “bronstige slang”, ook een cultus voor vruchtbaarheid dus.

Wat moeten we nu met zo’n verhaal over een Koning die de afgoderij afschaft, zich losmaakt van de onderdanigheid van een wereldmacht en de vijanden in de buurt weet te verslaan. Dat terwijl die wereldmacht ondertussen het meest verwante volk, dat van het noordrijk Israël, gevangen neemt en deporteert naar onbekende oorden. En werd uiteindelijk ook het volk van Juda niet in ballingschap weggevoerd? Ja dat is zo. Maar in het hart van het verhaal van vandaag staat dat de Koning zich hield aan de geboden die Mozes had doorgegeven. Die geboden weten laten zich samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf, een koning die die geboden onderhield deed ook de armsten in het land recht, liet mensen tot hun recht komen en zorgde dat honger en ellende uit het land verdween. Dat kan dus ook in tijden van crisis, het is dus geen natuurwet dat de armsten de crisis moeten betalen. Dat hoefde dus niet in de dagen van Hizkia, dat hoeft ook niet vandaag. De dreiging van de crisis is daarmee niet weg, maar wij hoeven daar eigenlijk niet zo bang voor te zijn. Als wij ons blijven inzetten voor de armsten in de wereld, dan zal het ons goed gaan. Gelukkig kunnen we dat elke dag weer opnieuw, ook vandaag weer.

Geen andere goden vereren

vrijdag, 17 augustus, 2012

2 Koningen 17:34-41

Je kunt dan wel kritiek hebben op de Samaritanen, die naast de God van Israël ook de goden vereerden die ze van huis hadden meegenomen, je moet natuurlijk niet de ogen sluiten voor wat je eigen volk doet. Iedere keer weer vervielen de Israëlieten in de gewoonte andere goden dan de God van Israël te aanbidden. En uitdrukkelijk worden hier de inwoners van de koninkrijken Juda en Israël bedoeld, de afstammelingen van dat ene volk dat als voorbeeld was gekozen voor alle volken en dat bevrijd was uit de slavernij van Egypte. Zij hadden de wetten en voorschriften gekregen die zich lieten samenvatten in het Heb uw naaste lief als uzelf, de manier om God lief te hebben boven alles. Met die God hadden ze afgesproken geen andere goden te dienen, geen offers te brengen, alleen de God die hen uit Egypte had geleid zouden ze voortaan nog vereren en aan zijn wetten zouden ze zich houden.

De vraag rijst waarom dat allemaal zo belangrijk is. Die nieuwe mensen in Israël waren daar ook maar heen gedeporteerd en als de achterblijvers net als het buurvolk in Juda respect zouden betonen voor hun goden en af en toe ook een offer zouden brengen aan die nieuwe goden dan vermeed je toch een heleboel wrijving en een bron van vele conflicten. Wie die vraag zo stelt gaat voorbij aan het gans andere karakter dat de godsdienst voor de God van Israël heeft. De godsdienst van de nieuwe goden had het zogenaamde voor wat hoort wat karakter. Als je zo’n god een offer bracht dan kreeg je daar wat voor terug. De God van Israël die hoefde geen offers, die had alles al. Een offer voor die God bewees alleen dat je bereid was te delen van je bezit, dat je oog had voor zijn geboden en dus voor de minsten, de zwaksten in je samenleving. De belangrijkste offers werden dan ook gebracht in de vorm van een maaltijd met Tempeldienaren, familie, knechten en slaven, armen en de vreemdelingen die bij je woonden.

In onze cultuur lijken we die afgoden waartegen hier wordt gewaarschuwd niet meer te kennen. Natuurlijk weten we van de totale overgave aan het behalen van succes, van winst en profijt, het achternalopen van goud en glitter. Maar hoeveel we er ook voor opofferen, tot onze eigen persoonlijkheid en ons uiterlijk toe, we noemen het geen goden. En in onze kerken en zogenaamde christelijke gemeenschappen daar gaat het toch ook over voor wat hoort wat, als je gelooft dan wordt je immers gered en behouden? Waarvan gered is niet altijd duidelijk of het moet zijn van een vaag soort oordeel na je dood, waar je dus geen weet van hebt. De afgoden hebben dus bij ons andere vormen aangenomen en de eigenschappen die aan afgoden werden toegekend kennen we voor het gemak toe aan een God die we aanspreken alsof het de God van Israël is. Dat die God alleen gediend wordt als er wordt opgekomen voor de lijdenden in de wereld, voor de slachtoffers van oorlog en geweld, voor zieken en gehandicapten, voor de zwaksten wordt verzwegen. De samenleving hoort niet bij geloof klinkt het dan. De Bijbel leert anders, daar valt geloof samen met het geloof dat met de God van Israël van de samenleving een land van melk en honing gemaakt kan worden. Elke morgen weer mogen we daarheen op weg gaan en daaraan gaan werken, ook vandaag weer.

Ze vereerden dus wel de HEER

donderdag, 16 augustus, 2012

2 Koningen 17:24-33

Echte godsdienst is niet gemakkelijk. Er zijn allerlei goden en die hebben allerlei taken en bevoegdheden. Je moet maar op tijd de juiste god weten aan te roepen. In de dagen van de ballingschap van de mensen van het noordelijk koninkrijk Israël had iedere stad en iedere streek een eigen god. Geen wonder dan ook dat toen er slachtoffers vielen onder de nieuwe bewoners van het verlaten en verwilderde gebied de mensen dachten dat ze de god van die streek niet goed hadden geëerd. Er werd dus een priester teruggestuurd naar die streek om de nieuwe bewoners te leren hoe je de god van die streek op de juiste manier moest eren. Voor de bewoners van Juda waren dat dus de Samaritanen, de mensen die naar het noordelijk rijk Israël waren gedeporteerd en de God van Israël aanbaden als een streekgod en daarnaast hun eigen goden hadden gehouden.

Het is een manier om mensen apart van jou te houden. Ook in onze dagen speelt dat. Godsdienstgeleerden, Christelijke theologen, zijn er steeds meer en steeds duidelijker van overtuigd dat moslims dezelfde God aanbidden als Joden en Christenen. Moslims waren daar zelf al eerder van overtuigd maar de betekenis er van dringt maar langzaam tot ons door. Dat was voor de Samaritanen ook zo. Zijzelf beschouwden zich als afstammelingen van de achterblijvers, de mensen die niet waren gedeporteerd maar over het hoofd waren gezien. Ze bleven hun godsdienst onderhouden in de heiligdommen die altijd al in het gebied van Israël gewijd waren aan de God van Israël. Maar toen de ballingen terugkeerden en Jeruzalem gingen herbouwen bleven zij vasthouden aan de vijf boeken van Mozes als de enige bron van hun geloof. De boeken van de profeten, de geschriften als de Psalmen, de Spreuken en Prediker erkenden ze niet. Pas in de dagen van het ontstaan van het Christendom ontstond er binnen de Christelijke beweging weer een eenheid tussen Joden en Samaritanen.

Er staan voor ons zeer vreemde goden genoemd in het gedeelte van vandaag. Geleerden zoeken dan uit wat voor goden dat dan wel zijn geweest. En dan blijkt dat die goden niet voor niets worden genoemd. Nergal bijvoorbeeld was de god van de onderwereld, die allerlei rampen over de mensen brengt. Vanouds overigens een herdersgod. Maar zie eens wat voor onheilsgoden die mensen meebrachten. Ze hadden zelfs goden waar kinderen aan geofferd werden. In Bethel, waar les gegeven werd in de verering van de God van Israël, werd die God van Israël overigens aanbeden in de vorm van een kalf. Dat kalf stond voor het nieuwe leven dat die God je zou geven. Dat doet natuurlijk denken aan het gouden kalf uit de woestijnreis. Zo zijn er in het verhaal allerlei onderhuidse verwijzingen naar het waarom van het verwerpen van Samaritanen door de Joden. En is het verhaal tegelijk een waarschuwing aan ons zeer voorzichtig te zijn met onze taal rond vreemdelingen en minderheden. Het zal duidelijk zijn dat dit verhaal voor Samaritanen, die eeuwen en eeuwen de geboden van de God van Israël bewaard hadden en die God vereerd hadden, zeer kwetsend was. Zo kwetsend is soms ook ons taalgebruik over vreemdelingen. Gelukkig dat we elke dag een nieuwe morgen hebben waarop we opnieuw en als nieuw met onze naasten mogen omgaan, ook vandaag weer.

 

Keer terug van jullie dwaalwegen

woensdag, 15 augustus, 2012

2 Koningen 17:13-23

Zeg nu niet dat we niet gewaarschuwd zijn. Israël en Juda, de twee kleine koninkrijkjes waarin het Koninkrijk Israël van David uiteen was gevallen, waren gewaarschuwd en wij zijn het ook. Voor onze financiële crisis uitbrak wezen mensen er bezorgd op dat tophypotheken en aflossingsvrije hypotheken mensen wel in verleiding brachten een huis te kopen maar als de koper een ongeval kreeg en in de WAO of later de WIA terecht zou komen dan zou er een probleem ontstaan. Over werkloosheid werd nog niet eens gesproken en dat bij tweeverdieners ook beiden werkloos zouden kunnen worden werd al helemaal niet serieus genomen. De waarschuwingen werden in de wind geslagen net als de waarschuwingen van schuldhulpverleners dat het lenen van geld wel heel gemakkelijk werd en dat mensen daardoor in de problemen komen.Pas op het allerlaatste moment werd er een waarschuwing in advertenties verplicht dat lenen geld kost.

Maar het hielp weinig. Nog steeds lijkt het besef niet echt door te dringen. Mensen weten al lang dat ze niet meer moeten lenen om grote zaken te kunnen kopen. De teruggang in de binnenlandse consumptie komt dus niet omdat mensen de hand op de knip houden maar doordat ze geen nieuwe leningen afsluiten voor de oude zijn afbetaald en dan nog niet omdat het te veel problemen brengt. Ook in Juda en Israël werden de goden van winst en profijt vereerd, de stierkalveren en de Asjeerapalen. Goden van lucht en leegte, met eigen handen gemaakt, versierd met goud en zilver, maar stom en vergangkelijk, als je ze in het vuur gooide dan verbrandden ze. Nee, zelfs kinderoffers werden niet geschuwd, net als waarzeggerij. In navolging van Assyriërs werden de maan en de sterren aanbeden, Baäl werd hun god.

Het was al begonnen toen Israël zich losmaakte van Juda en voor zichzelf begon. De eenheid van het Koninkrijk van David verdween en daarmee ook de bereidheid te delen met elkaar, te zorgen voor elkaar en vooral te zorgen voor de minsten, de zwaksten. Daarmee verdween ook het besef dat je tegenover je vijanden pas echt sterk staat als je schouder aan schouder weet te staan en samen de problemen weet aan te pakken. Dat kleine mini koninkrijkje Israël dat, ondanks alle waarschuwingen van profeten en zieners, bleef vasthouden aan die mooie zelfgemaakte goden, aan de glans van goud en zilver, aan het opkijken naar de rijken en machtigen in plaats van de hand uit te steken naar de behoeftigen, verloor haar bevolking omdat het in ballingschap werd gevoerd naar Assyrië. Wie niet horen wil moet maar voelen. Het was een waarschuwing staat er. Een waarschuwing die wij ons ook ter harte kunnen nemen. Ook wij moeten nog een samenleving opbouwen waar de minsten voorop staan, waar eerst gezorgd en dan verkwist wordt. Gelukkig mogen wij er elke dag opnieuw weer mee beginnen, ook vandaag weer.

Ze waren andere goden gaan vereren

dinsdag, 14 augustus, 2012

2 Koningen 17:1-12

Toen Koning Achaz van Juda twaalf jaar had geregeerd, hij zou in totaal zestien jaar regeren, kwam er in Israël een nieuwe koning, koning Hosea. Het gedeelte van het boek met de spannende verhalen, 2 Koningen, waar we dezer dagen uit lezen speelt in een tijd dat het oorspronkelijke land van het volk Israël in twee Koninkrijken was gesplitst. Achaz ging over Juda, met als hoofdstad Jeruzalem, en Hosea over het noordelijke rijk Israël met als hoofdstad Samaria. De vader van Hosea had een bondgenootschap gehad met een paar koningen van andere buurvolken van Juda en had geprobeerd Juda te veroveren. Maar alleen de Koning van Edom had een stukje in bezit kunnen krijgen. Koning Achaz had voor veel geld een bondgenootschap gesloten met de koning van Assyrië, die op verzoek van Achaz de stad Damascus had ingenomen en de bevolking gedeporteerd naar zijn eigen land.

Dat veroveren van kleine koninkrijkjes was de koning van Assyrië wel bevallen. Koning Achaz had hem nog kunnen afkopen met een serie tempelschatten maar die nieuwe koning Hosea stond vast niet zo stevig in zijn schoenen. Dat bleek want het noordelijke koninkrijk Israël werd onder de voet gelopen en koning Hosea kreeg de verplichting om belasting te betalen aan de koning van Assyrië. Dat was natuurlijk niet naar de zin van de jonge koning Hosea. Nu was er nog een wereldmacht op wie de kleine koninkrijkjes misschien een beroep zouden kunnen doen. Dat was Egypte, het machtige Egypte dat ooit het volk van Israël als slaven had gehouden en waaruit ze met de hulp van de God van Israël waren ontsnapt. Dat was geschiedenis en Hosea smeedde een complot om samen met Egypte Assyrië te verdrijven. Nu is het niet betalen van belasting niet de meest slimme start van een dergelijke onderneming, men komt er snel achter dat er iets niet klopt. Hosea ging het gevang in en ook hier werd een deel van de bevolking gedeporteerd, dat werkte had men in Assyrië gemerkt.

Er komen in deze verhalen geen arme mensen voor, geen boeren en arbeiders uit Israël en Juda. De God die geboden had je naaste lief te hebben als jezelf telde niet meer mee. De heidense volken van Kanaän en omgeving hadden leukere goden. Van goud en zilver en palen die je in moeder aarde, Asjeera, kon drijven om vruchtbaarheid te krijgen voor de akkers. Daar hoorden feesten bij van drinken en met elkaar de vruchtbaarheid beoefenen. Die afgoden van winst en proftijd waren veel leuker dan de saaie God van altijd maar moeten delen, altijd maar de ziektekosten voor armen te moeten betalen, altijd maar arme kinderen laten studeren op kosten van de rijken. De geboden van je zult niet doden en je zult niet stelen kun je toch niet altijd en onder alle omstandigheden houden? Die afgoden hadden priesters die je vertelden wanneer je je er niks van aan hoefde te trekken, die je wegen toonden om te laten zien hoe stoer en flink je wel niet kon zijn, al moest je een bondgenootschap met je vroegere slavenhouders sluiten. In onze dagen gaat het vaak niet anders. Er blijft gelukkig de oproep klinken om weer de Weg van de Liefde te gaan, elke dag weer de minsten en de armen in de wereld voorop te zetten, en elke dag mogen we gehoor geven aan die oproep, ook vandaag weer.

Wanneer ik een godsspraak wil verkrijgen

maandag, 13 augustus, 2012

2 Koningen 16:10-20

Als politici het over afbouwen hebben, afbouwen van voorzieningen of afbouwen van gebouwen, dan bedoelen ze afbreken, of tenminste beperken. Die manier van praten maakt dat gewone burgers niet zo snel door hebben wat er wordt bedoeld. Soms is hetgeen afgebouwd moet worden dierbaar voor de mensen, of zelfs heel belangrijk en als er ruw gezegd  wordt dat het afgebroken zal worden of beëindigd dat ontstaat er maar protest, terwijl die politici vinden dat ze het algemeen belang voor ogen hebben en dat iedereen het met ze eens zou moeten zijn. Dit soort uitdrukkingen is door de geschiedenis heen altijd gebruikt. Vlak na de tweede wereldoorlog voerde ons land oorlog met de nationalisten in Indonesië die er een onafhankelijke staat van wilden maken. Nu kwamen we net uit de oorlog en dat klonk dus lelijk, dus noemden we het een politionele aktie, was het zelfde maar het klonk beter. Volgens velen gebeurd er hetzelfde met onze bijdrage aan de opbouw en de veiligheid van Afghanistan. Het is dus niet zo vreemd dat we dit soort taalgebruik ook in de Bijbel tegenkomen. Het gedeelte van vandaag is er een mooi voorbeeld van.

Want wat ging die Koning Achaz van Juda nu precies doen in Damascus bij die Koning van Assyrië? Het verhaal van de Bijbel zegt dat hij er op bezoek ging, maar de Bijbel is geen journalistiek verslag of een geschiedenisboek. Historici hebben ontdekt dat de Koning van Assyrië vazallen ontving, koningen van landjes die hem belasting schuldig waren, waar hij eigenlijk de baas over was. En Koning Achaz had al belasting betaald aan de Koning van Assyrië, gouden en zilveren voorwerpen uit de Tempel in Jeruzalem en uit het Paleis. Kennelijk was het niet genoeg. Er was ook nog een mooi bronzen altaar, er waren prachtig bewerkte onderstellen van spoelbekkens en op die onderstellen waren fraaie panelen. Allemaal zaken waar je de Koning van Assyrië blij kon maken, net als de bronzen runderen die het grote bekken droegen. Er kwam een gewoon altaar met trappen voor in de plaats. Voortaan moesten daar maar de offers op gebracht worden. Dat de offers bedoeld waren om te delen, om je bereidheid om te delen te tonen, verdween. Het ging er voortaan om gunsten van God te krijgen tegen betaling van een offer. Zo ging het immers in alle godsdiensten.

De koning speelde in de Tempel geen koning meer. Alles wat daarop zou kunnen lijken werd afgebroken. Hij speelde alleen nog waarzeggertje, net als de Romeinse Keizers later zouden doen. Uit een offer zou hij een godsspraak af kunnen leiden. Pas als we zien hoe de verhoudingen tussen wereldmachten en kleine landjes zijn kunnen we duiden wat de betekenis is van de verhalen die leiders van kleine landjes vertellen. Dat was in de dagen van koning Achaz zo, dat is in onze dagen nog net hetzelfde. Frankrijk en Duitsland bepalen voor een groot deel wat er in Europa gebeurd en onze regering heeft daar maar weinig invloed op. En als de Verenigde Staten politieke en of militaire steun nodig hebben voor de bescherming van hun eigen belangen dan is Nederland er snel bij om steun te geven of om zelfs mee te doen. De Bijbel roept ons met verhalen als over Achaz op om door de woorden van machthebbertjes heen te luisteren, om er niet in te trappen, roept ons op om de maat van de God van Israël er langs te leggen. Worden hier armen beter van? Wordt de God van Israël meer gediend, of ook voor de gek gehouden? Doen we het samen of moeten we wel? Elke dag opnieuw mogen we ons weer afvragen hoe onze samenleving is ingericht en er aan werken dat het gaat lijken op het Koninkrijk van God, ook vandaag weer.

Ik ben uw dienaar en uw zoon.

zondag, 12 augustus, 2012

2 Koningen 16:1-9

Vandaag beginnen we een verhaal te lezen uit het spannende verhalenboek 2 Koningen. Er zijn twee boeken over Koningen maar er zijn ook nog twee boeken die Kronieken heten en die verhalen hebben die gebaseerd zijn op dezelfde gebeurtenissen als de verhalen in de boeken Koningen. Boven elk van die verhalen uit de boeken Koningen en Kronieken hoort eigenlijk een vetgedrukte waarschuwing te staan. Dit is de Bijbel en dit is geen geschiedenisboek. Het is niet gebaseerd op het soort historische bronnen waar geschiedeniswetenschappers in onze dagen gebruik van maken en er zijn geen journalisten aanwezig geweest om ons onafhankelijke verslagen van de gebeurtenissen na te laten. De verhalen vertellen hoe in Israël geluisterd werd naar de God van Israël en wat er daardoor met de mensen gebeurde. In het verhaal dat we vandaag beginnen te lezen is het land Israël uiteengevallen in twee kleine koninkrijkjes, Juda in het zuiden met als hoofdstad Jeruzalem en Israël in het Noorden met als hoofdstad Samaria.

Ons verhaal begint als er een nieuwe koning in Jeruzalem komt. Achaz, een koning van twintig jaar die zestien jaar zou regeren. Ook in Israël, het zuidelijke koninkrijk, was er in die tijd een koning en wel Pekach die al zeventien jaar koning was toen Achaz, de zoon van Jotam,  aan de macht kwam. Die Achaz stamde nog van David af maar het was geen beste Koning, hij volgde niet de Wet van de God van Israël zoals David dat had gedaan. Hij deed net als de Koningen van Israël staat er. De verteller van dit verhaal heeft het niet zo op de Koningen van Israël. Die Koningen hadden een ander heiligdom moeten inrichten omdat ze niet meer naar de Tempel in Jeruzalem konden gaan. Die Tempel van hun moest ook mooi zijn, net zo mooi als de Tempel van Salomo was geworden. De manier om de tempel nog mooier te maken was door er mooie gouden en zilveren beelden in te zetten, net als de buurvolken van Israël hadden. Achaz deed hetzelfde in Jeruzalem wordt ons verteld. Hij ging zelfs nog verder, hij offerde zijn zoon in een brandoffer, naar we aannemen aan Moloch, de afgod van Assyrië aan wie kinderoffers werden gebracht.

Wat is nu het gevolg? Er komt oorlog, de ene koning verbindt zich met de andere en ze proberen elkaars land en steden te veroveren. Maar Achaz helemaal verslaan dat lukte de koninkjes nu net niet, al verloor Juda een behoorlijk stuk van haar territorium. Achaz was echter geen haar beter en in plaats van te vertrouwen op de God van Israël sloot hij een verbond met de koning van Assyrië. Met goud en zilver uit de tempel in Jeruzalem werd die koning omgekocht. De koning van Assyrië vond het wel best zijn macht uit te breiden en daar nog voor betaald te krijgen ook. Hij nam Damascus in, liet de koning ombrengen en het volk in ballingschap brengen. Na de ballingschap lazen de Israëlieten tot hun schrik dat het een koning van Juda was geweest die Assyrië op het idee had gebracht volken in ballingschap te brengen. Dat was hun zelf ook overkomen. De boodschap van het verhaal is dus ook dat je nooit op bondgenootschappen met machtige volken moet vertrouwen maar altijd het lot van arme mensen voorop moet stellen. In ons verhaal komen die arme mensen niet voor, maar hopelijk in ons leven wel. Wij mogen elke dag ons vertrouwen stellen op de God die ons oproept om de naaste lief te hebben als onszelf, daar mogen we ook vandaag weer mee beginnen.