Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2012

Dit einde had ze niet voorzien

zaterdag, 21 juli, 2012

Klaagliederen 1:1-11

Vandaag beginnen we te lezen in het boek de Klaagliederen, één van de vijf feestrollen. Feesten zijn bij het Joodse volk en in de Christelijke kerk iets anders dan in de wereld. Natuurlijk zijn er feesten met vreugde maar er zijn ook feesten met rouw. De Christelijke kerk kent haar Goede Vrijdag, als de kruisdood van Jezus van Nazareth wordt herdacht en het boek Klaagliederen wordt in de Joodse godsdienst gelezen op de negende dag van de maand av, de jaarlijkse rouw en vastendag waarop de verwoesting van de Tempel wordt herdacht. Het boek is geschreven tegen de achtergrond van de verwoesting van Jeruzalem in 586. Het bestaat uit 5 liederen van elk 22 strofen, voor elk van de letters van het Hebreeuwse alfabet één strofe. De oude Statenvertaling gaf die letters bij elke strofe ook keurig aan, in latere vertalingen is dat weggevallen. Het boek begint dus met de letter a en met het woord dat in onze vertaling Ach heet. Het oorspronkelijke Hebreeuwse boek heet dan ook Ach.

Vroeger dacht men dat de Klaagliederen van Jeremia waren maar moderne geleerden schrijven ze eerder toe aan tempelzangers die niet uit Jeruzalem verbannen waren. Die verbondenheid met Jeremia is zo vreemd nog niet. Die profeet beschreef de zware zonden die volgens het gedeelte van vandaag Jeruzalem tot een voorwerp van spot gemaakt hadden. Volgens Jeremia had men afgodsbeelden in de Tempel geplaatst, stond op elke hoek van de straat een beeld van Baäl en had men in de velden palen geslagen voor Asjera de vrouw van Baäl, moeder aarde, zodat de aarde vruchten zou geven. Als toppunt van schande stookte men een vuur waarin men kinderen offerde aan de god Moloch. Israël had helemaal de godsdienst van de omringende volken overgenomen. Want ja, die godsdienst van Israël was oud en het werd tijd voor iets nieuws. Bovendien was aan die godsdienst zo weinig te beleven. Nergens waren beelden en het belangrijkste was het delen met de armen en het zorgen voor de zwakken. Een beetje versiering in het leven mag dan toch wel en je kunt ook godsdienstig zijn als je een mooi beeld in het centrum van je godsdienst zet.

Een einde als dit, de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap had men niet verwacht. Vreemde soldaten die zo maar de Heilige vertrekken van de Tempel binnenliepen. De bevolking van Jeruzalem die haar kostbaarheden moest ruilen voor voedsel. Daar mogen wij dus ook wel voor oppassen nu we de Ontwikkelingssamenwerking ter discussie stellen en miljarden willen bezuinigen. De armsten in de wereld, de hongerigen, de naakten, de ontrechten, staan niet meer in het centrum van onze regeringsbeleid. Wij moeten het doen met stoken tussen bevolkingsgroepen en met het ontzeggen van het recht aan mensen een gezin te vormen zoals Izaäk en Jakob eens deden, die haalden hun bruiden uit een ver land waar hun voorvaderen hadden gewoond. Of het ook met ons zo slecht zal aflopen is natuurlijk maar de vraag, maar dat we ons mogen schamen voor de hongerdoden die dankzij ons beleid vallen in de wereld is duidelijk. Dat we er wat aan kunnen doen door ons extra in te zetten voor de armen in de wereld is ook duidelijk en dat kunnen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

‘Voor ons geen visioenen!’

vrijdag, 20 juli, 2012

Jesaja 30:6-18

We lezen om te beginnen een uitspraak over de dieren van het Zuiderland. Dat zegt ons niet zoveel, maar als we naar de kaart van Israël kijken dan ligt het voor de hand te denken dat het zal gaan over de woestijn en vooral over de roofdieren die zich in de wildernis schuilhouden. Nu is het Hebreeuws een aardige taal, de schrijftaal kent geen klinkers. En als je in een woord de klinkers vervangt door andere klinkers dan betekent het woord ineens iets anders. Geleerden die met die dieren uit het Zuiderland niet zo tevreden waren hebben nog eens nauwkeurig naar de tekst gekeken en komen dan met het nijlpaard van Egypte en dat slaat direct op het verbond dat Juda met Egypte had gesloten, dat was immers een loos en leeg verbond. Tussen Israël en Egypte lag inderdaad die woestijn die ze maar al te goed kenden, waar karavanen doorheen trekken met ezels en kamelen. Eén zo’n karavaan had ooit Jozef meegevoerd als slaaf naar Egypte.

Als we het hebben over profeten dan hebben we het al snel over onheilsprofeten. Mensen die langs de kant van de weg staan om te vertellen hoe slecht we wel zijn en hoe schandalig we ons gedragen. En als je uitgescholden wordt voor onhandelbaar volk, voor kinderen vol bedrog die niet willen luisteren dan is dat niet zo heel vreemd. Maar volgens dit deel uit het boek van de profeet Jesaja ligt dat ook aan onszelf. Wij horen van die profeten alleen maar de verwijten. Wij horen niet naar het visioen, naar de analyse van de waarheid zoals die oplicht in het licht van de God van Israël. Kijk maar eens naar het laatste vers uit het gedeelte van vandaag. Er zal volgens de profeet een ogenblik komen dat de God van Israël voorbij ziet aan al die slechte dingen van het volk en zich zal ontfermen. Het is een God van recht staat er. Hoezo? Als je fout doet moet je veroordeeld worden! Maar niet bij de God van Israël, recht is voor die God: mensen tot hun recht laten komen.

Het visioen dat de profeten ook ons voorhouden is dat als je leeft volgens het principe dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, als je een samenleving zo inricht dat de minsten mee kunnen delen en tot hun recht komen, dat de armen beschermd zijn en er voor de weduwe en de wees wordt gezorgd, dat vreemdelingen gastvrij worden opgenomen en waar geen angst meer is voor een ander dat het dan goed zal gaan met het volk, dat dan het volk in vrede leeft. De voorwaarden die de profeten schetsen voor een volk dat in vrede leeft zijn niet heel ingewikkeld. Ze konden in de tijd van de profeet Jesaja worden toegepast en vele eeuwen daarvoor toen het volk door de woestijn trok en ze kunnen in onze dagen worden toegepast. We hoeven zelfs niet te wachten tot onze volksvertegenwoordiging ze in wetten en regels heeft weten vast te leggen. We kunnen een volksvertegenwoordiging kiezen die van die regels uitgaat, maar nog beter is gewoon zelf met de regel dat we onze naaste liefhebben als onszelf te beginnen. Dat kan elke dag weer opnieuw, zelfs vandaag weer.

Want dat volk heeft niets te bieden.

donderdag, 19 juli, 2012

Jesaja 30:1-5

Profeten hebben het nergens op met bondgenootschappen die de Koningen van Israël en Juda sluiten met andere volken. Dat komt omdat ze vinden dat het volk Israël allereerst haar steun moet zoeken bij de God van Israël. Ze dromen van een volk dat weigert iemand ter dood te brengen omdat het verbond met hun God zegt “Gij zult niet doden”. Ze dromen van een volk waarin iedereen voor iedereen zorgt. Waar de bedreiging van een enkeling een bedreiging voor allen is, maar waar verlies van goederen, land en inkomen direct door gezamenlijke inspanning wordt goedgemaakt. Zo’n volk, een volk dus dat de weg van de God van Israël volgt is volgens de profeten onoverwinnelijk. Zeker in het boek van de Profeet Jesaja vindt je voortdurend de waarschuwingen tegen al die bondgenootschappen. En een bondgenootschap met Egypte, het land van de dood en de doodscultus is al helemaal het einde, dat betekent dat het volk haar slavernij en de bevrijding daaruit helemaal vergeten is.

In het gedeelte dat we vandaag lezen gaat het om Juda dat een verbond gaat sluiten met Egypte. Gezanten zijn naar Soan en Chanes gereisd om daar te onderhandelen over de verdragsbepalingen. De namen van die steden zeggen ons niks maar geleerden hebben uitgemaakt dat het Hebreeuwse verbasteringen zijn van Egyptische namen voor hun steden, zoals wij Parijs zeggen tegen het Franse Paris, en Berlijn tegen het Duitse Berlin. Het gaat dan om de hoofdstad van Egypte, de stad waar de Farao woonde en de Priesterstad, de stad waar de Egyptische tempels stonden. Dat beide steden werden bezocht geeft aan dat het sluiten van het verdrag met Egypte ook een religieuze kant had. Geen vreemde zaak, als buitenlanders steun bij jou kwamen zoeken dan zochten dus ook steun bij de God die aan jouw kant stond. Die God werd door een verdrag alleen maar groter en sterker.

Juda kon het dus niet af met de God van Israël, de God die het volk had bevrijd uit de slavernij in Egypte. Het steun zoeken bij vreemde goden zou ze wel eens duur kunnen komen te staan. Volgens de profeet zou slechts schande, spot en hoon hun deel zijn. Ook in onze dagen willen mensen nog wel eens bondgenootschappen met vreemde volken langs de maat van de Bijbel leggen. Staat het “Gij zult niet doden” voorop? Met andere woorden ,worden we verleid tot een vechtmissie of een hulpmissie? Laten we de armsten in een conflict tot hun recht komen? Is er sprake van humanitaire hulp? Is er sprake van bevrijding van onderdrukten of vervangen we de ene onderdrukker door de andere? Als je “Gij zult niet doden” voorop zet betekent niet dat je afziet van het gebruik van wapens en volstrekt je geweldloos gedraagd. Wie de verhalen van de profeten leest hoort daar wel anders vertellen. Maar het betekent dat je geweld wil overwinnen door het goede te doen en niet dan het goede. Dat kunnen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Omdat ze hardleers waren

woensdag, 18 juli, 2012

Marcus 6:45-56

Je hoort Jezus van Nazareth zuchten in dit verhaal. De leerlingen waren twee aan twee op stap geweest. Een succesreis die diepe indruk had gemaakt tot aan het hof van koning Herodes toe. Van heinde en ver waren de mensen op ze afgekomen, zo veel dat ze zelfs bang werden dat er niet genoeg te eten was, maar Jezus had ze geleerd samen te werken en op elkaar te vertrouwen, dat had gewerkt. Nu was het eind van de dag gekomen. Nu leek de vakantie aangebroken waar ze zo’n behoefte aan hadden. Jezus zou de mensen naar huis sturen en alleen tot rust komen en wat bidden. De leerlingen stapten alvast in de boot en zouden naar de overkant van het meer varen. Nou ontgaat ons gemakkelijk iets, omdat voor ons zo’n meer niet die betekenis meer heeft die het voor de vissers uit Galilea had. In de Joodse verhalen staat de zee, het meer, voor het dodenrijk, voor de chaos waaruit God ooit de hemel en de aarde had gemaakt, voor de wanorde.

Die zee, dat meer, was van zichzelf dus al bedreigend en nam die dreigende gestalte zeker aan als de valwinden van de heuvels het water opzweepten. Maar hoe zat het ook al weer, moet je je in tijden van nood door angst laten regeren of door samenwerken? Jezus van Nazareth kwam naar ze toe om ze te helpen en berispte ze om hun angst. In het verhaal van Jezus van Nazareth, zoals Marcus ons dat vertelt gaat samenwerking ver boven de angst die we kunnen voelen. Wij worden bang gemaakt, door vertegenwoordigers van de rijken, dat dat eerlijker delen ten koste zal gaan van de armen, dat die ook zullen  moeten inleveren. Zou het dan niet waar zijn dat vijf broden en twee vissen genoeg zijn om een volk te eten te geven? Of moeten we ons laten regeren door de angst. We moeten toch langzamerhand weten dat ruim 50 jaar van eerlijk delen in Europa ons allemaal kansen heeft gegeven en dat iedere keer als de rijken rijker en de armen armer gemaakt worden de ellende in de samenleving ook toeneemt.

Op alle mogelijke manieren worden we bang gemaakt voor eerlijk delen. Eerlijk delen in Europa want Grieken, Italianen en Spanjaarden zijn ook onze klanten en we gaan er maar al te graag heen voor een goedkope vakantie. Maar ja, we zijn net volgelingen van Jezus, hardleers dus. Die leerlingen hoorden het “Vrees niet!” Zij maakten mee hoe het kwaad werd bestreden en mensen weer mee konden doen aan de samenleving. Daar zullen wij ook voor moeten werken. De hand uitsteken en zorgen dat gewone mensen kansen krijgen die wij ook krijgen. Ook daar zullen de rijken mee moeten delen, maar waar zijn onze wetten tegen exorbitante zelfverrijking? Bonussen worden hier vrijwillig achterwege gelaten, maar voor hoelang? Overal in de bewoonde wereld zijn de mensen onze zusters en broeders en met hen allen zullen we dus een echte samen leving moeten zien op te bouwen. De Weg van Jezus van Nazareth helpt ons daarbij, die mogen we elke dag weer opnieuw gaan, ook vandaag weer.

Vijf broden, en twee vissen

dinsdag, 17 juli, 2012

Marcus 6:30-44
 
We leven in de vakantietijd. In onze dagen een tijd om te rusten, om er op uit te gaan, om even los te komen van werken en zwoegen. In de Bijbel is daar het Sabbatsjaar voor, eens in de zeven jaar dan leef je van het land en laat je het bewerken van het land achterwege. Onze zomervakantie is een gevolg van kinderarbeid. Toen de leerplicht werd ingevoerd bleek dat kinderen in de zomer onmisbaar waren bij het oogsten en bij het verwerken van de oogst. Die kinderarbeid is meer en meer verboden geraakt maar de vakantieweken in de zomer zijn gebleven. En in plaats van de kinderarbeid is de arbeid van illegale vreemdelingen gekomen. In het verhaal van vandaag gaat het bijna over vakantie. Jezus van Nazareth wil namelijk met zijn leerlingen op vakantie.

Ze kregen zelfs de tijd niet om te eten zo namen de mensen hen in beslag. De leerlingen waren de dorpen en steden rondgegaan om het goede nieuws te brengen en waren bij de meester teruggekeerd om te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Maar van vakantie kwam niet veel. Ze hadden zo’n succes gehad dat een grote menigte hen volgde. Jezus van Nazareth kon niet anders dan al die mensen vertellen over zijn nieuwe Koninkrijk en hen te leren hoe daarin te leven. Maar ja, organisatoren van massabijeenkomsten moeten de catering niet vergeten. Nu niet en toen ook niet. Zelf hadden ze maar vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus had echter net de menigte geleerd over delen met elkaar, ook het laatste wat je hebt, al is het je leven, delen met degene die minder of niets heeft. En als iedereen het weinige dat er is met elkaar deelt is er voor iedereen genoeg.

De 12 manden die overbleven zeggen dat er voor het hele volk zelfs wel genoeg is. Degenen die de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel hadden bestudeerd die konden dat weten. De profeet Elisa had bijvoorbeeld een arme vrouw eens geadviseerd om alle lege kruiken van de buren bij elkaar te halen en dan van de ene kruik naar de andere de olie over te schenken. Uiteindelijk hield ze zoveel over dat ze zelf genoeg had en genoeg kon verkopen om er van te leven. Ook tijdens onze crisis gooien wij zoveel weg dat anderen er ruim van zouden kunnen leven. Onze voedselbanken krijgen voedsel dat in de supermarkten niet meer verkocht kan worden omdat het over is. Maar de armen in ons land die van de voedselbanken moeten leven zijn er nog wat blij mee. En van wat er aan huisvuil van ons wordt verbrand worden hele steden van electra voorzien en zullen wijken en bedrijven de komende winter van warmte kunnen genieten. Dat delen van brood en wijn gebeurd met enige regelmaat in alle kerken in ons land. Dat herinnert ons aan de les van Jezus van Nazareth waarover we vandaag lezen, als we bereid zijn om te delen is er voor iedereen genoeg, we moeten alleen bereid zijn om eventueel onszelf te delen, hij is ons daar in voorgegaan, wij mogen volgen, ook vandaag.

Koning Herodes hoorde van hem

maandag, 16 juli, 2012

Marcus 6:14-29
 
De Bijbel is zo groot en staat zo vol prachtige verhalen dat het soms lastig is om al die verhalen op de juiste manier te vertellen. In het Nieuwe Testament staan sommige verhalen dan ook nog drie of vier keer op verschillende manieren verteld en dus met verschillende bedoelingen, om ons steeds een ander deel van de boodschap duidelijk te maken. Elke evangelist vertelde het verhaal zo dat de boodschap die ze nodig vonden voor degenen voor wie ze het schreven duidelijk zou worden. Met het verhaal over de onthoofding van Johannes de Doper is dat ook zo gegaan. We kennen natuurlijk het verhaal over koning Herodes die van Johannes de Doper kritiek kreeg op de manier waarop die koning getrouwd was en op verzoek van zijn vrouw en dochter de profeet liet onthoofden en het hoofd op een schaal liet zien. Maar Marcus vertelt het verhaal bijna terloops midden in een ander verhaal.

Marcus heeft het over de leerlingen van Jezus die twee aan twee er op uit gingen, het boze uitdreven en zorgden dat zieken weer mee konden gaan doen met de samenleving. Die manier van optreden van Jezus van Nazareth maakte diepe indruk op de Koning. Die manier van doen maakte dat Jezus van Nazareth ongrijpbaar werd. Niet Jezus van Nazareth als persoon kwam daarbij centraal te staan maar zijn boodschap: het goede nieuws voor de armen. Koning Herodes werd zelfs bang dat die profeet Johannes weer tot leven was gewekt. Die profeet had immers kritiek op de koning geuit ook toen hij al gevangen was genomen en in de boeien was geslagen. Zonder op zijn eigen positie acht te slaan was hij doorgegaan met zijn verkondiging en oproep tot bekering. Jezus van Nazareth had een vergelijkbare weg gekozen, hij had zijn leerlingen er op uit gestuurd.

Uiteindelijk zou zijn manier van verkondigen uitlopen op de dood aan het kruis. Maar hij overwon de dood en zijn boodschap, en volgens velen hijzelf ook, overleefde die kruisdood. Daarom hoeven ook wij  dus niet bang te zijn als we het goede nieuws van de bevrijding van de armen blijven rondbazuinen. Steeds weer in de geschiedenis zijn er mensen geweest die de fakkel oppakten en steeds weer zullen er mensen zijn die het verhaal gaan vertellen dat Liefde uiteindelijk regeert en dat recht en gerechtigheid reële mogelijkheden zijn voor het dagelijks leven. Soms moesten die mensen dat met hun leven bekopen maar hun boodschap overleefde het tot op de dag van vandaag. Als je die boodschap van liefde centraal stelt maakt het ook niet uit wat er met jezelf gebeurt, je zaait en er zal geoogst worden.Vandaag mogen wij die volgelingen van Jezus van Nazareth zijn die om ons heen het verhaal vertellen, het goede doen voor de minsten in de wereld en daarbij onze overheid het goede voorhouden en niets dan het goede.

Hij is toch die timmerman

zondag, 15 juli, 2012

Marcus 6:1-13
 
Het heeft heel lang geduurd voordat Rudi Carell in Alkmaar werd geëerd. Pas toen hij  stopte met grote shows op de Duitse Televisie kreeg hij in Alkmaar van de gemeente de penning van verdienste. Daarna heeft het overigens nog een aantal jaren geduurd voordat hij in Nederland ook een Koninklijke onderscheiding kreeg. Dat niet tegenstaande de verdiensten van Rudi Carell. Van begin af aan vroeg hij in Duitsland aandacht voor Nederland, voor de Nederlandse folklore als de Alkmaarse kaasmarkt, voor Nederlandse artiesten, maar ook voor de verhoudingen die door de Tweede Wereldoorlog zeer waren verstoord. In Alkmaar waren misschien te veel mensen die de kleine Rudi Kesselaar nog kenden. Dat jochie dat vooraan stond als er een brand of een ongeluk was. Dat borstbeeld dat er van hem staat heeft een plek ergens achteraf gekregen, op een heel klein pleintje waaraan je bijna altijd voorbijgaat.

Niet anders dus. Jezus van Nazareth maakte hetzelfde mee in Nazareth. Waar haalt hij toch al die wijsheid vandaan. Het is toch ook gewoon een zoon van een moeder, een broer van stadgenoten, broers en zusters die onder ons wonen. Jezus van Nazareth verbaasde zich over hun ongeloof. Als hij kon wat hij kon dan konden zij dat toch ook? Zorgen dat mensen er weer bij gingen horen, eerlijk delen met elkaar, zorgen voor eerlijke handelsvoorwaarden? Dat goede nieuws bleef hij brengen, ook in de omgeving. Dat navolgen van Jezus van Nazareth zit dus niet zozeer in het ook gaan doen van wonderen, of het vertellen van mooie verhalen die de mensen nooit eerder hebben gehoord. Het is aandacht vragen voor de minsten langs de kant van de weg, de verschoppelingen van onze dagen. Aandacht vragen voor de vreemdelingen dus ook.

Daarom zond hij zijn volgelingen er op uit. Twee aan twee. Op naar mensen die bereid waren met hen te delen, voedsel en onderdak, eerlijke handel, aan die mensen kun je het goede nieuws kwijt dat er een Koninkrijk is waar dat delen de Wet van alle dag is, waar je niet bang hoeft te zijn voor veroordelingen maar steeds opnieuw met die Wet mag beginnen. Het lukte, ze dreven een hoop gekkigheid uit en zorgden dat veel mensen weer mee konden doen. Het kan dus, als wij volgelingen van die Jezus van Nazareth willen zijn kunnen wij dan ook. Zelfs al ben je gewoon timmerman. We hebben het er vaak over dat we dat visioen van Jezus van Nazareth in onze eigen omgeving gestalte kunnen geven. In het werk in de Fair Trade winkels, als schrijvende voor Amnesty International, als vrijwillige zorgende in een verpleeghuis of ziekenhuis, als actief buurtbewonende in je eigen wijk, in de diakonale activiteiten van de kerk of in zoveel niet te noemen activiteiten die er zijn om de wereld een beter aanzien te geven. Elke dag kunnen we er weer opnieuw mee beginnen, vandaag dus ook.

Wie heeft altijd wat te klagen?

zaterdag, 14 juli, 2012

Spreuken 23:26-35

Er wordt nog wel eens gezegd dat de Bijbel van alles verbiedt dat mensen gewoon een aangenaam leven kan bezorgen. Dat is dus niet waar. Natuurlijk waarschuwt de Bijbel voor van alles dat mensen schade kan berokkenen. Als de Bijbel vandaag geschreven zou worden dan zou je er een waarschuwing tegen het roken in vinden, dat brengt nu eenmaal de kans op hartziekten en longkanker. Zo staan er ook de nodige waarschuwingen in de Bijbel tegen het overmatig gebruik van alcoholhoudende dranken. Vandaag lezen we daar weer een aantal van. Maar het begint met een waarschuwing tegen het gebruik van een hoer. Let op, prostitutie wordt hier niet veroordeeld. Maar prostitutie past niet in de manier waarop de Bijbel wil dat we met mensen omgaan. Samen een partnerschap vormen dat stormen kan weerstaan is er met een hoer niet bij. In zo’n relatie beschouwen mensen elkaar als object waar je van kan profiteren. En Spreuken waarschuwt dat er dus ook van de gebruiker geprofiteerd kan worden en dat die alleen van nut is zolang er geprofiteerd kan worden.

Ook het overmatig gebruik van alcohol houdende drank, wijn in Bijbelse taal, maakt dat de mens geen mens meer is, maar een zielig hoopje wanhoop. Snel boos, altijd aan het klagen, snel gewond en met rood omrande troebele ogen. Dat is iemand die van de vroege morgen tot de late avond alcoholhoudende drank nuttigt. Hier noemen we niet alleen de wijn maar ook sterke drank en bier. Eigenlijk verzet het boek Spreuken zich al tegen het comazuipen. Het ontmenselijkt je. Als je in coma ligt of overmatig dronken bent kan niemand je meer een plezier doen, kan ook niemand meer van jou genieten. Je doet een ander en jezelf dus zeer tekort. En bovendien geniet je eigenlijk helemaal niet meer van de drank die je zoveel onheil brengt.

Je wordt er zeeziek van, iedereen die wel eens dronken is geweest zal dit herkennen. Maar ook een pak slaag voel je niet meer omdat alcohol verdoofd en dat kan zeker niet ongevaarlijk zijn en om te herstellen van de kater heb je eigenlijk weer een nieuw glas alcohol nodig. Nu kun je elke individu veroordelen dat te veel drank gebruikt maar onze samenleving maakt het gebruik van drank nu eenmaal tot een gewoonte die de illusie van rijkdom en vrolijkheid geeft. Bij elk staatsdiner hoort immers een forse hoeveelheid wijn, elke feestelijke gelegenheid van de rijken wordt opgeluisterd door het nuttigen van de nodige hoeveelheid drank. Elke feestelijke gelegenheid van de overheid ook wordt rijkelijk besprenkeld met alcohol. Misschien dat we onze overheid eens kunnen vragen het gebruik van alcohol te matigen zodat minder mensen in verleiding worden gebracht. Elke dag kunnen we ondertussen ons opnieuw inspannen om jonge mensen op de goede weg te brengen, ook vandaag weer.

Sla het met de stok

vrijdag, 13 juli, 2012

Spreuken 23:13-25

Als het bij de ongelovigen opvalt dan regent het vandaag weer protesten op het internet en zijn er zelfs misschien vragen in de Tweede Kamer of dit niet verboden moet worden. Want vandaag wordt op last van het Nederlands Bijbelgenootschap in tal van huisgezinnen gelezen uit een gedeelte uit het boek Spreuken waarin staat dat kinderen van stokslagen echt niet doodgaan en dat je het daarom met een stok moet slaan om het te bepalen bij het onderricht en te redden van het dodenrijk. Ze durven toch maar die Christenen. En ook in de Nieuwe Bijbelvertaling zijn deze oproepen niet wegvertaald. We kunnen vandaag niet zeggen dat het zeventiende eeuwse dominees zijn die niet beter wisten en dit hebben opgeschreven. Maar moeten we alles doen wat hier staat? In de negentiende eeuw was er al een Bijbelcommentator die schreef dat een liefhebbend ouder dit niet over het hart zou kunnen verkrijgen, en wie echt zou willen slaan moet dus ook wel heel echt een liefhebbend ouder zijn en dus weten dat slaan toch echt heel verkeerd is.

Waarom staat het er dan? Omdat de opvoeding in het liefhebben van de minsten zo verschrikkelijk belangrijk is. Om het belang in het leren loslaten van eigenliefde en zelfzucht zo groot is. Dat blijkt ook uit het verdere verloop van het gedeelte dat we vandaag lezen. Als je kinderen niet leert voor een ander te zorgen, eerst voor een ander te zorgen en dan pas voor jezelf, de ander lief te hebben als jezelf, dan breek je het komende Koninkrijk van God af in plaats van het op te bouwen. Om ouders van het belang van die opvoeding te doordringen moet je ze eerste goed aan het schrikken brengen. Het gedeelte dat we vandaag lezen is dan ook niet bestemd om kinderen bang te maken maar om ouders en opvoeders aan het schrikken te brengen. Zelfs bij het voorlezen zullen ouders zich dat moeten realiseren en als ze dit gedeelte aan kinderen voorlezen zullen ze ook de tijd moeten nemen om er met de kinderen over te praten.

De rest van het gedeelte dat we vandaag lezen zijn dan ook lessen waar ook vandaag de dag ouders en kinderen best met elkaar over mogen spreken. Zelfs het comazuipen wordt in dit gedeelte van het Spreukenboek bestreden. En er is een gemeente die ouders midden in de nacht uit bed belt en naar het politiebureau ontbiedt als de kinderen uit de band zijn gesprongen. Niks alleen de kinderen onderhouden en dan naar huis sturen, ouders en kinderen hebben samen een verantwoordelijkheid voor de orde en het respect in de samenleving. Daarom gaat het ook niet over wat je allemaal wel en niet mag. Daarom gaat het er om dat je eerst nadenkt over wat het met anderen doet voordat je handelt. En als je dan handelt in het inzicht waar het boek Spreuken over heeft, dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dan zijn je vader en moeder blij, dan is God blij, dan wordt de wereld een beetje beter. Daar mogen we elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Spreek niet tegen een dwaas

donderdag, 12 juli, 2012

Spreuken 23:1-12

Het is voor eenvoudige mensen een hele eer bij een bekende Nederlander of een rijke Nederlander aan tafel te zitten. Een hele groep deftige mensen die een rijk diner hebben ziet er heel aantrekkelijk uit. Het boek Spreuken waarschuwt ons er tegen. Je vergeet zo gemakkelijk bij wie je aan tafel zit. Als het machtige en rijke mensen zijn dan zijn het vast geen mensen die de Wet van de God van Israël houden, geen mensen die hun bezit delen met hen die niets hebben, met de armsten. Juist mensen die machtig en rijk zijn zijn dat vaak geworden door die wet te breken. Door gierig te zijn, door oneerlijk te zijn, door te liegen en te bedriegen, door de wet naar hun hand te zetten, door hun macht aan te wenden in hun eigen voordeel. Op het eerste gezicht lijkt het Spreukenboek in strijd met wat we vandaag gewoon zijn, maar het waarschuwt wel voor de valkuilen die onze economie in een crisis hebben gestort.

Ga dus niet aan tafel bij een gierigaard en spreek niet tegen een dwaas. Het boek Spreuken moedigt ons aan om niet naar eer en rijkdom te streven maar om een samenleving tot stand te brengen waarin geen armen meer zijn. Dat is het soort samenleving dat de God van Israël wilde vormen. Dat kan niet door mensen aan touwtjes te binden en als marionetten te bewegen. Voor de God van Israël ging dat door een verbond te sluiten met een volk en dat volk de opdracht te geven wetten te houden die zich lieten samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf. Het inzicht dat daarvoor nodig is heet wijsheid en dat vinden we terug in het Spreukenboek. Dat inzicht laat zich ook niet vatten in strakke wetten die door rechters steeds op dezelfde manier worden uitgelegd, maar dat inzicht vertaald zich in gedrag dat ten goede komt aan de minsten in de samenleving.

Daarom wordt er nog eens gewezen op de oude grenzen en de akkers van de wezen. De rijken waren volgens de profeten zij die akker aan akker voegden en de weduwe en de wees beroofden van hun middelen van bestaan. De akker van de wees is het erfdeel dat een wees toekomt om een toekomst op te bouwen. Het is de plaats die een Jood krijgt in het land Israël, zijn eigen plaats. En zelfs als een vreemde keizer, die zich de Heer van de wereld achtte, de opdracht geeft te gaan naar je eigen plaats om je te laten tellen door de belastinginspecteurs dan gaan de Joden naar de plaats die God hen heeft gegeven toen onder Jozua het land werd verdeeld. Die akker is het recht van de armen, elke vijftig jaar hoort de akker weer teruggegeven te worden. En het Nieuwe Testament laat in het verhaal dat Lucas vertelt over Jozef en Maria zien dat met de komst van Jezus van Nazareth dat verbond van de God van Israël voor alle volken in de wereld geldt, voor iedereen is er een plaats. Aan ons om de armen tot hun recht te laten komen, elke dag opnieuw, ook vandaag.