Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2012

Ze hadden alles gemeenschappelijk.

vrijdag, 20 april, 2012

Handelingen 4:23-35

Daar zat de nieuwe gemeente van de Weg. Pinksteren was geweest, duizenden hadden zich aangesloten bij de nieuwe beweging die een samenleving van liefde wilde stichten. Dat aantal was nog groter geworden toen Petrus en Johannes een verlamde bedelaar hadden laten opstaan en weer in beweging hadden gebracht. Maar de reactie was geweest dat de autoriteiten de beide apostelen gevangen hadden genomen en bedreigd hadden. Hoe ga je daar nu mee om? Het is dan niet eenvoudig om bij een dergelijke beweging te blijven. De jongeren van het Tahirplein in Egypte kunnen daarvan meepraten. Voordat Moebarak aftrad werden ze eerst bedreigd, zijn er aanvallen op hen uitgevoerd, sloeg de politie er op los en kwamen later nog criminele elementen op paarden het plein op om onlusten uit te lokken. Alleen vreedzame volharding heeft uiteindelijk de goede afloop gegarandeerd.

Ze hadden het al kunnen leren van die eerste christen gemeente in Jeruzalem. Natuurlijk de wanhoop was nabij, maar de wanhoop werd vertaald in het gebed uit Psalm 2. En het zingen van een dergelijke Psalm geeft ogenblikkelijk de hoop op het resultaat. Want ook al spanden de volkeren samen voor de ondergang van Israël, zolang de mogelijkheid bestond dat het volk de God van Israël bleef aanbidden als de enige Heer van de wereld zou het volk niet ten onder gaan. Zoveel te meer moet dat dan gelden voor de gemeente die de armen bevrijdt, de lammen laat lopen en de blinden laat zien, demonen uitdrijft en zieken geneest. Het zijn de kenmerken van een volk dat zich inzet voor de minsten en daarmee de Wet van Mozes vervult dat men de naaste lief moet hebben als zichzelf.

Nu moet niet het misverstand ontstaan dat de jonge gemeente haar bestaan bij de God van Israël kocht door hun werken. Zo zit het niet. De bedreiging bleef bestaan, de bedreiging zou zelfs nog zeer toenemen. Maar trillend van angst, een beving toegeschreven aan de Heilige Geest, beloofde de gemeente ondanks de dreiging door te gaan met het werk dat men als opdracht zag. Dat is ook werk van de Heilige Geest, niet het haleluja roepen of praise zingen maar doen wat de wil van God is, de armen bevrijden en de hongerigen voeden. Dat dus ondanks wat het voor jezelf, voor je eigen gemeente tot gevolg heeft. Dat opofferen van je eigen belang hoort er bij. Dat had ook de gemeente van Petrus en Johannes door en daarvoor konden ze God loven. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw dat offer brengen van de naaste liefhebben als onszelf ondanks de gevolgen die dat voor onszelf kan hebben. Dat mag ook vandaag weer.

Wat moeten we met hen doen?

donderdag, 19 april, 2012

Handelingen 4:13-22

Hoe zouden wij het Griekse woord “idiootai” vertalen? Het zijn hier de ongeletterden, de mensen van het volk, die wel konden werken maar niet konden leren. De vertalers houden het maar op “gewone mensen”. Maar zo gewoon waren ze niet die Petrus en Johannes. Ze hadden een bedelaar op doen staan die al veertig jaar als verlamd langs de kant van de weg had gelegen, ze hadden het Sanhedrin, de tempelregering, van repliek gediend en verteld over Jezus van Nazareth die hen had geleerd om te letten op de mensen langs de kant van de weg en voor hen te zorgen. In de Tempelgang hadden ze de Wet toegepast die in de Tempel werd bewaard: “Heb uw naaste lief als uzelf!” En ze hadden duidelijk gemaakt dat, zoals het Sanhedrin over hen zou oordelen, ook over het Sanhedrin geoordeeld zou worden. Ze hadden dus diepe indruk gemaakt die gewone mensen, ongeletterd als ze waren.

Lucas, de schrijver van het boek van de Handelingen zet nog eens scherp de verhoudingen tegenover elkaar. Aan de ene kant de geleerden en bestuurders van wie ooit al geschreven was dat ze verbaasd waren over het optreden van de twaalf jarige Jezus van Nazareth en aan de andere kant de ongeschoolden die alleen les hadden gehad van die Jezus. Die ongeschoolden wisten de Wetten van Mozes in de praktijk te brengen. Veertig was immers het getal van de voltooiing, veertig jaar had het volk in de woestijn gezworven. Nu was de tijd gekomen dat het lijden van de verlamde bedelaar voltooid was, hij was weer opgenomen in de samenleving en kon de woestijn langs de kant van de weg verlaten.

Daar valt dus niets tegen in te brengen. Je kunt nu wel willen dat die vondst, de zieken een plek geven in de samenleving zodat ze als genezen weer mee kunnen doen, geen verbreiding krijgt maar als mensen van mensen moeten houden dan kunnen ze niet anders dan zo te handelen. In onze dagen is het niet anders. Ook wij kenden mensen die langs de weg kwamen te zitten, die door hun handicap of andere in hen gelegen factoren niet mee konden in ons bedrijfsleven. Voor hen waren er sociale werkvoorzieningen. Je kunt wel willen dat ze gewoon in elk bedrijf kunnen werken, maar als je dat niet verplicht en oplegt aan werkgevers dan zal het niet gebeuren. Daarom moeten we die sociale werkvoorziening in stand houden en van daaruit samen met de gehandicapten en de werkgevers kijken wat mogelijk is. Of willen wij ook dat hier mensen veertig jaar langs de kant van de weg hun hand als bedelaars moeten ophouden? Liever kiezen we de weg van Petrus en Johannes en zeggen ze op te staan om deel uit te maken van onze samenleving. Die Weg kunnen we gelukkig elke dag opnieuw gaan, ook vandaag weer.

Ze grepen hen vast

woensdag, 18 april, 2012

Handelingen 4:1-12

In de naam van de Koningin staat boven onze vonissen. Dat betekent niet dat de Koningin iets te maken heeft met het vonnis zelf maar dat er recht gesproken is op basis van geldige wetgeving. Dat die wetten geldig zijn is te zien aan de handtekening van de Koningin die er onder staat. In de dagen van Petrus en Johannes moest er recht worden gesproken op basis van de wetten van Mozes, de eerste vijf boeken van wat wij het Oude Testament zijn gaan noemen. Daar staan een heleboel regels in waaraan gelovige Joden zich moeten houden. Iemand genezen kan volgens die regels niet zomaar. Je bent pas genezen als de priesters in de Tempel verklaard hebben dat je genezen bent. Dat was een goede bescherming tegen allerhande kwakzalvers en oplichters. In een tijd dat de medische wetenschap nog niet zo ver was konden mensen gemakkelijk voor de gek worden gehouden.

Maar iemand die als verlamd langs de kant van de weg zit en die dan gaat lopen, moet die nog door de priesters gekeurd worden? Als het lopen niet echt is, als de verlamde weer neervalt en alleen door een trance tijdelijk heeft kunnen lopen dan straffen de kwakzalvers zichzelf wel. Daarom begint Petrus zijn verdediging met vast te stellen dat het genezen van een verlamde kennelijk aanleiding is tot een strafproces, of tenminste een verhoor. Maar wat is dan de vraag die in het proces beoordeeld moet worden? Dat is in wiens naam Petrus en Johannes de verlamde weer hebben laten lopen. En dan maakt Petrus een verrassende wending. Hij zegt niet dat zij het in Jezus naam hebben gedaan, maar dat Jezus het in de naam van God heeft gedaan. De Wet die door God was gegeven en in de Tempel was bewaard gaf hier de doorslag.

Petrus wijst op de liefde van Jezus van Nazareth die de Wet tot in de dood had volgehouden. De Wet die onder meer zegt “Gij zult niet doden” Nu dat hadden de priesters en de Hoge Priesters dus wel gedaan door Jezus over te leveren aan de Romeinen zodat hij gekruisigd kon worden. Maar zoals hij was, in zijn naam dus, heeft de dood geen greep op wat er gebeurt met mensen. De dood is niet langer de reden om je in te houden, om niet te zorgen voor mensen langs de kant van de weg. Het leven dat door Jezus van Nazareth een nieuwe betekenis heeft gekregen voor mensen is nu voor iedereen de reden om anders te gaan leven, om te gaan leven in het teken van de liefde voor elkaar. De dood jaagt ons schrik aan, we ontkennen de dood of we vluchten er voor. Wie er mee dreigt heeft macht over ons gekregen. Maar in Jezus van Nazareth zijn we er van bevrijd. Wijzelf zijn niet meer het centrum van ons handelen, maar onze naaste is dat en met name de armen, de verdrukten zijn dat. Daarmee begint een nieuwe wereld, een wereld waar we elke dag opnieuw mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

Daarvan getuigen wij.

dinsdag, 17 april, 2012

Handelingen 3:11-26 
 
Dat de mensen die zich inzetten voor de armsten in de wereld dat niet zo maar uit de aardigheid doen is de boodschap die Petrus brengt in het gedeelte dat we vandaag lezen. Natuurlijk aalmoezen geven, zo af en toe een straatkrant kopen of iets in een collectebus stoppen is niet verkeerd. Maar daar veranderd de wereld niet door. De wereld veranderd door de opstanding van Jezus van Nazareth. Die overwon de dood. Zijn liefde ging niet verloren maar maakte een volledig nieuw begin mogelijk. Een nieuw begin dat zal uitlopen op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Voor Petrus en Johannes was dat ook de betekenis van het gebeuren in de Tempel in Jeruzalem. Ze waren er erfgenamen van. Erfgenamen van de Wet van heb uw naaste lief als uzelf. Vanuit die wet krijg je echt oog voor de mensen langs de kant van de weg en kun je ze weer in beweging krijgen en een volwaardige plaats in de samenleving geven.

Petrus en Johannes werden niet beter van hun inzet. Integendeel, ze werden als onruststokers gezien. Een nieuwe andere samenleving betekent immers ook nieuwe en andere machtsverhoudingen. Niet de strak gesneden maatpakken, niet de afkomst of de rijkdom maken uit wie het te vertellen heeft, zelfs niet de mooie en hoge opleidingen die mensen genoten hebben, maar wie luistert naar het Evangelie van Jezus van Nazareth, wie luistert naar de boodschap van de bevrijding van de armen, die krijgt het voor het zeggen in die nieuwe samenleving. Wie onder ligt komt boven te liggen. Nu zijn mensen nog vaak machteloos in hun eigen omgeving. Ze verstaan elkaar niet meer, ze begrijpen elkaar niet, ze voelen zich door elkaar bedreigd. Niemand neemt het initiatief om een gesprek op gang te brengen, om mensen samen aan tafel te brengen, niemand luistert. Tot het woord van Jezus van Nazareth gaat klinken, Petrus en Johannes behoorden bij een groep die alles met elkaar deelden en daaruit kwam de kracht om de bedelaar aan het lopen te krijgen.

Waarom is de hele wereld er niet al lang vol van? Petrus suggereert toch dat na een korte periode van rust die nieuwe wereld zal aanbreken. Voor mensen die zich in het leven van liefde voor de naaste hebben gestort is het nieuwe leven inderdaad al begonnen. Er is geen mooier leven dan te mogen zorgen voor een ander, voor andere mensen, dichtbij en ver weg. Maar wil de aarde er vol van zijn dan zal iedereen mee moeten gaan doen. Dan zullen we moeten geloven dat de machten en krachten die nu schijnbaar de wereld regeren dat alleen kunnen omdat we ze de kans geven. Omdat we doen alsof de wetten van de financiële markten natuurwetten zijn en geen door de rijken bedachte en opgelegde wetten. Omdat we doen alsof staten nu eenmaal geregereerd kunnen blijven worden door dictators en onderdrukkers en omdat we niet willen geloven dat het alleen kan zolang we het samen in de wereld toestaan dat het zo gebeurd. We kunnen veranderen, we kunnen de wereld veranderen, door de Geest van Jezus van Nazareth. Elke morgen kunnen we opstaan en er opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Ze verdeelden de opbrengst

maandag, 16 april, 2012

Handelingen 2:43-3:10
 
Als na de eerste wereldoorlog dit verhaal vertelt werd moesten de vertellers heel veel moeite doen om uit te leggen dat die eerste christenen geen communisten waren. Ze verkochten immers alles wat ze hadden om de opbrengst te verdelen onder degenen die het nodig hadden, ze waren dagelijks in de Tempel en braken het brood bij elkaar thuis. Een gemeenschap die voor elkaar zorgt derhalve. Iets anders overigens dan een partij die de leden selecteert en zichzelf ziet als de uitverkorenen die het volk moeten leiden en opvoeden om de tegenstanders vervolgens de mond te snoeren en te bestrijden. Nee die eerste christenenen vonden zich niet beter dan anderen maar ze deden hun  best dat leven vanuit de liefde voor hun naaste ook daadwerkelijk tot stand te brengen.

Zo radikaal als dat in de eerste dagen na het Pinksterfeest gebeurde is het niet gebleven, waarschijnlijk zelfs niet erg lang. Maar door de eeuwen heen tot op de dag van vandaag heeft het mensen op weg doen gaan om hun naaste te helpen. Je vindt ze vandaag de dag bij alleenstaande moeders met een bijstandsuitkering, de arme kant van Nederland is een kerkelijke beweging, bij uitgeprocedeerde vluchtelingen, Inlia is een organisatie voortkomend uit kerkelijke vrijwilligersgroepen, in de gezondheidszorg, in de wereld- en fairtradewinkels, Max Havelaar is bedacht door mensen uit kerkelijke solidariteitsgroepen, en je vindt ze overal waar mensen in  nood zijn, een van de kerkelijke hulporganisaties heet dan ook Mensen in Nood. Te veel om op te noemen al die bewegingen die zich bezig houden met de minsten, de zwaksten, de armsten. In elke stad, in elke wijk, in elk dorp zijn mensen die aangespoord door dat verhaal van Jezus van Nazareth delen wat ze hebben met mensen die dat nodig hebben.

Ze doen als Petrus en Johannes, hebben oog voor de mensen langs de kant van de weg. Niet om aalmoezen te geven maar om mensen daadwerkelijk een nieuwe toekomst te bieden. En niet alleen voor mensen in  hun eigen omgeving maar voor mensen over de hele bewoonde wereld. Niet dat dat gewaardeerd wordt, de rijken maken het graag belachelijk, de goddelozen roepen dat het toch niet helpt, de graaiers en hebberts in de wereld roepen dat ze voor de gek gehouden worden en bestolen worden. Maar al die christenen geloven vast en zeker dat de wereld alleen kan overleven door de liefde, door zorg voor elkaar en door eerlijk met elkaar te delen. In hun kerken oefenen ze in het breken van het brood, die kerken zijn daarom ook een beetje hun huis, U bent er van harte welkom.

 

Ontvang de Heilige Geest.

zondag, 15 april, 2012

Johannes 20:19-31

We lezen in het verhaal van Johannes dat we vandaag lezen zo gemakkelijk alleen wat er over Tomas wordt verteld. Maar het verhaal is ook een Pinksterverhaal. Een verhaal over de uitstorting van de Heilige Geest. Wij vieren dat pas vijftig dagen na Pasen. Dat komt omdat in het verhaal dat Lucas heeft opgeschreven op die feestdag van de Joden, het Wekenfeest, de ramen en de deuren van de volgelingen van Jezus van Nazareth werden opengegooid en iedereen werd uitgenodigd mee te gaan doen met de nieuwe beweging van de Weg. Maar ook Lucas had in zijn Evangelie geschreven dat de uitstorting van de Heilige Geest al veel eerder was geweest toen de volgelingen van Jezus van Nazareth bijeen waren en hij daar plotseling in hun midden stond.

Het verhaal gaat dus over iets anders dan over geloof en ongeloof. Als we goed lezen zien we dat het verhaal gaat over leven en dood. God had immers met zijn adem het leven in de mensen geblazen toen ze mens werden, het is het verhaal uit het begin van Genesis. Ook Ezechiël had het beeld gebruikt in zijn verhaal over het dal van de dorre doodsbeenderen toen hij de mensen van Israël weer in beweging moest brengen. De adem van God brengt het leven voor mensen. Nu is in het Hebreeuws het woord voor adem hetzelfde als het woord voor Geest. Doordat de apostelen nu leven van de adem van Jezus van Nazareth, de adem van God,  kunnen zij ook echte volgelingen worden van Jezus van Nazareth, de bevrijding van de armen naderbij brengen.

Maar dan die Tomas, wat moeten we dan met die Tomas. Tomas legde het leven niet bij de adem van God, maar bij het lichaam, het vlees zou Paulus dat later gaan noemen. Tomas was voor het verhaal van Johannes nodig om duidelijk te maken dat Jezus van Nazareth ook echt bij de apostelen was geweest na de kruisiging. Hij was niet een geestverschijning die ze in een trance hadden gezien. In de dagen dat Johannes zijn Evangelie schreeft werd dat nog wel eens beweerd en in onze dagen zijn er zogenaamde esoterische christenen die ongeveer hetzelfde beweren. Jezus van Nazareth heeft echt geleden, daar is bloed gevloeid. Dat had niets te maken met een vrolijke optocht achter een groot plastic kruis door een grote stad. Dat had te maken met bloed, zweet en tranen en ondraaglijke pijn. Om dat niet te vergeten is Tomas nodig. Wie dat in een romantisch verhaal wil wegpoetsen in zelf een ongelovige Tomas. Wij mogen ons openstellen voor de Geest van God, de Geest van Jezus van Nazareth, elke dag weer en gaan werken aan de bevrijding van de armen, ook vandaag weer.

Gij dorre beenderen

zaterdag, 14 april, 2012

Ezechiël 37:1-14
 
Het is niet altijd even eenvoudig de massa in beweging de krijgen. Het mooiste voorbeeld is nog altijd dat van Ezechiël, iemand die voortdurend het verhaal van God liep te vertellen, een profeet dus. Die Ezechiël moest de mensen niet zozeer het woord van God vertellen maar het vooral laten zien. Hij was er voor gewaarschuwd dat het volk niet zou willen luisteren.  Het beeld dat hij gebruikte voor de menigte die met geen mogelijkheid in beweging te krijgen is, was dat van het dal van de dorre doodsbeenderen. Een vallei van alleen de botjes, geen vlees en geen spieren en geen leven dus. En Ezechiël roepen dat God wilde dat er leven was, en warempel de botjes voegden zich samen, er kwam vlees op en spieren en de mensen kwamen weer in beweging.

Het dal van de dorre doodsbeenderen heeft veel mensen aangesproken. Maar vaak om de verkeerde redenen. In het nieuwe testament is namelijk het geloof in de opstanding uit de doden een belangrijk gegeven geworden. Maar in de dagen van Ezechiël speelde dat nog geen rol. Men geloofde dat bij het sterven de adem van de mens, adem die van God ingeblazen was, weer terug zou keren naar God. Pas na de ballingschap kwam dat geloof in de opstanding aan de orde. Het volk Israël kwam namelijk onder de heerschappij van een uiterst wreed optredende Griekse bezetter. En langzaam aan kwam het volk tot de overtuiging dat het onrechtvaardig was dat de onderdrukten een pijnlijke dood moesten sterven terwijl de onderdrukkers rustig oud konden worden. De God van Israël was een rechtvaardig God en ooit zou er dus een rechtvaardig oordeel over slachtoffers en beulen geveld worden. Dat zou komen aan het eind van de geschiedenis, dan zouden de slachtoffers en de beulen opstaan en voor de rechterstoel van God verschijnen. Daniël had al eens geschreven dat de koning van de lijdenden al die slachtoffers voor de troon van God zou voeren zodat hen alsnog recht gedaan zou worden.

Het dal van de dorre doodsbeenderen gaat dus niet over de jongste dag en het oordeel over de mensen. Dit beeld gaat over mensen die het lijden tolereren alsof ze dood zijn. Die toekijken als er in hun stad vrouwen gedwongen worden tot prostitutie, die kinderen hun passend onderwijs laten afpakken, die gehandicapten hun beschermde werkomgeving zien gesloten worden, die het thuiswonen van chronisch zieken en gehandicapten ongemogelijk zien worden omdat er geen persoonsgebonden budgetten meer zijn en die de honger en de armoede in de wereld zien toenemen omdat er bezuinigd wordt op hulp en ontwikkelingssamenwerking. Met Ezechiël vraagt de Bijbel ons wanneer wij in beweging komen, wanneer bij ons weer vlees en spieren op de botten komen zodat wij ons gaan verzetten tegen het lijden in de wereld. Wanneer gaan wij de doorvoer en uitvoer van wapentuig uit ons land stopzetten? Wanneer zetten wij bij de verdeling van onze rijkdom de armsten voorop en laten we mensen echt tot hun recht komen? Wij mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer. Laten we dat dan ook doen.

Ik zal weer opbouwen

vrijdag, 13 april, 2012

Ezechiël 36:33-38

We denken zo gemakkelijk dat we alles zelf wel kunnen. En nog gemakkelijker denken we dat anderen alles wel zelf kunnen. Als we zelf werk gevonden hebben dan kunnen anderen dat toch ook? Als we zelf gezond zijn gebleven dan kunnen anderen dat toch ook? Als we zelf wat van een computer snappen dan kunnen anderen dat toch ook? Het is soms heel moeilijk te geloven dat niet alles vanzelf gaat als het voor onszelf voelt alsof het vanzelf gaat. Maar iedereen moet toegeven dat er zaken zijn die men beter kan dan een ander en dat er zaken zijn die men minder goed kan dan een ander. Er zijn nu eenmaal zaken die je over moet laten aan vakmensen, mensen die er voor doorgeleerd hebben en die er liefhebberij in hebben. Pas als je bereid bent samen te werken, jouw capaciteiten te ruilen met de capaciteiten en vaardigheiden van anderen dan kun je samen iets tot stand brengen.

In de Bijbel heet dat samen ook wel God. Pas als je het doet zoals de God van Israël het doet dan wordt het wat. Pas als je accepteert dat de bloeiende samenleving waarin je leeft alleen tot stand is kunnen komen omdat mensen bereid waren hun creativiteit, kennis en vaardigheden te delen met die samenleving dan pas kun je er te volle aan deelnemen. Maar dan moet je eigenlijk ook beseffen dat je samen bezig bent de geboden van de God van Israël te volgen. Die geboden zeggen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je moet zorgen voor de minsten, de zwaksten in de samenleving. Die geboden zeggen dat je er voor moet zorgen dat iedereen kan meedoen aan die bloeiende en welvarende samenleving.

Het land dat hier voor de ballingen geschilderd wordt komt er helemaal niet echt als die ballingen uiteindelijk niet bereid zijn te zorgen voor de armen en de zwaksten in hun samenleving. In de Bijbel heten die de weduwe en de wees. Die nemen in de Bijbelse samenleving de zwakste posities in. Natuurlijk mag je verwachten dat de ballingen zelf hard zullen moeten werken om de akkers weer vruchtbaar te maken, om de steden weer op te bouwen en de puinhopen op te ruimen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Maar daarmee heb je nog niet een samenleving die als voorbeeld dient voor andere volken. Die is er pas als de samenleving gebaseerd is op de liefde voor de naaste als uiting van de liefde voor de God van Israël. Dat geldt ook voor onze eigen samenleving. Elke dag mogen we weer opnieuw beginnen onze samenleving zo vorm te geven dat die gebaseerd is op de liefde voor de ander. Gelukkig mag dat ook vandaag weer.

Schaam je over je schandelijk gedrag

donderdag, 12 april, 2012

Ezechiël 36:16-32

Daar staat Ezechiël nu voor de ballingen in Babel. Hij roept ze op tot bekering, ze zullen weer de richtlijnen van de God van Israël moeten volgen en die God zal er voor zorgen dat ze terugkeren naar Jeruzalem en dat de omringende volken hen niet meer tegen kunnen houden. Mooie beloften, maar waar was die God toen ze in ballingschap werden gestuurd? Wij stellen die vraag ook zo vaak. Waar was de God van kleine mensen toen kinderen in Syrië werden beschoten, gevangen genomen en gemarteld? Waar was de God van kleine mensen toen het land van de Palestijnen werd gestolen en de protesten ertegen in bloed werden gesmoord? Het antwoord van Ezechiël is dat het niet de God van de kleine mensen was die er niet was maar dat de mensen zelf zich hadden afgewend van de richtlijn “Gij zult niet doden” en elkaar daar niet aan gehouden hebben.

Willen we het gedeelte van vandaag goed begrijpen dat moeten we eerst iets over de Naam van God en de verkiezing van Israël moeten weten. Mozes kreeg in de Woestijn de Naam van God eigenlijk niet te horen, die Naam bleek een program: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” Dat is zo ontzagwekkend dat je die naam eigenlijk nauwelijks kunt uitspreken. Wie is de mens dat hij kan uitmaken dat de God van Israël aan zijn zijde staat? Daarvoor maken we te veel fouten die we toch niet in de schoenen van die God kunnen schuiven. Maar die God van Israël wilde het toch met de mensen wagen. Daarom werd er een verbond gesloten, als jullie de Weg gaan die in dit verbond besloten is dan ga Ik met jullie mee. Daar moet je dus op willen vertrouwen, daar moet je dus aan willen werken. Doordat Jezus van Nazareth liet zien dat iedereen elke dag opnieuw met dat verbond, met de liefde voor de naaste als voor jezelf, kan beginnen mogen ook wij Heidenen nu bij dat verbond horen. Want het verbond met Israël was een voorbeeld voor alle volken.

Maar de God van Israël staat niet vanzelf aan onze kant. In Israël geloofde men dat het leven werd bewaard in het bloed van mens en dier. En als je dus bloed vergoot op de aarde dan beschouwde je het leven niet als een geschenk maar als afval, zoals een vrouw haar menstruatiebloed weg moet gooien. Zo hoort het eigenlijk niet, dat leven is een Godsgeschenk, dat is het waard om alles voor over te hebben. Is die God van Israël nu wel of niet een God die met mensen meegaat? Ezechiël laat zien dat zelfs in de ballingschap die God er wil zijn voor ballingen en slaven. Zodra er weer eerbied voor het leven is, zodra van de naaste weer wordt gehouden als van jezelf, zodra recht en gerechtigheid weer de overhand krijgen en mensen recht wordt gedaan, dan is de God van Israël weer aanwezig, dan begint opnieuw de opbouw van het land dat overvloeit van melk en honing. En dat woord van Ezechiël is ook vandaag nog waar, we kunnen met die richtlijnen elke dag opnieuw beginnen, elke dag ons weer begeven op de Weg van de God van Israël, ook vandaag weer.

 

Jullie bomen zullen weer uitlopen

woensdag, 11 april, 2012

Ezechiël 36:1-15

Kale bergen, verwoeste steden, drooggevallen rivieren en beken, verwilderde akkers, dat is het beeld waar de ballingen in Babel aan moeten denken als ze aan hun land van herkomst denken. Het is een chaos, een puinhoop waar je maar liever niet aan moet denken, dat kan nooit meer goed komen. Maar de profeet heeft een andere boodschap, de God van Israël is een God die van chaos weer mensenland maakt. Van de chaos die er in de oertijd was, toen de geest van God over de wateren zweefde, had hij de aarde geschapen. Licht was er in de duisternis, scheiding tussen water en land, scheiding tussen dag en nacht. Er was groen op de aarde gekomen, dieren waren er en mensen. Mensen die de heerschappij over de dieren hadden gekregen.

 Zo zullen de bergen van Israël weer tot woning voor mensen kunnen dienen. Er zullen weer paden zijn, er zullen weer akkers zijn, er zullen weer beken vloeien en steden kunnen weer gebouwd worden. Het is niet alleen een droom, maar het is het vaste vertrouwen van de profeet dat het zal gebeuren. Die bergen en heuvels hadden een slechte naam gekregen. Daar woonden rovers en plunderaars, verkrachters van vrouwen en berovers van onschuldige reizigers. Zo blijft de wereld niet in elkaar zitten volgens de profeet. Als we samen de God van Israël navolgen, zijn aanwijzingen volgen, de aanwijzingen die hij al in de Woestijn aan het volk had gegeven dan zal de aarde veranderen, dan komen we te wonen in een land van vrede en recht, een land dat overvloeit van melk en honing.

Het zijn de volken rondom die Israël hadden bespot. Die sprookjes hadden verteld over hun godsdienst. De afgodendiensten die ze hadden overgenomen van juist diezelfde volken. Maar het volgen van de godsdienst van de God van Israël zal duidelijk maken dat die afgegodendienst inderdaad berust op sprookjes, op verzinsels, leeg en onnut is.
De dienst van de God van Israël berust immers op de liefde voor de mensen, op het “heb uw naaste lief als uzelf”. Die dienst berust niet op de natuurwetten, op de economische wetten van streven naar rijkdom en maximalisatie van de winst, desnoods door bedrog en diefstal. Delen met de armsten staat voorop, samen doen met arbeiders, slaven, familie, vreemdelingen, armen. Dat is een boodschap die doorklinkt tot in onze dagen, want ook wij kunnen die Weg gaan bewandelen, elke dag weer opnieuw, ook vandaag.