Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2012

De HEER zal het u ten goede aanrekenen.

woensdag, 21 maart, 2012

Deuteronomium 24:1-13

Soms zitten er addertjes onder het gras. Soms roept de Bijbel ons op om even meer na te denken dan dat we gewoon zijn te doen. We lezen vandaag een paar voorschriften uit het boek Deuteronomium. De toespraak van Mozes vlak voor het volk het land van melk en honing zou binnengaan. Hoe moet je je daar gedragen, hoe maak je van dat land een land van recht en vrede is de vraag die Mozes aan het volk voorlegt. Wij zijn de Romeinse wetgeving gewend met verboden en geboden, met uitleg door rechtbanken en het idee dat iedereen de wet moet kennen en bij overtreding gestraft kan worden. Maar de Bijbelse regels gaan over gedrag, over wat je tussen mensen kunt verwachten en wat er dus van jou verwacht wordt als je met anderen omgaat. En niet alleen van jou maar van je hele samenleving. Dan gaat het er om mensen tot hun recht te laten komen.

In het gedeelte dat we vandaag lezen gaat over eer en oneer. Wanneer kan een mens tot zijn of haar recht komen? Kan dat in geval van een gebroken relatie? Dat zou wel kunnen, dan moet je zo scheiden dat beide partners weer vrij zijn. Het zijn mannen die in de meeste samenlevingen de macht aan zich trekken, bepalend zijn voor wat er kan gebeuren. Aan de mannen die dat doen wordt dus een extra verantwoordelijkheid gegeven. Als ze willen scheiden moeten een scheidingsbrief opstellen. Ze moeten ook een reden hebben om te scheiden. Maar de adder onder het gras is dat de reden en de brief de vrouw niet mogen weerhouden weer een eigen leven op te bouwen, eventueel met een ander. En die reden voor scheiding moet een echte reden zijn, zo echt dat je niet opnieuw met die vrouw kan trouwen. Dat vereist dus een hele grote zorgvuldigheid. Zo groot dat in de praktijk een scheiding op die manier bijna niet mogelijk is. Eigenlijk alleen als beide partijen het met elkaar eens zijn, de vrouw moet immers bereid zijn de scheidingsbrief te aanvaarden.

Een zelfde zorgvuldigheid wordt gevraagd naar iemand met huidvraat. We weten nog steeds niet wat dat nu eigenlijk is geweest want ook huizen konden aan huidvraat lijden. Maar ook mensen en die kon je niet eenvoudig van je af stoten blijkt uit dit gedeelte, je hebt er een verantwoordelijkheid voor, je moet de voorschriften nauwkeurig nakomen. Als je dat weet te doen weet je dat ook te doen met iemand die een lening bij je heeft gesloten. Die geeft je zelf wel het onderpand dat er bij hoort, dat hoef je hem niet af te pakken. En als iemand alleen nog zijn overkleed heeft dan breng je dat terug voordat de nacht valt. Je hoeft een ander niet tot op het hemd uit te kleden zeggen we dan. In onze dagen gaat het niet aan mensen uit hun huis te zetten of het gas en licht af te snijden. Soms lijken de regels van de Bijbel vreemd en ver van ons af, maar als we de zorgvuldigheid herkennen die gevraagd wordt tussen mensen, zorgvuldigheid die komt uit het heb uw naaste lief als uzelf. Daar kunnen we elke dag opnieuw op letten, ook vandaag weer.

Alle soorten vogels die er zijn

dinsdag, 20 maart, 2012

Ezechiël 17:22-24

Dat stomme nationalisme ook. Dat van wij zijn beter dan een ander, onze manieren zijn de beste en iedereen die er anders over denkt maar weg moet wezen. De Bijbel heeft er geen goed woord voor over. In de geschiedenis heeft nationalisme altijd geleid tot oorlog en verderf, tot op de dag van vandaag toe. Landen die elkaar de eer betwisten en niet alleen land of macht of inkomen en rijkdom. Dat soort nationalisme bracht Zedekia er toe om stiekum een verdrag te sluiten met Egypte. Dat verdrag zou uitlopen op het verlies van het laatste restje zelfstandigheid van Israel. Maar er was toch de belofte dat alle volken zich naar Jeruzalem zouden keren? Die vraag zal in de ballingschap ook aan Ezechiël gesteld zijn. Hij en de andere profeten van de ballingschap riepen toch voortdurend op om aan de God van Israel trouw te blijven, zijn Wet te bewaren en ook in het vreemde land de naaste lief te hebben als jezelf en bekend te staan als het volk dat bereid is te delen?

Daarom een herhaling van het verhaal van een paar dagen geleden in omgekeerde zin. Nu is het niet een grote adelaar die een boom plant maar God zelf. Israel krijgt een nieuwe kans. En de hoogste berg van Israel kan geen andere zijn dan de Tempelberg waar de Wet van de Woestijn werd bewaard en aan de wereld voorgehouden. Alle bomen van het veld zullen zich daarnaar richten. Alle soorten vogels zullen van die boom leven. Wie daaraan niet meedoet zal verdorren. De beeldspraak is duidelijk. Alle volken, ongeacht hun taal, cultuur of uiterlijk, zullen meedoen met de beweging van eerlijk delen. De armsten zullen daarbij voorop staan. Maar iedereen zal dat erkennen. Dan is er geen nationalisme meer. Het is geen wonder dat de Wereldraad van Kerken een aantal jaren geleden het nationalisme tot zonde verklaarde.

Nationalisme is overigens iets anders dan het recht van volken op zelfbestuur. Dat recht staat wel in het handvest van de Verenigde Naties maar dat recht staat onderaan de mensenrechten. Dat recht schijnt alleen te gelden voor landen die al zelfstandig zijn en dan nog voorzover de grote mogendheden dat toestaan. Er is zelfs een vereniging van volken die naar zelfstandigheid streven. De Basken, de Molukkers, de Papoea’s, de Oiguren en vele andere volken behoren tot die beweging. Ze is waarnemer bij de Verenigde Naties. Soms maakt een volk zelf een stapje naar zelfstandigheid en wordt zelf waarnemer bij de Verenigde Naties. De Palestijnen is dat gelukt. Die hebben nu gevraagd om als zelfstandig land te worden erkend. Maar de wereld aarzelt, ondanks het feit dat de onafhankelijkheid van Israël is gebaseerd op een besluit van de Verenigde Naties om Palestina te splitsen. Natuurlijk zullen beide landen moeten onderhandelen, maar kennelijk moeten we beiden daarvoor nog wat harder oproepen, Israël net zo goed als Palestina en als we alleen Palestina oproepen dan wordt het nooit wat. Laten we daarom ook daar de vrede steunen, daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Begrijpen jullie niet?

maandag, 19 maart, 2012

Ezechiël 17:11-21

Wij denken nog wel eens dat profeten toekomstvoorspellers zijn. En dat in de Bijbel staat dat God direct in de geschiedenis ingrijpt. Uit dit verhaal van Ezechiël zou je kunnen leren dat allebei niet waar is. Maar zo zit het niet. Ezechiël heeft het niet over de toekomst maar over de actuele politieke situatie van zijn tijd. Dat verbond dat de door Nebukadsessar aangestelde koning Zedekia stiekum had gesloten met zal de koning van Babel wel moeten reageren. Die koning van Babel heeft een machtig leger dat de soldaten Egypte moest wel uitlopen op een ramp. Het bericht heeft Babel al bereikt, zelfs Ezechiël kent het, en dus van Zedekia verpletterend zal verslaan, dat gaat veel levens kosten. En de koning van Egypte dan? Die kijkt wel uit zich in een wespennest te steken. Een oorlog beginnen om een verrader te helpen kan heel gevaarlijk zijn. Zo voert de trouweloosheid van Zedekia tot zijn ondergang en een rampspoed voor het volk.

Daar hoeft de God van Israël niet direct aan te pas te komen, dat gebeurt als je niet doet wat afgesproken was en de boel bedriegt en niet denkt om de armsten in het land. Kennen wij zulke situaties ook? Natuurlijk, ook bij ons gaan eigen geluk en eigen welvaart boven de zorg voor de armsten en de zwaksten in het land. Als we gewaarschuwd worden voor verkeerde ontwikkelingen dan willen we pas luisteren als het te laat is, als die verkeerde ontwikkelingen ook echt hebben plaatsgevonden. We hebben namelijk niet geluisterd. Geluisterd naar het geroep van de armen langs de weg. Ruim tien jaar geleden schreef het verbond van Marokkanen in Nederland, een koepelorganisatie, dat het verkeerd zou gaan als de overheid niet meer aandacht zou schenken aan de problemen van Marokkaanse jongeren. Een stevig rapport van bij uitstek deskundigen gebaseerd op een uitgebreid onderzoek. Met dat rapport is niets gedaan. Niemand vraagt overigens waarom er niets mee gedaan werd. Het ging immers maar over Marokkaanse jongeren.

Het is als in de dagen van Ezechiël. Wie weet heeft van de Wet van de Woestijn, heb uw naaste lief als uzelf, die weet dat als je mensen langs de kant laat zitten het vroeg of laat op onheil uitdraait. Niet verbaasd zijn dus als er meer onheil over ons komt. Ook met de bezuinigingen die op dit moment al bezig zijn op last van de huidige regering zie je dat. Aan kinderen die moeite hebben met het gewone onderwijs wordt alle extra steun ontnomen. Beschermde werkplaatsen voor mensen die anders ledig thuis zouden zitten worden wegbezuinigd. De persoonlijke op maatgesneden steun voor mensen die zelfstandig kunnen wonen en daardoor ook kunnen werken wordt afgeschaft. De Koningen Zedekia van onze tijd moeten immers hun bonussen kunnen blijven krijgen, hun villa’s moeten gesubsidieerd blijven worden en ze moeten zo hard mogelijk kunnen blijven rijden in hun dure auto’s. We kunnen misschien het tij keren door er vandaag nog wat aan gaan doen, mee roepen over de groepen die vergeten worden bijvoorbeeld.

Vertel hun dit verhaal

zondag, 18 maart, 2012

Ezechiël 17:1-10

Zonder de uitleg blijft het een zonderling verhaal. Een adelaar die een takje in een handelsstad legt en vervolgens een boompje plant in een vruchtbare akker. Dat boompje groeit uit tot een vruchtbare wijnstok maar wil water van een andere adelaar ondanks dat het op een vruchtbare akker geplant was en over voldoende water beschikte. De adelaar die de twijg oorspronkelijk plante zou dan uit kwaadheid de vruchten afplukken en de wortels losrukken. Zo zou dan die wijnstok verdorren. Wat heeft zo’n fabel voor ons te betekenen? We moeten ons weer realiseren dat de profeet Ezechiël het volk toesprak niet in Israël maar in Babel waar het als een gevangen volk heengevoerd was. Een volkje want het volk van Babel was groot en sterk. Dat Israël was dus de twijg die in een handelsstad gelegd was.

Nu had de Koning van Babel, Nebukadnezar, een grote en belangrijke adelaar dus, Zedekia aangesteld als koning-vazal over het overgebleven Israel. Dat was een nieuwe kans voor Israel om tot bloei te komen. Het was als de zaailing van een wijnstok die in een vruchtbare akker geplant was. En het lukte, Israel maakte een periode van rust en vrede door waarin ook weer sprake was van een zekere welstand. Maar die Zedekia ging in het geheim een verbond aan met Egypte, een andere machtige adelaar. En deze politieke machinatie schoot Ezechiël in het verkeerde keelgat. Die voorzag dat Koning Nebukadnezar wel eens bijzonder kwaad zou kunnen worden over dit verraad en het laatste restje zelfstandigheid van Israel zou opheffen, iets dat ook nog met veel bloedvergieten gepaard zou kunnen gaan.

Het is het gedraai en gemanipuleer van politici en machthebbertjes door de eeuwen heen. Denk nu niet dat wij in onze keurige parlementaire democratie daarvan verstoken zijn. Als de Verenigde Staten met hun vingers knippen dan springen de politici van CDA en VVD in de houding en volgt ons land blindelings de politiek van de VS. Zo zijn wij in de oorlog in Irak terecht gekomen, terwijl bijna geheel Europa daar buiten bleef. Dat is ook niet te verantwoorden zodat een parlementaire enquete werd afgewezen en werd omzeild. Zo wordt ons land voorgehouden dat we vele miljarden moeten uitgeven aan een Amerikaanse straaljager die meer kan dan ooit van onze luchtmacht gevraagd zou kunnen worden terwijl er betere en goedkopere Europeese vliegtuigen beschikbaar zijn. Soms hoef je je niet af te vragen waarom mensen zo’n hekel aan elkaar hebben maar je vraagt je wel af waarom wij ons daarin mee laten zuigen. Ezechiël waarschuwt ons er vandaag voor, met een verhaal dat ons hopelijk aan het denken zet. Niet de buitenlandse machten of de economische machten moeten gevolgd worden maar de liefde voor de zwaksten die ons door de God van Israël is geschonken.

Toch zal ik hun lot ten goede keren

zaterdag, 17 maart, 2012

Ezechiël 16:53-63

Er zijn mensen die alleen de wrede, veroordelende en straffende gedeelten in het Oude Testament kunnen lezen. Die denken dan dat het de God van Israël alleen gaat om bloedvergieten en mensen verdelgen, de ene rampspoed na de andere doet hij de mensen aan. Ze lezen maar de helft. Nog erger is het dat er zelfs predikanten en kerken zijn die maar de helft van de Bijbel laten gelezen. Er is een verbond en dat verbond wordt voortdurend door de mensen gebroken. Dat is niet best en dat moet bestraft worden. Dat verbond is een merkwaardig verbond, het is een verbond tussen de God van Israël en het volk van Israël. Op het eerste gezicht een verbond dat we kunnen begrijpen, als de God van Israël wordt geëerd dan gaat het goed met het volk. Maar er is iets raars met dat verbond, vooral met dat eren van die God.

In allerlei godsdiensten gaat het eren van goden gepaard met deftige priesters, grote gouden Tempels, dure offers en langdurige, vaak bloederige, rituelen. Zelfs de economische goden van onze dagen vragen grote opzichtige gebouwen, strak gesneden pakken en luxe goederen, slurpende auto’s en een heleboel slachtoffers onder de minsten in de samenleving. Bij de God van Israël niets van dat alles. Hij laat zich eren door van zijn volk te vragen de naaste lief te hebben als zichzelf. Andere goden moet je daarbij vergeten en verder is het niet liegen, niet stelen, niemand voor de gek houden of onschuldig in de gevangenis brengen en afblijven van wat van een ander is. En waar altijd de nadruk op ligt: geen slaaf worden van je werk en dus één dag in de week vrij houden.

Wij mensen kunnen dat verbond verbreken, maar de God van Israël blijft met dat verbond bezig. Zelfs een stad als Sodom, die we toch als slechtste van wat bestaat zien, krijgt een nieuwe kans. Net als Samaria die in Israël de dienst aan afgoden had geïntroduceerd. En ook de ballingen in Babel krijgen een nieuwe kans in hun eigen land met opnieuw de Tempel in het hart van Jeruzalem. Want in die Tempel kon je de godsdienst van Israël letterlijk oefenen. Drie maal per jaar er heen, met het hele dorp en dan een maaltijd houden met je familie, de armen, de tempeldienaars en de vreemdelingen die in je dorp woonden. Dan kon je oefenen je naaste lief te hebben als jezelf. Dan kon je mensen tot hun recht laten komen want zo samen maaltijd houden betekent ook dat iedereen gelijk is, dat er niemand minder is, dat iedereen in je samenleving moet worden ingesloten en niemand buitengesloten. Die Tempel hebben we niet meer, maar dat samen maaltijd houden kunnen we nog steeds, dat insluiten van mensen in onze samenleving kunnen we nog steeds. we kunnen er elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Ze verhieven zich boven de anderen

vrijdag, 16 maart, 2012

Ezechiël 16:44-52

Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met een heel bekend en alledaags spreekwoord: “Zo moeder, zo dochter”. Als je dit zo leest moet je weer even nadenken wie ook al weer de moeder was en wie de dochter. Die dochter was Jeruzalem, het bestuurlijk en religieus centrum van Israël. En als je dat zo zegt moet je bedenken dat niet alleen de stenen en de straten bedoeld worden, maar ook de inwoners en eigenlijk met name de bestuurders, de koning en zijn ministers en de priesters die de Tempel bestuurden. Het is zoals wij het hebben over Den Haag en dan regering en parlement bedoelen. Die bestuurlijke elite van Jeruzalem was in ballingschap gevoerd en Ezechiël spreekt ze rechtstreeks aan. Hij scheld ze ook uit want als moeder noemt hij een Hetitische, alsof ze niet van Jacob afstammen maar van Esau die met twee Hetitische vrouwen was getrouwd. Voor Joden een geweldige belediging dus.

Maar Ezechiël gaat verder. Niet alleen deugen vader en moeder niet en neemt de dochter de ondeugden van haar moeder over. Ze deelt dat ook met haar zusters. En als zusters worden er twee genoemd. Allereerst Samaria. Dat was de hoofdstad geweest van het Noordrijk in Israël. Israël was immers in twee delen uiteengevallen, Juda en Samaria, het Noordrijk en het Zuidrijk. In Samaria was het nalopen van afgoden begonnen. Daar hadden ze vastgehouden aan hun eigen heiligdommen en die waren steeds meer gaan lijken op de afgodentempels van de omringende volken. We moeten Samaria niet verwarren met de landstreek uit de dagen van Jezus van Nazareth. Toen onderscheidde het volk van Samaria zich doordat ze alleen de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel hadden aanvaard en niet de profeten. De andere zuster die hier wordt genoemd is Sodom. Dat moet iedereen wel kennen als een door en door verdorven stad. Nu, Jeruzalem was erger dan Sodom en Samaria, zegt Ezechiël.

Maar wat was er nu zo erg aan het gedrag van Jeruzalem? Misschien kunnen we er wat van leren. Ondanks het feit dat ze genoeg te eten hadden gedroegen ze zich hoogmoedig en deden ze niets voor de armen en machtelozen, staat er geschreven. Als je het hele verhaal goed leest is dit nog erger dan de kinderoffers en het plaatsen van beelden in de Tempel van de God van Israël. Niet zorgen voor de armen en de machtelozen maakt van een volk een afschuwelijk volk, zo’n volk moet verworpen worden in de ogen van de God van Israël. En dat niet zorgen leidt dus tot het brengen van kinderoffers en het achterna lopen van valse afgoden die beloven rijkdom en voorspoed te brengen maar alleen maar ellende en verdriet veroorzaken. De goden van goud en belofte die maken dat onrecht hoog te paard langs de wegen rijdt. Dat moeten we er dus van leren, dat de basis van onze samenleving wordt dat we zorgen voor elkaar, voor de armsten en de machtelozen. Dat alle volken op aarde dat gaan doen omdat dan pas de vrede uitbreekt. We kunnen er elke dag gelukkig opnieuw aan gaan werken, ook vandaag weer.

Ze zullen je naakt achterlaten.

donderdag, 15 maart, 2012

Ezechiël 16:35-43

Een keihard stuk dat we vandaag uit de Bijbel lezen. Er is niks zoetsappigs of zachtaardigs bij. En het zou misschien nog kunnen als er iemand kwaad was om het gruwelijks dat zij had gedaan. Een moordenares van kinderen bijvoorbeeld. Daar gruwen we zo van dat kranten en televisieprogrammas ons niet genoeg aan gruwelijke details kunnen voorschotelen. Vanouds worden aan die gruwelijkheden hopen geld verdiend. Vroeger kon je op markten en kermissen de zangers tegenkomen die met behulp van op lappen geschilderde stripverhalen de gruwelijkste gebeurtenissen uit de doeken deden, de smartlappen waren dat. Tegenwoordig hebben we er de televisie voor die het bij ons thuis brengt. Maar Ezechiël heeft het niet over een individu. Ezechiël heeft het over een samenleving. Een stad en een land waar de gruwelijkheden onderdeel waren van de samenleving, waar men geloofde dat de gruwelijkheden voorspoed en welvaart brachten.

Zo’n samenleving zou niet met de onze vergelijkbaar moeten zijn. Natuurlijk kennen wij verhalen over kinderarbeid, verhalen die soms lijken op de verhalen over kinderoffers die Ezechiël vertelt. Verhalen over kindslaven in de Taïse seksindustrie, over rijke westerlingen die daar op vakantie gaan om hun lusten te bevredigen aan kinderen die uit armoede door hun ouders zijn verkocht. De verhalen over kinderarbeid gaan dan over de productie van kleding, van goedkope T-shirts tot schoenen voor onze vrije tijd. Omdat wij elke dag iets anders willen aantrekken en er voor een laag bedrag goed willen uitzien geven kinderen hun vrijheid en hun jeugd op. Omdat wij de tijd hebben om te gaan hardlopen en te sporten moeten kinderen dag en nacht aan machines geketend klaar staan of zitten om goedkoop te produceren.

De samenleving waar Ezechiël zo tegen te keer gaat was een hele andere dan de onze. Maar de fouten die hij zijn volksgenoten verwijt worden ook bij ons gemaakt. Welvaart en productiviteit staan ook bij ons voorop. Dat wat welvaart en productiviteit in de weg staat moet verdwijnen, dat wat het bevordert moet worden ingevoerd of beschermd. Het zijn de afgoden van onze dagen. De anonieme machten en krachten die schijnbaar de wereld regeren en die in de Bijbel als de tegenstanders van de liefde van de God van Iraël worden afgeschilderd. De wetten van de economie worden door ons beleefd als de tien geboden van de God van Israël, die wetten van de economie bepalen de wereld, bepalen ons welzijn en zouden ook ons geluk moeten bepalen. Volgens de Bijbel zou het moeten gaan om het welzijn van de armsten onder ons, van de zieken, de gehandicapten, de kinderen, de weduwen en de wees. We hebben nog de vrijheid om te kiezen, gaan we de weg van de economie of de Weg van de God van Israël, elke dag opnieuw mogen we die keus maken, ook vandaag weer.

Het was de omgekeerde wereld.

woensdag, 14 maart, 2012

Ezechiël 16:15-34

Er is een beroemd lied van Huub Oosterhuis dat zegt “Zijn Woord wil deze wereld omgekeerd, dat lachen zullen zij die wenen” Je zou zomaar kunnen denken dat het niet gaat over de wereld van Israël die hier door Ezechiël namens de God van Israel wordt geschetst. Maar het tegendeel is waar. Natuurlijk kennen we hoeren die zich verhuren voor geld en geschenken. En het omgekeerde daarvan zijn de hoeren die geschenken en geld geven om maar gemeenschap te kunnen hebben met hen die hen willen behagen. Maar het misbruik van mensen is in beide gevallen gelijk en de God van Israël wil een wereld scheppen waar het misbruik net zo ontbreekt als het in onze wereld gewoon is. Denk dus niet dat het klaaglied over de bruid van God, over Israël, niet meer in onze dagen gezongen zou kunnen worden.

Ooit hadden we gehoord dat God liefhebben boven alles onze naaste liefhebben als onszelf is. En vroom als we waren sloten we onszelf op in Kerken en kloosters en baden tot God dat zijn wil zou geschieden in de hemel en op de aarde. Maar toen we zelf geroepen werden om de wereld te bewerken wat deden we toen? Wij maakten onszelf slaven van economie, die dwingt ons zeven dagen in de week, dag en nacht beschikbaar te zijn voor productie en consumptie. Wij verkochten onze wapens aan wrede dictators die tot op de huidige dag daar hun onderdanen mee onderdrukken en als het nodig is hen ter dood brengen. Wij laten onze goedkope kleding maken door kinderen die met kettingen aan de naaimachines vastzitten. Wij leggen het dus ook met iedereen aan die we tegenkomen, we handelen daar waar handel is en vergeten te zien op waar recht en gerechtigheid heersen. Wij offeren kinderen op aan onze welvaartsdrang.

Het ergste misschien is nog wel dat we doen alsof het natuurwetten zijn die ons dwingen, alsof er niet een samenleving in de wereld denkbaar is waar mensen met elkaar delen in plaats van dat ieder voor zich zoveel mogelijk wil verzamelen. De kosten van onze gezondheidszorg reizen ook de pan uit omdat er door bestuurders van instellingen onredelijk hoge salarissen worden verdiend, omdat medicijnen voorwerp van handel zijn waarmee je rijk kunt worden. Onze woningmarkt zit vast omdat we niet langer willen dat woningen een gemeenschappelijk bezit zijn maar willen dat we voor onze woningen de banken moeten betalen opdat zij winst kunnen maken en hun bestuurders onredelijk hoge bonussen kunnen krijgen. Betaalbare woningen voor iedereen zouden er zijn als we het gemeenschappelijk bezit weer zouden bevorderen en dus samen zouden delen van hetgeen we samen zouden verdienen. Het is de God van Israël die ons steeds weer voorhoudt dat we ons niet moeten uitleveren aan de economische machten in deze wereld die ons gebruiken als hoeren, als zij er aan hebben verdiend kunnen we doodvallen, het zijn de machten van de dood. De God van Israël roept ons op daartegen op te staan, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Leef! Blijf in leven

dinsdag, 13 maart, 2012

Ezechiël 16:1-14

Daar zit Ezechiël, bij de rivieren in Babel. Bij de ballingen die het nieuws over de definitieve verwoesting van Jeruzalem moeten verwerken. Het waren de Koning, de prinsen, de edelen, de priesters van de Tempel, de bestuurders, die naar Babel waren gevoerd. Ezechiël spreekt ze aan als Jeruzalem, zoals wij Den Haag zeggen als we het hebben over parlement en regering. Ze moeten weten waar ze vandaan komen. Heidenen zijn het geworden, kinderen van Hethieten en Amorieten. En de Hetitische vrouwen van Esau hadden nog wel hun schoonouders zoveel ellende bezorgd staat er in het verhaal van Genesis. Dat volkje Israël was een bastaardvolk, weggeworpen in het veld, te vondeling gelegd.

In allerlei verhalen en liederen van Israël kun je het beeld terugvinden van de bruid Israël die verlangt naar haar bruidegom God, want die God van Israël zal immers vruchtbaarheid en bescherming geven. Dat beeld sluit aan bij de beelden die ook in de Heidense godsdiensten werden gebruikt. Met een groot verschil overigens, in de Heidense godsdiensten, Baäl en Asjera zijn het bekendst, was het de aarde die als bruid versierd met de god van de vruchtbaarheid moest trouwen. Ezechiël laat zien hoe die bruiloft uit die mooie godsdienst van Israël tot stand is gekomen. Het was de God van Israël zelf die de bruid het leven had gegeven. Verworpen als ze was zou ze voorzeker de dood gevonden hebben. Het was de God van Israël zelf die de bruid had gevoed, gekleed en laten opgroeien. Ezechiël tekent het volk Israël als de klassieke bruid uit de Joodse huwelijksrituelen, onze witte bruidsjurken en huwelijksjuwelen lijken er nog steeds op. In elke huwelijkssluiting lijkt het of er een Koningin, of minstens een prinses, trouwt.

Dat volkje daar bij Jeruzalem werd een beroemd volk, een prachtig volk, maar al die schoonheid kwam van de God van Israël. Die had een verbond gesloten waarbij geen andere goden aanbeden zouden worden en men de naaste lief zou hebben als zichzelf. En daarmee stelt Ezechiël ook de vraag aan ons waar wij vandaan komen. Wij zijn immers in de vorige eeuw door wereldoorlogen heengegaan en werden na de gruwelijk verlopen tweede wereldoorlog weer op de been geholpen door de bereidheid van rijken om te delen met armen. Zweren wij nu discriminatie af? Ontvangen wij vreemdelingen en vluchtelingen alsof wij het zelf zijn? Blijven wij bereid te delen met armsten in de wereld? Zorgen wij voor onderwijs en gezondheidszorg ook voor arme volken zodat ondernemers kunnen investeren in een stabiele samenleving en de welvaart toe gaat nemen? Wat we aan welvaart en welzijn hebben opgebouwd in onze eigen samenleving hebben we te danken aan de richtingwijzers van de God van Israël, heb uw naaste lief als uzelf. Laten we oppassen dat we ze in deze dagen niet gaan negeren. Elke dag opnieuw kunnen we ons er door laten leiden, ook vandaag weer.

Het eindigt in het vuur

maandag, 12 maart, 2012

Ezechiël 15:1-8

Gelovige mensen denken nog wel eens dat ze beter zijn dan anderen. Dat komt omdat ze er van overtuigd zijn dat geloven goed is en niet geloven, of anders geloven dan zij doen, verkeerd is. Mensen die in Jezus van Nazareth geloven weten eigenlijk wel beter. Alle mensen zijn in staat tot het kwade en zij dus ook. Sommigen worden daar bang van, ze verstarren en blijven vasthouden aan wat eens als goed werd ervaren. Er zijn ook mensen die denken dat ze beter zijn dan anderen omdat ze uit een bepaald land komen, of een bepaalde huidskleur hebben, of een bepaalde taal spreken, of zelfs een bepaalde taal op een bepaalde manier spreken. Wie gewend is over grenzen te kijken, werkelijk bezoeken weet te brengen aan andere landen en andere culturen weet wel beter, net als zij die gewend zijn meerdere talen te spreken. Die andere mensen zijn eigenlijk net hetzelfde als zij, er zijn geen mensen die beter of slechter zijn dan jezelf.

Het gedeelte uit het boek Ezechiël dat we vandaag lezen illustreert de stelling dat er geen mensen zijn die beter zijn dan anderen op een wel heel treffende manier. Die wijnstok waarvan hier sprake is speelt in de Bijbel een belangrijke rol. De wijnoogst was in Israël bij uitstek het teken van de gunst van de God van Israël. Toen de verspieders voor Mozes moesten gaan kijken wat voor land hen te wachten stond kwamen ze terug met een geweldige tros druiven. Zo goed was dat land. En er is een verhaal dat God een wijnstok uit Egypte haalde, die plante in Israël en liet uitgroeien tot een boom die heel het land bedekte. Israël zag zichzelf dus ook wel als de vruchtbare wijnstok van God. Volgens een fabel uit het boek Rechters was de wijnstok zelfs te goed om Koning over de bomen te worden. Toch is die stok nergens goed voor. Je kunt er geen houtsnijwerk mee maken, je kunt hem zelfs niet gebruiken om iets aan op te hangen, als je hem verbrand lukt dat al bijna niet, de uiteinden verbranden en het midden blijft over.

Het beeld van de wijnstok die verder nergens goed voor is, alleen in snippers gehakt kan worden om te verbranden, wordt hier gebruikt om aan te geven dat ook de inwoners van Jeruzalem nergens goed voor zijn en zullen worden behandeld zoals al die andere overwonnen volken behandeld zullen worden. Het feit dat ze geloven in de God van Israël zal hen niet helpen, ze liepen teveel de afgoden na. Ook wij moeten niet denken dat een geloof in de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth ons kan vrijwaren van ongeluk en rampspoed. Wij zijn immers ook niet beter dan ongelovigen of anders gelovigen. Het enige dat ons te doen staat, ook in dagen van rampspoed en ellende is de pijn en het lijden van onze naaste verzachten. Dan ook pas blijkt of we werkelijk onze naaste lief weten te hebben als onzelf. Het lijden is dan ook niet iets om vrolijk bij te worden en dansend door de straten te gaan, ook de kruisiging van Jezus van Nazareth is dat nog steeds niet, het is een teken om er tegen op te staan, elke dag weer, ook vandaag