Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2012

De hele wereld loopt achter hem aan

zaterdag, 31 maart, 2012

Johannes 12:12-19
 
Het moet een hele gebeurtenis geweest zijn toen Jezus van Nazareth die laatste keer optrok naar Jeruzalem, gezeten op een veulen en omringt door leerlingen, dicipelen en een enthousiaste menigte. Er zijn verschillende verhalen in de vier evangelieboeken over te vinden maar de elementen enthousiasme en een veulen zijn er terug te vinden. De een spreekt dan over een ezelsveulen de ander over het veulen van een paard en een derde laat beide mogelijkheden open. Waar het om gaat is de populistische triomftocht die velen deed geloven dat Jezus van Nazareth Jeruzalem in bezit zou nemen en de Romeinse bezetting zou verjagen. Iemand die in staat was een dode uit het graf te roepen die zou ook dat wel voor elkaar krijgen. Wij kennen de afloop en kunnen medelijden hebben met al die mensen en hun enthousiasme. Hun verwachtingen komen immers niet uit en ze zullen teleurgesteld worden.

Maar omdat we de afloop van het verhaal kennen kunnen we misschien ook lering trekken uit het verhaal. Met een mooi woord noemen we enthousiast ook wel begeesterd. Van een nieuwe geest bezeten. En die duizenden die nu juichen bij de intocht laten zich vijftig dagen later met Pinksteren dopen en sluiten zich aan bij Petrus en de andere zendelingen. Daar tussen ligt de kruisiging. Jezus van Nazareth had zelf zich steeds verzet tegen al dat enthousiasme. Hoe vaak had hij zich niet teruggetrokken op een berg of aan de andere kant van het meer. Hoe vaak had hij niet tegen mensen die hij genas gezegd dat ze hun mond moesten houden over zijn rol in het geheel. Hij wist dat als je achter iemand aanloopt vanwege die uiterlijkheden je heel gemakkelijk bedrogen uitkomt en teleurgesteld raakt. Het gaat dan ook niet om achter iemand aan te lopen maar om zelf op pad te gaan. Jezus van Nazareth had immers verteld die we allemaal Koningskinderen, kinderen van God, zijn.

Morgen gaan veel kinderen met Palmpaasstokken naar verpleeg en verzorgingshuizen  om die versierde stokken met fruit en brood te brengen aan de ouderen en zieken. Dat samen delen is het hoogtepunt voor hen van Palmzondag, maar het is ook de ziel van ons geloof. Juist dat zelf op pad mogen gaan om te delen, om handen uit te steken naar de mensen langs de kant van de weg, kan ons enthousiast maken. Zo enthousiast dat je haast de takken van de bomen kunt rukken om er van vreugde mee te gaan zwaaien. Daar mag de hele wereld gerust achter aan lopen. Juist aan die vrolijke tocht met versierde stokken wordt duidelijk dat de wereld nog geen paradijs is, dat we nog steeds met lijden te maken hebben. Kinderen kunnen dat zien als ze de verpleeghuizen en verzorgingshuizen bezoeken, wij hoeven maar de krant open te slaan of de televisie aan te zetten. Maar we mogen nooit onze ogen sluiten voor dat lijden en denken dat we met een vrolijke optocht met gevoelige liedjes de bedoeling van Jezus van Nazareth duidelijk kunnen maken. Die bedoeling lag in de overwinning van dat lijden, in het opstaan tegen de dood. Daar mogen we sindsdien elke dag mee beginnen, ook vandaag weer.

Voor de dag van mijn begrafenis

vrijdag, 30 maart, 2012

Johannes 11:55-12:11

We staan op de drempel van wat in de Protestantse Kerk de lijdensweek genoemd wordt. De week waarin de kerk in het bijzonder aandacht schenkt aan het lijden in de wereld en dat in verband brengt met het lijden van Jezus van Nazareth zoals dat in de verhalen van het Nieuwe Testament wordt verteld. Vandaag lezen we de opmaat tot die week uit het verhaal van Johannes. De spanningen in Jeruzalem nemen toe. De beweging rond Jezus van Nazareth krijgt steeds meer het karakter van een massale volksbeweging. Zo een die we tegenwoordig ook nog wel kennen, we zijn het wel niet in alles met hem eens maar we stemmen toch op hem. In de dagen van Jezus van Nazareth was zo’n volksbeweging niet ongevaarlijk. Rond het feest van de bevrijding uit de slavernij in Egypte en het ontstaan van het volk Israël liepen de spanningen met de Romeinse bezetter soms hoog op. Gemakkelijk konden de Romeinen met geweld ingrijpen om een opstand te voorkomen. De religieuze leiders van het volk zaten daar niet op te wachten, het zou de reguliere handel en wandel in de Tempel maar al te zeer verstoren.

In dit spanningsveld trekt Jezus van Nazareth zich terug in Bettanië, een dorpje even buiten Jeruzalem, bij vrienden, de zusters Maria en Martha en hun broer Lazarus. Lazarus was van de dood gered door Jezus van Nazareth. Hij was al in een rotsgraf gelegd toen Jezus van Nazareth hem wakker wist te krijgen en uit het graf deed opstaan. Dat het wel eens verkeerd zou kunnen aflopen met Jezus van Nazareth kwam voor niemand als een verrassing. Zelf had hij er herhaalde malen op gezinspeeld en de priesters in de Tempel hadden de mensen opgedragen uit te zien naar zijn komst naar Jeruzalem om ongeregeldheden te kunnen voorkomen. Maar de mensen bleven ook in hem geloven als de Messias, degene die Israël zou bevrijden van de overheersing door de Romeinen. De wereld zou moeten omkeren maar waarom zou dat niet kunnen. Zo werd Jezus van Nazareth ook de gezalfde gemaakt, niet zijn hoofd maar zijn voeten werden gezalfd, toch werd hij zo de gezalfde. Vanaf die dag is hij de koning der Joden. In het Grieks is gezalfde “Christus”, zo zou hij veel later genoemd gaan worden.

Niet iedereen is overigens gecharmeerd van dat soort riten en rituelen. Is er bij de onderdrukking waaronder mensen moeten lijden wel plaats voor spelletjes, voor toneelspel waarbij je het eigenlijke leven uitbeeld? Kostbare olie is er nodig om de koning van de lijdenden te zalven, een koning wiens komst op de wolken door Daniël was voorzegd. Volgens één van de volgelingen, Judas, had je die kostbare olie beter voor de armen kunnen bestemmen. Dat Judas een kwaaie was, ook nog toen veel later Johannes zijn Evangelie schreef, is duidelijk. Maar de vraag is een terechte vraag. Als wij duidelijk willen maken waarom we in verzet moeten komen tegen bezuinigingen op het passend onderwijs, op de sociale werkvoorziening, op het PGB, op de ontwikkelingssamenwerking, om maar een paar zaken te noemen, mogen we best geld uitgeven om duidelijk te maken waarom dat verzet in onze samenleving zo hard nodig is, mogen we best geld uitgeven om duidelijk te maken hoe een betere samenleving er uit kan zien. Maar de zorg voor de armen hoeft onszelf niet te verrijken. Gelukkig hebben we ook het vooruitzicht van een opstanding tegen de dood van de armoede, tegen de dood van bezuinigingen door de regeringspartijen die aan de macht zijn. Wij mogen daar elke dag mee beginnen, dat mogen we ons ook in de komende lijdensweek realiseren, elke dag opnieuw.

U zult lof oogsten

donderdag, 29 maart, 2012

Deuteronomium 26:12-19
 
Er zijn tuinders die zeggen dat het nog niet de tijd is om lof te oogsten, maar het gaat in deze Bijbeltekst niet om de groente maar om geprezen te worden. Want het is de tijd om de belastingaangifte te doen. Denk nu niet dat dat iets moderns is waar de Bijbel nog geen weet van had. Niks is minder waar. Elke drie jaar moest je een tiende van alles wat je verdiende, wat je land opbracht, wat je aan vermogen had, afdragen aan de gemeenschap om te zorgen dat de levieten hun werk konden doen. De levieten zorgden voor de rechtspraak en het bestuur. Die zagen er op toe dat de belasting op de juiste wijze terecht kwam bij hen die er recht op hadden, ze zagen er op toe dat de mensen die het nodig hadden recht werd gedaan. Wie dan? Daar staat een duidelijk rijtje: de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.

Hoeveel je moest afdragen en hoe dat er uit moest zien staat elders nauwkeurig beschreven. Tot en met opslagplaatsen voor voedsel in de dorpen voor als de oogst een keer zou mislukken. Ook die opslagplaatsen waren voor de Levieten, de vreemdelingen en de weduwen en de wezen. Maar als de tijd aangebroken was om officiëel alles over te dragen dan moest je dat ook nog doen met een eed of een belofte. Ook daar is niks aan veranderd want ook vandaag ondertekenen we de belastingaangifte met de belofte dat we alles eerlijk hebben opgegeven en niets hebben verzwegen. Dat er een openbaar bestuur met rechtspraak moet zijn in een volk had Mozes van zijn schoonvader in de woestijn geleerd. Daar was uiteindelijk een van de twaalf stammen voor afgezonderd, de stam Levi. Dan kon je je nooit vergissen in wie er wel en wie er niet bij het bestuur hoorde. Die levieten mochten geen bezit hebben en geen andere giften aannemen.

En dan de vreemdelingen in uw midden. Wij maken een groot probleem van de aanwezigheid van vreemdelingen. Hoewel, “wij”, een kleine minderheid probeert ons bang te maken voor vreemdelingen. Gelovige Christenen moeten daar om lachen. De Bijbel geeft al vanouds de aanwijzing om de vreemdelingen op te nemen en net zo te behandelen als je eigen volk. Ze kunnen misdaden plegen, moeten dan gestraft worden, kunnen zonder werk komen, moeten dan geholpen worden, ze kunnen rechtsgedingen voeren, moeten dan eerlijk behandeld worden. Ze staan op één lijn met de armsten in het volk. Je hoeft er dus niet bang voor te zijn, ook in onze dagen brengt het aanpraten van angst alleen maar schade toe aan onze eigen samenleving. Dat er problemen zijn in de samenleving komt omdat we de neiging hebben voor onszelf te leven en de zorg voor anderen aan de overheid over te laten. In de dagen dat je de belastingaangifte moet invullen zou je je weer kunnen herinneren dat de zorg voor de anderen, voor je eigen buurt, dorp, wijk of stad, in de eerste plaats aan jou zelf is. Samen leven gaat niet zonder jou. Dat is ook wat Deuteronomium wil zeggen met die heel nauwkeurige regels over de tienden. Zorg voor je samenleving en de mensen die er bij horen. Dat kan gelukkig elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

 

Een feestmaal houden

woensdag, 28 maart, 2012

Deuteronomium 26:1-11
 
Op de drempel van het beloofde land, een land overvloeiende van melk en honing klinkt het nog één maal: “denk er om dat je zwervers bent geweest en tot slaven bent gemaakt”. Als je het eerste dat je oogst in dat nieuwe land daar aan wijdt dan mag je feestvieren. Feestvieren met wie? Met de ambtenaren en de vreemdelingen. Ja ook de vreemdelingen, iedere keer worden ze weer apart genoemd als mensen die er uitdrukkelijk bij betrokken moeten worden. De vreemdelingen zijn er niet alleen, je mag ze niet negeren ook zij horen er bij en bij alle heilige ogenblikken moeten ze mee kunnen doen, je moet zelf actief zorgen dat ze mee doen. Dat is nog eens tegengesteld aan wat wij doen. Jongeren uit de voormalige Antillen en Aruba die naar ons land komen en maar even wat last geven die betrekken we er niet bij, nee die dreigen we met terugsturen. Jongeren uit onze vakantiekolonies in de Caraïbische Zee worden er nooit bij betrokken. Er wordt daar heel wat minder aan onderwijs besteed dan hier. De mogelijkheden om te werken zijn voor hen daar heel wat minder dan voor ons hier.

Onze kinderen kunnen altijd nog bij de Marine gaan werken en per schip worden uitgezonden naar hun eilanden om daar de veiligheid te garanderen en de drugshandel te bestrijden. Wij laten ze daar geen Marineschepen bouwen en zorgen dat ze daarop aan het werk kunnen, we kijken wel uit. Dat het daar geïnvesteerde geld op een heleboel manieren ook onze samenleving ten goede zou kunnen komen ontgaat de rijken die hier wonen. Beter wat overlast voor de armen dan inleveren om eerlijk te kunnen delen. Wij zijn nu eenmaal slaaf van onze rijkdom. Deuteronomium vraagt aan de mensen van het volk van Israel om steeds hardop uit te spreken dat ze zwervers waren en tot slaaf werden gemaakt. Dat is niet voor niks, in een land overvloeiende van melk en honing ben je in een oogwenk vergeten wat het is om arm te zijn, om afhankelijk te zijn van anderen.

Je ziet het hier ook, vol van ongeloof worden de verhalen verteld over mensen die te arm zijn om de aansluiting op gas en electriciteit te kunnen betalen, die het in koude dagen moeten doen met kaarsjes die ze gekregen hebben. Niemand die er aan denkt om geld met hen te delen zodat het licht weer bij ze opgaat en de kachel gaat branden. Kinderen die passend onderwijs nodig hebben om straks een kans op de arbeidsmarkt te hebben moeten het zelf maar uitzoeken, dat is te duur voor een regering die liever leraren tegen elkaar opjaagd met een prestatiebeloning. Gehandicapten die een beschermde arbeidsplaats nodig hebben om mee te kunnen doen moeten maar bedelen bij werkgevers die prestatie voorop stellen. Schoonmakers moeten maar 24 uur achtereen werken om een redelijk salaris te verdienen. Eerlijk delen met de minsten is er niet bij. Maar pas als dat gebeurt kunnen ook wij een feestmaal houden. Gelukkig kunnen we elke dag opnieuw beginnen met dat eerlijk delen, ook vandaag weer.

Een zanger van liefdesliedjes.

dinsdag, 27 maart, 2012

Ezechiël 33:21-33

Met stomheid geslagen door het slechte van zijn medeballingen, verlamd als met touwen gebonden temidden van zijn volksgenoten. Zo ontwaakt Ezechiël als hij merkt dat hij weer kan spreken. Hij weet dat hij de woorden zal moeten spreken die geïnspireerd zijn op zijn God, de God van Israël die hij ook in de donkerste duisternis van de ballingschap heeft leren kennen als een God die het werk van zijn hand niet in de steek laat, een God die er ook wil zijn voor de ballingen. Maar waar zouden de ballingen naar terug moeten keren. Een vluchteling uit Jeruzalem komt Ezechiël vertellen over de ramp die de stad heeft getroffen. Nu is de stad echt verwoest, zelfs van de Tempel staat geen steen meer overeind. Hoe zou het nu verder moeten met het volk van Israël? Dat unieke volk dat geen beeld van zijn God had, maar die een God had die met het volk mee zou trekken.

De ballingen in Babel weten het wel. Nu de bevolking van Israël is verdreven of gedood zullen zij het zijn die het land zullen erven. Aan Abraham was dat land beloofd en die was maar alleen geweest. Aan Abraham was de belofte in vervulling gegaan en als die God echt het werk van zijn hand niet in de steek laat dan zal die woestenij nu aan de ballingen toevallen. Maar Ezechiël heeft een andere boodschap. Opnieuw klinken de leefregels voor het beloofde land, respect voor het leven, geen vlees eten dus waar de drager van het leven, het bloed, nog in zit. Geen andere goden dienen, geen overspel plegen, geen geweld plegen waar mensen aan dood gaan. Als je zo leeft zul je er dood aan gaan. En natuurlijk komen mensen in grote getale naar die boodschap luisteren. Een volk dat zich aan fatsoensregels houdt klinkt zo mooi, dromen van dat beloofde land is toch een heerlijk gevoel. Samen in de warme voorjaarszon zitten luisteren naar die boeiende verhalen, wat is er beter.

Maar het is leeg en dient tot niets, wordt aan Ezechiël gezegd. En ook wij mogen daar wel eens naar luisteren als wij het lijden  van de mensen willen vangen in popliedjes door zoetgevoisde populaire artiesten vertolkt. Als wij de jongeren van ons volk willen uitdagen een groot plastic kruis door de stad te sjouwen omdat het lijden van de zoon van God ons zoveel genot verschaft. Zo lang wij zwijgen over het lijden dat ons volk veroorzaakt bij de zwaksten, de kinderen die extra steun bij onderwijs nodig hebben, bij de mensen die aangewezen zijn op beschermde arbeidsplaatsen, bij de gehandicapten die hun PGB zo nodig hebben, bij de jonge vrouwen die gedwongen in de seksindustrie werken , zo lang wij weigeren de schoonmakers een eerlijk loon te betalen, zo lang wij willen bezuinigen op de ontwikkelingssamenwerking, zo lang dringt het lijden van de mensen nog zo weinig tot ons door dat de roep om anders te doen blijft klinken, maar blijft klinken in de woestijn van welvaart die we meer liefhebben dan de God van Israël. Pas als het onheil over ons allen komt zullen we beseffen dat we te laat hebben gedeeld. Nu is het nog niet te laat, elke dag kunnen we beginnen te laten zien wat lijden is in onze dagen en hoe we eerlijk onze welvaart kunnen delen, ook vandaag kan dat weer.

 

Waarom zouden jullie sterven.

maandag, 26 maart, 2012

Ezechiël 33:10-20

Er was ooit een profeet die kwaad werd op de God van Israël omdat de woorden die hij sprak nooit uitkwamen. Hij vluchtte zelfs de andere kant op toen hij er op uitgestuurd werd om de mensen te waarschuwen voor het onheil dat hen te wachten stond. En hij kreeg gelijk, het onheil dat hij had voorspeld kwam niet uit. Die profeet was Jona. Hij waarschuwde de inwoners van Nineve voor de vernietiging van de stad vanwege het onrecht dat de mensen daar begingen. Maar de inwoners van Nineve luisterden naar de waarschuwing van de profeet en bekeerden zich. Ze scheurden hun kleren als tegen van rouw en gaven de armen waar die recht op hadden, ze veranderden hun samenleving van hebben en houwen in een samenleving van recht en gerechtigheid. De God van Israël rekende daarop hun onrecht aan hen niet langer aan en spaarde de stad.

De uitleg van het boek Jona kunnen we vandaag teruglezen in het gedeelte dat ons voorgeschoteld wordt uit het boek Ezechiël. Het gejammer en geklaag van het volk in ballingschap heeft geen enkele zin en grond. De God van Israël is niet uit op de dood van mensen, zelfs niet op de dood van zijn eniggeboren zoon. Het is het kwaad van de mensen zelf dat de dood van mensen verzoorzaakt. Als wij niet willen delen van onze overvloed, als wij weigeren rechtvaardige handelsverhoudingen te scheppen, dan sterven mensen van de honger, dan overleven de armen zelfs in ons rijke land niet. De God van Israël roept op om het goede te doen en niet dan het goede. Dat brengt leven, ook voor hen die eerste het slechte deden, maar zeker voor de mensen die door het slechte werden bedreigd.

Er zijn mensen voor wie het gedeelte dat we vandaag uit het boek van de profeet Ezechiël lezen aanleiding is om te letten op wat we verkeerd doen, vooral op wat anderen verkeerd doen overigens. Want ook een rechtvaardige die zondigt wacht immers de dood als straf voor de zonde zou je hier kunnen lezen? Daar wordt wel voor gewaarschuwd maar dan wel gevolgd door de opmerking dat iedereen die het kwade vervangt door het goede en rechtvaardig gaat leven volgens de gedragsregels die ons door de God van Israël zijn gegeven, zich houdt aan de wetten die naar het leven leiden, zal leven en niet zal sterven. Waar we dus op moeten letten is op het goede, niet op het kwade, het goede doen en niet dan het goede is waar het op aan komt. De vreemdelingen opnemen als een van onszelf, de arme tot zijn recht laten komen, delen van onze overvloed met hen die niets hebben, de naakte kleden, de hongerige voeden en de dorstige te drinken geven. Dat is het soort samenleving dat ons allemaal het leven geeft. Ook Ezechiël leert ons dat we er elke dag opnieuw mee kunnen beginnen, ook vandaag weer.

Jij zult het er levend afbrengen.

zondag, 25 maart, 2012

Ezechiël 33:1-9

Het is gemakkelijk om dat wat profeten zeggen naar de toekomst te verleggen. We hebben er zelfs een spreekwoord voor: “Na ons de zondvloed”. We hoeven dan immers niet te reageren op wat profeten zeggen? We kunnen het dan zelfs mooi vinden en waardevol. Je kunt er zelfs hele religies op bouwen. De Religie van de eindtijd. Deze wereld zal vergaan en er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Op zich is dat wel waar, maar het is geen reden om het daarbij te laten. Die verhalen over de eindtijd zijn een waarschuwing voor ons. Als die eindtijd aanbreekt, waar staan wij dan, waar zijn wij dan te vinden? Zitten we stil te wachten op alles wat nieuw wordt? Of waren we alvast begonnen met die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, waren we de hongerenden aan het voeden, de naakten aan het kleden, de blinden laten zien en de lammen laten lopen?

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek van Ezechiël lezen laat ons zien waar het om draait als het gaat om de uitspraken van profeten. Maar dat gedeelte laat ons ook zien dat we zelf profeten moeten worden. Ezechiël is de profeet van het zien, van levende beelden. En zelfs in onze dagen kunnen we de stadsmuur herkennen met de wachter er op. In de verte zie je een geweldig leger aankomen dat de stad zal willen bedreigen. Wat staat je als wachter te doen? Je moet waarschuwen. Natuurlijk kun je bedenken dat het leger dat je ziet aankomen om de stad zal heentrekken, dat het naar een andere vijand op weg is, dat je stadsmuren zo sterk zijn dan het zich daardoor wel zal laten afschrikken. Er zijn altijd vele redenen die te bedenken zijn om maar even niks te doen, om niet te hoeven waarschuwen voor naderend onheil. Maar, zegt Ezechiël hier, je bent dan ook zelf mee verantwoordelijk voor de gevolgen.

Wat is dan het onheil waarvoor wij gewaarschuwd moeten worden? We hebben geen vijand meer aan de oostgrens, we hebben geen vijand meer verder weg in het oosten. Ook de Islam is niet onze vijand en haar gelovigen zijn niet uit op onze ondergang. Uit de Bijbel weten we dat de grootste vijand van de God van Israël het onrecht is aan mensen aangedaan, het lijden en het onrecht, het uitbuiten van de zwakken, het verwaarlozen van de zorg voor de minsten. En voor die vijand mag ook in onze dagen wel gewaarschuwd worden. Het afpakken van de extra steun voor de zwakste kinderen, het afpakken van de PGB waardoor gehandicapten zelfstandig kunnen blijven wonen en kunnen gaan werken, het afschaffen van de beschermde werkplaatsen, het wegbezuinigen van de ontwikkelingssamenwerking, het korten op de steun voor oudere werklozen om weer aan het werk te kunnen. Dat alles om de bonussen en de hoge inkomens van de rijken te beschermen. Je zou mogen verwachten dat kerken en predikanten daartegen te hoop lopen, dat de schreeuw van de schoonmakers versterkt wordt door de wachters die de zorg voor de minsten prediken, misschien moeten we daar dus vandaag maar mee beginnen, zodat we niet mee verantwoordelijk worden voor het onheil dat ons bedreigt.

 

Naar uw heilige berg.

zaterdag, 24 maart, 2012

Psalm 43

Vandaag zingen we een klaagpsalm mee met de kerken in Nederland. Deze 40 dagentijd leven we mee met hen die lijden. Toch eindigt deze Psalm met een optimistische klank: “eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.” En dat mag ook want de psalmdichter herinnert zich het verhaal van wat we zijn gaan noemen de Openbaring van God. Daar kwam dat zootje slaven in de woestijn tot de ontdekking dat je geen goden van goud en heersers als Farao’s nodig had om een volk te vormen, maar dat je elkaar lief moest hebben als jezelf en een simpel stel regels gebaseerd op die liefde. Iedere keer als die weg was verlaten ging het fout in de samenleving en iedere keer als iedereen zich er weer toe bekeerde ging het weer de goede kant op.

En daarom, hoe donker de tijden ook mogen zijn altijd wenkt dat vooruitzicht op recht en gerechtigheid. De mensen in Liberia en Sierra Leone hebben zolang onder het juk van een dictator gezucht dat niemand meer dacht hem ooit te kunnen verjagen en nu staat hij terecht in Den Haag voor het internationale strafhof. De mensen in Bolivia waren alles kwijtgeraakt bij ongekende overstromingen en het leek er op dat niemand er aandacht naar omkeek, het leek een vergeten ramp, maar CARE NEDERLAND was op hun internetpagina een actie voor deze vergeten ramp gestart, ga maar eens kijken, het hielp ook.

Wij hebben hier Mark Rutte echter die roept om hervormingen in de samenleving. Ondernemers moeten ongehinderd kunnen profiteren van hun werknemers en niet lastig gevallen worden met milieuregels en gezeur over te hoge bonussen en zo. Uitkeringen moeten afgeschaft worden, werk zat en de staat zorgt voor Uw kinderen, als U er maar voor betaald. Wij kunnen ook die Mark Rutte gelukkig tegenhouden. Wij geven onze stem gewoon aan de armen, aan de vreemdelingen zoals we gehoord hebben in de verhalen uit de Bijbel en zoals we mee zijn gaan zingen met de psalmen. We mogen vandaag weer beginnen iedereen mee te krijgen voor dat rare Koninkrijk zonder grenzen, het Koninkrijk van God, waar de onderkant de boventoon voert en iedereen mee mag doen.

Zonder Schoen

vrijdag, 23 maart, 2012

Deuteronomium 25:5-19

Hoe gaat het in dat nieuwe land met een erfenis? In allerlei culturen zijn daar verschillende oplossingen voor bedacht. In alle agrarische culturen gaat de totale erfenis over het algemeen naar het oudste kind. En daar waar het land intensief bewerkt moet worden of over kuddes moet worden gewaakt gaat de erfenis naar de oudste zoon. De positie van vrouwen is dan wel erg wankel geworden. Nu hebben mannen toch al de neiging om vrouwen als wat zwakker en dus onderdanig aan hen te behandelen dus is er extra reden om wat bijzondere regelingen voor vrouwen te treffen. Dat geld ook in onze samenleving. Het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen nergens in Europa zo groot is als in Nederland, alleen op het eiland Malta verdienen de ridders nog meer dan hun vrouwen. Daar moet je dan wat extra regelingen voor treffen en met de vergrijzing in het vooruitzicht lijkt dat ook wel te gaan gebeuren.

In Israel was het je plicht om te zorgen voor de weduwe. We zijn in het boek Deuteronomium de weduwen al een paar keer tegengekomen. Zij mochten mee-eten van de offermaaltijd, mochten de vergeten schoven en het neergevallen graan van het akker halen, achtergebleven vijgen en druiven rapen en hun zwager moest dus voor hun economische toekomst zorgen. Kinderen zijn in heel veel samenlevingen nog steeds een vorm van pensioenverzekering. Bij ons overigens ook. Al gaat het via de overheid maar om de pensioenen van de vergrijzing te betalen moeten we zorgen voor vreemdelingen die het werk voor ons doen. Waarom we de vreemdelingen uitzetten is daarom een raadsel, we hebben ze veel te hard nodig. Maar als je niet wilt zorgen voor de weduwe dan heet je dus “zonder schoen”, op grote voet doch ook op blote voet levend.

Ook vrouwen moet overigens zorgen voor het kunnen voortplanten door mannen. Zelfs als ze hun eigen man willen beschermen moeten ze de ander niet de toekomst ontnemen. Respect en zorg voor elkaar, zelfs voor je vijanden, is wat voortdurend in deze gedragsregels doorklinkt. Geen valse gewichten gebruiken, geen valse maatkannen gebruiken. Iedereen zal een afschuw moeten ontwikkelen van oneerlijk zaken doen. Als jij een ander benadeelt zal iemand jou ook wel eens benadelen. En, wie weet, benadeel je een arme, een bondgenoot van de God van Israël. Delen, dat staat voorop en het laagste is iemand in de rug aanvallen, dat doe je door vals te handelen, dat deden de Amalekieten toen Israël door hun woestijn trok. Niets in uw goddelijke land mag aan zulke laaghartige lafaarts herinneren. Alles van dat gedrag strijdt met wat je mag verwachten van bewoners van een land van vrede en recht. Gelukkig mogen we elke dag weer opnieuw aan de opbouw van dat land beginnen, ook vandaag weer.

Een dagloner mag u niet uitbuiten

donderdag, 22 maart, 2012

Deuteronomium 24:14–25:4

Die dagloner heeft het al moeilijk genoeg, zelfs als het maar een vreemdeling is. Opnieuw gaat het vandaag over respect. Over recht en gerechtigheid jegens je naaste. Denk niet dat het hier om juridische rechtsregels gaat waar juridische scherpslijpers hun wel of niet en hun jamaar op los moeten laten. De vraag die hier wordt beantwoord is niet de vraag naar wat mag of wat niet mag maar naar hoe je je zo kunt gedragen in een nieuw land dat het echt een land wordt dat overvloeit van melk en honing, zo’n land waarvan je kunt zeggen dat het van God afkomstig is, een goddelijk land. In zo’n land respecteer je elkaar dus. In zo’n land zorg je dat er op tijd loon wordt betaald, in zo’n land snap je nog wat arm zijn betekent, daar zorg je voor een goed loon voor schoonmakers en beschermd werk voor gehandicapten en mensen met een beperking voor de arbeidsmarkt.

In zo’n land zorg je voor recht en gerechtigheid. Als er dan al doodstraf is dan is die straf direct verbonden met de misdaad die gepleegd is en dus met de misdadiger die het misdrijf heeft begaan, de ouders van die misdadiger en de kinderen van die misdadiger staan daar buiten. Zelfs de rechten van vreemdelingen en wezen moet je eerbiedigen en weduwen laat je niet in de kou staan. Het volk Israël wordt er telkens weer op gewezen dat ze zelf slaaf zijn geweest in Egypte. Ze zijn dus niet anders, niet beter en niet slechter dan de mensen die op de rand van de slavernij leven. Het was de God van Israël die ze er van bevrijd heeft en het is de God van Israël die ze nu oproept om ook zelf de armen te bevrijden door zijn liefde te delen met hen die dat nodig hebben.

Hebberigheid en hebzucht horen dus ook niet bij een samenleving dat een goddelijk land wil zijn. Daar kijk je niet of alle vijgen zijn geraapt of alle druiven zijn geplukt. Laat de rest maar zitten voor hen die een eigen tuin of wijngaard hebben en dus niet kunnen rapen of kunnen plukken. Tegenwoordig gaan voedselbanken de huizen langs om overtollig voedsel op te halen en ons land laat zich zien doordat er meer opgehaald wordt dan werd verwacht. Ook in ons land weet men van delen en van recht doen. Net zoals in ons land ook het recht haar maat heeft. Niet meer dan 40 stokslagen zegt ons Bijbelgedeelte dat is de maat. Bij ons staat voor elk misdrijf een maat en als leken meekijken met rechters komen ze vaak op lagere straffen uit dan de rechters hebben opgelegd. Zelfs naar dieren gaat ons respect uit. Een rund dat graan dorst zal mee eten van het graan dat vrij komt. Gun het dier dat graan zegt Deuteronomium. En wij zeggen het na in ons respect voor dieren in slachthuizen en bioindustrie. Daar waar dat respect zichtbaar ontbreekt regeert het heidendom, in een goddelijk land delen ook dieren mee. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw aan het goddelijk worden van ons land gaan werken, ook vandaag weer.