Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2012

Sta op

zondag, 19 februari, 2012

Marcus 2:1-12
 
Altijd kunnen we weer opnieuw beginnen zeggen we hier vaak. Het is het hart van het verhaal, zonder dat zou het leven vergeefs zijn. Volledig opgaan in de liefde voor de naaste is een haast onmogelijke opgave, zeker als niet iedereen voortdurend meedoet en dat laatste is zeker niet het geval. Juist de tegenwerking van de rijken en de machtigen, de leugens die ze verspreiden en het verdraaien van woorden maken dat je verlamd raakt en ontmoedigd. Jezus van Nazareth woonde volgens het verhaal in Kafernaüm, dat volgens sommigen “Het huis van troost” betekent. En het is goed om te bedenken dat je dus weer opnieuw mag beginnen, ook op deze eerste dag van de week. Het verhaal dat we vandaag lezen is wat dat betreft zeer toepasselijk.

Vier vrienden dragen een verlamde tot bij Jezus. Alleen al het hebben van zulke vrienden doet je bijna genezen. Maar iedereen wilde wel bij Jezus zijn in die dagen dus het huis puilt uit van de mensen. Geen nood, ze lopen het dak op, dragen hun vriend naar boven en maken een gat in het dak waardoor ze hem kunnen laten zaken tot voor de voeten van de meester. De verlamde vriend moet en zal er bij horen. Volgens de religieuze leiders van die dagen moet God dat uitmaken, niet de mensen. Wij kennen zulke religieuze leiders, homohuwelijken moeten niet erkend worden want homo’s en lesbiennes horen niet bij onze samenleving. Condooms mogen niet uitgedeeld en laat staan gebruikt worden, Aids is immers een straf van God.

Jezus bestreed die opvattingen, geloof in de Liefde, in de Wet van de Woestijn, heb uw naaste lief als uzelf, is genoeg. Daarvan gaat zelfs een verlamde weer  lopen. De opdracht is daarom op de staan tegen dit soort leiders. Godslastering is niet het uit liefde opnemen van iedereen in je gemeenschap, Godslastering is het uitsluiten van mensen, van verdeeldheid zaaien tussen bevolkingsgroepen, godsdiensten en landen. Vandaag begint het feest van Carnaval, van die omgekeerde wereld waar iedereen aan mag meedoen en je niet kunt zien wie er uitgesloten zou moeten worden. Een feest dat niet voor niets door het volk een Christelijk tintje heeft gekregen. De grootste zot voert daar de boventoon. Tijd dus om op te staan en mee te doen aan een samenleving waar de onderkant de boventoon voert.

Niet worden aangerekend

zaterdag, 18 februari, 2012

Deuteronomium 21:1-9
 
Ziet U ze al staan? De burgemeesters en de wethouders van de gemeenten in ons land die blijven zitten met een onopgeloste moord? Samen een koe slachten?  Ze zouden moeten boeten, vergeving vragen voor een samenleving waarin zoiets kan voorkomen. Een stiekume moord, waarbij de dader onopgemerkt bleef. Natuurlijk hoeven de bestuurders van de stad niet bestraft te worden. Maar er zijn steden in ons land die toch een grote kudde rundvee kwijt zouden zijn als het stadsbestuur voor elke onopgeloste moord een rund zou moeten offeren. Is het ook reeël zoiets te vragen? Deuteronomium schrijft het voor en in de samenleving waarin die wet geschreven is kwam een onopgeloste moord waarschijnlijk toch heel wat sneller voor als bij ons. Wij hebben een opsporingsapparaat met wetenschappelijke methoden en communicatiemiddelen waar ze toen zelfs niet van konden dromen. Toch is er alle aanleiding om te blijven zeuren over onopgeloste moorden.

De mensen die in een kleine stad in Nederland op een zonnige morgen een plaatselijke caféhouder zagen doodschieten voor de deur van de openbare bibliotheek kijken daar in de buurt nog steeds schichtig over hun schouder. De dader is nooit gevonden. De plaatselijke burgemeester, die het beheer heeft over het politiekorps, roept sinds die tijd dat de politie nog steeds op zoek is. Maar wie was verantwoordelijk voor het klimaat waarin zoiets kan groeien in een samenleving? Daar legt dit Bijbelverhaal de vinger op een hele zere plek. In ons land werd er gepleit voor gemeentelijke boetes voor kleine overtredingen. Door rood licht lopen of fietsen, hondepoep op straat laten liggen, fietsen in het voetgangersgebied in de stad. Allemaal overtredingen waarbij heel vaak volwassen mensen het verkeerde voorbeeld geven aan opgroeiende jeugd. Juist door mensen ook die het hardst klagen over onveiligheid en overlast.

Maar ook is er die oproep aan de politiek om eens bij voedselbanken te gaan kijken. De zwervers moeten van straat, maar hoe komt iemand tot zwerven? Een samenleving waarin ieder maar doet wat goed is in eigen ogen en niemand zorgt voor de zwaksten in de samenleving glijdt langzaam af naar een samenleving waarin de daders van moorden ongemerkt weg kunnen komen.Onze jongeren moeten  in kazernes worden weggestopt om dicipline geleerd te worden, maar werkgevers kunnen iedereen blijven weigeren op basis van de achternaam of de kleur van de ogen. Misschien wordt het toch eens tijd om de bestuurders af en toe te laten boeten. In het land dat de God van Israël ons wilde geven vloeide het over van melk en honing. Daar zou geen misdaad zijn was de bedoeling. Wij bestrijden nog steeds de symptomen, de verschijnselen achteraf, maar we komen steeds minder toe aan de oorzaken, dat wat vooraf gaat aan een misdrijf. Daar roept de God van Israël ons juist toe op. Daar aandacht aan schenken kan iedereen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Eerst een vredesregeling aanbieden

vrijdag, 17 februari, 2012

Deuteronomium 20:10-20
 
Het gaat vandaag om de vraag wie wil meedelen van de overvloed en wie wil alles voor zichzelf houden. De volken die aan Israel hebben laten weten dat ze alles voorzichzelf willen houden en bovendien hun godsdienst aan iedereen wilden opleggen kunnen geen vrede sluiten, maar bij de anderen moet je het sluiten van vrede eerst proberen. Het oude Bijbelboek Deuteronomium stelt ons een aantal vragen die hoogst actueel zijn. Oorlog begin je niet zomaar. Als er geen goede antwoorden zijn op de gestelde vragen dan kun je er beter niet aan beginnen anders roep je meer onheil over je af dan heil. En onheil betekent een gebroken samenleving, heil een maatschappij waarin samen geleefd wordt.

Het gaat in dit gedeelte van Deuteronomium allereerst om de vraag hoe het land dat God het volk zal geven veroverd moet worden. Dat zal stad voor stad gaan. Sommige steden zullen zich direct aansluiten bij het volk Israël. Dan is er geen sprake van verovering. Maar voordat je een andere stad echt verovert zul je eerst een vredesregeling moeten aanbieden. In onze dagen horen we veel over onderhandelingen tussen Palestijnen en Israël, maar van een aanbod tot een vredesregeling door Israël horen we eigenlijk nooit. Hooguit dat een of andere partij van Palestijnen moet worden verboden. Natuurlijk als een stad weigert te delen, weigert om samen te leven met de nomaden die de woestijn zijn ontvlucht dan moeten ze het maar weten.

Wrede dictaturen, zoals we nu in Syrië zien, maken ons terecht kwaad en we zouden er wel op in willen hakken om een eind te maken aan het vergieten van onschuldig bloed. Maar Deuteronomium zegt ons iets anders. Eerst praten over vrede, niet zelf direct tot bloedvergieten overgaan. De stammen die genoemd worden en die moeten worden vernietigd zijn de stammen die absoluut niet willen delen, die beginnen te vechten nog voordat er is onderhandeld en die bovendien hun kinderen offeren om een overwinning te behalen. Maar Israël moet de vrede blijven zoeken. Zelfs met de bomen, als ze vrucht dragen die je kunt eten moet je ze laten staan, als je ze kunt gebruiken en ze dragen geen vrucht dan pas mag je ze omhakken. De zorg voor mensen blijft voorop staan, uiteindelijke doel is een land maken dat de glorie van God, dat is de liefde voor de mensen, uitdraagt over heel de aarde. Dat mag ook ons doel zijn, elke dag weer, ook vandaag.

Wees dan niet bang

donderdag, 16 februari, 2012

Deuteronomium 20:1-9
 
Groenlinks heeft zich opnieuw beraden over de Nederlandse bemoeienis met Afghanistan. Amerika was daar een oorlog begonnen en het was mee aan ons om de bewoners van dat land weer veiligheid te leren. Groenlinks heeft daarom een paar maal geroepen dat het gaat om de heropbouw van Afganistan. Dat klinkt mooi. De inwoners van Afganistan weer mee laten doen met de wereldeconomie. Genieten van hun creativiteit en dat wat ze tot stand kunnen brengen en hen laten genieten wat we hier allemaal hebben. Op vakantie kunnen gaan naar prachtige delen van Afghanistan en dan Afghanen in Amsterdam de weg kunnen wijzen naar de aanlegplaatsen voor de rondvaartboten waar zij op hun beurt tijdens een vakantie van kunnen genieten. Voor dat beeld van vrede en eerlijk delen mogen we best wat over hebben.

Dit deel uit Deuteronomium waarschuwt er voor dat je niet iedereen de oorlog in moet sturen. Mensen die net een huis hebben gebouwd, of voor wie de oogst wacht, of die net getrouwd zijn moet je niet mee sturen. Toen Jezus van Nazareth eens duidelijk wilde maken hoe het zat met de deelname aan zijn Koninkrijk toen vertelde hij dat mensen die net een huis hadden gekocht, of een akker land moesten bewerken of net getrouwd waren het lieten afweten. Het gaat dus ook in Deuteronomium om de strijd om dat nieuwe Koninkijk en het lijkt nu tijd ook Afghanistan daarin op te nemen. Maar wil de regering en wil de Nato dat wel? De Amerikanen lieten de productie van opium maar even buiten beschouwing. Van die opium wordt heroïne gemaakt en die is bestemd voor de Europeese markt. Nederland traint nu wel politieagenten maar laat de vervanging van de papaverteelt door safraanteelt aan de vrije markt over, die het vervolgens te gevaarlijk vindt.

Het zal toch niet zo zijn dat Groenlinks nu praat over de vraag hoe de aanvoer van drugs naar de verslaafden in onze steden veilig gesteld kan worden? Aan de handel in drugs wordt weliswaar veel verdiend en van dat geld kan veel aan wederopbouw worden besteed, maar het gevaar voor soldaten daar is misschien dan toch minder groot als het gevaar voor onze kinderen hier. We kennen de drugsverslaving en de drugshandel als ongewenst bijverschijnsel van de oorlog in Vietnam. Het boek Deuteronomium roept op om in elk geval niet bang te zijn als er een vijand moet worden bestreden. En vijanden in de Bijbel houden het volk af van het land dat overvloeit van melk en honing, het koninkrijk van God. Ook Afghanistan moet op dat land gaan lijken en kennelijk zijn ook wij geroepen om daaraan een bijdrage te leveren. Angst moet daarbij dus niet onze leidraad zijn maar de zorg voor mensen overal ter wereld, vooral de armen. Of dat gaat met de training van politieagenten? Wie zal het zeggen, wellicht blijft een voortgaande discussie daarover geboden.

Een oog voor een oog

woensdag, 15 februari, 2012

Deuteronomium 19:14-21

“Hard straffen, het staat in de Bijbel”, hoor je nog wel eens zeggen. En dan vragen anderen zich af wat die wrede straffen dan wel te maken hebben met geboden over liefde, en rechtvaardigheid. Dat hard straffen daar gaat het dus ook helemaal niet om. In een tijd dat ze nog geen wetenschappelijk bewijs in strafzaken konden verzamelen, denk maar eens aan de CSI series op de TV, moest je toch wel heel zeker weten dat iemand schuldig was voor er een veroordeling uit te spreken was. Eén getuige was geen getuige, twee op z’n minst en dan nog. Iemand die een ander kwam aanklagen liep het risico de straf te krijgen die de ander was toegedacht. En daar komt de regel om de hoek kijken dat je voor een ander moet wensen wat je voor jezelf wenst. Als jij vindt dat iemand een oog moet missen voor een misdrijf dan moet je het risico willen lopen zelf een oog te verliezen. Dat staat in dit Bijbelgedeelte.

We zijn inmiddels wat verder in het verzamelen van bewijs en weten ook dat straffen het meest effect hebben als ze te maken hebben met het gepleegde misdrijf. Maar we weten ook dat bijvoorbeeld valse aangiften van sexuele misdrijven een regelrechte ramp zijn. Niet alleen voor de ten onrechte beschuldigden en dat mag niet onderschat worden, maar vooral ook voor echte slachtoffers die ineens veel en veel meer moeite moeten doen gehoor te vinden voor hun aanklacht. Die echte slachtoffers moeten vaak het risico nemen nog eens beschadigd te worden als ze degene die hen beschadigd heeft willen laten boeten. Roepen om harde straffen is daarom vaak goedkoop en gemakkelijk als je zelf niet het risico wil nemen ook zo bestraft te worden.

Het stuk dat we vandaag uit Deuteronomium lezen spoort ons aan tot de grootste voorzichtigheid bij het aanklagen en pleiten voor straffen. Misdrijven worden het best bestreden door ze te voorkomen, en misdrijven voorkomen doe je door mensen al van heel jong af met liefde en aandacht te omringen. Daar zijn tegenwoordig zelfs wetenschappelijke methodes voor die werken, jammer dat ze door dit kabinet zijn wegbezuinigd. Maar een beetje liefde kunnen we zelf ook uitstralen. Misdaad bestrijden begint in de wieg. Wie kinderen al jong mishandelt kweekt mishandelaars, wie kinderen misbruikt loopt de kans misbruikers te kweken. Aan alle volwassenen dus de taak om goed op te letten om de kinderen om ons heen. Zijn dat wel de zorgeloze vrolijke kinderen die in een veilige omgeving opgroeien? Of zijn het angstige wezentjes die elk contact met volwassenen mijden en zich in zichzelf opsluiten? Wij zijn inderdaad elkaars hoeder. Niet dat anderen moeten doen en leven als wijzelf, niet dat we anderen de regels moeten opleggen die we onszelf opleggen, maar wel dat we zo meeleven en zorgen voor anderen als we voor onszelf gezorgd en met onszelf meegeleefd zouden willen hebben.

 

Wraakneming zou ook niet terecht zijn

dinsdag, 14 februari, 2012

Deuteronomium 19:1-13
 
Een ongeluk zit in een klein hoekje. Onze schaatsers en schaatsters kunnen er na deze winter weer over meepraten. Iemand die zo’n ongeluk overkomt moet natuurlijk niet bestraft worden. Zo zit ons recht gelukkig in elkaar tegenwoordig. De vrijsteden zijn in de loop van de geschiedenis afgeschaft maar ook wij hebben die gekend. Het recht zelf verandert voortdurend. Het past zich aan aan nieuwe opvattingen en gewoonten, maar de principes blijven hetzelfde. Eigenlijk moet je altijd er voor zorgen dat een ander niet meer of erger overkomt dan dat jezelf gewild zou hebben. Alleen als het onvermijdelijk was dan treft je geen schuld maar zelfs onachtzaamheid kan bestraft worden. Het is goed om zo af en toe er weer eens op gewezen te worden dat je verantwoordelijk bent voor de gevolgen van je daden. Dat hoeft niet beangstigend te zijn, dat kan ook positief uitwerken. Als je het goede voor hebt en niets dan het goede wil doen dan zijn de gevolgen van je daden meer dan waarschijnlijk ook goed, je hebt er immers over nagedacht en nagegaan wat anderen als goed zouden ervaren.

En over de veranderingen in de wet hoeven we ook niet echt in te zitten. Wie duelleert er vandaag de dag nog? We hebben nog een hoofdstuk in de strafwet dat duelleren onder omstandigheden zelfs straffeloos maakt, in elk geval voor artsen die er getuige van zijn. Dat was misschien in de negentiende eeuw van toepassing, dat stuk wet is dan ook van 1886, maar is nu niet meer van deze tijd. Als twee mensen een duel willen aangaan hebben we toch de neiging de politie te bellen en er niet meer aan mee te werken. Dat bellen van de politie is volgens de wet je plicht als je kennis draagt van een misdrijf en het helpen bij een duel is even strafbaar als het aangaan van het duel. Geweld wordt in onze samenleving steeds minder acceptabel.

Dat het lijkt of het toeneemt is schijn. We schenken er meer en meer aandacht aan. We hebben toegang tot zelfs de kleinste politieberichten uit het hele land en elk verhaal over geweld trekt onze aandacht. Als geweld gewoon is wordt er ook geen aandacht aan geschonken. Hoe meer je er over hoort en leest hoe buitengewoner het is. We zijn dus op de goede weg, maar dat gaat niet vanzelf. Zeker bij geweld blijft het de taak van ieder na te gaan hoe geweld in je eigen omgeving zou kunnen ontstaan en hoe dat ontstaan zou kunnen worden voorkomen. We veroordelen tegenwoordig niet alleen geweld maar elke uiting van woede en irritatie. Maar we zoiuden ook moeten weten dat opkroppen van irritatie en woede een bron kan zijn van een geweldsexplosie. Paulus gaf daarom een gemeente eens de raad om eerst ruzie en onenigheid uit te praten voordat je samen aan tafel gaat.  Een ieder van ons moet in elk geval bereid blijven het goede te doen en niets dan het goede. Dat kan elke dag, ook vandaag weer.

Mensenkind, luister naar mijn woorden

maandag, 13 februari, 2012

Ezechiël 1:28b–3:3
 
Overweldigd door het geweldige visioen werpt Ezechiël zich op de grond. Wat moet je met een beeld van de oppergod van Babel, de donderwolk Marduk, die gebruikt wordt als een zonnewagen door de God van Israël? Daarmee hoef je niet bij dat volk aan te komen. Ze zijn niet voor niets in ballingschap gevoerd. Hun God heeft het verloren. Maar de macht en de glorie, die het visioen aan Ezechiël heeft laten zien, brengen hem op andere gedachten. Het is alsof hij een stem hoort die hem vertelt niet bang te zijn voor de woorden van zijn volk. Ezechiël blijft in beelden spreken, al zijn ze als brandnetels en doornstruiken en belagen ze je als schorpioenen je hoeft je niet te laten afschrikken. Zo’n beeld doet denken aan de cynici uit onze dagen, die spreken van knuffelaars en theedrinkers als ze het hebben over mensen die in onze samenleving vrede en verdraagzaamheid willen brengen. Net als Ezechiël moet die taal ons niet laten afschrikken en ons gewoon laten doen waar we in geloven.

Maar dan moeten we zelf ook niet opstandig willen zijn. Bang voor een verbaal sterke tegenstander die haat zaait en mensen tegen elkaar opzet. Die niet de problemen wil oplossen die er zijn, dus niet wil dat we spreken met mensen die overlast veroorzaken en met hen de maaltijd gaan gebruiken zodat de overlast kan verdwijnen en onze samenleving versterkt. Die alleen in termen van zij en wij, van kwaad en goed, wil praten. Wij moeten ons niet van de wijs laten brengen en blijven op de Weg die de God van Israël ons heeft gewezen. De Weg die ook aan de profeet Ezechiël werd gewezen. Ook al was dat volk in ballingschap gevoerd, zat het aan de oevers van de rivieren van Babylon en weende het als het terugdacht aan het verwoeste Jeruzalem, zoals ons in Psalm 137 wordt geschilderd, toch moest Ezechiël de boodschap van bevrijding door de God van Israël brengen.

Weer komt er zo’n treffend beeld zoals dat heel het boek van de profeet Ezechiël door zal gebeuren. Hier gaat het om een boekrol die gegeten moet worden. Later zou een Engelse schrijver het eten van een boekje gebruiken in Alice in Wonderland, het verhaal vol absurde gebeurtenissen. Maar zo absurd is dit niet. Die boekrol was niet zomaar een boekrol. De Wetten van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften waren in boekrollen opgeschreven, heel de Hebreeuwse Bijbel zoals ze die mee naar Babel hadden genomen was in boekrollen opgeschreven. Op de boekrol die Ezechiël nu te zien kreeg stonden klaagliederen en gezucht en gesteun. Moest hij het daarvan hebben? Je proeft de aarzeling in het verhaal. Maar de klaagliederen en het gezucht en gesteun smaakten zoet als honing. En wie in onze dagen werkt in de voedselbanken voor mensen in nood, in de Fair Trade winkels, als vrijwilliger in thuiszorg of ziekenhuis, weet dat het geklaag en gesteun waarbij je mag helpen uiteindelijk gaat smaken als zoete honing, want je mag het leed verzachten, je mag meegaan met mensen die het nodig hebben, ze weer in beweging brengen en een toekomst laten zien. Dat mag dus ook vandaag weer.

 

Waarheen Gods geest hen leidde

zondag, 12 februari, 2012

Ezechiël 1:15-28a

Wat een gedoe, die beschrijving van de wagen van de wezens met de wielen die wel of niet over de aarde rijden met al die ogen op de velgen en daarop een troon met iets als van een mens. Voor onervaren bijbellezers een brij van onbegrijpelijke beelden. Wat laat die profeet Ezechiël ons nou helemaal zien. Om te beginnen een kubus, zoiets als de Kaabah in Mekka, die kubus waar de Moslims zich heenbuigen. Men neemt aan dat in het boek Ezechieël met die kubus de Tempel in Jeruzalem wordt bedoeld, compleet met een koepel zoals de Al Aksa moskee die op de Tempelberg staat. In de Tempel werd de Wet bewaard. Maar daarboven uit troont de God van Israël. “Op iets dat leek op een troon” zegt de profeet. Menselijke woorden om het goddelijke uit te drukken. Dat geldt ook voor de beschrijving van de God zelf. “een gedaante als van een mens”. De mens is immers naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. De mens valt niet samen met God, God gaat verre boven de mens uit. Maar als je God moet beschrijven gebruik je maar menselijke beelden, andere woorden, andere beelden hebben we niet om over God te spreken, maar als we genoeg afstand inbouwen dan moet het maar zo.

We hadden al gezien dat die dieren de goden van Babel voorstelden. Maar dan die ogen, al die ogen op de velgen. Geleerden strijden er nog over wat daarvan de preciese betekenis kan zijn. Niet dat we het wel weten maar ogen worden in religieuze afbeeldingen nog wel eens gebruikt als waarschuwing: god ziet alles. Vroeger kregen kinderen nog wel eens een zogenaamd alziend oog in een plaat op hun slaapkamer hangen, als waarschuwing dat God alles ziet. Nu beseft Ezechiël ook dat al die goden, al die krachten en machten van hemel en aarde onderworpen zijn aan de God van Israël. Die prachtige wagen met die schitterende troon wordt bestuurd door de Geest van God. Al die machten en krachten, al die goden en godjes, met hun alziende ogen, hun spionerende ogen, zijn uiteindelijk onderworpen aan de God van Israël. In onze dagen zijn het de geheime diensten van onderdrukkers en dictators die alles willen zien, waardoor mensen moeten zwijgen en in het verborgen hun dromen moeten dromen.

Ezechiël ziet dat zelfs ballingen in een vreemd en machtig land dat vol staat met tempels en godenbeelden niet bang hoeven te zijn voor het verlies van hun identiteit. Ook in de ballingschap laat de God van Israël niet los het werk dat hij begonnen is. Dat volk, dat als lichtend voorbeeld van de liefde van God de wereld de glorie van God zou laten zien, komt er. Het is een geweldig visioen. Het is ook een dapper visioen. Zonder de troon met God er op is het visioen al indrukwekkend genoeg. Het schittert zoals ook in onze dagen dictaturen kunnen schitteren, ze weten alles en het lijkt of ze alles beheersen. Maar dat beheersen gaat alleen met geweld. In Syrië kunnen we dat dagelijks zien. Langzaam hoort de wereld de roep van de onderdrukten die ondanks de dreiging met de dood de straat op gaan. Langzaam wordt de liefde voor het leven zo groot dat de wereld de dood van demonstranten niet meer accepteerd. Als wij dat willen zal ook hier de Liefde van God, Gods geest zelf, de wagens van dictators gaan besturen. Via internet kunnen we de demonstranten steunen, de vrijheid gestalte geven. Dat moeten we dus ook maar doen vandaag.

Ze leken op iets dat eruitzag

zaterdag, 11 februari, 2012

Ezechiël 1:1-14

Vandaag beginnen we te lezen in het boek van de profeet Ezechiël. Een moeilijk boek voor ons van een heel bijzondere profeet. Hij moest de ballingen de ogen openen, laten zien wat het betekende om ook in de ballingschap de God van Israël te blijven dienen, of beter, opnieuw te gaan dienen. De profeet Ezechiël is bij uitstek de profeet van het zien en het laten zien. Beelden die wij niet altijd meer herkennen. Wij zijn niet omringd door tempels met beelden en beelden van afgoden op de hoeken van de straten. Tenminste niet de goden en afgoden waar de ballingen in Babel mee omringd waren. Het is jammer dat vertalers de neiging hebben alles zo netjes te vertalen. De oorspronkelijke tekst staat vol met afgebroken zinnen, herhalingen, beelden die beginnen en niet worden afgemaakt. Uit de tekst is duidelijk dat Ezechiël overmand wordt door het visioen dat hij heeft.

De beelden die we zien in de beschrijving van Ezechiël zijn eigenlijk beelden die we tegenkomen in de godsdienst van Babel, van Mesopetamië. Ook nu nog kun je daar ruïnes van tempels bezoeken waar je dit soort beelden van wezens met vleugels, dierlichamen en menselijke gezichten tegen kan komen. Het bijzondere van de droom van Ezechiël is dat die afbeeldingen van goden in zijn droom een eenheid vormen, een wagen die zich door de lucht beweegd. Ook dat beeld van die wagen door de lucht was het beeld van een god, dat was de zon. Maar in het beeld van Ezechiël was de zon niet de god, was ook het onweer niet de god, waren ook de gevleugelde wezens niet de god. Al die beelden en wezens en natuurverschijnselen waren dienaren van de God die Ezechiël in zijn visioen zag, want op die bijzondere wagen was de God van Israël, die wagen was het mobiele heiligdom van de God van Israël.

De goden die Ezechiël in zijn visioen probeert te beschrijven zijn de goden van Babel. In Babel was de dondergod Marduk de hoogste god. Ezechiël laat de ballingen in Babel zien dat zelfs Marduk onderworpen is aan de God van Israël. Je moet maar durven als je als balling in een achterafprovincie van het rijke en machtige Babel jezelf probeert te blijven. De koning was al vijf jaar in ballingschap en er was geen enkel zicht op het einde van de ballingschap. Als je nog wat zou willen met je leven, als je 30 jaar bent is dat verlangen nog zo vreemd niet, dan zou je toch mee moeten doen met godsdiensten die je vooruitgang, carrière en aanzien beloven. Dan moet je je toch niet willen houden aan een Godje dat verslagen werd door het machtige Babel, wiens Tempel werd verwoest. Ezechiël wil kennelijk laten zien dat al dat streven naar vooruitgang en aanzien maar leeg en zonder nut is. Uiteindelijk gaat het om de glorie van de God van Israël, een God die zelfs met ballingen in ballingschap gaat. Die God gaat al die afgoden te boven. Ook wij mogen ons afvragen of we door het streven naar winst en profijt op onze economische markten de God van Israël niet uit het oog verliezen. Ook wij mogen onze ogen wel eens openen voor een God die bij de minsten, de slachtoffers van kapitalisme en winstbejag, is. Een God die ons oproept zijn kant te kiezen, ook vandaag weer.

Hij stak zijn hand uit

vrijdag, 10 februari, 2012

Marcus 1:32-45

Geleerden hebben het bij het lezen van het Evangelie van Marcus over het Messias geheim. Dat Jezus van Nazareth de bevrijder van Israël, de Messias, de Christus was, moest geheim blijven. Toch stroomden de mensen toe en ging het gerucht over hem door heel het land staat er voortdurend. Wat moest er dan geheim blijven? Wellicht toch de politieke betekenis van de persoon van Jezus van Nazareth. Uiteindelijk zou boven zijn hoofd aan het kruis het opschrift “Koning der Joden” verschijnen. De enige reden die de Romeinen konden hebben om hem ter dood te brengen. En Jezus van Nazareth was nu een maal niet een Koning zoals wij dat gewend waren in zijn dagen. Geen machtsgreep met behulp van een sterk leger. Geen geslaagde gewelddadige opstand. Maar een volk dat anders met elkaar gaat leven. Dat voor elkaar gaat zorgen, de minsten gaat helpen en altijd bereid is alles met elkaar te delen. Dat alle angst voor de dood heeft verloren en niet meer voor zichzelf leeft maar voor een ander. Daarvoor moest het volk zich bekeren zoals Johannes had geroepen en moesten ze eerst leren om zo te gaan leven. Jezus van Nazareth had het er maar druk mee, zelfs de rust van een stille plek werd hem nauwelijks gegund.
 
Soms is een hand uitsteken naar iemand gemakkelijk. Je hoeft er geen moeite voor te doen en ze zeggen evengoed dank je wel. Maar het kan ook zijn dat er gevaar bij komt kijken. Wie iemand uit het water haalt die dreigt te verdrinken wordt in elk geval nat maar loopt soms ook zelf gevaar. Veel mensen blijven daarom maar veilig op de kant staan te kijken en zien dan hoe iemand verdrinkt. Voor die mensen die zichzelf wel in de waagschaal stellen is er het Carnegie heldenfonds, die worden op voordracht van hun burgemeester in het zonnetje gezet. Ze zijn een voorbeeld voor onze samenleving want zonder mensen die een hand uitsteken kunnen we niet. Vrijwilligers die zieken verzorgen, we noemen hen mantelzorgers, maken dat zieken nog verzorgd worden. Voor de zorg van zieken, ouderen en zwakken is geen geld meer. Dat zeggen ze tenminste, er is natuurlijk geld genoeg maar zij die dat geld in overvloed hebben willen het niet delen, zeker niet voor zorg.
Als ze zelf zorg nodig hebben dan huren ze wel wat in. Delen is er niet bij. Daarom zijn de mantelzorgers te prijzen. Zonder beloning zorgen ze voor zieken, zwakken of ouderen in hun directe omgeving.
 
Ook Jezus van Nazareth steekt de hand uit in het verhaal zoals dat door Marcus is opgeschreven. Eerst aan een vrouw, de schoonmoeder van Petrus, dan ook aan een melaatse. Wat we vroeger als melaatsheid lazen wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling “huidvraat” genoemd, echt Lepra of melaatsheid hoeft het niet geweest te zijn. Lepra is een in Afrika nog steeds veel voorkomende ziekte en een hand uitsteken naar de Leprastichting is daarom zeer aan te bevelen. Voor Jezus van Nazareth moest het gewoon worden dat mensen weer mee kunnen doen in de samenleving. Je gewoon laten herkeuren door de priesters, zoals de wet voorschrijft, en dan weer aan het werk. Maar nee, mensen die een hand uitsteken moeten nu eenmaal in het zonnetje worden gezet, ze zijn een uitzondering.  Wij kunnen er ook voor zorgen dat die uitzondering de regel wordt. Als we allemaal beginnen elke dag tenminste één keer, en elke week een aantal uren de hand uit te steken naar een ander, naar iemand die dat nodig heeft, dan wordt dat delen met elkaar binnen de kortste keren ook een gewoonte. Dan is ook Jezus van Nazareth geen uitzondering meer, wordt onze wereld herschapen in een wereld waar voor iedereen een plaats is.