Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2012

Mensenkind, als je brood eet moet je beven

woensdag, 29 februari, 2012

Ezechiël 12:21-28

Er was eigenlijk maar een handjevol Israëliers naar Babel in ballingschap gebracht. De aanhangers van de God van Israël hadden gehoopt dat de achterblijvers zouden beseffen dat ze moesten ophouden met het achterna lopen van vreemde goden. Ze waren Baäl en Asjera gaan aanbidden. En vooral Moloch, de god aan wie kinderoffers werden gebracht, kinderen die leven in het vuur werden geworpen. Profeten als Jesaja en Jeremia hadden zich er tegen gekeerd maar het had niet geholpen. Men was er gewoon mee doorgegaan. Ook de ballingen, waar Ezechiël bij woonde hadden zich niet echt afgekeerd van de te verwerpen gebruiken en godsdiensten. Ook zij wilden niet luisteren. Ezechiël had nu laten zien dat de koning die nog in Jeruzalem woondde, koning Sedekia, hetzelfde zou overkomen. Het gedrag van het volk zou uitlopen op de ballingschap van velen en de dood van nog meer mensen.

Het verhaal over die tweede ballingschap en het lot van Sedekia kunnen we nalezen in het tweede boek Koningen. Daar lezen we dat koning Sedekia verdragsbreuk pleegt en uiteindelijk de ogen worden uitgestoken nadat zijn beide zonen voor zijn ogen op gruwelijke wijze zijn vermoord. Het is een ander verhaal, maar juist de toespelingen op het brengen naar een land dat hij zelfs niet meer zal zien is voor een profeet Ezechiël een reden te meer om zijn volk te waarschuwen. Ze horen niet alleen niet, ze zien het ook niet. Het heeft geen zin mensen uit te leggen dat het verkeerd gaat met de samenleving als ze niet willen zien wat er eigenlijk gebeurd. Ezechiël laat het zien en pas als de mensen vragen waarom hij zo doet gaat hij vertellen.

Ook in onze dagen lijken mensen niet te willen zien wat er eigenlijk gebeurd. Ook in onze dagen lopen mensen de vruchtbaarheidsgoden van winst en profijt na, de goden van goud en belofte, belofte die niet uit zal komen. De rijken moeten beschermd worden en de onvrede wordt volgens sommigen veroorzaakt door mensen met een andere afkomst, een ander soort geloof ook, of zoals de laatste weken met een andere taal. Dat door die houding de armeode toe zal nemen, de zorg voor elkaar zal afnemen, het geweld op de loer ligt dat wordt niet gezien. Integendeel, de haatzaaiers en de grootgraaiers kunnen hun gang blijven gaan. Het zijn de zwakken in de samenleving, de zieken, gehandicapten, gepensioneerden, werkers in de sociale werkplaatsen, die de positie van de rijken veilig moeten stellen. Zolang we dat niet zien en er tegen opstaan zal het zo blijven en lopen we de kans dat het verkeerd zal aflopen. Maar elke dag opnieuw kunnen we er tegen opstaan, ook vandaag weer.

Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet.

dinsdag, 28 februari, 2012

Ezechiël 12:1-7

Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw kennen we zogenaamde ludieke acties. Mensen die samen een toneelstukje opvoeren, op straten of pleinen, om daarmee de aandacht te vestigen op misstanden in de samenleving. We denken nog wel eens dat het toen is uitgevonden. Maar ver voor het begin van onze jaartelling was er al de profeet Ezechiël die toneelstukjes opvoerde omdat zijn volk weigerde om de ellende van mensen onder ogen te zien en te luisteren naar de klaagzangen van de onderdrukten. Hardhorend en ziende blind waren ze. Zelfs hun ballingschap namen ze als een vanzelfsprekende zaak, de vervreemding van hun God namen ze op de koop toe. Ezechiël wordt geroepen om daar iets tegen te doen. Spreken en schrijven helpt niet, daarom een toneelstukje.

Je bezittingen moet je dragen, moet je naar buiten dragen. In je huis zit een gat in de muur. Alle bescherming tegen vijanden is weggevallen. Je moet in het duister vertrekken, dan weet je tenminste niet waar je bent en waar je heengaat. Dat is de ballingschap. Wij raken gewend aan dat soort beelden. Elke dag zwerven overal op de wereld mensenmenigten over wegen en paden met hun bezittingen op hun rug of op gammele wagens, hongerend en zoekend naar een plek waar het veilig zal zijn en waar weer voedsel en drinken is. We noemen ze vluchtelingen, ontheemden, en zorgen dat er in ons land geen plaats voor hen is. Af en toe bereiken die beelden ons, vooral als er teveel mensen tegelijk op de vlucht geslagen zijn. Dan organiseren we een aktie om medelijden te tonen. Maar elke aktie opnieuw blijkt dat we gewend raken aan de beelden van vluchtelingen die in ballingschap gaan.

De 40 dagen voor Goede Vrijdag zijn er om ons te bezinnen op het lijden van de mensen. Op het slechte dat ons overkomt maar dat ons niet hoeft te overkomen. We leven in een economische crisis, een crisis waarin de rijken rijker worden en de armen de gevolgen van de crisis moeten dragen. Eén van de gevolgen van de crisis is een toenemende werkloosheid, die raakt alle sectoren van de economie op één na. De wapenhandel in de wereld neemt niet af, die blijft op gelijke hoogte. Dat betekent dat we er ook in de toekomst verzekerd van kunnen zijn dat er vluchtelingen zullen zijn. Natuurlijk kunnen we helpen, de Stichting Vluchteling is het kanaal bij uitstek om vluchtelingen te helpen. Maar voorkomen kunnen we ook, te beginnen met het bestrijden van de wapenhandel. Niet verkopen van de overbodig geworden wapens en tanks van onze krijgsmacht, maar omsmeden tot landbouwmachines, ploegscharen en zo. We kunnen dat als we oog krijgen voor de ballingen en het geroep om gerechtigheid horen van de slachtoffers. Vandaag kunnen we er alvast mee beginnen.

Jou zal niets overkomen

maandag, 27 februari, 2012

Psalm 91
 
Gisteren was de eerste zondag van de Lijdenstijd. Zes zondagen zijn er tot de Pasen en dit was de eerste. Met de kerken in Nederland zingen we vandaag psalm 91. Wat heeft een Psalm over oneindig vertrouwen op God te maken met het kruis van Golghota zul je je afvragen. Overal vallen doden op de wereld, we horen van oorlogen, martelingen, honger, aardverschuivingen, roofovervallen, verkrachtingen en alle slechts dat je je kunt bedenken. We bereiden ons voor op het lijden en sterven van Jezus en dan beginnen we te zingen dat ons niks kan overkomen. Dat is nu de echte kracht van dat goede nieuws waar de Bijbel het over heeft en wat van Jezus van Nazareth overal verkondigd moet worden. Ondanks alles zal de Liefde overwinnen. Wat er ook met ons mag gebeuren door alles heen kunnen we onze naaste blijven liefhebben als onszelf. De dood kan ons zelfs daar niet van afhouden.

Paulus schrijft ergens dat er geen kracht op, boven en onder de aarde is die ons afhoudt van de Liefde van Christus. ofwel wat er ook aan lijden om ons heen gebeurd dat Koninkrijk zullen we maken. We kunnen de verloedering en de verkilling van de samenleving tegengaan en samen werken aan een land zonder voedselbanken, waar vreemdelingen worden opgenomen in de gemeenschap en mensen niet meer tegen elkaar worden opgezet. Waar democratie betekent dat je over de dingen met elkaar praat en elkaar niet loopt zwart te maken en in de uitverkoop loopt te doen. Werken aan een land waar de onderkant de boventoon voert zodat niemand hoeft te lijden. De goddelozen zullen ons proberen wijs te maken dat het niet kan, dat de rijken nu eenmaal altijd rijk zullen blijven en de machtigen altijd machtig.

Maar kijk om je heen, waar zijn de plaggenhutten, waar is de kinderarbeid in ons land, waar zijn de melaatse bedelaars in onze straten? Door bewegingen van mensen van onderop zijn ze uitgedreven en verdwenen, door bewegingen van onderop kunnen ze van de hele aarde worden uitgebannen. De staten in de wereld hebben besloten de armoede de komende decenia de wereld uit te krijgen, nu moeten wij het nog besluiten en er mee aan de gang gaan. Psalm 91 belooft ons dat het lukt, kwestie van er in geloven dus en het doen. Het is de Geest van God die ons doet opstaan, de God van Israël die bij zijn volk is ook in de donkerste tijden. Elke dag opnieuw mogen we daarvoor aan het werk gaan, ook vandaag.

Daar niet uw schouders over ophalen

zondag, 26 februari, 2012

Deuteronomium 21:22-22:12
 
Er staan in die wetboeken uit het Oude Testament nogal veel van die kleine schijnbaar niet belangrijke regeltjes. Van sommige kun je je zelfs afvragen hoe die er nou in terecht gekomen zijn. Volgens de geleerden bewijzen ze de ouderdom van de Bijbelboeken. Voor ons lezers zal dat wel, maar wij willen ook die verhalen laten schijnen op de wereld van vandaag. Dat je het lijk van een gehangene niet langer laat hangen dan tot zonsondergang lijkt wel zo kies, tot aan het begin van de vorige eeuw was het echter in de westerse wereld niet echt gebruikelijk, hoe langer het lijk hing, hoe afschrikwekkender. De doodstraf heeft echter nog nimmer iemand weerhouden van het plegen van een misdrijf. De spelregel getuigt van de noodzaak respect te betonen, ook voor de ergste misdadigers.

De meeste regeltjes die we vandaag lezen zijn terug te voeren op het kweken van zorgvuldigheid en bewustwording. Verloren voorwerpen moet je teruggeven aan de eigenaar of voor de eigenaar bewaren. Het is een regel die nog steeds geldt, al hebben we aan dat bewaren wel wat grenzen gesteld. Maar wat moet je nu met vrouwen die niet in mannenkleren zouden mogen of mannen die niet in vrouwenkleren mogen. Je moet je dan realiseren dat ze dat in de tijd van die bijbelboeken niet deden voor hun plezier, om er eens leuk wat anders uit te zien, maar uit godsdienstige motieven, om de vruchtbaarheid van het veld te bevorderen. Waar de Bijbel voortdurend tegen te keer gaat is het gebruiken van sexualiteit voor godsdienstige bedoelingen. Tegen sommige zich christelijke noemende groepen moet je dan ook eigenlijk zeggen dat de Bijbel verbiedt dat je je bemoeit met de kleding van mannen en vrouwen, dat moeten ze zelf weten en dat mag in elk geval niet op godsdienstige gronden voorgeschreven worden.

Respect voor de natuur zijn we al eerder tegengekomen. Dieren en planten moet je met eerbied behandelen, daar moet je geen zootje van maken. Maar ook voor je bezoekers moet je verantwoordelijkheid tonen. Heerlijk in de koelte van de avond op het dak van een huis zitten kan levensgevaarlijk zijn als er geen balustrade is. En wat moeten die kwastjes? Daar breken de geleerden nog hun hoofd over, Joden dragen ze nog steeds om hen voortdurend bewust te maken van de wet van God, en dat is zo gek nog niet. De wet van recht en rechtvaardigheid, van eerlijk delen en iedereen mee laten doen kunnen we ons nooit genoeg bewust zijn. Elk moment moeten we immers opnieuw beginnen die wet toe te passen. En elk moment kan dat ook, ook vandaag weer.

In de kiem smoren.

zaterdag, 25 februari, 2012

Deuteronomium 21:10-21

Het kwaad moet in de kiem worden gesmoord, het hele volk moet worden afgeschrikt van het gaan van de weg van het kwade. Dat is de boodschap die we vandaag uit het boek Deuteronomium leren. Het eerste kwaad dat bestreden moet worden is de onmenselijke behandeling van krijgsgevangenen. Vooral vrouwen nemen in oorlogen een zwakke positie in. Verkrachtingen, zelfs groepsverkrachtigingen zijn aan de orde van de dag, tot in onze dagen toe. Gruwelijke verhalen horen we daarover. En op het eerste gezicht zou het kunnen lijken dat ook de Bijbel regels geeft die een dergelijke behandeling mogelijk maken. Maar het tegendeel is het geval. Dat een man verliefd wordt op een mooi meisje is niet meer dan menselijk. Maar ook als het een vijandin betreft dan is die vrouw geen gebruiksvoorwerp maar een mens, een kind van God. Dat haar volk overwonnen is is al erg genoeg voor haar, ze krijgt dus de tijd om daarover te rouwen. Daarna is ze geen slavin maar mag ze trouwen met haar overwinnaar, die haar huwt door met haar te slapen. Verkopen is er niet bij, ze is door het huwelijk een vrij mens geworden en geen oorlogsbuit meer. Krijgsgevangenen dienen dus met respect te worden behandeld. In onze dagen zijn daar meer regels voor ontworpen, we moeten beschaafde volken dan ook voortdurend aanspreken op het houden van die regels, dat leren we hier uit de Bijbel.

In de dagen van de Bijbel was het trouwen met meer vrouwen door een man een heel gewone zaak. Pas veel later merk je in de Bijbel dat het verschuift naar een één op één relatie. Maar het hebben van twee vrouwen levert soms problemen op. Ook hier schrijft de Bijbel voor dat je respect voor elkaar moet hebben. Voortrekken van de een boven de ander op grond van smaak en voorkeur is er niet bij. De oudste is de oudste en de regels van het erfrecht gelden onder alle omstandigheden. Dat daarom vrouwen onderling nog wel eens de nodige ruzies kregen laat de Bijbel maar in het midden. Het meest bekend in dat verband is de ruzie en zijn de spanningen tussen de zusters Lea en Rachel de vrouwen van Jacob. Maar ook in dat verhaal is Ruben overduidelijk de oudste, al zal Ruben dat zelf niet waarmaken en krijgt Jozef in de loop van de geschiedenis de reddende positie.

Daarom knoopt de schrijver van het boek Deuteronomium maar gelijk de spelregels voor de ongehoorzame zoon vast aan deze regels. Een vader kan de schuld voor de ongehoorzaamheid niet op de moeder afschuiven. Vader en moeder zijn gelijkelijk verantwoordelijk voor een goede opvoeding. Een goede opvoeding betekent in de Bijbel het aanleren van het houden van de geboden van God. Zoals het ergens in Leviticus beschreven staat: “Iedereen moet moeder en vader vrezen”. Het gebod dat al die geboden samenvat is natuurlijk dat God liefgehad moet worden boven alles maar dat je dat doet door je naaste lief te hebben als jezelf. De straf op het breken van dit gebod is de doodstraf. Maar niet zomaar. Vader en moeder moeten samen naar de oudsten in de poort, de rechters van de stad. Die moeten oordelen of het juist is dat er sprake is van een weerspannige zoon. Ook in onze dagen moeten we dus zorgvuldig zijn als het gaat om vervelende jongens die de buurt terroriseren. Dat probleem moeten we samen met de ouders aanpakken als we de Bijbel goed verstaan. Niet naar de overheid wijzen maar naar de ouders gaan, met de ouders maaltijd houden en het probleem van hun vervelende zoon of zonen bespreken. Daar kom je met de Bijbel als richtlijn op uit en daar zou wat meer naar geluisterd moeten worden. We kunnen die regels elke dag opnieuw gaan volgen, ook vandaag weer.

Ze hadden voor mij een kuil gegraven.

vrijdag, 24 februari, 2012

Psalm 57

Er zijn van die omstandigheden waarin het voelt alsof er een mes door je hart gaat. Ziekte, werkloosheid, oorlog, onderdrukking noem maar op, we kunnen ons er allemaal wel iets bij voorstellen. In de loop van de eeuwen zijn er altijd liederen geschreven om mensen de gelegenheid te geven die omstandigheden een plaats te geven, om er mee verder te kunnen in het leven. De Psalm die we vandaag meezingen uit het boek van de Psalmen is zo’n lied. In het hebreeuws staat het er ook boven: Miktam, de juiste vertaling er van kennen we niet maar het heeft iets met inscriptie te maken, of kleinnood zoals Luther vertaald, maar reken maar dat samen met de uitroep “verdelg niet” het de bedoeling heeft het letterlijk doorboren van je hart tegen te gaan.

Het is dan ook wat, die omstandigheden die de dichter van de Psalm door het hart snijden. David wordt hier genoemd in een verhaal dat in de boeken van Samuël wordt verteld. David had Goliath verslagen en was als jonge harpspeler, als musicus naar het hof van Saul ontboden om daar de Koning met zijn muziek rust te geven, te kalmeren als deze zich zal op te winden over al de oorlogen die gevoerd moest worden. Ook David kon de oorlog aan tegen de buurvolken die Israël steeds kwamen leegroven. Maar Saul was jaloers geworden en David had moeten vluchten. Hij was een ordinaire bendeleider geworden in de woestijn die zich schuil moest houden voor zijn koning. Samen met zijn manschappen had hij zich in een spelonk moeten verbergen.

Maar juist in die ellendige omstandigheden trekt de God van Israël met je mee. Daar zingt deze Psalm van. Het hart wordt gevormd door een uitspraak die bij ons een spreekwoord is geworden, wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in. Koningen die alleen zichzelf kunnen zien, die geen andere machten naast zich dulden worden tot dictators en krijgen vroeg of laat het hele volk tegen zich. In het midden oosten zien we dat proces al een paar jaar. De liefde en het recht zullen vrede brengen, God brengt uitkomst zeggen we dan op z’n Bijbels. Maar het zegt ook dat we onder alle omstandigheden vast moeten houden aan het heb uw naaste lief als uzelf. Dat was wat Jezus van Nazareth ons ook heeft voorgeleefd. Het volk Israël herkende in die manier van leven de regeringsperiode van Koning David, wij kennen het als de liefde tot gids maken op ons dagelijks levenspad. Welke omstandigheden ons ook overkomen, dat kunnen we volhouden, elke dag opnieuw ook vandaag weer.

Je mag hen niet meer waarschuwen

donderdag, 23 februari, 2012

Ezechiël 3:22-27

Ezechiël mag zijn volk niet meer waarschuwen. Dat volk is hoe dan ook opstandig. Ze zullen eerst moeten inzien wat ze allemaal wel niet verkeerd doen. Daarom moet Ezechiël eerst naar het dal, we mogen dan denken aan het dal van diepe duisternis. Wie in de ellende zoals Ezechiël die meemaakt roept dat hij God heeft gezien of ervaren die wordt al snel voor gek uitgemaakt. De belofte dat God in het dal van diepe duisternis een stut en een staf wil zijn lijkt ver weg als jezelf in de ellende zit. En ellende was het, die ballingschap ver van Jeruzalem aan de oever van het Kebarkanaal. Als je dan denkt aan God, de God zelfs voor je ziet, dan kun je alleen maar wegzinken in de grond, zo terneergeslagen wordt je als je het verschil bedenkt tussen de glans van Gods Heerlijkheid en de duisternis waar je zelf in verkeerd.

Maar het unieke in het verhaal van de God van Israël is dat je als mens de Geest van God kunt krijgen. Het was de Geest van God die in de mensen geblazen werd toen ze waren gevormd uit de rode aarde. Het is de Geest van dezelfde God die Ezechiël doet opstaan. Die ellende slaat hem met stomheid en de koppige opstandigheid van zijn volk bindt hem en maakt hem bewegingsloos. Daarom heeft het geen zin om het volk te waarschuwen voor het slechte dat ze doen. Ze moeten het eerst gaan zien. En midden in de ballingschap hun priesterprofeet gebonden met touwen en zwijgend te zien zitten doet de mensen wel vragen wat er zou kunnen zijn. Zijn we zover gekomen dat mensen die ons toe moeten spreken, die ons moed in moeten spreken met stomheid geslagen zijn? Dat genuanceerde fatsoenlijke taal verdwenen is uit een samenleving waar de schreeuwers en dienaren van afgoden de boventoon voeren? Het zijn de vragen die ook wij ons in onze dagen mogen stellen.

Ezechiël zal niet moeten blijven zwijgen. Maar hij zal duidelijk moeten maken dat niet hij zelf het is die het woord tot het volk richt maar dat het de God van Israël is die ook in het diepste duister van de ballingschap naar zijn volk omkijkt en zich tot zijn volk richt. Die God is de Heer van de wereld, dat “Heer” staat hier ook voor de naam van die God, een naam die een belofte inhoudt “ik zal er zijn”, het spreken van die God betekent dat de belofte geen loze belofte is, maar een waarheid waar de hele wereld op gebouwd is. Als je daar niet naar luistert moet je het zelf maar weten, maar als je wel luistert openen zich vergezichten want als in deze duisternis, in deze ballingschap, de belofte wordt gehouden dan zal ook de belofte van het land dat overvloeit van melk en honing nog uitkomen. Voor ons is hetzelfde, wij hebben de opdracht de naaste lief te hebben als onszelf en daardoor onze God lief te hebben boven alles. Luisteren we naar die opdracht dan opent zich het perspectief van een vreedzame samenleving waar iedereen bij wil horen, luisteren we niet, dan vermeerderd zich het geweld en de armoede. Luister dus ook vandaag en ga er mee aan het werk.

Namens mij waarschuwen.

woensdag, 22 februari, 2012

Ezechiël 3:16-21

Een profeet is geen toekomstvoorspeller. Ezechiël krijgt in het gedeelte dat we vandaag uit zijn boek lezen les in het profeet zijn. Wij denken nog wel eens dat een profeet de toekomst voorspelt. Zo van bekeert u want het einde der tijden is nabij. Maar dat is dus geen profeet. Wanneer het einde der tijden zal zijn weet niemand. Wel weten we dat iedereen ooit verantwoording moet afleggen over wat hij of zij in het leven heeft gedaan. Maar dat gaat ook over de manier waarop je bekend staat, de manier waarop je tegen jezelf aankijkt. Ben je rechtvaardig en streef je naar recht en gerechtigheid? Ben je vredelievend en breng je vrede tussen mensen? Of let je alleen op jezelf en ben je bereid met alle geweld het meeste voor jezelf binnen te halen? Voor ieder mens geldt dat elk moment de balans kan worden opgemaakt, ben je in wezen een goed mens of ben je eigenlijk een slecht mens. Een profeet is er voor je te waarschuwen. Pas op let op de balans tussen het goede en het kwade.

Een profeet heeft wat dat betreft een verantwoordelijke taak. Want als iemand denkt dat er goed gedaan wordt en het is eigenlijk verschikkelijk schadelijk voor anderen dan zal die iemand slecht blijven doen zonder de kans te krijgen het goede te gaan doen. Degene die weigert daarvoor te waarschuwen is daar net zo schuldig aan. Als je dus hoort dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden en je doet er niks tegen dan ben je net zo schuldig. Neem nou die Polen, die Bulgaren en die Roemenen. Zomaar komen ze tussen ons wonen en doen ze de dingen waarvoor niet direct Nederlanders te vinden zijn, vaak omdat ze als ze werkloos zijn helemaal niet tijdelijk mogen werken. Maar moeten we dan bang worden voor die Oost-Europeanen? Helemaal niet, ze horen ook bij Europa, ze horen dus gewoon ook bij ons. We kunnen dus samen maaltijd houden. En als we samen maaltijd houden kunnen we tijdens het eten ook de wederzijdse irritaties op tafel leggen, zij horen niet alleen bij ons, wij horen ook bij hen. En let op, de meeste problemen kunnen zo worden opgelost en de irritaties verdwijnen. Maar dat kan alleen als we bereid zijn naar hun irritaties over ons te luisteren en hen te helpen hun problemen mee op te lossen zoals zij kunnen helpen onze problemen op te lossen.

Denk nu niet dat het toch niet helpt. De God van Israël leert aan Ezechiël dat je ook goede mensen soms moet waarschuwen. Dat je met goede mensen in gesprek moet gaan. Juist als die vergeten de goede weg van vrede en recht te zoeken, maar alleen af gaan op hun eigen innerlijke onvrede. Goede mensen laten zich waarschuwen voor onrecht en het stichten van onvrede. Goede mensen weten dat er pas leven zit in het stichten van vrede en het brengen van recht. Maar een profeet is ook verantwoordelijk om goede mensen het goede voor te houden. Daar hebben we nog wel eens misverstanden over. Dan denken goede mensen dat ze voor slecht uitgemaakt worden als ze opgeroepen worden het goede te blijven doen. Maar zo is het niet. We moeten samen blijven streven naar het goede en daarbij moeten we elkaar het einddoel blijven voorhouden, allemaal streven we immers naar een wereld waar alleen het goede gedaan wordt en niet dan het goede. Daar mogen we elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

Of ze nu horen willen of niet.

dinsdag, 21 februari, 2012

Ezechiël 3:4-15

Verdoofd door het overweldigende visioen van de oppergod Mardoek die alleen maar kon dienen door de God van Israël op een troon van diamant en ijs rond te vliegen, was Ezechiël op de grond gevallen. Tot overmaat van ramp had die God hem ook nog toegesproken. Hij moest de boodschap van de God van Israël aan zijn volk brengen. Tot zijn verbazing was al de ellende waar het volk mee te maken had en waar het terecht over klaagde, zoet als honing. Langzaam kwam de profeet weer een beetje tot zichzelf. Zo moeilijk kon het toch niet zijn, hij werd niet naar een van die vele vreemde volken met een vreemde taal gestuurd, maar naar zijn eigen volk. Natuurlijk de God van Israël kon er best voor zorgen dat zo’n vreemd volk met een onverstaanbare taal zou begrijpen waar Ezechiël het over had, maar het was niet moeilijker voor hem dan nodig was, het was zijn eigen volk.

Zou dan dat eigen volk wel luisteren naar wat hij te zeggen had? Het leek er niet op. Dat volk had vreemde goden nagelopen. Dat volk was overweldigd door de vele sterke goden van Babel. Door de rijkdom en de macht van dat grote rijk, rijkdom en macht waar mensen graag deel aan hebben. De God van Israël had niet gezorgd voor zo’n groot rijk, de Tempel van die God was verwoest. Maar het volk van Israël had niet dat visioen gezien dat Ezechiël had gezien. Zo’n visioen maakt je sterk, daar ga je niet aan voorbij. Door dat visioen zou Ezechiël net zo onbuigzaam en koppig worden als het volk al was. Hij, de slappeling die voor God op de grond viel, zou een man van staal worden.

Wat een verhaal was dit. Wat deed de God van Israël Ezechiël aan? Alle goden van Babel riepen de lof van de God van Israël. Dat mocht hij gaan uitleggen aan het zielige groepje ballingen aan de rivier, een kanaal eigenlijk, het Kebarkanaal. Ballingen die treurig zaten bij de rivieren van Babel, hun lieren hadden ze in de wilgen gehangen en ze weenden als ze dachten aan het Jeruzalem waaruit ze waren verbannen. Bitter en ontdaan overdacht Ezechiël wat er met hem was gebeurd. Maar terug moest hij, terug naar Tel-Abib, de vloedheuvel, waar het schuim der aarde was aangespoeld. Wij hebben ook wel eens van die visioenen, van een aarde waar de natuur wordt bewaard, waar vrede en gerechtigheid heerst, waar iedereen mee mag doen, waar voor iedereen te eten is. We houden niet op er over te praten, we hebben immers het voorbeeld van Ezechiël, die zat zeven dagen als verdoofd na zijn visioen. Wij kunnen ondertussen aan het werk gaan. Hoe? Als Kerk in actie, zoek de internetsite van Kerk in actie maar op en doen mee.

Volg mij

maandag, 20 februari, 2012

Marcus 2:13-22

Die Marcus schreef het korste evangelie maar heeft soms ook de meest korte en heldere teksten. Gisteren was het bevel: “Sta Op”, en vandaag klinkt het: “Volg mij”. Die oproep is gericht aan een belastinginner. Bijna zou je zeggen een ambtenaar maar zo was het niet. Tot in de negentiende eeuw hadden wij dat systeem ook. Je ging naar de overheid en deed een bod op het recht lang de weg tol te heffen. Als het bod hoog genoeg was kreeg je dat recht en moest je zien er geld aan te verdienen. Kwam er meer verkeer langs dan je had verwacht dan verdiende je natuurlijk, kwam er minder verkeer langs dan moest je zien de tol te verhogen. In de dagen van Jezus was het niet anders. Alleen kwam die belasting niet ten goede aan het volk zelf maar aan de bezetters.

De Keizer en de burgers van Rome leefden er goed van, de soldaten werden er van betaald maar de armen werden steeds armer en het volk werd onderdrukt. Volgen van Jezus betekende letterlijk daartegen in opstand te komen. Dat zegt het verhaal dan ook, nadat de tollenaar Levi de oproep had gehoord stond hij op. En hij liet het er niet bij want hij zorgde dat het systeem zand in de molen werd gestrooid. Bij hem thuis gaf hij Jezus de gelegenheid aan andere belastinginners en mensen die de Wet van de Woestijn niet meer kenden uit te leggen wat het Koninkrijk van de Liefde nou eigenlijk kon inhouden. De bestaande religieuze leiders hadden een breekbaar evenwicht met de bezetter bereikt en een populaire prediker die opriep terug te keren naar de oude wetten en gebruiken van het volk, in de geest van de onvoorwaardelijke liefde, die dus onrust stookte, konden ze niet gebruiken. Maar juist waar die liefdeloosheid heerst zijn de mensen die de Liefde dienen het meest nodig.
 
Komende woensdag begint de 40 dagentijd. Zo heet dat bij de Protestanten, vroeger zelfs de Lijdenstijd genoemd, 46 dagen voorbereiden op Pasen en stilstaan bij het lijden van Jezus. Rooms Katholieken noemen het de Vastentijd. Geen vlees meer eten, niet snoepen en geen alcohol. De tijd tussen de winter en het voorjaar moet worden overleefd. De wintervoorraden zijn op of bijna op, wat er nog is dreigt bedorven te raken. Daarom waren er drie dagen om nog eens alles op te maken, alvast het afval te verbranden en te delen met de armsten in de samenleving. Nu breekt de tijd aan van bezinning. De leerlingen van Jezus deden niet aan vasten. Het delen met de armen werd voor hen een tweede natuur. Twee broden en vijf vissen waren genoeg om vijfduizend mensen te eten te geven. Als je met elkaar deelt, en werkelijk met iedereen weet te delen, is het altijd feest. Als je de onderkant van de samenleving altijd al de boventoon laat voeren dan blijft het carnaval ook in de veertigdagentijd. Die bezinning is er niet minder belangrijk om. Laten we werkelijk iedereen meedoen in onze samenleving? Ook de vreemdelingen in ons midden? Het lijkt er niet op. De zes komende zondagen niet meegeteld is de opstanding over 40 dagen na woensdag. Laten we nu alvast oefenen in een samenleving waar iedereen mee mag doen en waar er voldoende is voor iedereen om te leven. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.