Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2012

Dat door de HEER wordt verafschuwd.

dinsdag, 31 januari, 2012

Deuteronomium 14:1-21

We lezen in deze dagen weer in de Hebreeuwse Bijbel. En we lezen daar wat er was voorgeschreven voor het volk Israël en hoe het met dat volk is gegaan. Maar waarom eigenlijk? Wat we lezen is al heel oud en het gaat over een volk waar wij niet bij horen. En als u als lezer er toevallig wel bij hoort dan leest u hier hoe dat verhaal door een Christelijke bril gelezen wordt. In het begin van het verhaal van vandaag lezen we waarom we zo bezig zijn met dat volk Israël. Via de volgelingen van de Israëliet Jezus van Nazareth hebben we dat verhaal over Israël leren kennen. En dat verhaal over Israël was er niet voor niets. Dat was omdat het volk Israël anders was als alle volken op de aarde. Niet omdat het uit zichzelf zo goed was, het was niet beter of slechter dan andere volken, maar het was uitgekozen door hun God om een voorbeeld te zijn voor alle andere volken.

Dit volk had een aantal regels die het zo anders maakten. Hun God viel niet samen met natuurkrachten. Hun God was ook niet in diergestalten te vangen. Hun God ging alle verstand te boven. De regels die ze hadden gekregen maakten dat duidelijk. Ze hadden 153 van die regels. Die lieten zich samenvatten in “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”. In het gedeelte dat we vandaag lezen komen 153 dieren voor. Dieren die het volk wel mocht eten en dieren die het volk niet mocht eten. Er is heel lang geprobeerd te begrijpen waarom het ene dier wel en het andere dier niet gegeten mocht worden. De menselijke logica bleek echter ontoereikend om er een verklaring voor te vinden. Tot men ontdekte dat er 153 dieren worden genoemd. Elk dier staat kennelijk voor een regel die de samenvatting van de regels tot leven kan brengen. En bij die regels gaat het ook om wat je wel hoort te doen en wat je niet hoort te doen.

Dat wat duidelijk wordt is dat er een grote eerbied behoort te zijn voor dieren,  voor het leven van dieren. Natuurlijk is het slim om dieren die je dood in het wild vindt niet te eten, ze kunnen giftig zijn of bedorven, maar de eerbied komt misschien het nog het duidelijkst naar voren in de laatste regel van het gedeelte van vandaag het geitenbokje dat je niet in de melk van zijn moeder mag koken. Die melk behoort het bokje leven te geven en niet de dood om ons te plezieren. Al die dieren zijn er niet voor ons plezier. Al die dieren zijn er om ons in de gelegenheid te stellen de God van Israël te eren. Allereerst door ze te delen, daar zullen we de komende dagen ongetwijfeld op terug komen. Maar dat voorbeeld kunnen we dus volgen. Eerbied hebben voor het leven van dieren, zorgen dat ze een dierwaardig leven hebben, vrij van hokjes, leed en ellende, en dat ze op een eerbiedwaardige manier aan hun einde komen. Ook het leven van een dier laat ons niet onverschillig. Elk dier dat we eten moeten we als het ware eerst even aankijken of we dat wel mogen willen eten. Daarbij staat de liefde voor de God van Israël voorop, ook vandaag nog, ook voor ons Heidenen.

 

Hij zal zich over u ontfermen

maandag, 30 januari, 2012

Deuteronomium 13:7-19

Het boek Deuteronomium gaat er heel sterk van uit dat er binnen het volk Israël geen koningen en koninkjes zullen zijn. Er zijn geen mensen die je de wet kunnen voorschrijven. Dat betekent dat je je ook niet kunt verschuilen achter autoriteiten die je wel zullen uitleggen hoe het moet in het leven. In het gedeelte van vandaag staat dat die mensen in je omgeving die je af willen brengen van de Wet van de God van Israël dood kunnen vallen, ze bestaan niet meer voor je. Hun bezittingen mogen tot stof vergaan, je wilt er niks meer mee van doen hebben. Een discussie over de vraag of de Wet van de God van Israël eigenlijk nog wel past is er zelfs niet bij, wie zo begint dient uit de gemeenschap weggestreept te worden. Het staat er keihard, zo hard dat we tegenwoordig denken dat we er geen boodschap meer aan hoeven te hebben. We slaan mensen die anders denken dan wij toch niet zomaar dood, dat doen we zelfs niet met de ergste misdadigers.

Maar roepen we wel voldoende dat mensen die het helemaal bij het verheerde eind hebben wat ons betreft kunnen doodvallen? Het lijkt er niet op. Mensen die ons angst aan willen jagen voor medeburgers omdat die wat anders geloven krijgen ruim de aandacht. Ze kunnen hun valse argumenten breed uitmeten in tal van TV programma’s die overvloedig worden herhaald en uitbundig geciteerd in onze kranten. De boodschap van de Bijbel dat we helemaal niet bang hoeven te zijn en dat er één Heer van deze wereld is en dat dat de God van Israël is hoor je nauwelijks. Die boodschap past kennelijk niet meer in onze huidige samenleving. Dat we onze naaste lief moeten hebben, dat we zelfs onze vijanden lief moeten hebben, wordt afgedaan als soft, zwak en slappe kost. Dat het liefhebben van de naaste zelfs de dood kan overwinnen en door de dood heen volgehouden kan worden wordt daarbij niet gehoord. Angst en haat worden ons voorgehouden als te horen bij onze geschiedenis. Dat eerbied en tolerantie daarbij horen en zorg voor de minsten, mag je niet meer vinden. Het wordt tijd de harde kant van het boek Deuteronomium maar wat meer serieus te nemen.

Want het gaat niet alleen om directe verwanten of vrienden en kennissen waar je mee zou moeten breken als ze je af brengen van de zorg voor de minsten en daarmee van het dienen van de God van Israël. Het gaat om hele steden waar mensen wijs gemaakt zijn dat de een beter is dan de ander en dat je de ander maar op mag leggen hoe zich te kleden en hoe zich te uiten. Natuurlijk moeten belemmeringen om samen te kunnen leven weggenomen worden, maar die neem je weg door bereid te zijn samen te delen, alles wat je hebt samen te delen. Want het liefhebben van de naaste als jezelf is juist volgens het boek Deuteronomium het liefhebben van God boven alles. Angst speelt daarbij geen rol. Bij de maaltijd die je als bewijs van de eer aan God moet houden op de plaats waar die Wet van heb je naaste lief wordt bewaard moeten juist ook de vreemdelingen worden uitgenodigd. Niet de vreemde goden staan centraal maar de God van Israël en angst voor vreemde goden en andere godsdiensten is er al helemaal niet voor wie geloofd in de God van Israël. Die God heeft ons in Jezus van Nazareth laten zien dat er geen kracht of macht in hemel of op de aarde zo sterk is als die God. Daarom laten we doodvallen een ieder die ons daarvan afbrengt, ook vandaag weer.

 

Blijf de HEER, uw God, volgen.

zondag, 29 januari, 2012

Deuteronomium 12:29–13:6

Waarom zou je toch die God van Israël blijven volgen? Er zijn toch ook andere manieren om vruchtbaarheid te krijgen. Er zijn toch ook andere waarzeggers die de waarheid kunnen brengen? In onze dagen hebben we fluisteraars van allerlei soort en instraalsters en astrologen die allemaal ons kunnen vertellen wat overledenen van ons willen, wat onze toekomst zal zijn en welke beslissingen we het beste kunnen nemen. Het volgen van de God van Israël is maar één van de vele mogelijkheden. Mozes waarschuwt zijn volk daar voor. Voor gelovigen in de God van Israël is er maar één weg en dat is de Weg die de God van Israël in zijn woord heeft gewezen. In onze dagen kunnen we zeggen dat je niet Christelijk kan zijn en met fluisteraars, instralers, astrologen of andere etherische voorspellers in zee gaan, die twee sluiten elkaar uit en zijn elkaars tegenpolen.

Levert het volgen van de God van Israël dan wat op? Is het zo dat beter volgen en meer gehoorzamen je beschermt tegen ziekte, werkloosheid, armoede, ongeluk, oorlog en onderdrukking? Wie het gedeelte van vandaag goed leest heeft begrepen dat ook dat niet het geval is. Je volgt de God van Israël omdat die je heeft liefgehad, omdat die de regen laat neerdalen op gelovigen en ongelovigen, omdat de God van Israël heeft laten zien wat recht en gerechtigheid is, omdat zijn zoon heeft voorgeleefd dat liefde zelfs door de dood heen houdbaar is en leven geeft. Er is met de God van Israël geen handeltje te drijven zoals met andere goden het geval is. Als je je persoonlijkheid opoffert dan belonen de goden van winst en profijt je. Als je je vrijheid van arbeid opoffert en op zeven dagen van de week wil werken dan belonen de goden van winst en profijt je. Dat wordt ons voorgehouden en wie de ene dag in de week voor iedereen vrij wil hebben als teken dat iedereen bevrijd is van de slavernij van de arbeid, dan wordt je voor ouderwets versleten en ben je een bedreiging voor de welvaart van het land.

In het gedeelte van vandaag wordt de ondergang van de volken van Kanaän aangekondigd. Die ondergang heeft te maken met hun godsdienst. Hoe dat precies zit is volgens het verhaal van Mozes niet interressant, dat moeten we ons niet afvragen. Er wordt één zaak genoemd die tot de gruweldaden hoort die de ondergang van volken teweeg brengt. Dat is het offeren van kinderen, zonen en dochters. Vlak voor het volk veel later in ballingschap zal worden gevoerd protesteren profeten als Jeremia ook tegen de kinderoffers die door het volk Israël gebracht werden. We weten dat ook in de Duitse concentratiekampen kinderen levend in het vuur werden geworpen. Wij doden geen kinderen meer uit religieuze overwegingen. Maar letten we genoeg op de kinderen in onze omgeving? Er sterven kinderen aan mishandeling omdat hun omgeving uit privacy overwegingen onverschillig blijft. Maken we Privacy tot een god aan wie offers moeten worden gebracht? We rukken gezinnen uiteen en sturen kinderen die hier groot geworden zijn naar een land waar ze geboren zijn maar nooit opgegroeid zijn, omdat we ons land voor onszelf willen houden. Hebben we ons grondgebied tot een god gemaakt waaraan offers moeten worden gebracht? Het zijn vragen die Deuteronomium ons stelt en waarop we een antwoord moeten geven, elke dag week, ook vandaag.

 

Ga zorgvuldig te werk

zaterdag, 28 januari, 2012

Deuteronomium 12:13-28

De discussie over het eten van vlees, ook offervlees, komen we vele eeuwen later weer tegen in de brieven van Paulus. Wie goed dit gedeelte uit het boek Deuteronomium leest zal zien dat het eten van vlees, gewoon vlees of offervlees, nooit een probleem kan zijn voor het volk Israël. Eten en drinken is een gewone menselijke bezigheid. Die heeft God al lang geschonken en die hoef je met offers dan ook niet voortdurend opnieuw bij God te verdienen. Dat was voor andere godsdiensten dus heel anders. Je moet in veel godsdiensten zorgen dat je de verbinding tussen wat je geschonken is en de godheid tot uiting brengt, als het ware een handeltje voeren met de god die je wil aanbidden. De God van Israël verwerpt dat verre van zich.

Er zijn maar twee beperkingen die in dit gedeelte worden gegeven. De eerste is dat je geen bloed mag eten. Daar moet je goed op letten bij het slachten en het bereiden van vlees. Wij, eters van bloedworst, staan daar nog even raar van te kijken maar het heeft te maken met de opvattingen die mensen hadden in de tijd dat de Bijbel is ontstaan over de manier waarop het leven in elkaar zat. Ze hadden namelijk heel goed gezien dat een levend wezen zonder bloed niet kon leven. Als een mens of een dier gewond raakte en daardoor een overmatig bloedverlies leed dan stief die mens of dat dier. Daar is ook vandaag de dag nog helemaal niks in veranderd.

Daarom was men er van overtuigd dat het leven gedragen werd door het bloed. En als je het leven van een dier neemt dan moet je daar eerbiedig mee om gaan. Eigenlijk moet je dat leven weer teruggeven aan de God die het leven aan dat dier had gegeven. Daarom het voorschrift het bloed van een geslacht dier over het altaar te gieten. Daarmee geef je het leven terug aan God. Die eerbied voor het leven zit ook in andere gedeelten uit de Bijbel daar waar het gaat over de manier van slachten, ritueel slachten noemen we dat tegenwoordig. Ook daar gaat het over de eerbied voor het leven dat je neemt. Eigenlijk zou al ons vlees zo geslacht moeten worden om ons die eerbied weer bij te brengen.

De tweede beperking is in het vieren van feestmaaltijden. De opdracht om feestmaaltijden te houden in de centrale plaats waar God wordt aanbeden wordt hier herhaald. Nu is niet direct sprake van de Tempel in Jeruzalem maar is ook plaats voor heiligdommen per stam. Er zouden er in Israël lange tijd een aantal naast elkaar bestaan. Pas laat groeide het besef dat er voor Israël maar één heiligdom kon zijn, de Tempel in Jeruzalem. Hier gaat het om de aard en het doel van de feestmaaltijd. Het is de belijdenis van het geloof van Israël in de God van Israël en de trouw aan zijn verbond. Dat geloof ging immers om te delen van wat je hebt met hen die niets hebben. Met de armen, de slaven, de vreemdelingen die je helpen, de levieten die zorgen voor de rechtspraak, met hen deel je wat je ook met je familie deelt. Dat is het hart van het  geloof in de God van Israël, heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Ook daarin is tot op vandaag geen verandering gekomen. Delen mag niet alleen, voor gelovigen geldt dat delen moet, elke dag opnieuw.

Vier dan feest

vrijdag, 27 januari, 2012

Deuteronomium 12:1-12
 
Het boek Deuteronomium heeft de vorm van een lange toespraak. De boeken Genesis, Exodus, Numeri en Leviticus zijn afsgesloten en het volk Israël staat op het punt het beloofde land binnen te trekken. Mozes, hun leider bij de bevrijding uit Egypte en bij de tocht door de woestijn, neemt afscheid. Hij haalt nog eenmaal herinneringen op aan alles wat er is gebeurd en hij vertelt wat er straks nodig zal zijn in het land dat overvloeit van melk en honing. Het volk, dat zich pas in die woestijn heeft gevormd als volk, zal een heel ander volk moeten zijn dan de volken die nu al vruchtbare landen bewonen. Dat verschil is het beste te zien aan de manier waarop het volk Israël haar godsdienst belijdt. Geleerden wijzen er op dat Israël heel lang verschillende plaatsen heeft gehad om de God van Israël te dienen. Pas heel laat in haar geschiedenis is de Tempel in Jeruzalem aangewezen als de enige plek waar de God van Israël gediend moest worden. Op deze plek in de Bijbel is er voor gezorgd dat er ook een Bijbelse grond voor te vinden was. Maar hoe het ook zij, hier lezen we waarom die godsdienst van Israël zo vreemd en anders was en dat is voor ons het belangrijkste.

De godsdienst van de volken van Kanaän was een vruchtbaarheidsgodsdienst. De goden woonden boven in de hemel en als je dus wat gedaan wilde hebben dan moest je op een hoge berg zijn dan was je dichter bij de goden en zouden ze eerder naar je luisteren. De goden zorgden voor vruchtbaarheid en dus zou je die goden ook kunnen vinden bij de meest vruchtbare bomen, weelderige bomen staat er in het Hebreeuws, daar werden de goden van Kanaän aanbeden. Hoe de goden hun vruchtbaarheid konden schenken werd in de godsdienst van Kanaän ook duidelijk gemaakt. De aarde was een vrouw die Asjeera heette, en natuurlijk ook werd aanbeden. Die vrouw moest door de goden bevrucht worden zoals een man een vrouw bevruchtte. Om de goden te laten zien hoe dat moest sloegen ze op de hoeken van de akkers Asjeera palen in de grond waar offers werden gebracht, als je hier je vruchtbaarheid zou schenken dan staat je een grote beloning te wachten werd aan de goden gezegd.

De God van Israël was niet in de hemel. In de woestijn ging hij voor het volk uit en beschermde hij de achterhoede van het volk. De vruchtbaarheid van het land was niet afhankelijk van de God van Israël. De regen die de vruchtbaarheid bracht viel voor goeden en kwaden. Een volk was pas vruchtbaar als het wist te zorgen voor de zwakken en de minsten in de samenleving. Daarom moest men weten te delen, dat waren de ware offers. Dat delen was een feest op zich, daarom moest je met de offers een feestmaaltijd houden. Niet op je akkers, zelfs niet op je dorp, maar daar waar de Wet van heb uw naaste lief als jezelf werd bewaard. Daar moest die maaltijd ook uitlopen op een feest voor je familie, de armen, de vreemdelingen in je midden, je slaven en de Levieten, die de godsdienst vorm gaven en zorgden voor de rechtspraak, het handhaven van recht en gerechtigheid vooral voor de zwaksten. Tot vandaag de dag mogen we op die manier onze godsdienst vormgeven, delend en zorgend met en voor de minsten in onze samenleving. Dat is pas een feest.

Allen die hem hoorden waren stomverbaasd

donderdag, 26 januari, 2012

 Handelingen 9:19b-31

Je hebt dat ook tegenwoordig nog wel. Mensen die bekeerd zijn en dan nog fanatieker zijn dan de oorspronkelijke aanhangers. Zo moet het met die Saulus ook gegaan zijn. Hij kwam om te vervolgen maar vervolgens maakte hij oproer. Moet je eens voorstellen. De Joden zijn in het buitenland en vormen daar toch al een minderheid. Ze hebben de nodige moeite om hun eigen geloof, hun eigen cultuur te bewaren en dan komt er een vreemde snoeshaan, ook zo’n buitenlandse Jood, die ze vertelt dat ze bevrijd worden als ze meegaan in het verhaal van Jezus van Nazareth. Diezelfde Jezus die door de machthebbers van het rijk en door de autoriteiten van de Tempel is veroordeeld en een slavendood is gestorven. Hij bleef liefhebben ook door de dood heen is dan de boodschap. Levensgevaarlijk is zo’n optreden zeker als dat ook nog een beetje fanatiek wordt gebracht. Het gooit alles in de war, het schept partijen, de een is het eens met die Saulus de ander vindt het maar niks.

Weg met Saulus dus. In een mand over de muur moet de vervolger vluchten voor zijn vijanden. Terug naar Jeruzalem, naar de mensen die hij eerst uit hun huizen sleurde. Geen wonder dat die christenen bang voor hem waren. En dan gaat hij opnieuw in discussie met de Grieks sprekende Joden. De buitenlanders dus, die toch al moeite hadden om geaccepteerd te worden. Grieks sprekende weduwen werden zelfs in de Christelijke gemeente bijna achtergesteld. Ze waren de aanleiding om ook Grieks sprekende voorgangers, diakenen, aan te stellen. Voor de gemeente in Israel, de gemeente in opbouw, is het allemaal maar niks dat optreden van die Saulus. Hij moet maar terug naar huis, naar Turkije, naar Tarsus, daar komt hij immers vandaan, daar kennen ze hem. En dan keert inderdaad de rust weer.

Niet dat de groei afneemt. De gemeente blijft groeien. En het aantal gemeenten blijft groeien. Dat slaan op de trom en het opzetten van een grote mond is dus nergens voor nodig. Liefde laten zien, je vijanden lief hebben, je naaste liefhebben als je zelf, delen wat je hebt en de maaltijd houden met iedereen ongeacht afkomst of nationaliteit. Dat is wat er voortdurend staat in dit verhaal. Dat is wat we zelfs vandaag de dag nog moeten leren. Nog niet zo heel lang geleden waren mensen in Europa vergeten wat er gebeurd als Samen Leven, juist met mensen die iets anders geloven, niet meer mag. Hoe dan weer mensenoffers gevraagd worden, hoe mensen afgezonderd worden om gedood te worden. Wij vergeten zo graag en zo gemakkelijk. De verhalen in de Bijbel zijn er voor om ons er weer aan te herinneren, ons te herinneren dat we nooit in enig opzicht beter zijn dan een ander en dat Samen Leven en houden van onze naaste als van onszelf het enige is dat ons van dood en ellende kan bevrijden.

Waarom vervolg je mij?

woensdag, 25 januari, 2012

Handelingen 9:1-19a

Bekeringsverhalen zijn altijd bloemrijk en dat mag natuurlijk ook wel. Het is niet niks als je plotseling het licht ziet en doorkrijgt dat hetgeen waarmee je bezig bent nu net het tegendeel is van hetgeen je wilt bereiken. Het verhaal van Paulus volgt niet voor niks op de verhalen over Filippus. Terwijl Saulus van Tarzus in Jeruzalem nog bezig was om Christenen uit hun huis te sleuren was Filippus al bezig de hoge ambtenaar uit Ethiopië te dopen en was de Griek Nicolaüs al onderweg naar huis in Damascus. Die vervolging door Saulus bereikte het tegendeel van haar doel. Niet een vernietiging van de beweging van aanhangers van Jezus van Nazareth, de mensen van de Weg genoemd in dit verhaal, maar een uitbreiding van het aantal aanhangers en een verspreiding over een steeds groter gebied. En dat alles zonder geweldadig verzet. Buiten Jeruzalem op weg naar Damascus gaat Saulus het licht op.

De manier waarop zijn ijver zich ontwikkelde moet een geweldige indruk gemaakt hebben. Hij valt van zijn paard en is blind van de schok die alles meebrengt. We gebruiken de namen Saulus en Paulus door elkaar maar dat is niet helemaal terecht. Deze man uit het Turkse Tarzus was een Jood van buiten Israel. Hij had de nationaliteit van de Romeinse bezetter en was dus eigenlijk een buitenlander. En juist omdat die beweging van Jezus van Nazareth zoveel buitenlanders toeliet en zelfs Grieks sprekende bestuurders als Stephanus aanstelde werden ze vervolgd. Saulus zou dus eigenlijk ook zichzelf moeten vervolgen en buiten Israel komt zijn identiteit natuurlijk ter discussie. Gaat hij verder als Romeins Staatsburger of als Joods gelovige? Pas na zijn doop, zijn aanvaarding van de nieuwe Weg, gaat hij verder als Paulus, de Romeins staatsburger die op de manier van Jezus van Nazareth het gebod van Israel elkaar lief te hebben als jezelf over de wereld uitdraagt.

De vraag over het waarom van vervolging is in onze dagen de vraag van Amnesty International geworden. Waarom worden mensen vervolgd die een andere opvatting of een ander geloof hebben dan de vervolgers? Wij moeten oppassen daarbij niet in het kamp van de vervolgers terecht te komen. Want hoe gaan wij met onze vijanden om? Jezus van Nazareth riep eens dat je je vijanden lief moet hebben. Maar dat is gemakkelijk gezegd. Ananias uit dit verhaal zit wat dat betreft met een dilemma. Hoe laat je die Saulus inzien dat hij verkeerd zit. Die Saulus heeft volmachten van de Priesters in Jeruzalem om jou op te laten pakken. En toch moet je die Saulus lief hebben. Er op af klinkt het in het hoofd van Ananias. Door de dood heen moet die liefde een kans krijgen anders is het niks als vrome woorden maar zonder waarde. En zo gebeurd het, Saulus die al met de vraag zat waarom die volgelingen van Jezus van Nazareth eigenlijk vervolgd moeten worden ziet nu ook wat het betekent je naaste lief te hebben als jezelf. Ook hij besluit die nieuwe Weg in te slaan en zich te laten dopen, om vervolgens samen te eten want dat geeft nieuwe kracht. De beweging naar onze “vijanden” , de anderen, de vreemdelingen, toe, brengen tegenwoordig maar weinig mensen meer op. Toch ligt daar de basis van onze samenleving, staan wij in die Christelijke traditie. Herbronnen noemen we dat vandaag de dag, opnieuw de beweging maken naar wie anders doen, om te ontdeken dat ze helemaal niet zo anders zijn, het mag ook vandaag.

 

Als niemand mij uitleg geeft

dinsdag, 24 januari, 2012

Handelingen 8:26-40
 
Soms lijkt het zo eenvoudig dat lezen van de Bijbel. Er zijn mensen die onophoudelijk zinnetjes uit de Bijbel citeren en daarmee proberen hun geloof aan te tonen, of te showen. Er zijn zelfs onderwijzers die de kinderen op hun school losse zinnetjes uit de Bijbel uit het hoofd laten leren en laten opdreunen. Teksten noemen ze die zinnetjes. In het leesrooster geven ze het begin en het einde van het Bijbelgedeelte van de dag aan. Toch hoort die indeling niet echt bij de Bijbel. Ze is handig om de Bijbel te bestuderen en er met anderen over te praten maar ze hebben met de boodschap van de Bijbel niks te maken. Want de Bijbel echt lezen vraagt iets heel anders.

Wij lezen de Bijbel in de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, maar er zijn wel 36 verschillende vertalingen van de Bijbel in het Nederlands en soms maakt het nog al verschil welke vertaling je leest. Neem nu het verhaal van vandaag. Weer een verhaal over Filippus, de tweede generatie zendeling, uit het Grieks sprekende deel van de bevolking.  Die kwam een hoge ambtenaar tegen, van de Koningin van Ethiopië. De schatbewaarder, de man die dus wist waar de rijkdom was maar ook gehoord moet hebben van de armoede. Die man was naar de Tempel in Jeruzalem geweest en las nu in het boek van de profeet Jesaja. Hij zal van de Wet gehoord hebben, van het je naaste liefhebben als jezelf. En dan kom je een tekst tegen waarin de profeet iemand beschrijft die zich als een lam naar de slachtbank liet leiden. Wij weten dat die profeet het verzet tegen de overmacht van de vijand veroordeelde en de mensen voorhield dat ballingschap niet het einde zou betekenen maar dat ze terug zouden keren beladen met geschenken.

Filippus heeft natuurlijk het beeld van Jezus van Nazareth op zijn netvlies die de liefde voor de naaste volhield door de dood heen zelfs. Die hoge ambtenaar was niet voor niets naar Jeruzalem gereist. Die manier van leven, de manier die de Joden hem hadden voorgehouden en Jezus kennelijk had voorgeleefd en Filippus had uitgelegd spraken hem aan. Daarom wilde hij het oude leven afspoelen om een nieuw leven te kunnen beginnen. Als je dat hebt gedaan kun je er namelijk elk moment weer opnieuw mee beginnen. Daar is uitleg en studie voor nodig, alleen het handelen is eenvoudig, dat kan een kind begrijpen. Het lezen van de Bijbel is iets wat je elke dag moet doen, zinnetjes alleen, losse teksten, brengen je alleen maar op een dwaalspoor. Zoek daarom ook vandaag het goede te doen, en lees dit verhaal nog eens rustig na.

U kunt geen deel hebben aan onze taak

maandag, 23 januari, 2012

Handelingen 8:4-25

Machthebbers schijnen het nooit te leren. Het bloed der martelaren is het zaad der kerk. En dat gebeurde ook na het Pinksterfeest toen eerst Stephanus werd gestenigd. De Griekssprekende aanhangers van Jezus van Nazareth vluchtten naar de omliggende landstreken, Filippus de diaken voorop, en daar werven ze nog veel meer volgelingen. Saulus kan in Jeruzalem nog zo veel Joodse aanhangers uit hun huizen sleuren het helpt niet. De beweging van Jezus van Nazareth trekt in het verhaal van vandaag ook mensen aan die met de nek werden aangekeken. De Samaritanen bijvoorbeeld. Zij hadden zich een paar eeuwen daarvoor gemengd met Syriërs en werden niet als echte Joden beschouwd. Zelf beschouwden ze de Joden als afvalligen omdat die de eerste vijf boeken van de Bijbel hadden uitgebreid met Psalmen, verhalen, en boeken van Profeten. Maar dat de kern van de Bijbel lag in het elkaar liefhebben als jezelf dat geloofden ze nog.

Daar kwamen ze op af. Zelfs hun tovenaar Simon bekeerde zich. Al probeerde die Simon er later nog een financiëel slaatje uit te slaan hetgeen zijn naam spreekwoordelijk maakte. Als in een kerk de ambten te koop zijn spreken we van simonie. Zo werd het bloed van  martelaren als Stephanus het zaad van de Kerk. De moord op Stephanus veroorzaakte een kettingreactie waardoor de volgelingen uitzwermden, uiteindelijk over de hele wereld. Het is niet voorbehouden aan de Kerk, de invallen in Irak en Afghanistan deden de haat tegen Amerika uitwaaien over de hele wereld. We moeten ons dus ook bedenken wat we zaaien, liefde of haat. Want wat we zaaien zullen we oogsten, en als we goed zaaien oogsten we honderdvoudig. Dan toch liever de liefde gezaaid, ook in het klein vandaag.

Vandaag gaat het dus over het begrip simonie. Simon de Tovenaar wilde de positie van Petrus en Johannes ook wel en had daar veel geld voor over. Simonie werd het verschijnsel dat kerkelijke ambten te koop waren, een volgens de kerk verwerpelijk verschijnsel. In de wereld van winst en profijt is het heel gewoon. Mensen die zeggen aan de top van grote bedrijven te staan bedingen opties en bonussen en ontlenen het belang en het aanzien van hun bedrijf vervolgens aan de schittering en de omvang van hun opties en bonussen. Als ze een beetje slim zijn zorgen ze er zelfs voor dat als het slecht gaat met hun bedrijf de opbrengst van hun bonussen en opties toeneemt. De arbeiders zijn daarbij hun loon niet waard.

Zijn dan de kerken vrij van deze zonde? Officieel zijn de Protestantse Kerken en de Rooms Katholieke Kerken wel vrij van deze praktijk. Als iemand op dit gebied in de fout gaat wordt dat streng veroordeeld. Bij vrije Evangelische groepen wordt nog wel eens heel sterk de nadruk gelegd op de vrijgevigheid die echte gelovigen horen te hebben. Van die vrijgevigheid profiteren soms voorgangers op een wat al te ruime manier. Maar ook in officiële kerken schuilen op het gebied van de ambten gevaren. Dominees en Priesters zijn immers afhankelijk van het financiële wel en wee van hun kerk. De leden met de hoogste inkomens dragen aan dat financiële wel en wee het meeste bij. Hen naar de mond praten lijkt soms voor de hand te liggen. Protesten van de Kerken tegen de bonussen en opties in het bedrijfsleven en de exorbitante zelfverrijking die daarmee gepaard gaat blijven dan vaak uit. Maar leden van de Kerken lopen zich ook het vuur uit de sloffen in de voedselbanken. De Geest van Jezus van Nazareth, de Geest van Liefde en van Delen van alles wat je hebt, zal van hoog tot laag in de Kerken moeten doordringen. Dat was de zending van Petrus en Johannes, dat is ook de bedoeling van het lezen van dit verhaal. We zullen er in de wereld, maar ook in de Kerk, mee aan de gang moeten, ook vandaag weer.

Leugenaars wordt de mond gesnoerd.

zondag, 22 januari, 2012

Psalm 63

Vandaag zingen we een liedje mee uit het boek van de Psalmen. Een liedje van verlangen is het wel genoemd. Veel Psalmen zijn aan Koning David toegeschreven, van hem werd immers gezegd dat hij zo op de harp kon spelen dat zelfs de kwaadste koning in een milde bui kwam. Dit zou dan een van de vroege liederen van David geweest moeten zijn. Uit de tijd dat hij nog geen koning was maar een soort roverhoofdman die, vervolgd door zijn koning, met een klein legertje in de woestijn verbleef en van daaruit invallen pleegde bij de buurvolken van Israël. Hij hield zich daarmee in leven en beteugelde de roofzucht van de buurvolken die de nare gewoonte hadden in de oogsttijd de oogst van de boeren van Israël te komen inpikken. Koning David is in de loop van de geschiedenis van Israël het symbool geworden van hoe God zou willen dat een Koning regeert. Centraal daarbij staat de Tempel in Jeruzalem, waar David overigens nog geen weet van heeft gehad.

Voor David was er nog de Tabernakel, de tent die het volk door de woestijn had gesjouwd en waarin de Wet van de Woestijn werd bewaard. De Wet die het volk in de Woestijn had gekregen en waardoor ze zouden kunnen overleven en uiteindelijk een land zouden kunnen bereiken dat overvloeit van melk en honing. Die Tabernakel was ook de tent der ontmoeting. Daar kreeg het volk contact met wat hun God van hen wilde. Daar moesten ze oefenen in het delen van wat ze hebben met de armen en met de vreemdelingen. Offeren moesten ze om het delen te oefenen, maaltijden moesten ze houden met de tempeldienaren, de armen, hun familie en de vreemdelingen die hen bij het werk hielpen. Een volk dat zo leeft is een machtig volk, dat bezingt David in deze Psalm. Voor een dergelijk leven kun je je God een leven lang prijzen, want een leven op die manier gaat het gewone leven ver te boven, je deelt je leven immers met velen en vele delen hun leven met jou.

Maar waarom spreekt men dan bij deze Psalm over een liedje van verlangen? In het tweede deel van de Psalm gaat het over de vijanden van David. Die vijanden zijn er in overvloed. Leugenaars die vertellen dat David de Koning van zijn troon wil stoten om zelf de macht te grijpen. Buurvolken die ondanks de verdediging toch blijven proberen de boeren van Israël van hun oogst te blijven beroven. David vraagt zijn God om verlost te worden van deze vijanden, maar voorlopig zit hij nog gewoon in de woestijn. Er wordt wel eens beweerd dat als je nu maar in God gaat geloven, of in Jezus Christus, al je problemen als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen. Deze Psalm weerspreekt dat. God trekt met je mee en de God van Israël heeft weet van het lijden van de mensen. De God van Israël roept voortdurend op om elkaar te helpen en daarmee te verlossen van het lijden of het lijden te verzachten. Door zo te leven wordt het lijden ook van jezelf verzacht. Maar de God van Israël is geen tovergod die het duister van elk mens apart in licht doet verkeren. Bij de God van Israël zijn juist in het duister de lichtpuntjes beter zichtbaar, dat is ook wat David op de been houdt, dat maakt dat wij vandaag dat liedje van verlangen mee mogen zingen. Dat verlangen brengt licht voor de hele wereld. Want ook wij verlangen naar een wereld waar iedereen zorg heeft voor de naaste.