Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2011

Moge de HEER u zegenen

zaterdag, 31 december, 2011

Numeri 6:22-27

We nemen vandaag afscheid van het oude jaar. En bij het afscheid lezen we de zegen die de priester Aäron aanhet volk van Israël moest geven. Die zegen vond men door de eeuwen heen zo mooi dat je hem ook vandaag nog elke week kunt horen. Vandaag overigens ook. Het is de zegen die in de Protestantse Kerken vanouds de kerkdienst besluit. De voorganger heft de handen en uit zijn handen mag je dan de zegen ontvangen zoals dat heet. Hij, of zij, geeft die zegen door namens God, want het was de God van Israël die de zegen liet uitspreken. De woorden die we vandaag lezen zijn de woorden die bij het geven van de zegen gezegd worden. Daarmee besluit het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap het leesrooster voor dit jaar. Morgen begint er een nieuw leesrooster. En bij het afsluiten van dat leesrooster krijgen alle lezers de zegen mee ook van het Bijbelgenootschap.

Dat je gezegend wordt is natuurlijk mooi maar wat betekent het eigenlijk. In dit gedeelte staat ook wel een beetje een uitleg. Er wordt gesproken over het uitroepen van de NAAM van de God van Israël. In die naam zit kennelijk zegen en bescherming opgesloten. Als de God van Israël zijn gelaat over ons doet schijnen dan kan hij ook genadig zijn, als hij zijn gelaat naar ons toewend dan geeft hij zijn vrede. Het lijken wel toverformules als je niet uitkijkt. Het klinkt ook zo mooi dat het je kan betoveren en overtuigd van het goede dat je is overkomen verlaat je de kerk. Maar zo is het niet. Die NAAM zegt ons dat God met ons mee gaat, het is God zelf die zal zorgen voor de zegen staat er. En als God bij ons is wat zal er dan gebeuren?

Dan kan er een licht opgaan voor ons. Nu weten we ook dat die God van Israël is bij de zwakken en verdrukten. Het volk Israël waar hier sprake van is was een volk van bevrijde slaven. Als ons een licht op gaat dan zien wij die zwakken en verdrukten. Dan is er genade en genade lezen we elders in de Bijbel is het herstellen van gemaakte fouten, dat wat mensen aan onrecht is aangedaan kan dus hersteld worden en daar mogen wij een instrument voor zijn. We hoeven ons daar niet druk om te maken of bang voor te zijn want we krijgen er de vrede van de God van Israël voor en vrede brengt recht en gerechtigheid staat er geschreven. Zo zullen de mensen door God zelf gezegend worden als wij ons er maar bewust van zijn dat God met ons meetrekt, ook in het nieuwe jaar, elke dag opnieuw. Zo mag ook hier vandaag de wens klinken dat ieder in ons land in het komende jaar gezegend mag worden door de God van Israël.

Zonder geld koop ik jullie weer vrij

vrijdag, 30 december, 2011

Jesaja 52:1-12
 
Jesaja verkondigt hoop vandaag. Het is niet vanzelfsprekend dat de ballingen terug zullen keren. Jeremia had hen nog geschreven dat het wel generaties zou kunnen duren voordat er een einde zou komen aan de ballingschap. Maar Jesaja begint er alvast vol vreugde over te zingen. En in zijn lied klinken ook de voorwaarden door voor de bevrijding. Want het is Sion dat sterk moet worden, Jeruzalem moet weer een heilige stad worden. Trouwe lezers van dit dagelijks commentaar weten dan al waar we heen gaan. Sion is de Tempelberg en Jeruzalem de stad waar de Tempel staat. Daar wordt de Wet van de liefde bewaard. Daar moeten de maaltijden plaats vinden met de armen, de vreemdelingen, de famillie en de dienaren uit de Tempel. Daar kun je oefenen in Samen Werken, Samen Leven en vooral in Samen Delen.
Zelfs de armen van het volk trekken op naar Jeruzalem om te delen wat ze hebben.

De slavernij vroeger in Egypte en de ballingschap in Babel kwamen gratis, niets kregen ze er voor terug. Maar de bevrijding door samen te leven en samen te delen, door elkaar lief te hebben als zichzelf komt ook voor niks. Er wordt immers onvoorwaardelijke en onzelfzuchtige liefde gevraagd die, zoals Paulus dat zong, zichzelf niet zoekt. Er kan veel kritiek zijn op de huidige regering. Ze moeten zeker het Samen Delen nog leren. Niets horen we over het aanpakken van de exorbitante zelfverrijking in het bedrijfsleven en bij de semi-overheid. Volgens Jesaja is dat samen delen vanuit je naaste liefhebben als jezelf toch de enige weg naar een goede samenleving.
 
Nicolaas Beets dichtte ooit “Als ’t kindje binnenkomt juicht heel het huisgezin”, en christenen denken gelijk dat het een kerstlied is. Maar alle kinderen die geboren worden zouden op die manier verwelkomt mogen worden. Ook bij de vreugdebode wordt gedacht aan Jezus van Nazareth.  Maar daar heeft Jesaja het niet over. Jesaja laat op de Tempelberg God tot koning uitroepen. Daarmee is de Wet van de Woestijn weer het kompas voor het dagelijks leven, daarmee is de Liefde weer het uitgangspunt voor de samenleving. Voor mensen die verdrukt en vernederd zijn is dat een totale ommekeer in het leven die tot grote vreugde uitnodigt. Dan mag je weer echt jezelf zijn .

Als je je identiteit opoffert op het altaar van een ideologie krijg je dat. Fundamentalisme heet dat. In alle geloven en overtuigingen komen die voor. Niet meer de Liefde is dan koning, niet alleen God is God, maar de religie of de overtuiging is dan Koning en het stelsel van denkbeelden waar je in geloofd  neemt dan de plaats in van je God. Want de God waar Jesaja over vertelt, de God ook van Jezus van Nazareth, zet mensen in beweging om lief te hebben, je naaste liefhebben als je zelf en die God boven alles. Zo horen we de liefde binnen te halen, alsof er weer een welkom kind is geboren, het brengt de vreugde die we in een wereld vol verdriet zo hard nodig kunnen hebben.

Hoe kun je bang zijn voor een sterveling

donderdag, 29 december, 2011

Jesaja 51:12-23
 
Angst is iets wat je volgens de Bijbel nooit moet afhouden van het zeggen van de waarheid over de Liefde. In het boek Jesaja wordt hier beloofd dat de ballingen uit Babel zullen terugkeren naar de stad waar de Wet wordt bewaard. Aan alle ellende zal een einde komen. In de oude mythologie was immers ook het razende zeemonster Rahab vermorzeld. Volgens veel Heidense mythen waren het de helden die de monsters doorboorden maar de schrijver van het boek Jesaja maakt er gelijk maar God zelf van. Voor de Israelische lezers wordt trouwens ook herinnerd aan de bevrijding uit Egypte omdat ze onder elkaar vaak Egypte hadden aangeduid met Rahab, het monster. Jesaja verbindt de mythe van Rahab dan ook met de doortocht door de Rode Zee.

De schrijver van het boek Jesaja roept het vol trots uit dat de macht van de Liefde, het  vasthoudend volhouden van de Wet van Liefde nu meer dan nodig is om de bevrijding te bewerkstelligen. Maar de geketende zal worden bevrijd, de arme zal het aan niets ontbreken staat er hier weer eens geschreven. Angst wordt vandaag de dag meer en meer gezaaid. We weten kennelijk niet meer hoe we ruzie moeten maken, hoe we elkaar de waarheid moeten zeggen. De kinderen die dat verkeerd doen worden bedreigd met repressie, opsluiten in jeugdinstituten is de remedie. Dat je op scholen tijd moet inruimen voor oefening in sociale vaardigheden als geweldloos een ruzie oplossen komt maar bij weinig mensen op. Als kinderen dat geleerd zouden hebben zouden volwassenen daar vaker gebruik van kunnen maken. Daarom is het ook goed als volwassenen leren ruzies zonder geweld op te lossen.

Heel verdrietig heet ook terneergeslagen. Als je heel lang en heel ernstig terneergeslagen bent dan heet dat depressief. Als je ernstig depressief bent dan weet je dat je hulp nodig hebt om er weer uit te komen. Je worstelt om op te staan en weer je leven in eigen hand te nemen maar het lukt je niet, telkens weer zak je weg in verdriet om de schijnbare zinloosheid die het bestaan aangenomen lijkt te hebben. Waar is dan een hand die de jouwe grijpt en die je helpt opstaan? Zie je een God en voel je de warmte van een God die het leven weer zin geeft? Gelukkig zijn er tegenwoordig goede dokters. Juist als je depressief bent dan zie je de zwarte zaken van het bestaan extra zwart. De leiders van de wereld zoeken oorlog en dreigen met geweld. De kinderen die de vrede zouden moeten brengen steken elkaar neer op de schoolpleinen. Dag in  dag uit sterven er mensen door het gebruik van vuurwapens. Niet alleen op slagvelden ver weg maar ook in onze eigen steden en dorpen en op de wegen in het land.

Jouw inspanningen lijken niet meer mee te tellen, jouw geloof in een betere wereld wordt weggelachen. Wat houd je nog tegen om er een einde aan te maken? Vandaag klinkt in het verhaal van Jesaja een oproep om naar de Liefde te zien. De ene Heer die voortdurend ontbaatzuchtige liefde verspreid. Die weet heeft van Samen Leven, Samen Werken en vooral Samen Delen en daartoe mensen inspireert. Die weet dat er mensen opstaan uit het dorre doodsbestaan van oorlog en uitbuiting. Dat ook deze week de voedselbanken en wereldwinkels weer opengaan en mensen zonder loon en beloning er hun tijd en energie insteken. Dat zieken getroost, gevangenen bezocht worden en dat alom de roep om recht en gerechtigheid weer luider zal klinken. In die liefde mag jij ook meedoen, die liefde mag zin geven aan ieders leven, en de hand vormen die je optilt en weer aan de gang brengt ook vandaag en al de dagen van je leven.

Een oord zijn van vreugde en gejuich

woensdag, 28 december, 2011

Jesaja 51:1-11

Wie zingt er nu over een oord van vreugde en gejuich als je meest geliefde stad veranderd is in een ruïne. Als er niets over is dan puinhopen. En dan niet zo maar een stad, een stad als alle andere waar jij toevallig van houdt, maar de stad van de berg Sion, waar de Tempel is gebouwd, waar de Wet van de Woestijn werd bewaard. En de herinnering daaraan maakt dat je je toch, door alle verwoesting en ellende heen, toch vrolijk kan voelen. Want niet de vijand die de verwoesting veroorzaakte is de baas, niet die vijand is de Heer van de wereld, niet hij is jouw Heer, maar de Heer waar de Wet van uitging is de baas. En die Wet was immers de Liefde, en die Heer was immers de Liefde. En uiteindelijk overwint de Liefde. Daar is je hele leven op ingesteld. Daar richt je je daden op, daar vertrouw je op, dag in dag uit. Die overtuiging, die houding maakt dat je niet bang hoeft te zijn voor de hoon van mensen, dat je je niet hoeft te storen aan hun spot. Dat is het lied dat we vandaag met Jesaja mee mogen zingen.

Want is het verzet tegen het haatzaaien tegen de Islam en haar aanhangers niet ingegeven door de Liefde voor mensen en het verlangen naar een samenleving waaraan iedereen mee kan doen, zonder angst, zonder zich ingeperkt te hoeven voelen, zonder dat iemand cultuur of eigen overtuiging hoeft op te geven? Mensen die tegen het haatzaaien zijn willen een vreedzame samenleving. Vrede op aarde en in mensen een welbehagen zoals we een paar dagen geleden nog hebben gezongen is niet iets voor eigen volk eerst of alleen voor erkende gelovigen. Het werd gezongen aan een stel bange herders die de zorg voor hun kudden belangrijker vonden dan het bevel van een keizer om thuis te blijven voor een volkstelling. Dat juist daar gewezen werd op dat kind dat geboren werd op de akker van David, als nieuwe koning van Israël maakt dat ook wij iedereen moeten insluiten in onze samenleving, iedereen op de hele wereld uiteindelijk.

Bang dat u voor theedrinkers en islamknuffelaars wordt uitgemaakt? Daar hoef je volgens Jesaja helemaal niet bang voor te zijn. Dat soort spot komt voort uit angst voor de vrijheid die de God van Israël geschonken heeft. De vrijheid die recht en gerechtigheid brengt.  Waar vrede en vreugde aan ontspringen. En de partij van de vrijheid uit onze dagen kent geen leden, kent geen vrijheid van meningsuiting voor anderen, kent alleen maar angst. Van angst bevrijd kunnen we kwaad benoemen daar waar kwaad gebeurd, kunnen we in gesprek met mensen die ook het kwaad willen weren uit de straten en steden van ons land. En het kwaad willen weren is niet afhankelijk van een geloof of opvatting. Het kwaad willen weren is menselijk. En al die mensen zijn Gods kinderen. Misschien als we ze voorleven hoe het is van je naaste te houden als van jezelf dat ze ook in de God van Israël gaan geloven en mee willen gaan op de Weg die die God ons heeft gewezen. Wij kunnen er elke dag opnieuw aan werken. Ook vandaag weer.

Brand je aan je eigen pijlen!

dinsdag, 27 december, 2011

Jesaja 50:4-11

In de week tussen Kerst en de jaarwisseling slaan we vandaag in het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap het boek van de Profeet Jesaja open. Christenen die later dat boek gingen lezen herkenden in het hoofdstuk van vandaag ineens de martelingen die Jezus van Nazareth moest ondergaan rond Goede Vrijdag. Het boek van Jesaja gaat echter over de ballingschap. Aan het boek van Jesaja hebben meerdere mensen meegeschreven maar het beeld van een knecht van God, een dienaar van de Liefde, die, dwars tegen alle ellende, vasthoudt aan de kracht van Liefde die zal overwinnen, komt meerdere malen in het  boek voor. Dit is dan de derde keer dat er over gezongen wordt, want in de oorspronkelijke tekst heeft het alles van een lied, een blues zeg maar, een slavenlied dat de vrijheid bezingt, hoop geeft en uitzicht op een leven zonder ellende.

Dat dit lied achteraf doet denken aan Jezus die vele eeuwen later zou optreden is niet zo heel vreemd. Het lied gaat over recht en gerechtigheid die vervangen worden door martelingen en vernederingen maar uiteindelijk wint het recht. Ook Jezus van Nazareth zal berecht worden en vernederd en voor de Christenen kwam ook in dat proces leugen en vernedering in de plaats van het recht en de gerechtigheid zoals die in de Bijbel worden beschreven. Ook vandaag kan dat gebeuren. Ons rechtssysteem is niet feilloos. Hoeveel politiemensen, officieren van justitie en rechters ook naar een zaak kijken, het kan zijn dat in de naam van het recht onrecht geschied. Daarom kan voor elke zaak herziening gevraagd worden als er nieuwe feiten zijn, daarom is er een commissie die een zaak nog eens opnieuw kan bekijken als er twijfel is aan de goede gang van zaken. Maar daarmee wordt nog niet altijd recht gedaan aan al die mensen die lijden in de wereld.

Daarom hebben we inmiddels een internationale strafhof, ook al nemen belangrijke landen in de wereld daar nog niet aan deel. Natuurlijk kunnen we er op vertrouwen dat er uiteindelijk altijd recht wordt gedaan, maar omdat we er zo op mogen vertrouwen kunnen we er ook altijd om blijven roepen, tegen alle lawaai en goedgepraat in. Ook misdadigers uit de Tweede Wereldoorlog worden nu, na ruim 60 jaar, nog steeds berecht en veroordeeld. Dat moet hoop geven en een voorbeeld zijn. Zeker met het verhaal van de mislukte volkstelling nog in de oren, het verhaal over Jozef en Maria die niet op hun plaats in Nazareth bleven maar in beweging kwamen naar Bethlehem waar onder Jozua aan hun familie een akker gegeven was waar ze elke vijftig jaar opnieuw recht op hadden. Recht en gerechtigheid komen ook voor ons als we in beweging komen. Onrecht en geweld kunnen ons niet stil en krachteloos maken maar zijn een reden te meer om in beweging te komen, ook vandaag weer.

 

Het licht voor de mensen.

maandag, 26 december, 2011

Johannes 1:1-18

Op de Tweede Kerstdag  lezen wij de eerste woorden van het Evangelie van Johannes. Dat wordt meestal met Kerst gelezen, in de Kerstnachtdienst het verhaal uit Lucas 2 en dan op kerstochtend het begin van het Johannesevangelie. En voor ons is het Kerstfeest het lichtfeest bij uitstek aan het worden. Er is zelfs een wedstrijd in het aantal lichtjes dat je op aantrekkelijke wijze rond je huis kan aanbrengen. Met al die kolencentrales en atoomstroom hebben we licht in overvloed.   Natuurlijk, we moeten bescheiden blijven, het licht scheen al in de dagen van Johannes in de duisternis en sindsdien wordt het maar mondjesmaat opgemerkt. Maar net als de Johannes waarover verteld wordt kunnen ook wij getuigen van het Licht. En Loesje merkte al eens op dat hoe donkerder het is hoe meer lichtpuntjes er te zien zijn.

Het Evangelie van vandaag noemt ons, de gelovigen in Jezus van Nazareth, de kinderen van God. Zonen en dochters van God die het verhaal verder mogen dragen en mogen werken aan het Koninkrijk van de Liefde. Zeg nu niet dat al die moeilijke woorden je te veel zijn, dat al die discussies over goed en kwaad, over wat mag en niet mag je te ingewikkeld zijn. Het Woord van God is vlees geworden. Dat betekent dat het verhaal niet meer tussen je lippen vandaan hoeft te komen, of tussen je oren hoeft te zitten maar het mag uit je handen komen. Het betekent dat je je handen mag uitsteken naar je naaste, naar de arme, naar de naakte die gekleed moet worden, naar de hongerige die gevoed moet worden, naar de gevangene die bezocht moet worden, naar de zieke die verzorgd moet worden, naar het kind dat getroost moet worden.

Het Woord van God, van de Levende mogen we vandaag zeggen, is geen verkiezingsbelofte van een Rutte of Cohen, maar is levende werkelijkheid door al die mensen die vandaag en morgen hun handen uitsteken en zich niet neerleggen bij de wetten van de huidige regering die de rijken rijker maakt en de armen armer. Goedheid en Waarheid zijn met Jezus gekomen en ze zijn nooit meer van de aardbodem verdwenen. Wie wil horen die hore en wie wil zien die ziet het. Juist om dat te zien, om de naaste te kunnen zien, is het licht van Kerst ontstoken. Daar straalde de hemel voor in de Kerstnacht en kwamen de herders in beweging om te gaan zien wat er gezegd wordt. Daar mogen wij ook voor in beweging komen, om te zien of we van onze naaste kunnen houden als van onszelf, elke dag, ook vandaag en morgen.

Als de vreugde bij de oogst

zondag, 25 december, 2011

Jesaja 8:23b-9:6

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek van de profeet Jesaja lezen wordt in de kerken traditioneel op kerstfeest gelezen. Nu is kerstfeest het jongste feest uit de kerkgeschiedenis. Het is geen feest dat in de Bijbel voorkomt. Alleen Lucas heeft een verhaal dat direct gaat over de geboorte van Jezus van Nazareth. Als je je in dat verhaal verdiept kom je waarschijnlijk wel uit bij de achtergrond van dit verhaal uit Jesaja en wordt het verhaal van die geboorte een verhaal van hoop net als het verhaal van Jesaja bedoelt is als een verhaal van hoop in zeer zwarte tijden. In de dagen van Jesaja was het zeer onrustig in het Midden Oosten, de ene oorlog volgde de andere op. Wat dat betreft is er nog niks veranderd. Maar delen van Israël waren verwoest en opgegaan in andere koninkrijken. Zeer concreet gold dat voor Zebulon en Naftali die hier worden genoemd. Zij waren in slavernij gebracht en wandelden dus in de diepste duisternis.

En dan komt de profeet met de belofte voor wie het wil zien. Het is de God van Israël die het volk zal bevrijden. Er zal dat slavenvolk een licht opgaan en zij worden weer een groot volk. Het is niet te geloven maar het staat voor de deur. Leuk om met kerst dan over een kind te lezen dat ons is geboren maar dat is een bekend beeld uit de oud hebreeuwse literatuur. Zo duidt je een Koning aan, een kind van zijn volk dat de leiding op zich neemt. Deze Koning maakt de belofte van de God van Israël waar omdat hij net als Salomo recht zal spreken met wijsheid, omdat hij net als David een vader voor zijn volk zal zijn, een Vredevorst. En het volk en zijn koning moeten bedenken dat eigenlijk God zelf de Koning is en dat daar de troon van David en zijn rijk opzijn gebouwd.

Wat heeft dat nu met kerst te maken? Alleen dit dat de onderdrukte volken altijd dit beeld van Jesaja mogen herkennen. Aan alle onderdrukking zal een eind komen. In de dagen van Jozef en Maria werd men onderdrukt door een Keizer die zelfs van de armsten nog belasting wilde hebben. Zo’n machthebber die het persoonsgebonden budget afschaft en van rijken en armen een gelijke bijdrage in de kosten van gezondheidszorg vraagt en niks wil weten van heffing naar draagkracht. Jozef en Maria weten duidelijk te maken dat de werkelijke macht op de aarde ergens anders licht. Zij blijven niet op de plaats die de Keizer wil maar trekken naar de plaats die God hen gewezen heeft in het boek Jozua, zij gaan naar de akker van David in Bethlehem die elke vijftig jaar weer aan hun geslacht teruggegeven zou worden. Daar brengen zij hun kind ter wereld als een licht voor de volken dat niet de Keizer het voor het zeggen heeft maar de God van Israël. Zo zal dit kind een koning worden zoals Jesaja beschreef voor Zebulon en Naftali. Een koning die ook ons kan bevrijden van armoede en geweld in de wereld. Als we maar van elkaar willen houden, vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Vandaag kan het weer.

Een ster komt op uit Jakob

zaterdag, 24 december, 2011

Numeri 24:10-25

Dat van die ster uit het boek Numeri wordt graag zo vlak voor Kerstmis geciteerd. Iedereen gaat dan direct denken aan de ster die in het Evangelie naar Matteüs wordt genoemd. En daar heeft deze ster helemaal niets mee te maken. Het gaat hier over een Koning die zijn vijanden zal verslaan. Koning Balak had Bileam ingehuurd om het volk Israël te vervloeken. Maar Bileam was onder de indruk geraakt van de God van Israël, die hen per slot bevrijdt had uit de slavernij in het zeer machtige Egypte, en had niets anders kunnen zeggen dan hetgeen die God van Israël hem had ingegeven. Drie maal had hij het geprobeerd en drie maal was het hetzelfde geweest: gezegend zij die Israël zegenen en vervloekt zij die Israël vervloeken. Geen wonder dat die koning Balak zeer kwaad geworden was. Hij had een hoge prijs willen betalen voor een vervloeking maar al zijn goud en zilver had niet geholpen.

Bileam trekt zijn conclusie door. Wat hij heeft gezien in het volk Israël heeft gevolgen voor heel de wereld die hij kent. Alle volken zullen de kracht van Israël gaan voelen. Moab, het volk van koning Balak, wordt verslagen, Set wordt verslagen, Edom en Seïr gaan ten onder. Amalek zal volledig ten gronde gaan. De Kenieten, nakomelingen van Kaïn, zullen verwoest worden. Het zijn heel oude vervloekingen die hier worden geciteerd. Zoals wij het middeleeuws Nederlands bijna niet kunnen lezen kunnen geleerden die het Hebreeuws machtig zijn maar met moeite lezen wie nu waar verwoest zal worden. Duidelijk wordt dat het de omkering is van wat de koning van Moab had gevraagd. Niet Israël wordt vervloekt maar hij en alle volken die te hoop lopen tegen Israël zullen te gronde gaan. Israël zal schitteren.

Zo komt er een einde aan de geschiedenis van Balak en Bileam. Het is altijd een vreemde geschiedenis in de Bijbel gebleven. Bileam hoorde immers niet bij het volk Israël. Hij was geen gelovige die zich hield aan de godsdienstige plichten van Israël. Hij was een buitenstaander, voor Christenen een buitenkerkelijke. En het oordeel van een Heiden, van iemand buiten de geloofsgemeenschap kan toch moeilijk enige waarde hebben. Dat is van Christenen zeker een arrogante houding. Verreweg de meeste Christenen zijn immers geen Joden en daarmee Heidenen. Waar Bileam op heeft gewezen is de directe omgang van de God van Israël met zijn volk.

En die directe omgang kennen ook de Christenen. Voor hen is die directe omgang begonnen met Kerstfeest, met de geboorte van Jezus van Nazareth, toen God zelf op aarde kwam als mens onder de mensen. Toen ging er een lichtje op voor de mensen, toen werden ogen geopend zoals ze bij Bileam geopend werden. Toen leerden we overal op aarde dat het volgen van de God van heb uw naaste lief als uzelf, betekent dat er vrede op aarde komt, in mensen een welbehagen, dan mogen we zingen van Ere zij God. Met kerst.

Als tuinen langs een rivier

vrijdag, 23 december, 2011

Numeri 23:27-24:9

Er is een mooi Nederlands spreekwoord dat zegt dat drie maal scheepsrecht is. Als je iets drie maal gedaan of gezegd hebt dan heeft het in elk geval gelding gekregen. Het is bijvoorbeeld niet goed mogelijk om drie maal te liegen. Of men zegt drie maal letterlijk hetzelfde en is kennelijk niet in staat om de waarheid op verschillende manieren te formuleren of men spreekt zich in het drie maal gegeven antwoord tenminste een maal tegen. In ons verhaal worden weer de offers gebracht om de God van Israël gunstig te stemmen. Een vervloeking uitspreken en tegelijk de woede van de plaatselijke God over je afroepen is helemaal niet verstandig. Maar Bileam heeft geleerd dat hij bij de God van Israël helemaal geen magische trucs nodig heeft. Ook al wil Koning Balak maar steeds dat hij vervloekingen uitspreekt, die God wordt niet boos zolang Bileam maar zegent.

Dus begint Bileam maar direct met wat de God van Israël hem ingeeft, tenminste hij spreekt door de Geest van God. Zo spreekt een God die in het midden van zijn volk is. Zijn ogen zijn opengegaan voor de betekenis van de God van Israël. Toch een heel ander soort God dan wat hij gewend is met Baäl en verwante goden. We moeten dat bij het lezen van het Oude Testament voortdurend voor ogen houden. Er zijn goden die je moet dienen door ze te geven, door aan hen te offeren. Goden die lijken op onze goden van carriere en vooruitgang. Je moet geld investeren in je carriere, je moet je gezin en je gezondheid opofferen aan de vooruitgang. De God van Israël vraagt dat allemaal niet. Die vraagt dat je zorgt voor je naaste, voor de minsten in je volk en dat je daarin eigenlijk ook nooit meer investeert dan jezelf kunt dragen. Je moet immers van je naaste houden als van jezelf.

Als je een heel volk hebt waar alle mensen voor elkaar zorgen dan wordt het leven op aarde een leven als in een paradijs. Het beeld dat we wellicht het meest direct herkennen is het beeld van de tuinen langs de rivier. Die zijn voor het volk Israël het meest bekend van de landen van slavernij en ballingschap, van Egypte en van Babel, maar Bileam ziet een volk dat die tuinen langs de rivier al midden in de woestijn heeft door juist die zorg voor elkaar die het volk geleerd heeft van de God van Israël. Dit volk is bevrijdt van slavernij, dit volk moet niks, wordt nergens door gedwongen maar mag alles en leeft in volstrekte vrijheid. Daar kan geen ander volk meer tegenop.

Wie roept dat daar iets goeds van uitgaat zal het zelf overnemen, die ziet het, en zal dus dat goede ook zelf ondervinden, wie roept dat zo te leven met elkaar niks is, zal de zorg van de naaste ook nooit ondervinden en zelf vervloekt zijn. Eigenlijk staat er dat je dus mag kiezen, wil je gezegend zijn of vervloekt, kies je het leven of de dood. Bileam ziet en het kiest het leven. Dat mogen wij ook, elke dag weer opnieuw, zelfs als we eens verkeerd hebben gekozen mogen we opnieuw de keuze voor het leven maken, ook vandaag.

Nu zegent u ze.

woensdag, 21 december, 2011

Numeri 22:36-23:12

Door de eeuwen heen hebben Koningen en andere machthebbers altijd geprobeerd de religie voor hun karretje te spannen. Als je nu maar kon laten zien dat de God van je keuze aan jouw kant stond dan werd je gezag gemakkelijker aanvaard en je macht vergroot. Zelfs van onze Koningin staat op alle stukken dat ze Koningin is bij de gratie Gods. Nu kun je de overtuiging van het Nederlandse volk dat Nederland een monarchie moet zijn wel als genade van God aanmerken maar die overtuiging kan natuurlijk ook veranderen, zonder dat je overigens dan moet zeggen dat het volk de wil van God heeft verlaten. Het is helemaal de vraag of de monarchie als wens van het volk wel echt de wil is van de God van Israël. In de Bijbel wil de God van Israël steeds de koning zijn en wil hij dat de wetten van een volk afgestemd zijn op zijn Wet van heb uw naaste lief als uzelf.

Barak, de koning van de Moabieten komt er in het verhaal van vandaag ook achter. Hij wil zo graag dat namens zijn God het volk Israël wordt vervloekt. Barak had Bileam meegenomen naar een heiligdom voor zijn god Baäl. Een vruchtbaarheidsgod aan wie vruchtbare dieren als stieren en rammen werden geofferd. Maar Bileam had een ontmoeting gehad met de God van Israël en met een boodschapper van de God van Israël. En een God waarvan je kunt dromen en die boodschappers op je weg kan sturen om je tegen te houden kun je niet zomaar negeren. Die God moet je te vriend houden en dat gaat in veel godsdiensten nu eenmaal samen met offeren. Daarom zeven altaren, zeven was toch het symbolisch getal van de God van Israël?

En dan komt de vervloeking. Je kunt alleen vervloeken wie door God vervloekt is en je kunt alleen verwensen wie door God verwenst is. Het klinkt als het kinderversje op het schoolplein, schelden doet geen zeer, schoppen en slaan des te meer. Vervloeken en verwensen heeft dus nooit zin. Het lijkt in onze dagen of we dat helemaal kwijt zijn in de samenleving. Er wordt gemakkelijk gescholden en het tuig dat je hindert wordt naar een tuigdorp verwenst. Niet dat het helpt want hoe meer en hoe harder we op elkaar schelden hoe meer geweld er los komt in de samenleving waar we samen alleen maar meer last van hebben. Vruchtbaar is het al helemaal niet. In het Nieuwe Testament wordt de gelovigen aangeraden om ergernissen met elkaar eerst eens uit te praten, zorg dat verhoudingen beter worden in plaats van slechter. En Barak en Bileam leren ons vandaag dat het ook in de politiek nog wel eens de beste weg zou kunnen zijn. De Weg van de God van Israël, die zijn kinderen niet zomaar laat vervloeken.