Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2011

En ik moet dat aanvaarden?

maandag, 31 oktober, 2011

Maleachi 1:6-14
 
Ze kunnen dan wel een mooie Tempel bouwen, zo een als ze gewend waren te zien in Babel. En de priesters hadden ongetwijfeld fraaie gewaden waaraan je direct kon zien dat ze Priester waren. Ook zullen de rituelen met de nodige plechtigheid en pracht en praal zijn uitgevoerd. Maar toch deugde het niet. De offers van deze God zijn niet voor hemzelf. Met deze offers moet je zelf maaltijd houden, met je familie, met de tempeldienaars, met de armen en met de vreemdelingen die je helpen. Dan kun je je er niet afmaken met zomaar offerdieren. In de oude wetten stond dat er aan die offerdieren niets mocht mankeren. God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf betekent dat hulp voor een ander geen fooi is, dat overgeschoten tweede hands of onbruikbaar spul niet genoeg is. Armen helpen alsof je jezelf helpt betekent dat de armen zich moeten kunnen vertonen in dezelfde kringen als jij je vertoont. Vreemdelingen een plek geven in je eigen samenleving betekent dat die vreemdelingen mee kunnen doen zoals jij meedoet.

De Priesters uit de tijd dat deze profetie werd geschreven moesten dat nog leren. Ze hadden wel de oude verhalen over Abraham bewaard, ze hadden nog weet van de uittocht uit Egypte, maar de manier waarop in Babel religie werd beleden stond hun te veel op het netvlies. In de meeste godsdiensten gaat het immers om het uiterlijk vertoon, om de pracht van kleren, om de kleuren en om de massaliteit van het toegestroomde publiek, om de betovering. Het is door de eeuwen heen steeds weer moeilijk om je voor te stellen dat dat niet geldt voor de godsdienst van de God van Israel. Dat het daar gaat om mensen en niet om pracht en praal. Aan de God van Israel is geen pracht toe te voegen. Daar kan geen mens iets aan bijdragen. De mens kan alleen iets bijdragen aan de liefde voor de minste schepselen van die God, de mensen die het moeilijk hebben, de hongerenden, de bedroefden, de zieken, de gevangenen, de onderdrukten. Toen in die samenleving zo goed als in de onze, aan de vreemdelingen die in ons midden zijn.

Wat dat betreft verschilt de samenleving zoals die in deze profetie wordt beschreven niet al te veel van de onze. Ook in onze samenleving staan pracht en aanzien hoog genoteerd en worden armen, gehandicapten en vreemdelingen met het slechtste afgescheept. Vreemdelingen die ons land moeten verlaten worden onnodig en veel te lang opgesloten stelde Amnesty International vast, zelfs kinderen worden lang opgesloten als hun ouders uitgewezen zijn. Op de zorg voor zieken en gehandicapten wordt fors bezuinigd, waar iedereen er op vooruit gaat gaan zij er op achteruit. Het is of de priesters uit deze profetie ook bij ons aan de macht zijn. Het is tijd voor een bode als de schrijver van deze profetie. We kunnen die taak ook allemaal vervullen. Er zijn tegenwoordig middelen te over om je mening kenbaar te maken, maak er gebruik van en laat weten dat recht en gerechtigheid voor de minsten, voor zieken en gehandicapten, voor vreemdelingen in ons midden, voorop behoren te staan als het gaat om de inrichting van onze samenleving. Met minder hoeven we ook vandaag geen genoegen te nemen.

Ik heb jullie lief

zondag, 30 oktober, 2011

Maleachi 1:1-5
 
Een aantal jaren geleden was er een strip met de naam Maleachi. De hoofdpersoon uit de strip was een klein lelijk mannetje met lange ongekamde haren en een woeste baard. Hij was gekleed in een lange mantel en droeg meestal een bord waarin gewaarschuwd werd voor het einde der tijden. Deze Maleachi was het soort profeet dat men zich voorstelt op grond van het beeld dat in het Nieuwe Testament van Johannes de Doper geschetst wordt, gekleed in een kameelharen mantel, levende in de woestijn van honing en wilde spinnen. Maar de Maleachi naar wie dit Bijbelboek is genoemd beantwoord niet aan dat beeld. Sterker nog er heeft waarschijnlijk nooit een profeet met de naam Maleachi bestaan. De naam is gegeven aan een boekje dat begint met het opschrift “Profetie”. Een Profetie gegeven aan “mijn bode”, en dat is in het Hebreeuws Maleachi.

Het boekje werd geschreven aan het eind van de ballingschap in Babel, als onderdeel van het Twaalf Profetenboek, het is dus eigenlijk een hoofdstuk dat wij lezen als een zelfstandig boek. Een deel van het volk was teruggekeerd en had alvast de Tempel weer opgebouwd. Later zouden Ezra en Nehemia komen om een godsdiensthervorming door te voeren en de muur rond Jeruzalem weer op te bouwen. Het boek dat Maleachi wordt genoemd loopt op die hervorming vooruit. In de meeste Bijbelvertalingen is het het laatste boek van het Oude Testament. Het laatste boek ook van de verzameling van twaalf kleinere boeken van Profeten. Christenen hebben dit boek als laatste gezet omdat het op die manier verwijst naar de grote godsdiensthervormer Jezus van Nazareth, maar daar heeft het boekje dus eigenlijk niets mee te maken.

De Joden die terugkeerden uit de ballingschap kregen te maken met vijandige inwoners van het land, mensen die achtergebleven waren, en vijandige buurvolken. Nu kan je je hooghartig van vijandige buurvolken afkeren maar deze profeet wijst er op dat ook buurvolken familie zijn. De inwoners van Edom zijn immers afstammelingen van Esau, de zoon van Izaak en de broer van de stamvader van Israel Jacob. Toen Jacob met God had geworsteld in angst voor Esau had hij de naam Israel gekregen, een naam die overgegaan was op zijn nageslacht, het volk Israel. En Edom nu wordt tot voorbeeld gesteld voor Israel. De inwoners van Edom willen niet delen met de ballingen die terugkomen. Integendeel ze bestrijden de ballingen. Op die manier wenden ze zich af van de God van Abraham en Izaak, die wel ook de God van Jacob was, maar eigenlijk dus ook de God van Esau had moeten zijn.

De inwoners van Edom werden verslagen door de ballingen en dat moet een waarschuwing zijn. Als je niet wil delen met hen die het nodig hebben zul je uiteindelijk worden verslagen als goddelozen. Alleen de liefde, de onvoorwaardelijke bereidheid tot delen sleept je er doorheen. Daar begint deze godspraak of profetie mee. Het is geen toekomstvoorspelling, maar een analyse van de dagelijkse werkelijkheid, ook de werkelijkheid van ons dagelijks leven.Want ook al zetten wij de C voorop in onze namen, echt delen willen we nog steeds niet, zeker niet met broeders en zusters die we hier hebben opgevoed en grootgebracht maar die per ongeluk in hun jeugd uit een arm Afrikaans land naar ons land zijn gekomen. Edom laat ons zien hoe het af zou kunnen lopen, ook vandaag nog.

Uw liefde voor elkaar en ieder ander

zaterdag, 29 oktober, 2011

1 Tessalonicenzen 3:1-13
 
Tegenwoordig zijn er groepen in de Christelijke gemeente die het stichten van elke huisgemeente met gejuich begroeten, dan gaat het weer goed met de kerk. Dat die huisgemeenten versneld de bestaande kerken leegtrekken wordt maar even genegeerd. In de dagen van Paulus gaven die jonge kerkjes meer kopzorgen. De omringende samenleving was zo vijandig tegen de nieuwe beweging, de beweging zelf zo anders als de cultuur waarin ze waren ontstaan dat het iedere keer maar de vraag was of ze het vol konden houden. Daarom stuurt Paulus Timoteüs naar Tessalonica om te kijken hoe het met de nieuwe gemeente is gesteld. Timoteüs is teruggekomen met goede berichten. Het gaat goed met dat kleine groepje mensen van de weg in Tessalonica, Noord Griekenland, dat deel van Griekenland dat tot op de dag van vandaag Macedonië wordt genoemd.

In dit oudste geschrift uit het Nieuwe Testament worden die goede berichten ook opgesomd. Ze willen elkaar graag weerzien, Paulus en zijn gezelschap en de groep gelovigen waar de brief aan gericht is. Maar waarom dan, wat is er zo bijzonder? Aan het eind blijkt het pas, de liefde voor elkaar en voor ieder ander groeit daar, die groeit zo groot dat die dezelfde afmetingen aanneemt als de liefde tussen zielsverwanten. De liefde voor elkaar is nog voor te stellen en dat die mensen van Paulus houden, omdat die ze tot de groep gemaakt heeft die ze zijn, is ook nog voorstelbaar maar hoe zit het met die “Liefde voor ieder ander”. Er wordt zo gemakkelijk overheen gelezen maar in een stad als Tessalonica met vele tempels en vele religies is die Christelijke gemeente wel een heel erg vreemde club. Daar is geen godenbeeld. Ze hebben geen tempel en zijn ook niet van plan er één te bouwen, ze hebben geen Priesters die het exclusieve recht hebben tussen de gelovigen en de godheid te bemiddelen.

De aanbidding van hun God gaat zelfs niet om henzelf. Ze zoeken geen eer en geen roem, ze maken geen reclame, ze pretenderen niet dat ze alles kunnen oplossen, ze helpen alleen maar. Ze tonen belangstelling voor zieken, voor slaven, voor armen, voor hongerigen, voor mensen die geen kleding hebben en zich niet kunnen tonen, voor vreemdelingen die geen thuis hebben, ze troosten de stervenden en de bedroefden. Onder mensen in nood en onder de armen van de stad groeit hun reputatie. Ze zijn eerlijk en nergens op uit. Het is als een godsdienst zonder God. Ze hebben niet alleen geen beeld om te aanbidden, ze mogen zelfs geen beeld van hun God maken, niet in steen,of hout, of edelmetaal of edelsteen, maar zelfs ook niet woord. Alleen hun daden drukken uit wat hun geloof is, dat is die liefde voor ieder ander. Ze hebben zelfs hun vijanden lief.

In de loop van de geschiedenis zijn wij veel van de positie van de gemeente in Tessalonica kwijt geraakt. Wij hebben onze kerkgebouwen, onze priesters en dominees, onze gerespecteerde plaats in de samenleving. Maar zijn we het zicht op de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de ontheemden, de gevangenen en de zieken niet een beetje kwijtgeraakt? De vreemdelingen onder ons kunnen onweersproken en ongestraft apart worden gezet. Zelfs een bijbeltiendaagse over het thema vreemdelingen maakte niet de tongen los en zette niemand in beweging. Alleen een jongetje dat hier opgroeide en nog voor zijn volwassenheid terug moet naar een arm, hongerig Afrikaans land beweegt de gemoederen, maar zelfs zogenaamde Christenen strijken niet hun handen over hun harten maar blijven hard en onvermurwbaar. Zou Paulus vandaag aan ons kunnen schrijven dat wat we vandaag lezen?

U hebt even zwaar onder Uw stadgenoten geleden

vrijdag, 28 oktober, 2011

1 Tessalonicenzen 2:13-16
 
Wat moet je met een dominee die zegt dat je gerust in God kunt geloven ook al bestaat God niet? Die dominee heeft overigens gelijk. Zijn opvatting gaat zelfs terug op kerkvaders als Augustinus. Gelovigen in het begin van onze jaartelling die nog maar net van al die nieuwe begrippen hadden gehoord, waar bijvoorbeeld Paulus over schrijft aan de gemeente in het Griekse Tessalonica, hadden veel vragen. De Grieken daar geloofden dat de goden op de berg Olympus woonden en dat ze zo af en toe in mensengedaante naar de mensen kwamen om zich daar te vermaken. De God van Paulus was niet zo’n God. De manier waarop je over God kunt praten is dus ook niet de manier waarover de Grieken over God spraken. In de Griekse filosofie speelde het begrip “zijn” een belangrijk rol. Aan het “zijn” kun je aard en eigenschappen en eigenlijk ook het doel van al het bestaande afleiden.

Maar, zeiden de latere filosofische gelovigen, over onze God kunnen we helemaal niets zeggen als het over het “zijn” gaat, aan het “zijn” van God kunnen we zijn aard en eigenschappen helemaal niet afleiden en onze God heeft al helemaal niet een doel van zijn bestaan waarover wij iets zouden kunnen zeggen, onze God openbaart zich hooguit in zijn Woord, Woord dat gelijk daad is.  “Dan bestaat die God van jullie niet”, was het antwoord van die oude Griekse filosofen. En dat was waarheid moesten de gelovige filosofen erkennen. God ging al het bestaande te boven, God was niet een “zijnde” zoals de filosofen beschreven, God was God, en als mensen vragen naar het bestaan van God dan is het enige juiste antwoord dat God niet bestaat. God is liefde en niets dan liefde en die Liefde komt tot uiting in de manier waarop mensen met elkaar omgaan, in de manier waarop mensen samen hun samenleving inrichten en de manier waarop de armsten, de zwaksten, de minsten een plaats in die samenleving krijgen.

Daarmee werd de beweging van Jezus van Nazareth, die op die manier in God geloofde, een voortdurende kritiek op de bestaande samenleving. Dat hadden ze in Israel al niet leuk gevonden. De prediking van Jezus van Nazareth dat je iedereen lief moest hebben, zelfs je vijanden en dat iedereen een plaats in de samenleving moest hebben, zelfs de vreemdelingen, had uiteindelijk geleid tot zijn dood aan het kruis. Als dat het leidende beginsel in de samenleving moest worden bleef er voor de bestaande machthebbers, zowel de religieuze als de wereldlijke, niet anders over dan die “Koning der Joden” ter dood te brengen. De Grieken reageerden al niet anders. Een voortdurende kritiek op de bestaande samenleving door mensen die het niet alleen zeggen maar ook doen kun je niet tolereren. Dan moet je de noodtoestand afkondigen, demonstraties verbieden en mensen in de gevangenis stoppen.

Dat gebeurde toen en dat gebeurd nog tot op de dag van vandaag. Alleen zijn de kerken aangepast aan de ordelijke wereldse samenleving en hebben ze zich over het algemeen neergelegd bij de zogenaamde scheiding tussen Kerk en Staat. Over de “God die niet bestaat” praat dus bijna niemand meer. De God van velen is een Griekse God geworden die niet meer op de berg woont maar in “de Hemel”, een plek boven de wolken waar Hij overigens niet gevonden kon worden door de ruimtevaarders van onze tijd. Juist die ruimtevaarders bewezen het gelijk van de oude kerkvaders die het opnamen tegen de Griekse filosofen. God is Liefde, en liefde bestaat in ons handelen. Paulus had de Christenen vervolgd en toen het licht gezien. Hij wist als geen ander hoe mensen van de Liefde kunnen lijden als ze in het verhaal van die niet bestaande God en Jezus van Nazareth willen meedoen. Griekse goden, waar je beelden van kunt maken en die je kunt opsluiten in Tempels vol rituelen, zijn voor machthebbers in wereld en religie veel gemakkelijker. Die machthebbers ontlenen hun macht aan die goden en wee hen die de macht aan de Liefde toekent. Misschien dat wij dat nog durven.

Niet om mensen te behagen

donderdag, 27 oktober, 2011

1 Tessalonicenzen 2:1-12

Dat blijft raar. Mensen die je iets komen brengen en die er niks voor terug willen hebben, zelfs niet populair door willen worden. Ook in onze dagen is het nog vaak zo dat als je je vinger opsteekt om mensen te helpen men denkt dat je er zelf beter van wil worden of dat je je er geliefd door wil maken. Het kan soms de nodige moeite kosten om net als de schrijvers van deze eerste brief aan de Tessalonicenzen de mensen er van te overtuigen dat het helemaal niet om de eer gaat of om er beter van te worden maar alleen uit liefde voor de mensen zelf. Het tegendeel is natuurlijk ook waar, daar waar mensen beloond willen worden voor het goede dat ze doen, tenminste de eer er voor willen hebben en beter geacht willen worden dan anderen dan is er geen sprak van hulp of zorg in de naam van Jezus van Nazareth of de God van Israël.

Paulus en de zijnen gingen hier heel erg ver in. Dat weten we ook uit andere brieven. Ze wilden zelfs niet worden betaald door de gemeenten waarvoor ze werkten. Paulus was riemensnijder of tentenmaker en in handelssteden als Tessalonica was er altijd wel brood voor hem te verdienen. Collecteren deed hij uiteindelijk wel. Hij haalde geld op voor de gemeente in Jeruzalem. Daar was al vanaf het begin een vervolging van de mensen van de Weg aan de gang waardoor het bestaan voor de volgelingen van Jezus van Nazareth zeer moeilijk was. Maar hij liet het geld dat hij ophaalde vaak door anderen naar Jezuzalem brengen en die brengers daarna verslag uitbrengen in de gemeenten waar gecollecteerd werd. Transparantie noemen we dat tegenwoordig. De nadruk die Paulus legt op het niet willen teren op de zakken van de jonge gemeenten mag ook bij ons nog wel tot nadenken stemmen. Protestantse gemeenten beroepen hun predikanten en daarin wordt een salaris afgesproken. De predikant hoeft nooit de gemeente aan te sporen meer te geven zodat hij een hoger salaris krijgt. Als dat gebeurt is er iets heel erg fout.

Als er in een Christelijke gemeente geld wordt ingezameld dan is dat voor het Koninkrijk van God en dat betekent heel concreet voor de armen, de armen in onze directe omgeving maar ook voor de armen in de rest van de wereld. Ook de slachtoffers van aardbevingen zoals in Turkije kunnen rekenen op noodhulp uit Nederlandse Kerken en vanuit de kerken wordt al geruime tijd voedselhulp gegeven aan de slachtoffers van de hongersnood in de Hoorn van Afrika. In Nederland worden veel voedselbanken mede door de kerken ondersteund. Maar zeker in het buitenland geldt ook dat de beste hulp die hulp is waardoor mensen op lange termijn ook voor zichzelf kunnen zorgen, eigenlijk zo dat zij zelfs anderen kunnen helpen die hulp nodig hebben. Als dat lukt kun je spreken van de luister van God, zijn liefde vermeerdert zich dan echt over de hele bewoonde wereld. En de grootste vreugde voor gelovigen ligt daarin dat ze er aan mee mogen werken, ook vandaag nog en vandaag weer.

Aan de gemeente in Tessalonica

woensdag, 26 oktober, 2011

1 Tessalonicenzen 1:1-10

Vandaag maken we een begin met het lezen in de eerste brief aan de gemeente in Tessalonica. Tessalonica ligt in het noorden van Griekenland. In de tijd dat de brief werd geschreven was het een belangrijke handelsplaats, gelegen aan de kust en aan een belangrijke handelsweg. In de stad waren mensen uit allerlei landen gevestigd. Het was ook een Romeinse stad geworden en dat betekende veel slaven en veel soldaten. In deze stad waren dus mensen vertegenwoordigd van alle rang en stand en uit de hele toenmalig bekende wereld. Een bijzondere multi-culturele samenleving dus. De brief is geschreven door Paulus, Silvanus en Timoteüs. Uit het geheel van het Nieuwe Testament moeten we aannemen dat Paulus de boventoon heeft gevoerd maar uit de brief is niet op te maken wie wat geschreven of geformuleerd heeft. In het algemeen wordt deze brief een brief van Paulus genoemd.

De brief begint met de mededeling dat Paulus, Silvanus en Timoteüs blij zijn dat er nog een gemeente in Tessalonica is. Die dankbaarheid is niet zo vreemd want het drietal was met geweld uit Tessalonica verdreven nadat ze eerst in de Joodse Synagoge het verhaal over Jezus van Nazareth, zijn manier van omgaan met de Joodse Wet, zijn kruisiging en zijn opstanding hadden verteld. Ook in Tessalonica was de werving in de Synagoge gevolgd door het stichten van een huisgemeente waar het onderscheid tussen slaaf en vrije, Jood en Griek, oud en jong en man en vrouw was verdwenen. Een omwenteling van de bestaande samenleving die die samenleving niet had verdragen. Ook na het vertrek van de drie had de gemeente daar de nodige last van gehad maar ze hadden volgehouden.

Kennelijk waren er nogal veel heidenen die zich tot de nieuwe gemeente hadden bekeerd. De gemeente wordt al in het begin van de brief geprezen dat ze zich van de afgoden hadden afgewend om zich te wenden tot het dienen van de levende en ware God, de God van Israël dus. Die gemeente zit met nogal wat vragen, dat laat zich raden. Timoteüs was nog een keer terug geweest en had een aantal vragen verzameld. De eerste was waar we het allemaal voor doen. En het antwoord is vanouds om gered te worden van het komende oordeel. Daar voelen we ons zo veel eeuwen later niet meer zo bij thuis.

Maar het gaat over een oordeel over de bestaande samenleving, immers er komt een Koninkrijk, een samenleving, waar er inderdaad geen onderscheid meer is tussen mensen zoals dat in gemeente al is weggevallen. Er komt een samenleving waarin de dood geen rol meer speelt, waar alle tranen gewist zullen zijn. En waar wil je nu bij horen, bij die komende samenleving of bij de huidige samenleving, de samenleving waar mensen slachtoffer worden van het najagen van winst en profijt. Zo gezien verschilt onze samenleving niet zoveel van die van Tessalonica en  staan wij voor dezelfde keuze als de gemeente aan wie Paulus en zijn vrienden een brief schreef. Het is maar goed dat we elke dag opnieuw die keus mogen maken en aan het werk aan dat komende Koninkrijk mogen beginnen. Om te beginnen het onderscheid op grond van afkomst, geaardheid opheffend en voor een rechtvaardige verdeling van welvaart en inkomen zorgend. Dat mag ook vandaag weer.

Niemand weet waar zijn graf is.

dinsdag, 25 oktober, 2011

Deuteronomium 34:1-12
 
Met het beloofde land voor ogen en in hoge ouderdom sterft Mozes. Een driftig mannetje, die de verleiding van toverspreuken en show niet helemaal had kunnen weerstaan. Toen het volk weer eens liep te mopperen op de bevrijding uit de slavernij daar midden in de woestijn, omdat er te kort aan water zou zijn, had Mozes boos zijn staf genomen, geluisterd naar de rotsen zoals hij had geleerd, en met kracht op een rots geslagen zodat het brak en de daarondergelegen waterstroom aan de oppervlakte kwam. Het volk met verbazing en ontzag achterlatend. Zo moet het dus niet in het Koninkrijk van God. Met liefde moet je naar je mogelijkheden luisteren en met liefde ze aanboren.

Of meer godsdienstig gezegd: je moet de zaak aan God durven overlaten. Het graf van Mozes is dan ook niet gemaakt tot een pelgrimsplaats waar gelovigen heen gaan omdat ze denken dan dichter bij God te zijn. Dat soort Pelgrimsplaatsen zijn een kennelijk een gruwel voor God, mensen zouden eens kunnen denken dat de Liefde ver weg is en niet dichtbij, niets is minder waar. Met de Wet van de Woestijn kunnen we elke dag opnieuw beginnen, ja zelfs elk moment, houden van je naaste als van jezelf begint elke keer als je trots in een spiegel kijkt en elke keer opnieuw als je vol berouw vaststelt dat het toch minder was als je had gekund. Berouw, niet uit angst voor straf in het hiernamaals, maar berouw, omdat je je naaste, en daarme jezelf, tekort hebt gedaan.

Er is een oude Joodse legende over de dood van Mozes die zegt dat de duivel en de aardsengel Michael streden om de ziel van Mozes, moest die naar de hel omdat hij een Egyptenaar had doodgeslagen of naar de hemel. Er ontbrak een hevig gevecht dat de duivel uiteindelijk opgaf met een beroep op God zelf, die moest maar oordelen. En dan weten we het dus wel, als de liefde zelf oordeelt over onze fouten hoeven we er niet bang voor te zijn en kunnen we bezig blijven met het goede te doen en niets dan het goede. Blijft, dat ook een begrafenis van iemand op hele hoge leeftijd verdrietig is. We zouden iemand als Mozes vandaag de dag toch heel goed kunnen gebruiken en graag bij ons gehad hebben. Maar goed dus dat ook dit Bijbelboek is opgeschreven en wij er nog eens in terug mogen lezen over de weduwe en de wees, en vooral ook over de vreemdelingen die in ons midden zijn.

Zijn armen dragen u

maandag, 24 oktober, 2011

Deuteronomium 33:22-29
 
Dat mag je toch iedereen toewensen, dat je gedragen mag worden door de liefde. De Liefde zelf die je draagt door goede maar vooral ook door slechte tijden. In dit voorlaatste hoofdstuk van Deuteronomium gaat het over het goede en niets dan het goede voor het volk Israel. Dat goede doen is niet eenvoudig. Uit het Evangelie naar Matteüs kennen we natuurlijk de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Als we gewond langs de kant van de weg liggen dan hopen we dat we zo’n naaste tegenkomen. Maar denk dan eens aan dat Chinese meisje dat overreden werd, niet één maal, maar twee maal. Waar mensen langs liepen, 18 mensen die niet op of om keken. Zulke naasten kunnen we missen. Uiteindelijk was er een voddenraapster die bleef staan en die haar in haar armen nam. Zoals Mozes hier zingt dat de God van Israël het volk in zijn armen neemt. Zo’n naaste mogen wij ons wensen, maar zo’n naaste krijgen we alleen als we zelf zo’n naaste willen zijn.

Het volk Israël had dit onder leiding van Mozes in de woestijn geleerd. Als je daar niet onvoorwaardelijk op elkaar wil zijn aangewezen dan haal je het niet. Vandaag is de ander de zwakke maar morgen kan jij het zijn. Uiteindelijk komt dit volk terecht in het land dat overvloeit van melk en honing. Israël wordt hier Jesurun genoemd, dat betekent de gelukkige. Het zal duidelijk zijn dat een God die je uit de slavernij heeft bevrijdt en heeft geleerd hoe je voor elkaar kunt instaan en daardoor de woestijn kunt overleven van zijn volk de gelukkige maakt. Wie in onze dagen dit gedeelte leest zal het niet direct herkennen, maar dat gepraat over de hemel en de wolken heeft een bijzondere betekenis. Niet de krachten van de natuur, niet de zon en de maan, niet de donder en de bliksem zijn de goden waar je je op kan verlaten. De God van Israël gaat die machten en krachten te boven, die gebruikt die machten en krachten hooguit om er op te rijden zoals een Koning in een gouden koets of hoog te paard door de stad rijdt. Alle verwijzing naar goddelijke machten van de natuur wordt hier teniet gedaan.

Wij zijn nog niet in het land dat overvloeit van melk en honing maar we kunnen dromen over wat ons te wachten staat. Een land en een volk waar alleen de liefde heerst, waar zorg is voor elkaar, waar de laatste de eerste zal zijn en waar gelachen wordt en gejuicht. Huub Oosterhuis dichte eens met Maria, de moeder van Jezus, dat God “deze wereld omgekeerd” wil. Het omgekeerde van een wereld waar een meisje dat verongelukt is langs de kant van de weg blijft liggen zonder dat iemand er naar kijkt. In dit hoofdstuk van Deuteronomium komen we echter ook het zesde couplet van het Wilhelmus tegen. “Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij, o God, mijn Heer” heet het daar in een citaat uit dit hoofdstuk en daar ging het om het verdrijven van tyrannie, en elke tyrannie verscheurt het hart van de gelovige nietwaar. De tyran zal uiteindelijk de macht van de Liefde moeten erkennen en daar het stof van de voeten moeten likken. Een beeld dat we in onze dagen ook mogen zien. En daarom rest ons niet anders dan te werken aan een wereld vervuld van liefde, daar mogen we elke dag mee bezig zijn, ook vandaag.

De oudsten van het volk

zondag, 23 oktober, 2011

Deuteronomium 33:12-21
 
Gisteren lazen we het al een beetje, maar hebben we in het commentaar op een ander deel de nadruk gelegd en morgen gaat het ook nog even door, elke stam van Israel krijgt een eigen zegen. Twaalf zonen had Jacob, een heilig getal. Als je nu goed telt kom je tot 11 stammen. Simeon ontbreekt in het rijtje. Het was de stam die als eerste op zou gaan in de andere stammen van Israel en geen eigen aanwijsbaar gebied meer had. De famillies van de stam Simeon hadden zo hier en daar hun gebied. De stam Gad had ook het stuk land dat van iedereen was, het stuk land waar de vertegenwoordigers van het volk bijeen kwamen om te beraadslagen. Dat staat in het boek Rechters. Het is overigens de democratie ten voeten uit. Rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers, iedereen die gelijk is, geen koningen, geen machthebbers. Geen Partij voor de Vrijheid zonder de Democratie. Die zou onmogelijk zijn bij dit volk, de vreemdelingen hoorden er immers onlosmakelijk bij, zelfs in de volksvergadering.

Verschillen tussen de stammen waren er echter ook, en die mogen kennelijk ook genoemd worden. Ruben was de oudste zoon van Jacob, en had het minste aantal nakomelingen, dat was maar een klein stammetje. Issaschar zijn we wellicht in de loop van de geschiedenis vergeten maar dat waren zeelui en handelaren, maar ook mijnwerkers die schatten onder het zand wisten te vinden. Dat was natuurlijk niet al zo toen ze nog het land Israel binnen moesten trekken, maar de definitieve versie van de Bijbel is pas later vastgesteld. Die is niet zoals het heilige boek van de Islam in één keer gedicteerd, maar geleidelijk aan gegroeid. Totdat na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 na Christus er een definitieve versie van het eerste deel werd vastgesteld. De definitieve versie van het Tweede deel, wat we nu het Nieuwe Testament noemen, werd pas na het jaar 100 vastgesteld.

Wat we vandaag dus lezen is dat iedereen bijdraagt aan de eenheid van het volk, of je nu een vrome Leviet bent die godsdienst voorop zet, een handelaar van Issaschar, een strijder van Juda of het lievelingetje van God uit Benjamin. Voor ons betekent het dat, wie we ook zijn of wat we ook kunnen, er altijd plaats is in het werk voor het Koninkrijk, je kunt je naaste altijd ergens mee van dienst zijn. En let op, zelfs in de woestijn klonk al de oproep voor eerbied en respect voor de vreemdelingen die bij het volk Israël woonden. Het was de opdracht aan het volk om te zorgen dat die vreemdelingen mee konden doen, dat was niet de verantwoordelijkheid van die vreemdelingen zelf. Zo kon het hele volk in elke stam worden gezegend, zo kan ook ons volk gezegend zijn. Ook vandaag nog.

 

Talloze engelen

zaterdag, 22 oktober, 2011

Deuteronomium 33:1-11
 
Mozes neemt afscheid met wat genoemd wordt een zegen. Daarin wenst hij iedereen het goede. Zoiets als wat je wel eens op een bruiloft of een jubileum hoort. Het bruidspaar of de jubilarissen horen dan al het goeds dat er over hen te zeggen is. In het verhaal, of is het een lied of gedicht, van Mozes begint het natuurlijk met God zelf. De ontmoeting met God in de woestijn bepaalde immers de geschiedenis en de inhoud van het volk Israel.

In de nieuwe vertaling is God daar ineens vergezeld van een heleboel Engelen. In oudere vertalingen zijn dat heiligen, ook de Naardense Bijbel van Oussoren vertaalt hier heiligen. We hebben verschillende handschriften die beschouwd worden als de grondtekst waaruit de Bijbel vertaald wordt en ook één van die grondteksten heeft het over tienduizenden van heiligheid. Als iemand dus zegt dat men de Bijbel letterlijk wil nemen moet je niet alleen vragen welke vertaling men letterlijk neemt, maar ook uit welke grondtekst vertaald is en waarom men die grondtekst heeft genomen.

De Bijbel staat nu eenmaal niet vol toverformules die je uit het hoofd kunt leren en die je in elke situatie dan naar je hand kunt zetten, maar de Bijbel staat vol verhalen die je op weg sturen naar het beloofde land. Als je met God in aanraking komt zegt Mozes dan zie je ineens al die mensen die het goede en niets dan het goede deden, een geweldige menigte is dat. De Wet van de Woestijn is in alle tijden en overal toegepast en heeft altijd en overal tot bevrijding van mensen geleid. Dat de Nieuwe Vertaling hier het woord engelen gebruikt is nog zo vreemd niet. We zijn gaan inzien dat Engelen boodschappers van God zijn, en ieder mens kan op zijn of haar tijd een boodschapper van God zijn, soms zelfs onbedoeld of onbewust. Engelen zijn dus geen mensen in witte kleren met vleugels. Dat leger vol van goede mensen verschijnt de laatste jaren in tal van landen in de wereld. Dat is begonnen in Zuid Amerika waar het ene na het andere volk regeerders koos die op de eerste plaats opkomen voor de armen in hun land. De nieuwe regeerders zijn ook de grootste pleitbezorgers voor eerlijke handelsverhoudingen en zij botsen dan ook met de rijken op de aarde.

Nu zien we de lente in het Midden-Oosten waar eerst bijna zonder geweld en nu na zeer veel geweld vooral jonge mensen de machthebbers en dictators naar huis sturen om een vrije en democratische samenleving te kiezen. Vervolgens zien we de Occupy beweging opkomen die de macht van de ondernemers en bankdirecteuren willen democratiseren zodat de graai cultuur verdwijnt en dat wat we samen op de wereld opbrengen en voortbrengen ten goede komt aan ieder naar behoefte. Uit het gedeelte dat we vandaag uit Deuteronomium lezen leren we dat het goede dat we kennen voortkomt uit de God van Israël.

Mozes vraagt of het goede mag voortkomen uit de stammen van Israël. Wij lezen vandaag alleen over Riuben en Juda maar als je de hele zegen zou lezen dan kan het je opvallen dat dat gebed van Mozes ingedeeld is als een zevenarmige kandelaar, Jozef staat in het midden. Israël wordt hier neergezet als een licht voor de volken. Zo mogen wij ook zijn een licht voor de volken, door het goede te doen en niet dan het goede, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.