Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2011

Een watermassa die de aarde overspoelde.

vrijdag, 20 mei, 2011

Genesis 7:1-24

Als je het verhaal nauwkeurig leest dan lijkt het wel of er twee verhalen door elkaar heen lopen. Een verhaal over de opdracht die Noach krijgt en een ander verhaal over de manier waarop hij de opdracht uitvoerd. Eerst de opdracht. Van alle reine dieren moest Noach er zeven mannetjes en zeven vrouwtjes meenemen, van alle onreine dieren twee dieren. Nu zal Noach geen idee gehad hebben wat reine en onreine dieren waren want de Wet waarin dat staat kwam pas toen het volk door de woestijn trok. Maar die opdracht heeft wel een troostende boodschap. De reine dieren die mochten de Joden eten, de onreine niet. Voor elke dag was er dus een stel reine dieren om te eten, zeven dagen lang, een hele week. De God van Israël zorgt altijd voor zijn mensen. De held uit het verhaal van Babel moest allerlei spannende avonturen doorstaan om te overleven. Noach hoefde alleen maar naar zijn God te luisteren.

En dan de manier waarop hij zijn opdracht uitvoerd. Van alle levende wezens kwamen er twee in de Ark. God zorgt dus niet alleen voor de mensen maar voor alle levende wezens, ook de levende wezens zijn onze naasten. Als wij op weg willen zijn naar het beeld van God, en het boek Genesis beschrijft hoe mensen langzaamaan op weg waren naar het beeld van God dat God aan het scheppen was, dan moeten we ook zorg hebben voor de levende wezens, voor de dieren zoals God bij de Grote Vloed zorgde voor de dieren. Samen bleven ze in de Ark nadat het voldoende had geregend. Veertig is in de Bijbel nu eenmaal het getal dat aangeeft dat het voldoende is.

Die Ark is in onze verbeelding uitgegroeid tot een geweldig groot houten schip. Maar het Hebreeuwse woord dat er voor gebruikt wordt staat er ook als Mozes in een biezen mandje in de Nijl wordt gelaten. Het is een voertuig waarmee God mensen kan beschermen in het water. De Israëlieten waren bang voor water, ze zagen zichzelf als een woestijnvolk vanouds en hadden niks met de grote zee. Integendeel,  in de loop van de eeuwen kun je in de Bijbel lezen dat de zee steeds meer en meer het symbool werd van de dood, een plaats waar monsters leefden die je konden verslinden en waar je ver vandaag moest blijven.

Tussen het land Kanaaän en de zee woonden dan ook lang de Filistijnen die vanwege hun verbondenheid met de zee blijvend gewantrouwd werden. Zelfs de vissers in het Nieuwe Testament visten niet in de zee maar in de meren waar de Jordaan doorheen stroomde en die meren waren al eng genoeg. Zo was het zeer voorstelbaar dat een grote watervloed de wereld overspoelde en alles de dood injoeg. Maar daar hoefde het niet bij te blijven. De dood heeft niet het laatste woord, ook vandaag nog niet.

Dit is de geschiedenis van Noach

donderdag, 19 mei, 2011

Genesis 6:5-22

Vandaag beginnen we te lezen in het antwoord dat de Bijbel geeft op een beroemd verhaal uit Babel over een grote vloed die alle mensen vernietigde. In Babel ging het verhaal over een ruzie tussen de goden die besloten elkaars mensen te vernietigen en over één god die het besluit van de gezamelijke goden dwarsboomde door stiekum een mens te redden. Die mens werd een held.

Het Bijbelse verhaal gaat over een God die geen mensen bezit. Die God werd als schepper van de mensen aanbeden maar de mensen wenden zich van die God af, ze waren slecht. De Nieuwe Bijbelvertaling laat je zo hier en daar in de steek als je echt wil begrijpen wat het verhaal wil vertellen. Het Hebreeuws gaat over het hart van de mens waar slechte gedachten ontstaan en het hart van God dat daarover bedroefd werd. Dat is de tegenstelling die tot het besluit leidt dat de mensen vernietigd moeten worden.

Maar de geschiedenis houdt niet op bij dat besluit. De geschiedenis gaat verder. En die gaat verder bij het begin van de geschiedenis van de verwekkingen van Noach, zoals heel het boek Genesis gaat over de verwekkingen en de gevolgen die die verwekkingen hebben, hoe gaat het als mensen beeld van God moeten worden. Noach behoorde tot de rechtvaardigen, hij had drie zonen. En de mensen uit de dagen van Noach hadden dus kunnen weten hoe het wel moest.

De aarde was verdorven en vol onrecht, van Noach staat er dat hij een rechtvaardige was, zijn leven was een voorbeeld voor de anderen. Hier dus geen willekeurige God die met andere goden een spelletje speelde maar een God die rechtvaardigheid zoekt en de onrechtvaardigen verdelgd, een thema dat we voortdurend in de Bijbel kunnen tegenkomen, een antwoord aan de Heidenen die aan willekeurig handelende goden zijn overgeleverd.

Maar de aarde is meer dan mensen alleen. Naast die mensen waren er ook dieren geschapen, de mens had die dieren namen gegeven en moesten die dieren nu slachtoffer worden van de slechtheid van de mensen? Noach moest een ark bouwen om zich, zijn familie en de dieren te redden. En dat hebben de mensen in alle eeuwen herkend. Noach kon alleen die ark bouwen als hij blindelings op zijn God kon vertrouwen.

Daar kunnen we nog wat van leren. In een tijd waarin regeringen wanhopig zoeken naar maatregelen om de willekeur van hebzucht en winstzucht te beteugelen mag je als antwoord geven dat het delen, het liefhebben van de naasten, dat de God van Israël ons voorhoudt altijd de redding is geweest van de willekeur van de goden van winst en profijt. Die God heeft ook ons uit het slavenhuis van de arbeid geleid. Als we bereid zijn te delen wordt de aarde weer een land dat overvloeit van melk en honing. En daar mogen we elke dag weer aan werken, ook vandaag weer.

Heb ontzag voor hen

woensdag, 18 mei, 2011

1 Petrus 2:18-25

Het gedeelte dat we vandaag lezen heeft vaak weerzin opgeroepen bij die mensen die tegen elke vorm van slavernij waren en zijn. In de geschiedenis is dit gedeelte ook wel gebruikt om de slavernij te verdedigen en elk verzet van slaven er tegen de kop in te drukken. Aanval noch verdediging is echter aan de orde. In de eerste plaats is hier sprake van bescherming van de slaven. Het vrijheidsdenken van de christelijke gemeente zou gemakkelijk tot opstand kunnen leiden. Ieder mens heeft immers recht op vrijheid. Maar in de slavenmaatschappij die de Romeinse staat was zou elke opstand van slaven onherroepelijk tot de dood van de slaven en hun medestanders hebben geleid. De oproep om het lijden te verdragen zoals Christus het lijden heeft gedragen is dus een bescherming voor de slaven die het moesten ondergaan, het kon altijd nog erger.

De vertalingen uit het Grieks doen een belangrijk element in het verhaal van de schrijver van de Petrusbrief verdwijnen. Dat “meesters” uit het begin van het gedeelte van vandaag zou je ook met despoten kunnen vertalen. Willekeurige heersers die menen te kunnen beslissen over leven en dood. Nu is despoot in onze taal een uiterst negatieve aanduiding van iemand en dat was in het oorspronkelijke Grieks nu ook weer niet de bedoeling. Maar het Griekse woord voor Heer dat in het nieuwe testament zowel voor keizer, koning, landvoogd, God en Messias wordt gebruikt wordt in de brief van Petrus uitsluitend gebruikt voor God en de Messias. Voor alle andere menselijke bazen en baasjes klinkt het despotes, ons despoot of meester.

Dat maakt dat we anders naar dit gedeelte moeten kijken dan als naar een verdediging van de slavernij. Het heeft niet te maken met de vrijheid van het Evangelie maar met het respect voor het menselijk leven dat de Bijbel ons voorhoud. Dat leven is belangrijker dan de houding tegenover koningen, keizer en slavenhouders. Petrus houdt ons in navolging van Paulus voor dat we het kwade alleen kunnen bestrijden door het goede te doen. Dat geldt voor alle christenen, ook voor de slaven. Zij zullen door hun houding moeten laten zien dat een andere houding dan wreedheid en oog om oog een vruchtbaarder houding is. Zoals Jezus van Nazareth het zwaard liet wegsteken, zweeg tegen zijn vervolgers, bad om vergeving voor zijn veroordelaars en nog aan het kruis voor verzorging van zijn moeder zorgde zo moeten Christenen onrechtvaardige bestuurders tegemoet treden. Niet zwijgen over het goede dat gedaan moet worden maar zich ook niet laten verleiden zelf ook het kwaad te gaan doen. Dat mogen we ons ook vandaag ter harte nemen als ons voorgehouden wordt dat alleen met geweld de vrede gebracht kan worden. De Bijbel zegt dat dat niet kan en misschien moeten we het ook vandaag weer met de boodschap van de Bijbel durven te wagen.

U bent als vreemdelingen

dinsdag, 17 mei, 2011

1 Petrus 2:11 -17

De schrijver van de Petrusbrief vermaant zijn gelovigen om zich te realiseren dat ze door hun geloof in een ongelovige wereld net als vreemdelingen zijn. Ze hoeven zich dus niet door vreemdelingen bedreigd te voelen, maar zijn juist in hun positie verbonden met de vreemdelingen die moeizaam hun eigen cultuur en hun eigen geloof willen bewaren. Ook Christenen in onze dagen moeten dat beeld herkennen. In een wereld waar je als achterlijk wordt versleten als je in de God van Israël blijft geloven en blijft volhouden dat door de liefde een nieuwe wereld zal ontstaan is het niet gemakkelijk je bij de gemeenschap van gelovigen thuis te blijven voelen. Vreemdelingen hebben dat gevoel als vijanden te worden aangezien ook. Daarom verzetten Christenen zich ook tegen de discriminatie van vreemdelingen en kunnen ze het niet hebben dat mensen voor wat voor geloof dan ook achteruit gezet worden, ook zij worden achteruit gezet.

De schrijver van de Petrusbrief heeft ook wel een wapen tegen de bedreiging van de ongelovigen. Dat is een goed leven leiden met goede daden die mensen tot het inzicht brengen dat het de God van Israël is die je zou moeten volgen om tot een goede aarde te komen. Dat volgen is dan zorgen voor de minsten in de samenleving, opkomen voor de zwaksten, voor de mensen die buiten de samenleving worden gezet, de gehandicapten, de mensen die aangewezen zijn op de sociale werkplaatsen, de mensen die door de oneerlijke verdeling van rijkdom over de aarde hierheen zijn gespoeld en nu over onze straten moeten zwerven, onwelkom en zonder huis en inkomen.

Die wens om de bestaande ongelovige samenleving te veranderen moet niet uitmonden in gewelddadig verzet. Gebruik van geweld wordt in de Bijbel, met name sinds Jezus van Nazareth, afgewezen. Met geweld de samenleving omverwerpen gaat altijd ten koste van de zwaksten in een samenleving. Zij worden als eerste slachtoffer van het geweld. Daarom moet je het gezag van de autoriteiten aanvaarden. Zij kunnen ook aangesproken worden op de noodzaak te veranderen, misdadigers te straffen en mee te doen in de zorg voor de zwaksten in de samenleving. Het kwade bestrijden door het goede te doen heet dat in de Bijbel. Op die manier kun je leven als vrije mensen. Niet om je als vrij mens te misdragen en denken dat het je vrij staat anderen aan je te onderwerpen, maar integendeel om als vrij mens vooruit te lopen op de wereld waarin geen tranen meer zullen zijn en de dood zal zijn overwonnen. Daar mogen we elke dag opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

Een rotsblok waaraan men zich stoot.

maandag, 16 mei, 2011

1 Petrus 2:1-10

De Tempel in Jeruzalem was verwoest, het volk over het Romeinse Rijk verspreid. Hoe moest dat nu verder? Waar zou die jonge Christelijke gemeente houvast aan hebben? De schrijver van de Petrusbrief valt terug op het Oude Testament, op de herdenkingsfeesten die het Joodse volk gewend was en die ook hun plaats hadden gekregen in de Christelijke gemeenten. De eerste is die van de ontvangst van de 10 geboden, eigenlijk van de hele Wet. Dat was op de Sinaï en dat werd gevierd met het Pinksterfeest. Dat feest begon eigenlijk al met het Pesachfeest, ons Pasen, als het volk zich eerst moest reinigen, ritueel wassen, zoiets als onze doop. Zo moeten we beginnen zegt Petrus hier, alle bedrog, huichelarij en kwaadsprekerij afleggen en als nieuwe mensen beginnen met het Woord van God.

Die Wet werd in stenen platen uitgehouwen, Mozes kwam daarmee de berg af. De stenen platen werden in de Ark gelegd die later een plaats zou krijgen in de Tempel in Jeruzalem. Nu die Tempel is er niet meer is kun je ook zelf een Tempel worden. Paulus zou schrijven dat je de Wet in je hart zou moeten laten beitelen. En de offers bij de Tempel waren maaltijden die je deelde met je familie, de dienaren van de Tempel, de armen, en de vreemdelingen die bij je woonde. Zo kun je elke dag thuis ook offers brengen, maaltijden houden met hen die geen eten kunnen kopen. Dat delen kan de hoeksteen worden van je leven. Het houden van je naaste als van jezelf het fundament waarop je Tempel van de God van Israël is gebouwd.

Dan volgt de “maar” die in elk positief verhaal gebakken zit. Die “maar” is hier het “maar bedenkt dat die steen ook een struikelsteen kan worden”, in ons spraakgebruik noemen we dat een steen des aanstoods. Aan een leven van delen met mensen die dat nodig hebben kunnen mensen zich mateloos ergeren. Vooral als die mensen liever voor zichzelf leven en anderen niets gunnen. Niks van aantrekken zegt Petrus. In de gemeente van Christus zijn alleen maar koningen en priesters, het is een heilig volk geworden dat grote daden verkondigd door ze te laten zien, van duisternis naar het licht. Zo mocht de gemeente het verlies van de Tempel in Jeruzalem omzetten in het werk in een Tempel in de alledaagse werkelijkheid. Het mooie is natuurlijk dat we op die manier ook een volk van Koningen en Priesters mogen zijn, elke dag werkend aan het Koninkrijk van delen, ook vandaag weer.

Langs veilige paden

zondag, 15 mei, 2011

Psalm 23
 
De voorstelling van een god als een herder vindt je in het hele oude Nabije Oosten terug. Het Hebreeuwse woord voor Herder is een werkwoord. Daar zit het begrip “weiden” in. Het gaat over  een God die voortdurend er op bedacht is je het goede te bezorgen. En daar gaat dit overbekende lied dan ook over. Alleen de vertaling van het tweede deel van vers 3 heeft in de Nieuwe Vertaling toch veel van haar betekenis verloren. Natuurlijk, voor een gelovige zijn de “veilige paden”, paden die je gaat met die God. Ofwel het zijn keuzes in je leven die in overeenstemming zijn met de Wet van heb je naaste lief als jezelf. Maar het was vroeger wat eenvoudiger te verstaan toen er nog vertaald werd wat er wordt bedoeld, namelijk “paden der gerechtigheid”. Het Hebreeuwse woord “tsadiq” dat hier gebruikt wordt is in een groot deel van de Bijbel vertaald met gerechtigheid of rechtvaardige. En dat de manier waarop je wil leven recht wil doen aan de mensen die je tegenkomt dat spreekt  vanzelf.

In onze wereld worden we immers overspoeld met waarschuwingen over onveiligheid. Ook al lopen onze gevangenissen leeg, omdat  het aantal misdrijven afneemt, als je sommige politici hoort is het in ons land nog nooit zo onveilig geweest. Maar we zijn niet allemaal sigarenboeren of tijdschriftenhandelaren. Samen met juweliers moeten zij bijzondere veiligheidsmaatregelen nemen om zich te beschermen. Daar kunnen we allemaal bij helpen maar in een samenleving van ieder voor zich laten we ook hen soms maar al te veel aanmodderen. Recht doen aan mensen kan dus ook betekenen onveilige situaties in kaart brengen en samen werken aan oplossingen voor de reële onveiligheid die er is.

Bang voor gevaar hoeven we op die manier niet meer te zijn. Want die geest van zorg voor elkaar, de Geest van God, geeft moed, dat brengt  de nodige zorg voor elkaar als de stok en de staf van de Herder. Daarom kun je ook rustig zingen dat je achtervolgt wordt door Geluk en Genade. Dat klinkt des te beter als je bedenkt dat dit lied een pelgrimslied is. Het werd gezongen door de mensen die op gingen naar Jeruzalem om daar een van de jaarfeesten te vieren. Met een stok in de hand liep men soms dagenlang om de Tempel te bereiken en daar een maaltijd te houden met de armen, de tempeldienaars en de vreemdelingen. Dat was het offer aan de God die met hen mee trok en die in het huis van de Heer, de bewaarplaats van de Wet, een plaats had uitgekozen. Religie is juist in deze Psalm niet iets van aanbidden en afwachten maar de zekerheid dat je beker zal overvloeien. Omdat je het samen doet, omdat je deelt, omdat je zelf herder bent voor de minsten.

Kom naar buiten, kom hier!

zaterdag, 14 mei, 2011

Daniël 3:19-30

Heel lang heeft dit verhaal gegolden als het bewijs dat de God van Israël door het vuur gaat voor zijn gelovigen. In de tijd dat dit boek tot stand kwam, de tijd van de bezetting van Israël door de zeer wrede Koning waarover je in het boek van de Makabeeën kunt lezen zal dat het onderdrukte volk ook zeker hulp hebben gegeven. Maar na de holocaust gaat dat beeld niet meer op. In de vernietigingskampen was geen God die zijn gelovigen beschermde tegen gas en vuur. Dat verhaal gaat over iets anders dan over een goedkope vorm van brandverzekering. Dat hadden we uit het boek van de Makabeeën al kunnen leren want de zeven broers en hun moeder waarover dat boek gaat ontkwamen ook niet aan wrede martelingen, ondanks hun geloof.

Dit verhaal gaat dan ook niet over de drie jongens in het vuur. In een apocrief bijgedeelte bij dit verhaal zingen ze ook nog uit volle borst, maar het verhaal gaat over de bekering van Koning driftkikker. Zo’n bekering heb je nodig als slachtoffer van onderdrukking. Dan hoop je maar dat je beulen op een goede dag inzien hoe slecht ze bezig zijn en hoe humaniteit hen kan redden van de bestialiteit die ze ten toon spreiden. Jezus van Nazareth zou ons later laten zien dat wraak, tegengeweld door het zwaard te trekken, ons op hetzelfde niveau zou brengen als de beulen en dat het zich verlagen tot dat niveau juist de bekering tot humaniteit zou verhinderen. En dat zit hier ook in het verhaal.

Die Koning is zo driftig dat hij niet de tijd neemt de drie topbestuurders, die niet willen knielen voor zijn gouden beeld, uit te kleden zoals in Babel de gewoonte was. Met kleren en al worden ze in de oven geworpen die zo heet is opgestookt dat de mannen die ze in het vuur moesten werpen de dood vonden door de hitte. En dan ziet hij wat hij gedaan heeft. Want die jongens tellen voor twee en ze lopen dus niet met drie maar met vier in het vuur. En ook al verbranden ze dan nog heeft hij niet de eerbetuigingen ontvangen die hij van ze wilde hebben. De God van Israël, de God van die drie Joodse jongens is dus altijd sterker dan die Koning met zijn gouden beeld.

Ook ons mag dat aan het denken zetten. Hoe vaak gebeurd het niet dat we dictators steunen omdat we aan ze kunnen verdienen. De haat die het bij zijn onderdanen oplevert nemen we dan voor lief. En als de dictator verdreven is en we moeizaam een nieuwe relatie met zijn volk moeten opbouwen hebben we spijt van de steun die we eerst gaven. Dat we door de zwaksten lief te hebben uiteindelijk de eersten mogen zijn om samen de winst te delen die een gezonde en rechtvaardige samenleving oplevert schijnt maar moeilijk voorstelbaar te zijn. Toch laat ook het verhaal van vandaag zien dat blijven bij de wet van heb uw naaste lief als uzelf meer leven brengt dan buigen voor een gouden beeld. Dat blijven bij die wet mag elke dag opnieuw. Ook vandaag weer.

Majesteit, leef in eeuwigheid!

vrijdag, 13 mei, 2011

Daniël 3:1-18

Het is voor een dictator niet gemakkelijk altijd aan de macht te blijven. Zeker niet als je ook nog over overwonnen volken moet regeren. We hadden al gelezen dat koning Nebukadnessar een zeer onzekere koning was. Daarom is het niet verwonderlijk dat hij een gouden beeld laat oprichten zodat zijn onderdanen opnieuw een eed van trouw kunnen afleggen. In de tijd dat het boek Daniël zeer populair werd, de tijd van het apocriefe boek Maccabeeën, werden Joden ook gedwongen een beeld te aanbidden. Dit verhaal over de trouw van vrome Joden in Babel zal ongetwijfeld een inspiratiebron geweest zijn. Het beeld heeft in dit verhaal typisch Babylonische afmetingen. De 6 was het hoogste getal. Onze tijdmeting met 60 tallen is nog afkomstig van de Babyloniërs.

En in een dictatuur slaapt de verrader nooit. Dat was toen zo en dat is ook vandaag de dag nog zo. Het boek Daniël is in verschillende talen geschreven. We nemen altijd maar aan dat de Hebreeuwse Bijbel in het Hebreeuws is geschreven maar delen van het boek Daniël zijn geschreven in het Aramees, de taal van na de Ballingschap die ook door Jezus van Nazareth is gesproken. De muziekinstrumenten die hier genoemd worden zijn Griekse muziekinstrumenten. Dat was voor de mensen uit de tijd van de bezetting door de Grieken toch gemakkelijker te herkennen, al waren deze muziekinstrumenten ook al wel bekend ten tijde van de ballingschap.

Sadrach, Mesach en Abetnego, de vrienden van Daniël weigeren het gouden beeld te aanbidden en daarmee de eed van trouw aan de koning af te leggen. Heidense Koningen beschouwden zich nu eenmaal graag als goden, onaantastbaar en ononverwinnelijk. Maar het aanbidden van een mens is een gruwel voor gelovigen in de God van Israël, toen en nu niet anders. De drie nemen dan ook het risico op de dood. Als de God van Israël ze wil redden is die daarvoor machtig genoeg. Maar, zo niet, dan niet, dan hebben ze tenminste gehoorzaamd aan de Wet van die God. Een houding die bij de zeven jongemannen en hun moeder ook bekend is uit het boek Makabeeën.

Een houding die ook wij moeten aannemen? Het is uit dit verhaal duidelijk dat de drie zelf niet zoeken martelaar te worden, Daniël is kennelijk zelfs al het land uitgegaan om vervolging te voorkomen. Maar ook wij moeten zeggen wat we te zeggen hebben. Ook al zijn er groepen die de vrijheid van meningsuiting willen inperken en niet meer willen hebben dat we ook onze moslim broeders en zusters als broeders en zusters benaderen. Die niet willen horen dat de God van Israël ons opdraagt maaltijd te houden met de vreemdelingen die in ons midden zijn. Juist in deze dagen zullen gelovigen moeten spreken en handelen, opdat het verhaal niet verloren gaat. Wij zijn niet in ballingschap, wij worden nog niet gedwongen iets anders te geloven en een andere naam aan te nemen. Maar willen we dat voorkomen zullen we elke dag weer opnieuw aan dat komende Koninkrijk van God moeten werken, ook vandaag weer.

U bent dat hoofd van goud!

donderdag, 12 mei, 2011

Daniël 2:36-49

Drie lagen zitten er vandaag in het verhaal van Daniël. De eerste is hoe je een koning tot vriend maakt, de tweede hoe je je eigen volk hoop geeft en de derde is hoe God zijn dienaren gebruikt. Die koning was zo onzeker geworden over zijn eigen positie dat hij er ’s nachts wakker van werd. Hij wist ook heel goed dat al die wichelaars aan het hof hem alleen maar naar de mond zouden praten. Geestenfluisteraars en hun collega’s zeggen nu eenmaal alleen wat mensen graag willen horen. Daarom had hij zijn droom verborgen gehouden en geëist dat ze die zouden weten en dan zouden kunnen uitleggen. Daniël was met behulp van de openbaring van de God van Israël tot de ontdekking gekomen wat er nu eigenlijk aan de hand was. En toen was die droom niet zo moeilijk meer.

Maar tegen een machtige Koning zeg je nu eenmaal niet zo gemakkelijk dat het eigenlijk een bangelijk en onzeker ventje is. Hoe hij ook straalt hij staat op lemen voeten. Daniël kiest daarom een andere mogelijke uitleg. Hij maakt elk onderdeel van het standbeeld in het verhaal tot een eigen rijk, elk minder sterk als het vorige. En dan verminder je de angst van de Koning want je schuift de vermorzeling naar een verre toekomst waar de Koning geen deel meer aan heeft. Achteraf kreeg Daniël natuurlijk gelijk want er zijn altijd meerdere rijken aan te wijzen die voorbij gaan al zijn er ook uitleggers die wijzen op de opvolger van de Koning en op diens opvolgers die allen in de Bijbel wel ergens genoemd worden en die inderdaad steeds zwakker zijn dan Nebukadnessar.

Voor het onderdrukte volk geeft deze uitleg van Daniël hoop. De onderdrukking hoeft niet altijd te duren. Het zal geleidelijk aan minder erg worden en op een dag zal er een einde aan komen. De God van Israël zal de wrede onderdrukkers vermorzelen. Die hoop is niet tevergeefs, nergens in de geschiedenis is het een dictator gelukt een rijk te vestigen dat eeuwig stand houdt. Het geloof in de God van Israël, in de bevrijding van slaven en onderdrukten is altijd langer vol te houden dan de dictatuur zelf en altijd lukt het de regeringen van dictators omver te werpen al kost het soms vele doden. Maar ook een dictator kan niet alleen regeren. Hij heeft dienaren nodig, instellingen en instituties.

Ooit had het volk Israël een Jozef in Egypte die kon zorgen voor graan. In dit verhaal heeft het volk een Daniël die heerser werd over de provincie, hoofd van alle wijzen en er voor zorgde dat zijn vrienden en landgenoten het bestuur van de provincie opgedragen kregen. Kijk zo zorgt de God van Israël voor zijn dienaren. Ook wij kunnen dus gerust blijven werken aan een wereld van recht en gerechtigheid, van vrede en eerlijk delen met allen. Die wereld komt, elke dag kunnen we er aan werken, ook vandaag.

Hij verandert tijden en uren

woensdag, 11 mei, 2011

Daniël 2:19-35

Wat was het nu dat die Koning Nebukadnessar zo verontruste dat hij er nachtmerries van kreeg en het risico wilden lopen dat al zijn astrologen, waarzeggers, instralers, geestenfluisteraars en magiërs ter dood zouden worden gebracht? Dat was de vraag waarvoor Daniël stond want hij vertrouwde er op het antwoord daarop te kunnen vinden. En dat antwoord moest te vinden zijn bij de God van Israël. Want Daniël had er op vertrouwd dat uiteindelijk zou blijken dat die God van Israël een betrouwbare God zou zijn. En midden in de nacht kreeg Daniël een droom die hem duidelijk maakte wat het antwoord was op de vraag van de Koning. De volgende morgen dankt Daniël zijn God en geeft aan waar het antwoord ligt: “Hij zet koningen af en stelt koningen aan”.

Een geweldige ontdekking. En zo voor de hand liggend. Vanaf Koning Saul had Israël niet anders meegemaakt. Elke koning van Juda en elke koning van Israël, de twee rijkjes waar het land in uiteen was gevallen, werd gemeten naar de gehoorzaamheid aan de God van Israël. En toen heel het volk van generatie op generatie zich had afgekeerd van die God werd het volk in ballingschap weggevoerd. Als je ergens naar moet kijken is het of de God van Israël met of tegen de koning is. En een verstandig en wijs koning begint met zich af te vragen hoe zijn verhouding met de God van Israël is. En Koning Nebukadnessar was een verstandig Koning en de angst afgezet te worden zou hem waarschijnlijk van zijn nachtrust beroven.

Daniël gaat daarom naar de Koning en verelt hem dat het verhaal van de God van Israël duidelijk maakt hoe de wereld in elkaar zit en waar je op moet letten. En dan krijgen we het verhaal over het standbeeld dat wordt verpletterd. Het hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en lendenen van brond, benen van ijzer en voeten van leem en ijzer. Een man op lemen voeten heeft zelfs onze spreekwoorden gehaald. De uitleg van Daniël bewaren we nog even. Maar dat heersers en machthebbers zich moeten spiegelen aan die geschiedenis van mensen met de God van Israël is duidelijk.

Hoe vergaat het heersers die zich niet houden aan het “Gij zult niet doden”. Wat zijn heersers waard die hun volk laten beschieten als het in verzet komt, hoe loopt het met hen af? Nebukadnessar was verontrust geraakt over de mogelijkheid dat het beeld dat hij van zichzelf had verpulverd zou kunnen worden. Vandaag is de vraag of wij ons dat bewust zijn en wat wij doen met heersers die zich niets aantrekken van het gebod van de God van Israël hun naaste lief te hebben als zichzelf. Wij mogen ons elke dag die vragen stellen. Ook vandaag weer dus.