Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2011

Noach bouwde een altaar

dinsdag, 31 mei, 2011

Genesis 8:15-9:7

Het eerste dat Noach doet als hij de ark verlaten heeft is het voedsel dat hij bij zich heeft delen met God. Hij had immers van al het reine vee en alle reine vogels zeven paren mee in de Ark. Met dat offer is de God van Israël niet te vermurwen. Die gaat er van uit dat uiteindelijk de mens de verkeerde keuzes zal maken. Later zal een profeet namens God nog eens uitroepen dat God geen offers wil maar rechtvaardigheid voor de armen. Het religieuze gebaar van Noach maakt op de God van Israël dus geen indruk. Religieuze riten zijn geen handelingen waar de God van Israël op zit te wachten. Het gaat voortdurend om rechtvaardigheid voor de armen en zorg voor de zwaksten in de samenleving. Een samenleving van fatsoen is daarom vaak een gruwel voor God, want er zijn altijd mensen die in een dergelijke samenleving niet mee kunnen komen.

Dan begint God met de wording van het geslacht van Noach. De aarde is nu het werkterrein van de mens. Voor alle mensen geldt dat je geen mens mag doden. De doodstraf is hier dus van begin af aan een te verwerpen daad. Exuses dat het later wel een gewoonte werd gelden niet. De mens is nu eenmaal van begin af aan ook behept met slechte overwegingen een slechte manier van denken. Door de God van Israël wordt hier het goede neergezet. Eerbied voor het leven staat daarbij voorop. Het verhaal gaat uit van mensen die zelf hun dieren nog slachten, of het wilde dieren of tamme dieren zijn maakt daarbij niet uit. Zorgen dat alle bloed een lichaam heeft verlaten brengt je eerbied bij voor het te doden dier, voor diens leven. Doden voor plezier, voor de sport of om er zelf mooier van te worden past hier in het geheel niet bij.

En dan denken sommigen dat het laatste vers uit het gedeelte dat we vandaag lezen de mens opdracht geven om veel kinderen te krijgen. Maar dat staat er niet en wordt er ook niet bedoeld. Wees vruchtbaar en talrijk bevolk de hele aarde heeft twee verschillende opdrachten in zich. De mens is de macht over de aarde, over de planten en de dieren gegeven. Om die macht over de hele aarde te kunnen uitoefenen moet je met veel mensen zijn. Maar vruchtbaar ben je pas als overal de liefde van God ervaren wordt. Als die geboden over de eerbied voor het leven en bovenal de eerbied voor het leven van mensen ook werkelijk in de praktijk gebracht worden. Hoeveel kinderen je krijgt is daarbij niet echt van belang zal in de rest van de Bijbel blijken. De zorg voor de armen als eerbied voor het leven staat voorop. Mensen en dieren verdienen volgens de God van Israël een goed leven, vrij van angst en zorgen, vrij van leed en van geweld. Daar mogen we met z’n allen aan werken, elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Met een jong olijfblad in haar snavel.

maandag, 30 mei, 2011

Genesis 8:1-14

Zelfs bij een geweldige zondvloed die over de aarde spoelt blijft de God van Israël voor de zijnen zorgen. Een grote natuurramp zoals hier geschilderd wordt is eindig, daar komt een einde aan ook al kost die soms veel slachtoffers. Vooral als, niet uit liefde voor de mensen, geen gebruik wordt gemaakt van de middelen die we hebben om ons en anderen te beschermen, maar als uit liefde voor het geld daar op bezuinigd wordt. De wind die verkoeling brengt kende men in Palestina maar al te goed. Als de hitte van de dag ondraaglijk dreigde te worden dan stak er een koele wind van zee op. Die beschermde tegen de hitte zoals in het verhaal de wind de mens beschermde tegen het water. En als de nood het hoogst is is er altijd een berg in de buurt, zoals in de Psalmen gezongen wordt dat de redding wordt verwacht van de bergen.

Dan laat Noach een raaf los, maar aan een raaf heb je niet zoveel, die groet je en blijft dan zelf heen en weer vliegen zonder dat je er nu veel wijzer van wordt. Een duif is veel nuttiger, die keert terug naar zijn nest en als Noach de duif loslaat gebeurt dat ook in dit verhaal. Maar de aarde is niet in één keer droog. Pas als de duif voor de tweede keer wordt losgelaten is het duidelijk dat er weer groen op de aarde groeit en dat de aarde dus weer bewoonbaar is. Maar waarom nu juist een olijfblad? Volgens oude uitleggers van de Bijbel komt de duif terug met het bittere olijfblad om aan te duiden dat de aarde wel droog is maar dat de aarde nog geen paradijs is waar alles maar groeit en bloeit en je niks meer hoeft te doen. Het nieuwe begin dat is gemaakt houdt van begin af aan ook bitterheid en tegenslag in zich.

Noach verliet de ark nog niet. Pas toen de duif zich een nest kon bouwen op de droge aarde durfde ook Noach dat aan. Die duif is vaak gezien als het symbool van de vrede. Wie duiven wel eens heeft gezien weet dat het beeld van de vredesduif niet deugd. Duiven kunnen met elkaar behoorlijk ruzie maken. Duiven zijn wel trouw en daarmee zijn ze veel meer het symbool voor de God van Israël die trouw is tot in eeuwigheid en nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Niet dat we moeten afwachten tot God het werk wel voor ons doet. Net als Noach moeten we voortdurend proberen of de aarde al een oord is dat geschikt is voor de mensen, moeten we voortdurend er aan werken om van die aarde een plaats te maken waar mensen in vrede met elkaar kunnen leven. De God van Israël heeft ons daarvoor de richting aangewezen, wij mogen die volgen. Elke dag opnieuw mogen we daaraan gaan werken, ook vandaag weer.

Wie zou u kwaad doen

zondag, 29 mei, 2011

1 Petrus 3:13-22

Een rethorische vraag noemen we dat. Je gaat toch geen mensen kwaad doen die zich volledig inzetten voor het goede? Het antwoord zit dus al in de vraag opgesloten. Maar in de werkelijkheid ligt het zo eenvoudig niet. Want zeer goede mensen overkomt het kwaad. Denk maar aan die geweldloze demonstranten in allerlei landen die aandacht vragen voor de armsten in hun land, voor de jongeren ook die massaal geen werk kunnen vinden en daardoor geen toekomst hebben. De briefschrijver heeft het in het Grieks al een beetje in zijn vraag verwoord. Want hij gebruikt voor dat volledig inzetten een woord dat lijkt op de Zeloten die in opstand waren gekomen tegen de overheersing van de Romeinen. Met die Zeloten was het slecht afgelopen. Door het goede te doen ontloop je dus niet het kwaad, er kan je van alles evengoed nog overkomen. Voorgangers en evangelisten die je willen wijsmaken dat het geloof in Jezus Christus je behoed voor alle tegenslag in je leven hebben dus ook zeer ongelijk en brengen niet een bijbelse boodshap.

Maar ook die tegenslag, de hoon en de smaad, de bespotting, die je ten deel kunnen vallen hoeven je niet ongelukkig te maken. Je kunt immers altijd uitleggen dat de wereld er nu eenmaal beter op wordt als iedereen er naar streeft het goede te doen. Als de hongerigen gevoed worden, de naakten gekleed, de gevangenen bevrijdt, de bedroefden getroost. Als niemand een ander iets doet wat men niet zichzelf aangedaan wil worden. Volgens de briefschrijver kun je dat aan iedereen rustig uitleggen en zullen de mensen die er mee spotten zich vanzelf gaan schamen. We moeten het maar geloven, het is in elk geval te hopen en iets anders dan de liefde, zelfs voor onze bespotters hebben we immers niet.

We moeten niet vergeten dat toen Jezus van Nazareth aan het kruis hing hij nog vergeving vroeg voor hen die hem dat hadden aangedaan, zo gaf hij ze bijna gelijk en droeg hij de fouten die de mensen die hem kruisigden hadden gemaakt. De geest die hem deze liefde ingaf maakte dat hij die liefde zelfs door de dood heen kon dragen. Zoals Noach in het vertrouwen op de God van Israël zijn ark had gebouwd en er met zijn vrouw en kinderen en hun aanhang ingegaan was en van de watervloed werd gered. De briefschrijver vergelijkt dat met de doop waardoor mensen het oude leven van eigenliefde afleggen en het nieuwe leven van liefde voor de naasten aandoen. Want juist in de liefde voor de naaste ervaar je je zuiver geweten en door de genade van God mag je er elke dag opnieuw weer opnieuw mee beginnen.  En ook vandaag hoeven we voor niets en niemand bang te zijn om het goede te doen. Het is onze Heer die alle macht heeft en alle andere machten zijn maar een illusie.

Wees allen eensgezind

zaterdag, 28 mei, 2011

1 Petrus 3:1-12

Vandaag lezen we een stuk waarvan gedeelten in de geschiedenis zeer misbruikt zijn. De brief waaruit we lezen is gericht aan gemeenten die een minderheid vormen en een manier van leven kennen die volkomen anders was dan de manier van leven in hun omgeving. Vrouwen waren een soort bezit, bestemd voor het verlenen van genot aan de man. In de Christelijke gemeente hadden de vrouwen zelf een verantwoordelijke positie en waren ze gelijk aan de man. De eerste zin gelijk al is in de geschiedenis meestal gelezen zonder het doel dat er achteraan komt. Vrouwen die gehoorzaam zijn vormen nu eenmaal een aantrekkelijke buit voor mannen. Mannen zijn er nu eenmaal op uit om te heersen en vrouwen lijken dat vaak aan te moedigen. De onderdrukking van vrouwen is volgens velen net zo sterk in stand gehouden door vrouwen als door mannen is gedaan en aan de bevrijding van de onderdrukking van vrouwen behoren mannen net zo hard mee te werken als vrouwen zelf.

De gehoorzaamheid hier wordt alleen opgeroepen om ze naar buiten te tonen. Vrouwen die alleen gericht zijn op hun eigen man, die daarnaast het goede doen en geen enkele angst kennen. Vrouwen die hun schoonheid aan zichzelf ontlenen en niet aan allerlei uiterlijk vertoon. Dat zijn wel heel bijzondere vrouwen in een samenleving waar vrouwen lustobjecten zijn en zich aan iedereen tonen als lustobjecten. Hier worden de vrouwen uit de Christelijke gemeente vergeleken met Sara. Die Sara weten we uit de Bijbel was niet helemaal het gehoorzame onderworpen type dat hier geschilderd wordt. Maar als er vreemdelingen op bezoek zijn dan verbergt ze zich in de tent en noemt ze Abraham “Heer”. Ze wordt alleen ontdekt omdat ze haar lachen niet kan inhouden als haar alsnog een zoon wordt beloofd.

Mannen worden dus aangespoord om hun vrouwen met respect te behandelen. Samen delen ze immers in de genade van een nieuwe vorm van leven, samen kun je ook bidden. Daarom geldt voor de hele gemeente dat je eensgezind moet zijn en moet leven als broeders en zusters, leden van een familie. Daar verdwijnt dus het onderscheid dat in de samenleving wel heerst. Want ook in onze samenleving wordt er nog te veel onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen waarbij vrouwen alleen meetellen als lustobject en vrouwen soms alleen carrière kunnen maken als ze zich verleidelijk weten op te stellen. In de Petrusbrief worden mannen en vrouwen opgeroepen anders met elkaar en met hun omgeving om te gaan. Niet schelden, geen laster of leugens verspreiden, het kwaad uit de weg gaan door het goede te doen en de vrede nastreven. Dat gold in de tijd dat de brief werd geschreven, dat geldt vandaag de dag nog net zo. Gelukkig mogen we er elke dag opnieuw aan werken. Ook vandaag weer.

Want hij is de levende God

vrijdag, 27 mei, 2011

Daniël 6:19-29

Dat is toch prachtig. Dat een uiterst wrede Koning aan alle volken in alle talen gaat schrijven dat de God van Israël de levende God is omdat die redt en bevrijdt, tekenen geeft en wonderen doet in de hemel en op aarde. En dat alleen omdat hij Daniël redde uit de Leeuwenkuil. Nu is er van ene Koning Darius de Meder al helemaal niks meer terug te vinden in de geschiedenisboekjes laat staat een spoor van de hier genoemde brief. Maar de Bijbel is dus al helemaal geen geschiedenisboek. Dat niet alleen de samenspanners tegen Daniël in de leeuwenkuil worden geworpen maar ook hun vrouwen en kinderen is dan ook de gebruikelijke overdrijving die de wreedheid van de Koning wil onderstrepen en de ernst van het misdrijf iemand te vervolgen om wat hij gelooft.

Vindt de Bijbel dat dan ernstig? Ja! Ook de volken die in Israël woonden na de intocht bleven hun eigen goden aanbidden. De vreemdelingen die bij Israël kwamen wonen en werken konden hun eigen goden blijven aanbidden. Die vreemdelingen kwamen in aanraking met de God van Israël als de kinderen van Israël een van de jaarlijkse maaltijden aanrichtten ter ere van de God van Israël. Die maaltijd was dan met de dienaren van de Tempel, de familie, de armen en de vreemdelingen die bij hun werkten. Voor vreemdelingen moest dat telkens weer een vreemde gewaarwording zijn, een volk waar men eerst om de ander dacht en dan pas om zichzelf. Maar het volk van Israël bestond niet uit heiligen, het waren ook maar mensen en daarom vonden ze vaak de goden van de vreemdelingen, van goud of zilver, veel mooier dan hun eigen God waar nergens een afbeelding van te vinden was.

Maar de Heidenen mochten gerust hun godsdienst blijven belijden. Ook hier in het verhaal van Daniël klinkt geen enkel verwijt naar de Heidense Koning die dacht alle problemen van het volk zelf wel te kunnen oplossen en daarom had laten verbieden dat iemand nog een andere macht of andere God iets zou vragen. Ook klaagt Daniël niet de sterrenwichtelaars en astrologen aan die het plan hadden verzonnen om hem te treffen in zijn trouw aan de God van Israël. Het is de Heidense Koning zelf die inziet dat het Godsoordeel dat Daniël vrijpleit ook betekent dat zij die het plan hadden beraamd daarmee kwaad in de zin hadden, het uitschakelen van een concurent. Die Koning legt dan ook de straf op.

Ook voor ons moet dat betekenen dat we iedereen vrij laten in het uitoefenen van zijn of haar godsdienst. Dat onze God de levende God is zal moeten blijken uit onze daden. Zij die misdaden begaan, zoals het misbruiken van kinderen, lasteren daarom tegen de God waarvan ze de getuigen zouden hebben moeten zijn, zij die de misdaden verzwegen belasteren daarmee de God van Israël. Alleen door het goede te doen is het kwade te verdrijven, daar mogen we elke dag weer opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

‘Uw God zal u redden!’

donderdag, 26 mei, 2011

Daniël 6:2-18

Vandaag lezen we weer zo’n spannend verhaal over Daniël dat tot doel heeft onderdrukte gelovigen een riem onder het hart te steken. In de geschiedenisboekjes zul je vergeefs zoeken naar die Koning Darius de Mediër. Veel geleerden denken dat hier koning Cyrus mee bedoeld wordt, de koning die later het bevel zou geven om terug te keren naar Jeruzalem om de Tempel en de stad te herbouwen. Maar de Bijbel is geen geschiedenisboek, het gaat over de verhouding tussen God en mensen en hoe die verhouding op de proef gesteld kan worden. En voor die beproeving ben je zelfs niet gevrijwaard als je een hoge postitie bekleed, de een na hoogste positie in de Koninkrijk.

Koningen van een groot rijk zijn altijd gevoelig voor eer en complimenten. Tegenspraak is vaak gevaarlijk en de Koning naar de mond praten levert nog wel eens een beloning op. Dat geldt voor echte Koningen maar ook voor politieke leiders, voor directeuren van grote bedrijven, bestuurders van ondernemingen, presidenten van banken en internationale organisaties, kortom voor iedereen aan wie macht en gezag wordt toegedicht. En mensen die steeds maar vasthouden aan de Wet van eerlijk delen, de Wet van heb-uw-naaste-lief-als-uzelf, lopen maar in de weg. Die brengen de winsten in gevaar en doen afbreuk aan het aanzien en de macht van de organisatie.

Wegwerken is dan het parool. Uitingen van geloof zijn in onze dagen net zo omstreden als in dit verhaal over Daniël. Nu is het zogenaamd niet de grootste machthebber naar wie je moet luisteren en aan wie je alle verzoeken moet voorleggen zoals in dit verhaal. Maar we hebben de menselijke rede tot grootste machthebber gemaakt. En de menselijke rede lijkt alleen rekening te houden met eigenbelang. Als het voor mij goed is dan is het voor iedereen goed is de slagzin van de huidige vorm van menselijke rede. Een Bijbels gegeven als “van delen wordt je rijker” of “zorg voor de armsten en de minsten bezorgt je vrede” wordt merkwaardiger wijze als onredelijk afgewezen.

De straf voor Daniël is dat hij wordt weggewerkt. Letterlijk, een deksel op de put met zegel en al afgesloten maakt dat niemand meer voor Daniël zal opkomen. Het is alsof hij de klokkenluider is die de misstanden in zijn Rijk of zijn organisatie naar buiten heeft gebracht. In onze samenleving wordt zo’n klokkenluider zorgvuldig de grond ingeboord ook al heeft de hele samenleving geweldig veel baat gehad bij het bericht dat de klokkenluider heeft verspreid. Daniël blijft vertrouwen op de God van Israël en als hij dat kan moeten wij dat ook maar kunnen. Het kwade bestrijden door het goede te doen blijft onze opdracht, elke dag weer, ondanks de tegenstand, maar ook vandaag weer.

Gewogen en te licht bevonden

woensdag, 25 mei, 2011

Daniël 5:17-6:1

Het was in de dagen van de Makabeeën, lang nadat het volk Israël uit ballingschap was teruggekeert, dat de Griekse koning Anthiochus Epiphanes besloot om gouden beelden in de Tempel in Jeruzalem te plaatsen. Een lege Tempel, zoals de Joden hadden spotte met elke religie die hij op aarde had aangetroffen. Voor de Joden was het een gruwel, het vereren, nog erger het aanbidden van zelfgemaakte goden. Het was altijd vervloekt door de God van Israël. Ze dachten terug aan de dagen van Daniël, toen ze niet eens meer hun eigen land hadden, maar in een vreemd ver land onder een vreemde vorst moesten zuchten.

Een Koning die de gouden bekers uit de Tempel gebruikte voor een feest met al zijn vrouwen en vorsten moest wel ten onder gaan. Die Koning kende toch het verhaal van zijn stamvader Nebukadsessar die gras moest eten omdat hij niet rechtvaardig wilde zijn, wilde zorgen als Koning voor de armen in zijn Rijk en daarmee de God van Israël eren. Dat is de vraag die Daniël deze Koning voorlegt. Niks geen fraaie geschenken om een mooi verhaal te vertellen, maar de harde waarheid die gezegd moet worden bij zoveel spot met de God van Israël. Want wat staat er nu op de muur geschreven. Een zin die ook door die Griekse Koning niet werd begrepen. De zin is in het Aramees geschreven. Een taal die verwant was aan het Hebreeuws. Een taal die net als het Hebreeuws alleen werd geschreven in medeklinkers. Onze vertalers hebben de woorden zo laten staan als Daniël ze heeft uitgelegd. Maar wie Aramees leest zit voor een puzzel.

Er staat toch zoiets als sjekel, sjekel, en een halve sjekel? Dat is de eerste Hebreeuwse vertaling die bij je opkomt. Er zijn kennelijk twee koningen die tellen en dan komt er één die maar voor de helft meetelt. Een sjekel is een Hebreeuwse munteenheid. Maar dat is de meest voor de hand liggende manier van lezen. Dan zou het niet meer dan een kinderversje zijn. En schrijft de God van Israël kinderversjes op de muur? De Joden hebben altijd, ondanks hun lijden in de wereld, hun humor behouden. In de zwartste tijden werd humor ook hun wapen en tot die zwartste tijden behoorde in elk geval de tijd onder Anthiochus Epiphanes. Dat versje was dus lachen, een halve sjekel, wie verzint zoiets. Maar een kleine verandering van klinker en er staat wat Daniël vertelde. Gewogen, gewogen en te licht bevonden.

De Koning verdwijnt en de Joden onder Griekse Heerschappij herinnerden zich dat juist deze feestvierende Koning van Babel werd verdreven door Cyrus, die de Joden uit ballingschap zou laten terugkeren. Een verhaal van hoop dus. Ook wij hoeven niet te wanhopen als we aandacht vragen voor de mensenrechten met Amnesty, als wij roepen tegen een vreemdelingenbewaring die de mensenrechten schendt, als we vragen om rechtvaardige handelsverhoudingen, als we een hand uitsteken naar de vreemdelingen onder ons die uitgestoten en verguisd worden. Juist als wij het heb uw naaste lief als uzelf volgen dan eren wij de God van Israël en mogen wij er op vertrouwen dat de bevrijding nabij is. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

Maak uw onrechtvaardigheid goed

maandag, 23 mei, 2011

Daniël 4:16-34

Het komt vaak voor dat waar je bang voor bent je ook zal overkomen. Mensen roepen soms het leed waar ze bang voor zijn over zichzelf af. Koning Nebukadnessar was in alle verhalen die we over hem hebben gelezen voortdurend bang dat hij zijn troon zou verliezen. Ook de droom van de prachtige vruchtbare en schaduwrijke boom die omgehakt werd en waarvan alleen de stronk zou blijven staan laat zien hoe bang hij is zijn troon te verliezen. Daniël biedt de bange Koning een uitweg. Staat er in de verhalen van de God van Israël niet om de haverklap de oproep: “Vreest niet!”. Ook voor ons is er geen enkele reden om bang te zijn. Wat we fout doen weten we zelf het eerste en als anderen onverwacht niet tevreden zijn met ons handelen zegt dat meer van hen dan van ons.

Daniël staat ondertussen voor een probleem. Hoe breng je zo’n machtige Koning het slechte nieuws. Bij de vorige dromen kon hij het onheil nog naar de toekomst verschuiven, maar deze derde droom leent zich daar niet voor. Na een zeer beleefde aanloop, hij wenst dat de vijanden van de Koning mag overkomen wat de de Koning gedroomd heeft, besluit hij toch de Koning de waarheid te vertellen. Het zal ophouden met die Koning. Als hij zich niet zal opstellen als een rechtvaardige Koning die in de eerste plaats let op het lot van de armen in zijn rijk en voor de armen de eerste zorg en aandacht heeft dan zal zijn Koningschap ten onder gaan. Het ligt voor de hand dat de Koning deze raad in de wind zal slaan. Koning Nebukadnessar was een sterke Koning, hij had Babel uitgebouwd tot een stad waarover men sprak als een van de zeven wereldwonderen. Het deed het Joodse volk denken aan de toren die ooit gebouwd zou worden en die tot in de hemel zou reiken. In Babel zagen ze bouwwerken die de oude legenden aannemelijk maakten.

Het literair mooie van dit verhaal is dat het gedeelte waarin vertelt wordt over de vernedering van de Koning niet meer door de Koning verteld wordt maar namens de Koning. Hier is de Koning niet aan het woord maar wordt er over de Koning verteld dat hij op het dak van zijn paleis liep en opschepte over alles dat hij bereikt zou hebben. Maar ook deze Koning vergeet dat hij geen steen op de andere gezet heeft, hij vergeet dat het gewone arme mensen zijn geweest die zijn bouwwerken hebben gemaakt, die de grondstoffen hebben aangevoerd, die hongerden en dorsten in hitte en kou en opgejaagd werden door zijn opzichters.

Het zijn de CEO’s van vandaag die handelen en opscheppen als Nebukadnessar en zichzelf bonussen toekennen voor het werk dat hun ondergeschikten, hun loonslaven, hebben gedaan. Ook voor hen geldt de raad van Daniël, te zorgen voor de armen en rechtvaardig besturen met oog voor de gevolgen voor de samenleving. Het zou kunnen dat hen overkomt wat de Koning overkomt, dat ze struikelen en gras moeten eten tot ze snappen dat dienend besturen de enige manier is om echt macht uit te oefenen. Wij kunnen het ze net als Daniël elke dag weer voorhouden, ook vandaag weer.

Omdat de geest van de heilige goden in u woont.

zondag, 22 mei, 2011

Daniël 3:31-4:15

We lezen vandaag een bijzonder verhaal. Nu eens niet van een Bijbelschrijver, een profeet of tenminste iemand die bij het volk Israël hoort maar een verhaal geschreven door een Heidense Koning. Die Koning was wel zeer onder de indruk van de God van Daniël maar had zich volgens dit verhaal zeker niet bekeerd tot de godsdienst die bij het aanhangen van die God behoorde. Hij bleef trouw aan zijn eigen goden en had de hoge bestuurder Daniël een nieuwe naam gegeven die de trouw aan zijn eigen god nog eens onderstreepte. Voor die Koning had die Daniël niet alleen twee namen maar ook contact met de twee goden wier geest kennelijk in hem woonde, voor de rest van het verhaal is dit niet onbelangrijk.

De koning wil de daden van de hoogste God bekend maken. Maar wie in dit verhaal is die hoogste God? Voor Daniël de God van Israël, maar Daniël is ook genoemd naar Marduk de oppergod van Babel. Die Koning geloofd in vele goden en daarvan is er één de baas. In het boek van de Psalmen vindt je af en toe ook uitdrukkingen die doen vermoeden dat die opvatting over een veelgodendom ook binnen het volk Israël niet vreemd was. Daar gaat het dan om de God van Israël als voorzitter van de raad van goden. Het bestaan van die andere goden wordt in de Bijbel ook vaak niet ontkend, maar het heeft geen zin ze te aanbidden of iets voor ze te doen want ze helpen de mensen niet, de mensen zijn er voor hen en zij zeker niet voor de mensen. Alleen de God van Israël komt voor mensen op, zeker als die mensen in verdrukking komen of onrecht wordt aangedaan. Dat mogen wij ons ook wel realiseren als we zien dat door economische belangen de zwaksten in onze eigen samenleving in de knel dreigen te komen. Wie aanbidden wij, het geld of de God van Israël?

De Koning vertelt over een droom die hij had. En denk nu niet dat hij in de God van Israël geloofd omdat hij het over Engelen heeft die als wachters optreden. Dat was in de geschriften uit de tijd dat het boek Daniël werd samengesteld een heel gewoon beeld en past ook zeker wel bij het soort godsdienst dat de Koning zelf aanhing. Net als de boom een bekend symbool was voor een koninkrijk met alle vertakkingen die een groot rijk nu eenmaal kent. Zelfs het Koninkrijk der Nederlanden strekt zich nog steeds uit tot de Caraïben. Maar het koninkrijk van deze Koning zal ten onder gaan en de Koning, nu eenmaal het hart van het Rijk, zal het gras met de dieren moeten delen. Het oordeel van de hoogste God, uitgevoerd door zijn dienaren.

We hadden al eens eerder gelezen dat de Koning, hoe machtig hij ook was, zeer beducht was voor zijn positie. Die wankelde voortdurend. Daarom ging hij te rade bij Daniël die hem de droom zou kunnen uitleggen. Als de God van Israël inderdaad de enige is die opkomt voor de verdrukten en als je daar beducht voor moet zijn is het niet onverstandig daar ook bij te rade te gaan. Het verhaal van die God kennen we, dat staat in de Bijbel. Hoe die God wil dat we ons gedragen weten we ook, heb uw naaste lief als uzelf, wat we moeten doen wijst zich dan vanzelf, ook vandaag dus weer.

De volken oordelen naar recht en wet

zaterdag, 21 mei, 2011

Psalm 98
 
Vandaag zingen we mee met de Psalm die als enige in het boek Psalmen het opschrift Psalm draagt. Alle andere kennen een toevoeging daaraan, als leerdicht en zo. Deze niet. Het is een lied op zich dat geen nadere toelichting behoeft, dit kun je kennelijk altijd wel zingen. De Psalm zingt dan ook over bevrijding, niet alleen een bevrijding voor één iemand of voor een bepaald volk maar bevrijding voor de hele bewoonde wereld. Die bevrijding, de overwinning van God werd tot aan het einde der aarde gezien. Daarom moet je dat feest van de bevrijding ook niet alleen vieren maar met de hele aarde.

Elk jaar als op 5 mei weer bevrijding wordt gevierd in  ons land moeten we daar ook maar eens extra om denken. Ooit werden mensen in ons land vermoord omdat ze een bepaald geloof aanhingen. Zelfs als ze het geloof van hun ouders en grootouders niet meer aanhingen maar kinderen of kleinkinderen waren van mensen die dat geloof aangehangen hadden konden ze worden vermoord. In de strijd daartegen zijn veel mensen gedood. Soldaten uit de hele wereld kwamen naar Europa om het kwaad, van het doden omdat je een geloof aanhangt, te bestrijden en het regiem dat die moorden pleegde te verdrijven. Dat regiem sprak van een internationale samenzwering van de aanhangers van dat geloof als rechtvaardiging om hen te bestrijden. Dat geloof zou een verderfelijk geloof zijn dat onze beschaving bedreigde.

Toen we eenmaal bevrijd waren van dat regiem en de laatste slachtoffers waren bevrijd hebben de mensen elkaar beloofd dat er nooit meer een regering mocht komen, waar ook ter wereld, die een onderscheid zou maken tussen mensen op grond van hun geloof en de ene gelovige anders zou mogen behandelen dan de andere gelovige. Ook in de samenleving mochten mensen niet verschillend worden behandeld omdat ze een verschillend geloof hadden. Elk jaar op 4 mei herdenken we de slachtoffers van dat door en door foute regiem en de mensen die zich in de strijd daartegen hebben opgeofferd. Op 5 mei vieren we dan dat we vrij zijn van die overheersing.

Maar wie goed luistert naar de gesprekken op radio en televisie en wie de kranten leest weet dat we maar zo weer een regering hebben die onderscheid gaat maken tussen burgers op grond van wat ze geloven, of zelfs van wat hun ouders en grootouders hebben geloofd. De angst voor aanhangers van een bepaald geloof wordt ook ons aangepraat. Als wij dan zingen over de overwinning van de ene Heer die wij erkennen en zingen dat alle volken geoordeeld worden naar de wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf moeten we dus onthouden dat die bevrijding niet vanzelf komt en niet van buiten komt. We zullen allemaal in verzet moeten komen tegen iedereen die ons wil wijsmaken dat aanhangers van welk geloof dan ook ons kunnen bedreigen. Onze God zal ook ons redding brengen, daarvan zingen we vandaag.