Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2011

Het Feestmaal van Ester

zondag, 20 maart, 2011

Ester 2:12-18

De Koninklijke loopbaan van Ester begint goed. Mocht Wasti nog op komen draven voor een dronken koning en zijn beschonken rijksgroten, voor Ester wordt speciaal een feestmaal bereid haar ter ere. Het ene feestmaal is dus het andere niet. Nauwkeurig wordt overigens opgetekend hoe het in de harem van zo’n koning toeging. Een verhaal dat haar sporen in zowel de Europese als de Arabische literatuur gekregen heeft. Je kunt de sprookjes uit 1001 nacht er zonder moeite aan vast plakken.

In de Europese literatuur bestaat een toneelbewerking door de Franse toneelschrijver Racine. Speciaal geschreven ooit voor een meisjesschool in fraaie alexandrijnen, net zoals de Gijsbrecht van Vondel. Koning Ahasveros komt in dat stuk zijn troon niet af. Die koningstroon beheerst het toneel en daar draait alles om. Zo wordt in de wereld de macht van mannen nog zeer vaak afgebeeld en met dat beeld worden meisjes maar al te gemakkelijk opgevoed, tot op de dag van vandaag. Doordat Racine alle rollen onbekommerd door meisjes liet spelen werd duidelijk wat een rare Heidense voorstelling dat mancentrisme eigenlijk is.
 
Dat Wasti weigert om op te draven is niet meer dan natuurlijk. Dat Esther niets meeneemt dan dat wat een ervaren man haar aanraadt, is ook niet meer dan logisch. Dat ze koningin wordt ligt buiten haar macht, haar oom had haar naar het paleis gestuurd, de eunuch bewaakt haar, de koning kiest haar. Maar wie Ester is weet nog niemand. Denk dus niet dat vrouwen op hoge posities automatisch de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen tot uitdrukking brengen. De excuus Truus is niet alleen een term uit de vrouwenbeweging maar moet ons allemaal waarschuwen voor mannenmacht die zich weet te omringen met vrouwelijke schoonheid zonder naar de kwaliteiten van de mens te kijken.

Het verhaal van Ester moet ons leren dat die mannenmacht niet past in het verhaal van de bevrijding van Israel. Het is een onderdrukking die is overgebleven ook nadat de ballingen zijn teruggekeerd naar Jeruzalem. En voor die teruggekeerde ballingen is het verhaal beter te accepteren nu de gehate koning Ahasveros wat van zijn streken terugkrijgt. Er zijn echter te veel mannen die iets hebben van Ahasveros. Ze kunnen best klaar staan met geschenken en ze gunnen een ieder een vrije dag, maar het delen van macht is nog wat anders. Daar zal een ieder in eigen omgeving de verhoudingen nog eens op moeten controleren. Ons wacht een taak.

Dit voorstel vond instemming bij de koning

zaterdag, 19 maart, 2011

Ester 2:1-11
 
Die koning lijkt het wel nooit te leren. Heeft zijn vorige koningin Wasti hem toch ernstig in verlegenheid gebracht omdat hij meer keek naar haar schoonheid dan naar haar waardigheid, nu schrijft hij voor haar opvolgster een schoonheidswedstrijd uit. Je merkt al aan de opbouw van het verhaal dat die koning straks zijn streken thuis zal krijgen. We maken namelijk kennis met Mordechai, een Jood. Hij was ooit uit Jeruzalem als balling weggevoerd. Op de een of andere manier was hij niet mee teruggekeerd met de andere ballingen. Terugkeren is voor mensen die gedwongen waren naar een vreemd land te verhuizen niet altijd even gemakkelijk.

Ook in ons midden wonen veel mensen die ooit gevlucht waren uit een land omdat ze daar gevaar liepen maar die niet terug zijn gegaan toen het gevaar geweken was. Tussen de vlucht en het opnieuw veilig worden van het thuisland kan wel eens een hele tijd verlopen. En dan kan je in je veilige haven een nieuwe relatie hebben opgebouwd, dan kunnen je kinderen er zijn geboren en getogen, dan kun je een carrière hebben opgebouwd die je niet zomaar kan verlaten. Zo kunnen er vele redenen zijn om toch te blijven. Moet je dan je eigen overtuigingen en je cultuur opgeven? Voor veel vluchtelingen waren het nu juist die opvattingen of die cultuur die hen in gevaar brachten en dwongen om te vluchten. Opgeven daarvan is dan een nederlaag achteraf. Bovendien kunnen die nieuwe culturen ons verrijken en helpen een betere kijk op de wereld te krijgen.

En daar zijn we weer bij het boek Ester want die Mordechai was wel uit Jeruzalem weggevoerd maar hij had de Wet van de Woestijn die daar in de Tempel werd bewaard niet in de steek gelaten. Hij had gehoorzaam aan die wetten de zorg op zich genomen voor zijn nichtje Ester, eigenlijk Hadassah geheten. Ester is de Perzische vertaling van het Joodse Hadassah en betekent “ster”. Zij wordt de ster van het verhaal want uit al die mooie meisjes van het land wordt zij door de koning gekozen als de allermooiste. Niet dat de koning weet wat hij eigenlijk kiest maar daar zal hij nog wel achterkomen.
Mordechai laat haar tenminste ook nu niet in de steek maar bleef nauwkeurig in de gaten houden wat er ging gebeuren. Wij weten inmiddels best dat we even verder moeten kijken dan de uiterlijke schoonheid. Daarom is het maar goed dat in Spanje de regels bij de modeshows wat strenger geworden zijn. Daar is de strijd begonnen tegen  de annorexia als kwaal van schoonheid. Wellicht dat daardoor duidelijk wordt hoe ongezond die schoonheidswedstrijden zijn. Elk mens is immers net zo mooi als de God door wie de mens geschapen is.

Iedere man thuis heer en meester

vrijdag, 18 maart, 2011

Ester 1:13-22
 
Dat het een wet is van Meden en Perzen is zelfs in ons taalgebruik een spreekwoord geworden. Merkwaardigerwijze wordt er mee bedoeld dat het een onveranderlijke, onaantastbare wet is geworden. Niet zoals dat hier in het verhaal over Ahasveros en Wasti staat :  een wet van Heidenen en Heersers. Want dat is het natuurlijk wel. Al die mannetjes voelen zich behoorlijk genomen. Wijzen worden ze genoemd en als je er een toneelstuk van zou maken kon er op dat moment in het stuk hartelijk worden gelachen door het publiek. Die Koningin Wasti had niet alleen de Koning tuk, ze had al die rijksgroten en belangrijke mannetjes tuk, als alle vrouwen haar voorbeeld zouden volgen dan zou er geen mannenmacht meer overblijven.

Je zou toch bijna zeggen dat mensen die mee willen doen met het verhaal van Israel en van Jezus van Nazareth, die geloven in God en zijn Bijbel zoals ze ook wel zeggen, zouden weten dat de wetten van heersers als Ahasveros vals en onwaar zijn. Merkwaardig is dan toch op te merken dat mannen die het hardste roepen dat ze nog de taal van de Bijbel spreken en zich aangevallen te voelen door iedereen die daaraan afbreuk wil doen, de mannen van de Staatkundig Gereformeerde Partij bijvoorbeeld, de Heidense wet van Ahasveros tot Goddelijke Wet hebben verheven en vrouwen buiten de politiek willen houden.
 
Koningin Wasti heeft al helemaal in het begin van het carnavalsverhaal duidelijk gemaakt dat die mannetjes en heren helemaal niet kunnen zonder verstandige vrouwen. Ze maakt duidelijk dat vrouwen gelijkwaardig zijn aan mannen. Die mannen hebben een Wet met een hoofdletter nodig om hun macht tot uitdrukking te brengen. De vrouwen hebben slechts een woord van drie letters nodig:  NEE!. Volgens dit verhaal moest elke man de taal van zijn eigen volk spreken. Vrouwen hoefden helemaal niet te spreken, in stilte schudden met het hoofd van nee is meer dan voldoende. Het moet ook een waarschuwing voor vrouwen zijn. Eeuwenlang immers doen mannen al of de Wet van Ahasveros ook de Wet van God is.

Vrouwen laten zich dat maar al te gemakkelijk gezeggen. Ze zouden vandaag van Wasti moeten leren dat elke wet die vrouwen uitsluit of tot minder verklaard een Heidense en Goddeloze wet is. Koning Ahasveros zocht inmiddels een betere vrouw en wij weten dat in een volgende akte in het spel ene Ester haar entree zal maken. Zal die dan wel gehoorzaam zijn? Of zal die Esther een eigen politieke betekenis krijgen in het verhaal. Het carnavalsverhaal uit de Bijbel leest als een vervolgverhaal, het blijft spannend.

Een feestmaal voor al zijn rijksgroten en hoge functionarissen

donderdag, 17 maart, 2011

Ester 1:1-12
 
Een verhaal voor Carnaval en dat zullen we de bij het lezen van dit boek ook hier uitbundig merken. Of Carnaval dan iets met de Bijbel te maken heeft? Reken maar van wel. “Zijn woord wil deze wereld omgekeerd” dichtte ooit Huub Oosterhuis met in gedachten de lofzang van Maria, en met Carnaval is de wereld een klein beetje omgekeerd. Trek een deftig pak aan, zet een bijzondere hoed op je hoofd, hang een fraaie keten om en je bent net een hoge heer, een rijksgrote of hoge functionaris. Met Carnaval is de grootste zot de baas en die maakt daarmee alle praal van de hoge heren, de rijken en machtigen, in drie dagen voor een heel jaar belachelijk.

De Joden hebben hiervoor hun Purim feest, een feest van maskerades en jolijt, wij hebben het Carnaval. In de Bijbel vinden we hierover het boek Ester dat traditioneel rond het Purimfeest wordt gelezen en waaraan we hier beginnen. Een fantastisch sprookjesachtig feest richt de koning aan. Ahasveros heet hij hier en in de geschiedenis is hij bekend als de wrede koning Xerxes. Hij is koning over de halve wereld zegt het verhaal hier aan het begin. En maanden lang wordt er feest gevierd. Hard werken dus voor het personeel van de koning, de koks, de lakeien, de bedienden, dag in dag uit, avond aan avond en elke nacht sjouwden ze met eten en drinken, stonden ze te koken en af te wassen. Reken maar dat ze blij waren toen het feest voorbij was. En toen kregen ze nog een feest, aangeboden door een koning die er kennelijk niet genoeg van kon krijgen.

De eerste 12 verzen van dit verhaal schilderen ons het prachtige paleis, met een overdadig feest en allemaal deftige mannetjes die met hun veren pronken. Geen wonder dat de koningin maar een eigen feest begint. Als je zoveel maanden het feestgedruis voor je deur hebt gehad begin je er vanzelf trek in te krijgen. En dan wordt het spannend. Natuurlijk, bij een feest horen voor de mannen mooie vrouwen. Als je een mooie vrouw hebt wil je er mee pronken nietwaar, net als met de gouden bekers, de draperieën en het linnen tafellaken. Maar vrouwen zijn geen voorwerpen. Vrouwen zijn mensen net als mannen. En daarom vertelt het verhaal dat Koningin Wasti de wereld omdraait en zich niet laat bewonderen, ze weigert. Misschien dat vele vrouwen het goede voorbeeld moeten volgen en zich niet langer laten gebruiken, misschien ook dat vele mannen er van moeten leren en moeten ophouden hun vrouwen als voorwerp te gebruiken. Voor ons geldt in elk geval dat we ons op een feest kunnen voorbereiden.

De Heer zal hem laten opstaan.

woensdag, 16 maart, 2011

Jakobus 5:13-20

We geloven zo graag in wonderen. Dokters in witte jassen lukt het beter hun patienten te genezen dan dokters in trui en spijkerbroek. Toch roept Jacobus ons in het gedeelte van vandaag op om af te zien van alle poespas en hocus pocus rond ziekte en gebrek. Medicijnmannen hebben vanouds tal van rituelen tot hun beschikking om goden te verzoeken de zieke te genezen. Niks ervan roept Jacobus. Een eenvoudige verlichting met olie, dat koelt het koortsige voorhoofd af, is meer dan voldoende. De rest moet je aan de God van Israël overlaten. Ziek in de termen van de Christelijke godsdienst is niet lichamelijk ziek maar zondig. Niet meer kijken naar de minsten, de zwaksten in je samenleving maar alleen voor jezelf zorgen, dat is ziek.

Daarom begint Jacobus mensen die het moeilijk hebben op te roepen te bidden. Dan kom je vanzelf uit bij het voorbeeldgebed dat Jezus van Nazareth ons heeft geleerd. Dat we een Vader in de hemel hebben, die we dus niet hebben te verzoeken, en dat we willen dat zijn wil op aarde geschiedt net als in de hemel, dus niet dat onze wil geschiedt. Dan weten we dat we genoeg hebben aan ons dagelijks brood, dat we willen dat onze zonden vergeven worden net als wij vergeven wie ons iets schuldig zijn, dat we niet verleid willen worden om alleen aan onszelf te denken maar dat we juist bevrijdt willen worden van het kwade en dat alle macht niet aan ons, of aan welke godheid dan ook is, maar aan de God van Israël. Zo’n gebed brengt ons weer op het juiste spoor. Dat gebed maakt ons overigens ook weer aan het zingen want het bevrijdt ons van eigenwaan en angst voor de dood.

Bevrijdingspastoraat is dan ook niet de bevrijding van zogenaamde demonen die over ons geen macht hebben en voor ons al helemaal niet bestaan. Wie zoiets beweerd doet aan de afgoderij die Jacobus nu juist zo graag wilde bestrijden. Het bidden van ons is gericht op een andere samenleving, op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Tot die tijd moeten we samen nagaan wat we zelf nog doen om die samenleving tegen te houden, samen bespreken hoe we kunnen veranderen en het werk aan dat Koninkrijk van God weer vlot kunnen trekken en vooruit kunnen brengen.

Op die manier samen bidden verandert ook echt iets, ook aan onze samenleving omdat het niet bij gebed kan blijven omdat werk en gebed een eenheid dienen te vormen.Beiden zijn altijd gericht op de positie van de armen en de zwakken in onze samenleving. En iedereen die voortaan afziet van eigenbelang en angst voor de dood en zich inzet voor die andere samenleving brengt die samenleving dichterbij. Iedereen die een ander op dat spoor weet te brengen weet ook echt iets te veranderen. Daarmee besluit Jacobus zijn brief. Wij weten dat we er elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

Heb geduld

dinsdag, 15 maart, 2011

Jakobus 5:7-12

Wie het lijden ziet dat mensen wordt aangedaan kan zich nauwelijks voorstellen dat je geduld zult willen hebben tot het vanzelf overgaat. Daar gaat het Jacobus dan ook niet om. Maar gewelddadig verzet tegen het Romeinse Rijk werd als absoluut zinloos ervaren. Niet zomaar trouwens want de vele opstanden die het jaar 70 vooraf waren gegaan waren telkens bloedig neergeslagen. Daarbij waren ook onschuldigen het slachtoffer geworden. In navolging van Jezus van Nazareth wilden de eerste Christenen dat geweld en vooral het tegengeweld van de overheid vermijden. In het jaar 70 kregen ze dubbel gelijk toen de Tempel verwoest werd en de bevolking verspreid over het Romeinse Rijk.

De eerste Christenen leefden bovendien in de stellige overtuiging dat Jezus van Nazareth snel zou terugkeren en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zou meebrengen. Zo is het na al die eeuwen niet gegaan. Maar de voorbeelden die Jacobus aandraagt kunnen ook ons inspireren. Wij kennen mensen als Ghandi en Marten Luther King die geweldloos grote veranderingen in hun samenlevingen tot stand brachten. Ook van profeten als Jesaja en Jeremia werd verteld dat zij zich hadden verzet tegen pogingen van de kleine koninkrijkjes uit hun tijd zich te verzetten tegen wereldmachten. Het verhaal van Job is misschien nog het meest duidelijk. Ondanks het feit dat hij alles kwijt raakte, tot zijn gezondheid toe, bleef hij zich verzetten tegen het idee van zijn vrienden dat hij dat aan zichzelf te wijten had. Zo zou God niet oordelen en uiteindelijk bleek hij gelijk te hebben.

Ook vandaag zijn natuurrampen en ziekten niet de schuld van hen die het overkomt maar een test in liefde. Blijven we vertrouwen op de God van Israël? Steken we bij rampen en bij ziekten de hand uit naar de slachtoffers? Het is dus goed om te leven alsof Jezus van Nazareth elke dag terug zou kunnen komen. Als wij ons bezig houden met de zorg voor de naaste, met het onze naaste lief te hebben als onszelf, dan zijn we al bezig met die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, dan bereiden we daar als het ware de weg voor voor.

Zo is het ook met de raad om geen eden meer te zweren. Als wij iets doen, iets beloven of iets beweren dan hebben we daar geen goden voor nodig, zelfs niet de God van Israël. Waar wij voor staan staan we voor, ons ja is ja en ons nee is nee. Betrouwbaarheid is een eigenschap van elke gelovige die de betrouwbare God van Israël wil navolgen, de God waarvan geschreven staat dat zijn hand nooit zal laten varen het werk dat hij is begonnen. Zo betrouwbaar zijn wij ook, temeer omdat we er elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Het geroep van de maaiers

maandag, 14 maart, 2011

Jakobus 5:1-6

Vandaag een weeklacht tegen de rijken. Zij lijken wel rijk volgens Jacobus maar de rijkdom is verrot en de kleding die ze dragen, die prachtige gesneden pakken en de Haute Couture, is door mot aangevreten. Hun goud en zilver zijn verroest. En waarom dat alles? Omdat ze het loon van de maaiers in het veld hebben ingehouden. En dat onrecht, het niet rechtmatig uitbetalen van arbeiders die zich in de hitte van de dag hebben ingespannen, is volgens de Bijbel een extra groot onrecht. Juist die rijken kunnen zich zeer mooi en vroom voordoen. De ruwe knuisten van de landarbeiders kunnen niet op tegen de zalvende woorden van de rijken die nu eenmaal aanvoeren dat zij het recht hebben te profiteren van hun bezit. Zij bezitten toch de akkers? Zij nemen de beslissingen over wanneer er gezaaid zal worden, wanneer het onkruid gewied en wanneer de oogst begint. Verantwoordelijke beslissingen die hun het recht geven op een bovenmatig inkomen. Maar ze zaaien niet, ze wieden niet en ze oogsten niet. Ze vullen alleen hun voorraadschuren met het werk van anderen.

Het was in de dagen van Jacobus al niet anders dan in onze dagen, de dagen van de bonussen en de exorbitante zelfverrijking. Ook nu zijn de verschillen in beloning tussen de top van bedrijven en de werkvloer onberedeneerbaar groot. Ook nu hoor je dezelfde smoezen van de mannen die in gesneden pakken de hele dag zitten te vergaderen en die de ruwe knuisten van de arbeiders als minderwaardig afdoen. Maar in de traditie van de God van Israël is het die God die de kant van de maaiers, de kant van de ruwe knuisten, kiest. Elke arbeider is zijn loon waardig en elke arbeider die meegeholpen heeft de oogst binnen te halen, de productie te produceren, heeft een even groot loon verdiend. Die traditie gaat terug op Mozes, die nog te maken had met een slavenvolk. Maar ook de profeten worden hier geciteerd in hun beschrijving van de Heer der hemelse machten die de verdrukten te hulp komt.

En beschuldig de ruwe knuisten niet van geweld en diefstal. De rechtvaardige die riep om een rechtvaardig loon, die het werk neerlegde als voor dat werk niet werd betaald, verzette zich niet tegen de heersers. Ze waren er toen er gezaaid moest worden en ze zaaiden, ze waren er toen er gewied moest worden en ze gingen wieden en ze waren er toen er geoogst moest worden en ze gingen oogsten. De rijken leefden er losbandig op los en mesten zichzelf vet voor de slachttijd. Ook daar weten wij in onze dagen over mee te praten. En juist in de tijd dat we als land de broekriem moeten aanhalen mogen we vragen wiens broekriem onze regering van rijken nu eigenlijk aan het aanhalen is. Wij mogen weten dat de God van Israël ons gehoord heeft en wij mogen weten dat het gerechtvaardigd is om een rechtvaardige verdeling van het inkomen in ons land te eisen. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Spreek geen kwaad van elkaar

zondag, 13 maart, 2011

Jakobus 4:11-17

Er lijkt een tegenstrijdigheid te zitten in het gedeelte dat we vandaag lezen. Je mag geen kwaad spreken van anderen maar je mag anderen die plannen maken voor de toekomst wel veroordelen zo lijkt het. Maar zo is het niet. Mensen die het verkeerde doen zijn zelf niet per definitie slecht. Of mensen wel of niet slecht zijn dat maakt God uit zegt Jacobus. Je mag met anderen in discussie over hun gedrag, want hun gedrag is misschien soms ook wel eens je eigen gedrag. En of een bepaald gedrag slecht is hangt eigenlijk alleen af van het effect op de zwaksten en de minsten. Daarom gaat het niet aan te oordelen maar doe je het best je bezig te houden met wat de God van Israël van ons wil.

Daarmee zijn we ook beland in de 40 dagen tijd waarvan we vandaag de eerste zondag mee mogen maken. Veertig dagen bezinnen we ons op het lijden van de mensen en wat we daarmee mogen doen. Het lijden staat ons vandaag glashard en uitvergroot door de televisie voor ogen in Japan. Daar geldt zeker het woord van Jacobus voor dat we geen kwaad van elkaar mogen spreken. Niets, maar dan ook helemaal niets, hebben de Japanners zelf te wijten aan hun lijden. Wij zijn de rechters niet over de Japanners. Wie wil doen geloven dat de Japanners dit te wijten hebben aan eigen zonde vloekt tegen de God van Israël en aanbidt een andere god. Wij worden door de God van Israël geroepen om onze hand uit te steken en te helpen waar we kunnen, ja de hele wereld te steunen als zij willen helpen bij dit onnoemelijk leed.

Wij mogen bevrijdt leven van de slavernij van de zucht naar meer, de zucht naar meer inkomen en vermogen, de zucht naar meer aanzien en uiterlijk vertoon. De veertig dagen geven ons de gelegenheid eens na te gaan wat we eigenlijk kunnen missen, wat we eigenlijk kunnen delen met de minsten in deze wereld die niet hebben wat wij gemakkelijk kunnen missen. Al dat carrière maken en loopbanen uitplannen loopt voor mensen eigenlijk alleen maar uit op de dood. Niemand kan voorspellen wat morgen gedaan zal worden en of er volgende week nog geleefd zal worden. Als God het ons geeft, als het ons toevalt dan kan het misschien gebeuren, maar zelf kunnen we onze toekomst niet sturen.

Wat ons blijft is genieten van wat we hebben. En beseffen dat het meeste genot komt uit de ogen van mensen die onze hulp niet hadden verwacht. Van mensen naar wie wij onverplicht en zonder tegenprestatie een hand hadden uitgestoken. Dat is hoe onze God het ons gezegd had: “Heb uw naaste lief als uzelf” Als we dat horen dan weten we hoe het hoort, als we daar onze oren voor toestoppen weten we dat we zondigen. Maar gelukkig dat we er elke dag opnieuw naar mogen luisteren en naar mogen handelen. Ook vandaag weer.

Een slecht mens heeft veel leed

zaterdag, 12 maart, 2011

Psalm 32

Zomaar zingen we even een Psalm tussendoor. Een Psalm over foute dingen doen en hoe je daar mee zou kunnen leven. Het gaat dus niet over het leed dat je overkomt. Het meeste leed is je eigen schuld niet. Ook het leed dat in deze dagen de inwoners van Japan overkomt is hen niet door henzelf aangedaan. Dat soort leed gebeurt nu eenmaal. Daar gaat deze Psalm ook niet over, daar gaat het boek Job over en Job geeft het voorbeeld ondanks alle leed dat hem overkwam het geloof niet op te geven dat de God van Israël hem liefhad en dat hij geen schuld had aan al het leed.

Maar we doen allemaal wel eens wat verkeerd. We zijn echt niet altijd allemaal trouw aan de God van Israël. We dwalen allemaal wel eens van zijn weg af en denken eerder aan onszelf dan aan een ander. Dat kan een geweldige hoop schuldgevoel opleveren. Soms terecht, soms ook ten onrechte. Heel vaak wordt schuldgevoel ons ook aangepraat. Mensen die je graag voor hun karretje spannen doen dat soms door je een schuldgevoel te bezorgen, jij zou toch je naaste liefhebben, jij zou je toch voor een ander opofferen, waarom niet voor mij! Met dat soort schuldgevoel mag je blij zijn niet op de hulpvragen van de ander te zijn ingegaan, je zou de ander maar diens zelfstandigheid hebben ontnomen, je zou die ander maar afhankelijk gemaakt hebben.

Maar over dat soort schuldgevoel gaat deze Psalm ook niet. Het gaat over de keren dat je zelf als eerste gemerkt hebt dat je fout was. De keren dat je jezelf wel voor de kop kunt slaan. De Psalmdichter schetst het misschien hier en daar wat overdreven, dat je de hele dag kreunend loopt te lijden zal maar heel zelden voorkomen. Maar het recept is er niet minder goed om. Zwijgen is verkeerd, spreken is de beste medicijn. Geef maar toe dat je fout geweest bent, het maakt je menselijker, niemand is immers zonder fouten, zonder zonden zeiden we vroeger in de kerk. Het is jammer dat we in de kerken in de loop van de eeuwen het uitspreken van fouten tot zo’n zware zaak hebben gemaakt. In de Rooms-Katholieke kerk zit de voorganger achter een gordijntje en is het uitspreken omringt met zware geheimhouding. De fouten tussen mensen worden er niet door hersteld. In Protestantse kerken wordt het uitspreken van zonden veralgemeniseerd in een formele schuldbelijdenis van de gemeente. Ook daardoor worden fouten tussen mensen niet hersteld.
 
We zullen onze fouten eerlijk moeten uitspreken tegen degenen die er door getroffen waren met het aanbod de schade die we hebben aangericht te herstellen, met het aanbod ook te veranderen, met de vraag aan de ander daarbij te helpen. Verzoenen noemen we dat, of verzoening zoeken. Op die manier kunnen we terugkeren op de Weg van de God van Israël. De genade van die God is het dat we dat elke dag weer mogen. Ook vandaag weer. Daar zingt deze Psalm over.

Verdriet dat God geeft

vrijdag, 11 maart, 2011

2 Korintiërs 7:2-16

Er zijn allerlei soorten verdriet in het leven. Paulus geeft er in het gedeelte dat we vandaag lezen een aantal voorbeelden van. Toen hij in Macedonië kwam werd hij van alle kanten belaagd, zelfs in de gevangenis geworpen met de kans op de doodstraf, die hij uiteindelijk ontliep. Bij dat soort verdriet hoort troost en bemoediging. Paulus krijgt hier de troost en de bemoediging van Titus die hem het goede nieuws uit Korintië komt brengen. Het conflict dat er eerder was en dat Paulus had genootzaakt zijn tranenbrief te schrijven was opgelost. De gemeente had zijn kant gekozen en degene die eerst buiten de gemeente was geplaatst was weer door de gemeente aangenomen. Het is het soort verdriet dat ontstaat door omstandigheden, die het leven nu eenmaal met zich meebrengt. Voor dat soort verdriet moeten we oog en oor hebben, vooral bij anderen. Voor dat verdriet dienen we te troosten, er te zijn, begrip te hebben dat mensen verdriet hebben. Zo snel wordt gezegd dat je de kop niet moet laten hangen, kop op, dat het leven doorgaat en dat wat geweest is geweest is. Maar dat troost niet. Vooral als een geliefde is verloren. Wees blij dat mensen daar verdriet om kunnen hebben. Het verlies van een mens mag nooit iemand onverschillig laten en verdriet is het eerste dat je mag voelen en waarvoor ruimte moet kunnen zijn. Soms gaat dat verdriet gepaard met woede en ook daar mag begrip voor zijn al moet je oppassen dat die woede zich niet richt op de achterblijvende zelf. Gemengd met schuldgevoelens kan het een gevaarlijke situatie opleveren. Maar laat verdriet zich uiten, geef er de ruimte voor, toon begrip en wees verdrietig met hen die verdriet hebben. Een heel ander soort verdriet komt voort uit inzicht. Dat verdriet komt van God, dat leidt tot verandering in je eigen gedrag. Plotseling zie je in dat je verkeerd gedaan hebt, of op de verkeerde weg bent, dat je het verkeerd gezien hebt. Dan kun je je natuurlijk verdedigen, uitleggen hoe dat zo gekomen was. Maar veel belangrijker is dat je verandert, dat je een nieuwe weg inslaat, dat je herstelt wat door je fouten verkeerd is gegaan. Dan begeef je je op de Weg van de God van Israël. Dat is wat de gemeente in Korinthe gedaan heeft en dat Paulus zo blij had gemaakt. Hij was eerst bang geweest dat de brief die hij geschreven had, de brief die verloren is gegaan, te hard zou zijn aangekomen. Maar nu is hij blij dat die brief tot inkeer heeft geleid. Zo mogen wij elkaar ook de waarheid voorhouden, niet om elkaar te beschadigen, soms moet je er dat maar gewoon bij zeggen, maar om elkaar te helpen op de Weg van Jezus van Nazareth te blijven. Elke dag mogen we daar weer mee bezig zijn, ook vandaag weer.