Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2011

Kom tot inkeer

maandag, 31 januari, 2011

Matteüs 4:12-25

Je moet maar durven. Een gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de Wet van de Woestijn te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen. Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Al in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied het Galilea van de heidenen, van hen die de Wet niet kennen. In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur. Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren. Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen. De Nederlandse soldaten die zijn gesneuveld in Afghanistan maken ons misschien wakker. Waarom er niet alles aan gedaan om de broeinesten van Taliban in Pakistan aan de pakken? Waarom er niet alles aan gedaan om de slachtoffers van het geweld in Afghanistan te helpen. Ouders van een gesneuvelde militair hebben in Afghanistan een school gesticht omdat gelijk met hun zoon ook Afghaanse kinderen waren omgekomen. Hun verdriet stond niet los van het verdriet van de ouders van de omgekomen Afghaanse kinderen. In een oorlog vallen er slachtoffers en misschien moeten we zelfs blij zijn dat de oorlog nog niet zo onpersoonlijk is geworden dat de soldaten buiten schot blijven. Nederlandse soldaten komen om samen met Afghaanse soldaten, vrouwen, kinderen, ouderen en jongeren en ook samen met Talibanstrijders. Gewonden blijven achter. Onze gewonden worden gerevalideerd en krijgen nieuwe kansen, maar hoe zit het met Afghaanse gewonden? Er zijn in Nederlandse ziekenhuizen of revalidatiecentra nog geen Afghanen gerevalideerd. Nederlandse militaire artsen deden voor de burgerbevolking wat ze konden maar een transport naar Nederland voor de zwaarst getroffen slachtoffers is er niet bij. We zeggen wel dat we het Afghaanse volk willen helpen maar kennelijk blijven we onszelf belangrijker vinden dan onze broeders en zusters in Afghanistan.  Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen.

Je hebt geen kwaad meer te vrezen.

zondag, 30 januari, 2011

Sefanja 3:9-20

“Door het vuur van mijn woede vergaat heel de aarde” was de laatste regel van het lied dat we gisteren lazen. Maar dat is niet de laatste regel die van dit lied van Sefanja in de Bijbel staat.  Vandaag lezen we het tweede deel dat onlosmakelijk bij het eerste deel hoort. Gaat het in het eerste deel over de kansen die we krijgen om die verwoesting van de aarde te ontlopen, vandaag gaat het over de aarde zoals die zal ontstaan als we die kansen ook grijpen. Dan klinken niet meer de namen van de afgoden, dan wordt er niet meer geroepen om winst en profijt. Dan klinkt alleen de naam de van God van Israël, die er zijn zal zoals hij er zal zijn. Nubië, of Ethiopië zoals vroeger werd vertaald, of Koesj zoals het in het Hebreeuws heette, was het land aan de rand van de aarde, verder kon je niet gaan en vanaf die uiterste rand van de wereld komen de mensen om mee te delen van het goede aan hen die het nodig hebben. Want de offergaven aan de God van Israël zijn de goede daden die je doet voor de minste van zijn kinderen, de minste van de mensen op aarde. Mooi is natuurlijk dat er geen scheiding wordt gemaakt tussen brave mensen die nooit iets verkeerd deden en mensen die alleen voor zichzelf hadden geleefd, niemand hoeft zich meer te schamen voor de verkeerde dingen die gedaan zijn, voor de keren dat je de armen voorbij bent gelopen, dat je je eigen plezier belangrijker vond dan het lot van de hongerigen. Aan het eind van de ballingschap zijn er in Jeruzalem alleen nog slachtoffers van bezetting en ballingschap te vinden. Maar het zijn dan wel de mensen die weer weet hebben van het heb Uw naaste lief als Uzelf en dat in de praktijk brengen. Dat zijn de mensen waar het goede van uit gaat en die daardoor niets meer te vrezen hebben. Daar mag in de Tempel over gezongen worden, want die Tempel staat op de berg Sion in het midden van Jeruzalem. Dan breekt de bevrijding aan van armoede, onderdrukking en geweld, dan wordt er gedanst in de straten zoals in onze dagen gedanst wordt in de straten van steden waar de mensen hun dictators hebben verjaagd om opnieuw te beginnen met een echte rechtvaardige samenleving. Juist die armen waar iedereen in de wereld op neerkijkt, waar je geen militaire bondgenootschappen mee kunt sluiten, waar je geen handel mee kunt drijven omdat ze er te arm voor zijn, zullen bewondering en respect afdwingen. Hun idealen van recht en rechtvaardigheid, van vrijheid en eerlijkheid zullen respect afdwingen en navolging krijgen. Wij zijn het zelf die het mogen navolgen, elke dag weer opnieuw, zeker ook vandaag als we er weer op uit gaan om hongerigen te voeden en naakten te kleden. Vandaag zullen we het weer mogen zien.

Iedere ochtend wanneer het licht wordt

zaterdag, 29 januari, 2011

Sefanja 3:1-8

Je weet dat je elke morgen weer opnieuw mag opstaan. Opnieuw beginnen aan een splinternieuwe dag. Dat is ook het moment om je af te vragen wat je anders wil doen. Op welke manier je vanaf nu het gebod van heb Uw naaste lief als Uzelf wil nakomen. Wie je daarvoor in de komende dag wil inschakelen, wie daartoe opwekken. Het is een prachtig beeld in de Bijbel dat God elke ochtend rechtspreekt en nooit ontbreekt. Want er is immers elke ochtend weer een nieuwe dag en dat we weer opnieuw mogen beginnen is dus een geschenk van God. We hoeven de fouten van de vorige dag en van de vorige dagen niet te herhalen. We hoeven de armen niet opnieuw te verwaarlozen en mogen opnieuw proberen de onrechtvaardige handelsverhoudingen om te buigen tot rechtvaardige. Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met zich kwaad te maken op de stad waar alles altijd maar doorgaat. Wat wij noemen de vierentwintig uur economie. Waar mensen dag en nacht als slaven van de economie gehouden worden. Daar wordt geen Sabbath meer gehouden, geen zondagsvrijheid is er meer te vinden. Alles is er gericht om de rijken te beschermen en te voorkomen dat bezit eerlijk wordt gedeeld. De rechters zorgen daarvoor maar ook de zogenaamde profeten en priesters, ook zij praten goed wat de armen onrecht aandoet. Maar ook de God van Israël is in die stad aanwezig en elke ochtend geeft hij de mensen van die stad weer een nieuwe kans. Een nieuwe kans om zich te bevrijden van de slavernij van winst en profijt, zich te ontdoen van de mechanismes van geweld en uitbuiting, een nieuwe kans de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven en de gevangenen te bevrijden. Het lijkt op een klaaglied dat we vandaag zingen, maar het is het lied dat in Noord Afrika wordt gezongen tegen de machten die de armen uitbuiten en hen de rijkdom onthouden die hen toekomt. Daarmee is het ook het lied van de hoop, de hoop op de nieuwe morgen die in de nacht kan ontwaken als er alleen nog maar duisternis lijkt te zijn. Wij lezen het begin van dit lied van Sefanja als een aanklacht tegen een opstandige bezoedelde geweldadige stad, zo kennen wij onze steden die dag en nacht doorgaan zonder een moment zelfs van rust. Maar in het Hebreeuws staat er een woordspeling, je zou ook kunnen lezen “beroemde, bevrijde stad, duivenstad” dat is de andere kant van dezelfde stad, is wat je er nu leest de stad van gisteren, de stad van de afgelopen nacht, wat je er ook zou kunnen lezen is de stad van vandaag, de stad waarvoor we vandaag weer aan het werk gaan. De stad die God ons als nieuwe kans heeft gegeven, een kans die we elke dag mogen grijpen, ook vandaag weer.

Alle goden van de aarde doen verschrompelen.

vrijdag, 28 januari, 2011

Sefanja 2:4-15

Toen Israël en Juda overlopen waren door de Assyriërs en een groot deel van het volk in ballingschap werd weggevoerd klonken er vreugdekregen uit de omringende volken. Geen groter vermaak dan leedvermaak nietwaar. De profeet Sefanja waarschuwt die omringende volken. Juist vanwege dat leedvermaak zullen ze zelf ten ondergaan en hun plaats zal ingenomen worden door het handjevol dat achtergebleven is in Israël en Juda. En die Assyriërs zelf zullen ooit ook overwonnen worden. Het gedeelte van vandaag eindigt met een lied tegen de Assyriërs waarin de hoop op hun nederlaag wordt bezongen. De ontredderde minderheid die had moeten toezien hoe het leger van Juda en Israël werd verslagen, hoe Jeruzalem werd verwoest en de Tempel leeggeroofd en vernietigd, krijgt moed ingesproken van de profeet. We moeten ook zelf oppassen met leedvermaak en wraak. Na de eerste Wereldoorlog werd Duitsland zwaar gestraft voor haar oorlogshandelingen. Zo zwaar dat er een kiem werd gelegd voor de beweging die de Tweede Wereldoorlog kon veroorzaken. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er dus een andere benadering en werd ook Duitsland geholpen bij de wederopbouw. Alleen het communistische gedeelte weigerde die opbouw en dat ging na 50 jaar alsnog ten onder aan de armoede. Sefanja liet al eeuwen geleden zien dat je als volken beter anders met elkaar omgaan dan elkaar vernederen. Zo zijn er veel mensen die vandaag vinden dat de hulp aan het volk van Afghanistan bij de opbouw van een veilige en democratische samenleving een christenplicht is. Eenvoudig is dat nooit. De landbouwsamenleving van Sefanja had genoeg aan weilanden en vruchtbare akkers, onze samenleving is zo ingewikkeld geworden dat we meer nodig hebben. We moeten ook niet vergeten dat het bij Sefanja gaat om broedervolken. Moabieten en Ammonieten stamden af van Lot, de broer van Abraham die ontsnapte aan de verwoesting van Sodom en Gomorra.  Nu worden ze bedreigd met een lot dat even erg is. Edom stamde af van Esau en is op veel plaatsen in de Bijbel de natuurlijke tegenstander van Israël, juist omdat het als broedervolk het volk Israël bestrijdt en niet te hulp komt. Met Nubiërs worden hier ook de Egyptenaren bedoeld. Over Egypte heerste een Nubisch koningshuis en Egypte was een vluchtplaats geworden voor Joden die de bezetting ontvlucht waren. Maar een wereldmacht als Egypte was net zo onbetrouwbaar en vijandig als Assyrië. Wie gelooft in de God van Israël moet blijven vertrouwen in het niet geloven in andere goden, in het houden van de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf als maat voor het dagelijks handelen. Gelukkig dat we daar elke dag weer opnieuw mee kunnen en mogen beginnen, ook vandaag weer.

Zoek rechtvaardigheid

donderdag, 27 januari, 2011

Sefanja 1:14-2:3

Vandaag zingen we met de profeet Sefanja het lied mee over de dag des Heren. Dat is een beeld dat we vandaag de dag nog terugvinden in de viering van de Grote Verzoendag door de Joden. Dan wordt er op de ramshoorn geblazen en trekken de gelovigen hun doodshemd aan, want zelf iets doen om je te verzoenen met de God van Israël is er niet bij. Je mag blij zijn dat je niet ter plekke dood neervalt en opnieuw mag beginnen. Het ontzagwekkende van de dag doet denken aan de inname van Jericho bij het begin van de intocht in het beloofde land. Zes maal was het volk zwijgend rond de stad gelopen en op de zevende dag na zeven maal rond te stad te zijn gelopen blies men op de ramshoorns en barste het volk in gejuich uit, waarop de muren instortten. Alleen de macht van de God van Israël zal het volk bevrijden. Zulke beelden zijn eigenlijk ook alleen in liederen te vatten. Alleen dichters kunnen de verschrikkingen onder woorden brengen die zullen komen als je het kwade in de wereld beschouwt en door laat woekeren. Daarom staat na het lied ook nog een oproep aan het volk om anders te gaan handelen. Leef naar de wet van heb Uw naaste lief als Uzelf. Zie af van geweld maar zoek rechtvaardigheid en nederigheid. Stel je niet op als heerser maar als dienaar. Rijkdom en welvaart zullen niet tegen het kwaad kunnen beschermen. De nederigen staat hier tegenover de hoogmoedigen, zij die met geweld vrede denken te brengen, zij die de rijken beschermen en vergeten dat de allerarmsten niets te verliezen hebben dan hun eigen leven en dat je zelfmoordaanslagen dan ook ziet onder de allerarmsten wier wanhoop tot aan de hemel schreeuwt. Pas als we bereid zijn in de wereld eerlijk te gaan delen verandert het. Zorgen dat de hongerigen te eten krijgen en dorstigen te drinken. Zorgen dat er uitzicht is op een nuttig leven voor jongeren, voor een bijdrage aan de samenleving van hen die de bijdrage kunnen leveren. Zorgen dus dat onrechtvaardige handelsmuren worden geslecht. Dat in ons land ook jongeren die thuis weinig hebben kunnen leren de tijd krijgen een studie af te maken als ze daardoor er wat langer over moeten doen. Dat we zo zorgvuldig met de aarde en haar grondstoffen omgaan dat er voldoende voor onze kinderen en kleinkinderen overblijft. De dag des Heren is ook het begin van het aangename jaar des Heren waarin een ieder weer de grond terugkrijgt die God had gegeven en elk gezin opnieuw mag beginnen. Het is voor Christenen ook de dag van de komst van Jezus van Nazareth als de Messias, de bevrijder, in het Grieks de gezalfde, de Christus. Die alle volken van de aarde opriep om te gaan leven volgens het heb Uw naaste lief als Uzelf. Wij mogen elke dag tot een dag des Heren maken en elke dag opnieuw beginnen met zijn Wet, ook vandaag weer.

Dan doorzoek ik Jeruzalem

woensdag, 26 januari, 2011

Sefanja 1:1-13

Vandaag lezen we uit het 12 profetenboek het begin van het verhaal van Sefanja. Een bijzondere profeet blijkt uit zijn stamboom die in het begin staat. Die Kusja is namelijk niet een persoon maar de benaming van wat wij een Moor zouden noemen. En dat er dan drie geslachten voor staan betekent dat hij overeenkomstig de wetten van Mozes in het volk Israël was opgenomen en in dit geval ook nog van Koninklijke bloede was. Sefanja kondigt aan dat God een hele boel zal wegvagen staat er in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, maar dat wegvagen is het gevolg van wat er eigenlijk in het Hebreeuws staat. Daar staat dat de Eeuwige alles zal verzamelen van bloedrode grond. En wie het begin van het boek Genesis in gedachte neemt leest dat God de schepping ongedaan zal maken, dat de aarde weer woest en ledig zal worden, chaos zal heersen over de aarde. Maar er is troost, niet alles en iedereen zal zomaar verdwijnen maar de afgodendienaars, zij die goden vereren naast de God van Israël. Al die klaplopers die zich rijk en machtig wanen zullen gestraft worden, het zijn de rijken die zich op verdringen om bij de koning in de gunst te komen, die dus over de treden springen, die geweld en bedrog gebruiken om hun eigen belang te dienen. Zij zullen gestraft worden en gehuil zal klinken uit die mooie nieuwe huizen die in een nieuwe wijk van de stad achter de Vispoort liggen. Dan zullen hun bezittingen in beslag worden genomen, hun huizen en hun wijngaarden. Het volk moet wel diep gezonken zijn wil God het zo aanpakken. Nu dat staat al in het eerste vers waar gezegd wordt dat Sefanja sprak ten tijde van Koning Josia. En die Koning Josia kennen we. Toen hij Koning werd van Juda liet hij de Tempel in Jeruzalem restaureren, die was vervallen geraakt. En in een gemetselde muur werd een wetrol gevonden. Dat bleek de Torah, de Wet van Mozes te zijn. Die was het volk kwijtgeraakt en Josia herstelde de godsdienst van de God van Israël en liet alle afgoden uit zijn rijk verwijderen. We doen altijd maar of Israël als volk zo trouw is gebleven aan de belofte van de God van Israël. Niets is minder waar. Het zijn altijd individuen  als Sefanja geweest die de herinnering aan de God van Israël trouw zijn gebleven. En ook nu moeten we niet zomaar aannemen dat de staat Israël wel zal handelen in de geest van de God van Israël. Eigenlijk moeten we dat zeer wantrouwen en eerst de vragen stellen die ook Sefanja stelt. Gelukkig dat wij nog weet hebben van de maat die we bij ons eigen handelen moeten aanleggen. De Tempel en Jeruzalem staan immers voor de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, die moet gestalte krijgen in ons eigen leven, in ons eigen land maar ook in Israël en Palestina. Daar mogen we elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

Ook ik, Tertius

dinsdag, 25 januari, 2011

Romeinen 16:17-27

De geleerden zijn het er overeens dat de brief van Paulus aan de Romeinen ook echt van Paulus is. Toch mag je je afvragen wie dan toch die Tertius is. Want die staat toch genoemd als hebbende de brief opgeschreven. En in de dagen van Paulus was het de gewoonte om diepzinnige brieven of tractaten te publiceren en te verspreiden onder de naam van beroemde mensen. Er zijn ook brieven bekend die eerst toegeschreven werden aan Paulus maar later niet meer. Er zijn ook Evangelieën bekend die niet in de Bijbel staan maar die veel later zijn geschreven in de hoop dat ze in de Bijbel zouden worden opgenomen. Je moet daarom met Bijbelboeken redelijk voorzichtig zijn om ze als zodanig te erkennen en ze toe te schrijven aan iemand naar wie ze genoemd zijn. Maar Tertius wordt door de geleerden die hier lang en intensief op hebben gestudeerd beschouwd als een secretaris. Jesaja had ook een secretaris en Paulus had er verschillende. Je leest al dat er een gezelschap was dat Paulus omringde en hem hielp. Dat gezelschap was groter dan in het boek van de Handelingen soms wordt genoemd. Ook in dit laatste gedeelte van deze brief aan de Romeinen kun je zien dat de boodschap belangrijker is dan de personen die de boodschap verspreiden. Terloops wordt iemand als Erastus vermeld die de gelden van de stad Efeze beheert, dat moet een belangrijk bestuurder zijn geweest. Maar extra belangrijk is hij dus niet. Dat zou voor ons ook zo moeten zijn. Wie er zorgt dat alle volken zich houden aan het gebod van heb Uw naaste lief als Uzelf is niet zo belangrijk. Ieder van ons kan zorgen dat in eigen omgeving de kiem daarvoor wordt gelegd, samen kunnen we er voor zorgen dat het een beweging wordt en sommigen van ons worden geroepen om een functie te bekleden waarbij ook de leiders van ons volk of van volken daarop kunnen worden aangespoken. De laatste paar verzen van deze brief zijn overigens bij het overschrijven later nog wel eens in het ongerede geraakt. Soms wordt aangenomen dat de brief eigenlijk stopt bij vers 24, een vers dat al niet meer in alle handschriften voorkomt. De verzen die daarna komen staan dan in hoofdstuk 14 of hoofdstuk 15. Zoals ze hier vertaald en geplaatst zijn is het meest veilige en wordt door geleerden als het meest verantwoorde aangenomen. Erg belangrijk is het niet. Voor ons argeloze lezers van vertalingen van de Bijbel in het Nederlands gaat het er om te handelen met de boodschap.  Voor ons klinkt het dus als heb Uw naaste lief als Uzelf, laat iedereen daaraan meedoen en zet dat in de gemeenschap voorop, ook voor anders denkenden en anders gelovigen. Pas als iedereen ontdekt dat het gaat om de zwaksten de minsten zal men gegrepen worden door de boodschap van Jezus van Nazareth en de God van Israël. Daar mogen we elke dag weer aan werken, ook vandaag weer.

Mijn medewerkers

maandag, 24 januari, 2011

Romeinen 16:1-16

Een lange lijst met mensen uit de gemeente in Rome die de groeten moeten hebben van Paulus. Is dat nu een Bijbelse boodschap? Is dit nu het woord van God? Dat je de groeten moet hebben? Om te beginnen leren we er van dat we binnen de gemeente van Jezus van Nazareth om elkaar moeten denken. Verder is die brief aan de Romeinen niet aan een uitverkoren klasse van mensen gericht maar aan gewone mensen die Paulus ontmoet had, waar hij van gehoord had of die hij speciaal wilde aanbevelen op grond van hun werk en belang voor de gemeente. Dat begint al met zuster Febe. In de Nieuwe Bijbelvertaling is ze in dienst van een gemeente, maar volgens alle andere vertalingen was ze ambsdraagster, diacones, een collega van Stephanus. In de Naardense Bijbel is dat correct vertaald. In die hele lijst die Paulus groet staan overigens opvallend veel vrouwen, zo belangrijk zijn ze en in de dagen van Paulus vervulden ze dus kennelijk ook gewoon kerkelijke ambten, waar mannen ze later van uitgesloten hebben. Die Febe was niet onbelangrijk volgens het verhaal van de Handelingen. Kenchrea was een havenstad waar Paulus doorheen was getrokken en zijn hoofd had laten kaalscheren op grond van een gelofte. Febe was dus ook getuige van de betrouwbaarheid van Paulus, als hij een belofte deed dan hield hij die ook. Prisca en Aquila had hij vlak daarvoor in Korinthe ontmoet. Zij waren uit Rome verdreven op een Keizerlijk bevel. We hadden al eerder gezien dat Paulus de brief aan de Romeinen heeft geschreven toen de verdreven Joden en Joodse Christenen weer naar Rome hadden mogen terugkeren. Daar hoorden dus ook Prisca en Aquila kennelijk bij. Het gaat te ver om de hele lijst hier te behandelen, we weten ook niet van iedereen wat mee te delen, Maar duidelijk is dat het hier gaat om Joden en Heidenen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen, armen en rijken, Grieken en Romeinen, kortom een dwarsdoorsnede uit de gemeente zoals Paulus overal in het Romeinse Rijk gemeenten had gesticht. In die Christelijke gemeenten waren de etiketten waar wij zo graag onderscheid mee maken verdwenen. Het waren broeders en zusters in Christus en onderscheid werd er niet gemaakt. Natuurlijk de een kon iets anders dan de ander, elk had eigen unieke eigenschappen. Maar Paulus had ze vergeleken met een lichaam. Daar kon de hand ook iets anders dan de voet maar zonder de hand was de voet niks en zonder voet de hand niet. Handicaps moeten altijd gecompenseerd worden en herinneren ons aan de gewenste eenheid tussen mensen met verschillende eigenschappen. Zo is een op het oog saaie lijst met onbekende namen ineens een les geworden waar we ook vandaag uit mogen leven. Samen het goede doen, samen gebruik maken van elkaars verschillende kwaliteiten, want samen aan de nieuwe wereld van God bouwen mogen we elke dag, ook vandaag weer.

Een God welgevallig offer

zondag, 23 januari, 2011

Romeinen 15:14-33

In de brieven van Paulus kom je soms van die zeer persoonlijke stukjes tegen. Ze lijken dan ook op historische verhalen. Vaak zijn ze echter in de geschreven geschiedenis niet te plaatsen. Ook kloppen ze niet altijd met op historische feiten lijkende gedeelten uit andere bijbelboeken. Vandaag lezen we weer zo’n stukje. Dat Paulus ooit in Spanje is geweest weten we niet. Vele geleerden nemen het aan maar het staat in elk geval niet in de Bijbel, wel dat hij er heen wilde. En in het boek Handelingen lezen we dat hij in Rome gevangen heeft gezeten. Duidelijk is wel dat toen hij de brief aan de Romeinen schreef hij nog niet in Rome was geweest. Dit soort persoonlijke stukjes bepalen ons wel bij het feit dat de brief geschreven is door een mens met een opvoeding, een achtergrond en een eigen geschiedenis. Die mens Paulus sprak een taal die wij niet meer verstaan. Hij woonde in een Keizerrijk waar wij slechts na veel studie een heel klein beetje van kunnen gaan begrijpen. Het is dan ook heel gevaarlijk om kleine stukjes tekst uit de brief te isoleren en dan de wereld in te slingeren als “het Woord van God” meestal zijn de kleine stukjes tekst die je zo leest de boodschap van degene die ze uit de brief heeft geïsoleerd en zeggen ze meer van die mens dan van de Bijbelse boodschap. Belangrijk is de algemene boodschap. Die wordt vandaag verwoord in zinnen als “de heidenen tot gehoorzaamheid brengen” en van hen “een God welgevallig offer” maken. Als je vandaag zou zeggen dat je een volk tot gehoorzaamheid wil brengen dan wordt je gelijk gevraagd welk leger je daarvoor klaar hebt, of welke populistische strategie je wil hanteren om ze jou tot hun leider te laten kiezen. Bij Paulus gaat het om heel andere dingen. De gehoorzaamheid is de gehoorzaamheid aan het gebod je naaste lief te hebben als zichzelf. En daar waar alle eigenbelang in dat gebod over boord gezet wordt offer je jezelf als het ware op, een offer aan de God van Israël gebracht. Niet wat jouw belang is telt voortaan maar het belang van de God van Israël die dat belang laat uitkomen in dat wat er met de minsten van de mensen gebeurd. Daar heeft Paulus het over en daar heeft hij zich voor ingezet. Dat er dan gemeenten ontstaan, mensen te hoop lopen om zich met dat liefdesgebod bezig te houden is een wonder. Vooral als je ziet dat slaven en slavenhouders, rijken en armen, allochtonen en autochtonen, mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, elkaar als gelijken gaan zien  en elkaar wederzijds steunen en tot bloei proberen te brengen. Dat is het wonder dat van Paulus wordt beschreven maar dat ook wij tot stand mogen brengen. Een wonder waar we elke dag opnieuw toe worden opgeroepen, ook vandaag weer.

De sterken moeten de zwakken helpen

zaterdag, 22 januari, 2011

Romeinen 15:1-13

Een Bijbelgedeelte in ingewikkelde zinnen vervat en uitlopend op een aantal citaten uit de Bijbel. Maar een Bijbelgedeelte niet zonder betekenis en daarom de moeite waard om door de woordenbrij heen te bijten om je eigen te maken wat er eigenlijk staat. We moeten dan toch even terug in de tekst en de geschiedenis. Herinner je het verhaal over de Joden en Joodse Christenen die door de Keizer uit Rome waren verdreven. Paulus schreef aan de gemeente in Rome toen ze net weer terug mochten keren. De bevolking keek ze met de nek aan en in de Christelijke gemeenten waren ze niet meer de eersten maar een minderheid die nieuw kwam kijken. Die Joodse Christenen zijn dus de zwakken en de Heidenen met hun sterke posititie worden opgeroepen hen te helpen. En dan gebruikt Paulus een argument dat toch wel slim gevonden is. Al die Heidense Christenen, niet Joods dus, worden opgeroepen te doen als Jezus van Nazareth, de Messias, Christus in het Grieks. Die was immers gekomen als Jood en had zijn boodschap gebracht aan het Joodse volk. Nu samen met de Joodse Christenen kun je op zoek gaan naar wat er in de Joodse Bijbel staat en wat je daar nodig hebt zegt Paulus. Dat geldt ook voor ons. Ook wij hebben het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel nodig om te snappen wat eigenlijk de boodschap van Jezus van Nazareth voor ons geweest is. En in dat samen zoeken naar antwoorden kan ook de bron van eenheid tussen Christenen gevonden worden. Een eenheid die we nog steeds missen. Al zijn hervormden, gereformeerden en lutheranen samen in één kerk verenigd, er zijn er in de Raad van Kerken in Nederland nog een aantal die niet meegegaan zijn en buiten de Raad van Kerken zijn er nog tal van secten en groepen die zich ook kerk noemen maar met de Kerken in Nederland nauwelijks of geen contact hebben, zij streven de eenheid waar Paulus het over heeft in elk geval niet na. Paulus citeert een hele rij van teksten uit het Oude Testament waar de gemeente in Rome wat aan zou kunnen hebben. Hij begint met een citaat uit Psalm 18 waarin staat dat juist de Joden onder de Heidenen God moeten belijden zodat ook de Heidenen mee gaan doen. Dat stond ook al in de Wet van Mozes, Paulus haalt hier een vers aan uit Deuteronomium 32. Dat de Heidenen de God van Israël moeten prijzen haalt hij uit Psalm 117. En  de wortel van Jesse waarover Jesaja sprak, Jesse is Isaï de vader van David, was in de vroege Christelijke gemeente Jezus van Nazareth zelf, geboren uit de familie van David. Dat prijzen van God is in het Oude Testament opkomen voor de armen en zwakken, recht verschaffen aan de rechtelozen en dat stond eigenlijk ook al aan het begin van het gedeelte van vandaag. Dat is iets waarin wij de God van Israël ook vandaag kunnen prijzen, hongerigen te eten geven, gevangenen bezoeken, naakten kleden, de armen recht doen. Elke dag opnieuw.