Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2010

Overal in de wereld draagt het vrucht

zaterdag, 20 november, 2010

Kolossenzen 1:1-11

Vandaag beginnen we te lezen in een brief die Paulus samen schreef met Timoteüs aan een gemeente in een stad in Turkije, Kolosse. Paulus heeft er tenminste zijn handtekening onder gezet, aangenomen wordt dat Timoteüs de eigenlijke schrijver is geweest. Ze waren er zelf nooit geweest maar wel in andere steden in Turkije in de buurt van Kolosse. De brief moet geschreven zijn voor het jaar 60 na het begin van de jaartelling want in dat jaar werd Kolosse verwoest door een aardbeving en later niet meer herbouwd. De brief is geschreven toen Paulus gevangen zat in Efeze. De brief heeft veel verwantschap met de brief aan de gemeente in Laodicea, die wij kennen als de brief aan de Efeziërs. Laodicea lag dichtbij Kolosse en allebei leefden ze vooral van de handel in wol. De gemeente in Kolosse was gesticht door Epafras en die had een bezoek gebracht aan Paulus. Dit bezoek werd waarschijnlijk ook de aanleiding om de brief te schrijven. De brief lijft als het ware de gemeente in Kolosse in in de kring van gemeenten die door Paulus en zijn medewerkers waren gesticht. De brief zet gelijk een aantal puntjes op de i van de geloofsbelijdenissen die de gemeente in Kolosse zou moeten kennen. Uiteindelijk was dat verhaal, over de bevrijding van de armen, door Paulus in  zo ongeveer de hele toenmalig bekende wereld verspreid en de gemeenten die hij en zijn medewerkers hadden gesticht groeiden nog steeds. Ook in Kolosse was het niet eenvoudig leven voor de jonge gemeente. In het Romeinse Rijk van die tijd telde een mensenleven niet erg mee. Overal werden vele goden vereerd maar ook de autoriteiten lieten zich als goden gelden, de Keizer van Rome voorop. De samenleving draaide vooral op slavenarbeid en het leven van een slaaf was al helemaal niks waard. En dan ontstaat ergens een gemeente waar slaven en vrijen gelijk zijn. Waar al die goden als niks worden beschouwd en zelfs de Keizer van Rome niet als Heer van de wereld wordt vereerd. In die gemeente zijn alle verschillen weggevallen, niet alleen tussen slaven en vrijen, maar ook tussen mannen en vrouwen, tussen rijken en armen, tussen machtigen en onmachtigen en alle verschillen in afkomst zijn verdwenen. Het enorme Romeinse Rijk was in de loop van haar bestaan ook een mengeling van allerlei volken geworden  die van de ene uithoek naar de andere verspreid raakten. Hoe met elkaar te leven in een dergelijke jonge gemeente was de vraag, hoe elkaar vast te houden de opgave en hoe de voordelen van die manier van samenleving te laten zien de grote uitdaging. Eigenlijk verschilt dat niet zo heel veel van de positie van gemeenten in onze dagen. Ook die zijn een minderheid in een samenleving die menselijke idolen achterna loopt, in een samenleving waar mensenlevens steeds minder lijken te tellen en afkomst steeds belangrijker wordt als middel mensen van elkaar te scheiden. Ook voor de christelijke gemeente ligt er de uitdaging haar manier van leven zonder onderscheid tussen armen en rijken, mannen en vrouwen, bazen en knechten, autochtonen en allochtonen aan de wereld te laten zien als de beste manier van samenleven. Een samenleven waarin leven voorop staat. Maar daar mogen we elke dag opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

Verstoot ons niet voor eeuwig.

vrijdag, 19 november, 2010

Psalm 44

Vandaag zingen we een Psalm mee die bedoeld is om de zangers en de luisteraars inzicht te verschaffen. Vroeger noemden ze zo’n Psalm ook wel een leerdicht, maar de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling wisten met de discussie over het Hebreeuwse woord “maskil” kennelijk weinig raad en vertaalden met “kunstig lied”. Wat voor inzicht verschaft ons deze Psalm dan wel niet. Wie goed leest ziet dat de Psalm in twee delen uiteenvalt. Het eerste deel zingt van God en zijn goede daden en het tweede deel van God en hoe die het volk heeft verstoten. Die twee hangen dus kennelijk met elkaar samen. Toch staat er geen oorzaak en gevolg in deze Psalm. Alleen een loflied, de dichter en de zangers loven God dag na dag, en een smeekbede, verstoot ons niet voor eeuwig. De samenhang laat zich raden. Toch hoeft het verband minder ver gezocht te worden dan het lijkt. Het eerste deel gaat over de verovering van het land Israël. Die verovering was niet aan de veroveraars te danken maar aan God. In het boek Jozua kun je teruglezen hoe het gegaan is. De volken die in Kanaaän woonden werden voor een deel verdreven. Dat deel van die volken die niet wilden delen namelijk. De volken die de woestijnbewoners welkom hadden geheten en hen een plaats hadden gegeven die werden niet verdreven, zij werden bijwoners in het land Israël. In het tweede deel van deze Psalm gaat het over rovers en plunderaars. Daarover kunnen we lezen in het boek Rechters. Dan gaat het niet over delen maar over uitbuiten en onderdrukken. Dat gebeurt steeds als het volk vergeet om de Weg van de God van Israël na te volgen. Telkens weer moeten er Rechters opstaan die het volk terugvoeren naar dat wat de God van Israël van ze heeft gevraagd en die het volk tot zijn recht laten komen door de plunderaars en de onderdrukkers te verslaan. De vraag is dus hoe we met het land omgaan en met de mensen die met ons mee willen eten. Ook ons land hebben we immers niet zelf gemaakt. Juist in ons land is overal het menselijk ingrijpen goed te merken. Samenwerking bij het bedwingen van het water was daarvoor een noodzaak.Samen beheren van schrale gronden gaf iedereen de gelegenheid om te overleven. Het ene vinden we in het westen van het land, het andere in het oosten. Liefde voor mensen, liefde voor elkaar heeft dus ons land vormgegeven. Samen doen ligt in onze volksaard. Omdat de Bijbel ons dat dag in dag uit voorhoudt werd het samen lezen van de Bijbel en de zorg voor de minsten juist ook in ons land op die manier populair. Maar nu onze houding tegenover hen die met ons mee willen eten. Veel van hen die uit de vreemde komen hebben we zelf hierheen gehaald om met ons het land op te bouwen en met ons te werken. Het gaat daarom niet aan hen apart te zetten omdat ze iets anders geloven dan wij. Anderen zijn gevlucht voor onderdrukking en geweld en zij hebben onze hulp nodig. Nu ons volk steeds ouder wordt zijn er steeds minder jongeren om ons te verzorgen. Samen delen met hen die bij ons zijn komen wonen is daarvoor een oplossing. Maar wij lijken het vergeten. Het apart zetten van groepen mensen in ons land is ongekend populair, zo dat zelfs andere volken meewarig hun hoofd schudden. Hoe kan een land van overleg en tolerantie zo afglijden en haar eigen belang uit het oog verliezen. Die vraag stelt deze Psalm aan het volk Israël, die vraag dienen wij ons vandaag ook te stellen. Wij mogen dag in dag uit werken aan de terugkeer naar de Weg van de God van Israël, van onze naaste houden als van onszelf. Ook vandaag weer.

Zo is het ook met deze mensen

donderdag, 18 november, 2010

Haggai 2:10-23

Alles hangt met alles samen. Dat maakt het leven soms bar ingewikkeld. Wat deugt en wat deugt er niet. Om je daarvan bewust te maken had het volk Israël de begrippen rein en onrein. Tot op vandaag de dag worden die begrippen in het Joodse volk gehanteerd in het dagelijks leven. Zelfs de keukens zijn in tweevoud uitgevoerd om rein te kunnen koken en te zorgen dat de melk niet met het vlees van de moeder vermengd wordt. Maar onrein wordt alles als je onnadenkend je zaken vermengd met de dood. Dat is wat Haggaï wil duidelijk maken. En de dood in de pot vindt je als je alleen voor jezelf zorgt, als je geen acht slaat op de zaken waar het in het leven om draait, het leven van alle mensen. Want alleen leven betekent de dood, maar samen leven betekent het leven zoals de God van Israël dat van begin af heeft gewild. Die dood in de pot vond het volk na een mislukte oogst. Niet 20 maten graan waren er te vinden maar slechts 10 en niet 50 maten wijn maar slechts 20. Ziekten, slecht weer en tegenslag deden de oogst mislukken en als je niet met elkaar deelt kom je de slechte tijd niet door. Het is dus de hoogste tijd dat het anders zal gaan. Iedere keer geeft de profeet ons een tijdvermelding en vanaf die tijd moet je het anders gaan doen. En als je het anders gaat doen dan breken er geweldige tijden aan. Koningstronen zullen omver gestoten worden en de macht van volken zal worden gebroken. Zoals de macht van de Farao met de wagens en paarden gebroken werd in de Schelfzee zo zullen ook de rovers en de plunderaars elkaar uitmoorden. Want de God van Israël bevrijdt zijn volk van de dood. De profeet Haggaï moet kennelijk ook de gouverneur van Juda nog moed inspreken. Die had de leiding, niet alleen over het volk maar ook over de herbouw van de Tempel in Jeruzalem. Als je de geschiedenissen van de herbouw naast elkaar legt dat zul je zien dat er soms hele tijden zitten tussen begin en voortgang van de bouw van de Tempel. Maar het gaat door. Daar spreekt het 12 profetenboek heldere taal over. Het volgende verhaal, dat van de profeet Zacharia, knoopt al in het eerste vers met de tijdsbepaling aan bij Haggaï, het geeft dezelfde tijdsbepaling. Hoogste tijd dus om de Tempel van de God van Israël ook bij ons in het centrum van het leven te zetten. De crisis die ook wij meemaken door hebzucht en misleiding kan niet en mag niet afgewenteld worden op de armen. Integendeel, de armen zal recht gedaan moeten  worden. We kunnen alleen rijker worden door te delen. We zien dat aan de groei van de economie door het minder arm worden van tot nu toe arme landen. Als ook daar de rijkdom gedeeld wordt ontstaan er ongekende mogelijkheden. Maar wij zullen dan de vinger niet naar anderen moeten wijzen maar in onze samenleving laten zien hoe in vrede samen geleefd kan worden en hoe eerlijk gedeeld kan worden. Daar kunnen we elke dag weer aan werken, ook vandaag weer.

Werk door, ik ben bij jullie

woensdag, 17 november, 2010

Haggai 2:1-9

Zo waren dus de bewoners van Jeruzalem aan het werk gegaan om een nieuwe Tempel te bouwen. Na de dagen van Salomo, die begonnen was met de bouw van de Tempel, was deze uitgegroeid tot een prachtig gebouw. Overal waren bouwlieden en grondstoffen vandaan gekomen om de Tempel het aanzien en  luister te geven dat de God van Hemel en Aarde toe zou komen. Die Tempel was verwoest bij de inname van Jeruzalem toen het volk in ballingschap was weggevoerd. Nu moest die Tempel weer opgebouwd worden. Het is een ding als je een mooi huis wil bouwen, maar het is nog iets anders als je de mooiste Tempel van de wereld wil bouwen. Er was ook nogal wat tegenstand weten we uit de boeken van bijvoorbeeld Ezra en Nehemia. Maar Haggaï geeft de boodschap van de God van Israël door dat ze vol moeten houden, dat ze niet met minder genoegen moeten nemen. De Tempel in Jeruzalem moet weer het hart van de wereld worden waar alle volken zich toe zouden kunnen wenden. Het wordt tijd voor een echte Tempel zegt het verhaal eigenlijk. Want die Tempel komt er niet zomaar, die Tempel is niet voor de sier. Alle machten die lijken tegen te werken staan uiteindelijk onder de heerschappij van de God van Israël. En reken maar dat de omringende volken zo af en toe langs kwamen om de Tempelbouwers uit te lachen. Hun goden zouden hen beschermd hebben en alleeen de God van Israël had verloren. Dat er al wat ballingen teruggekeerd waren was natuurlijk geen argument. Zo’n godje als die van Israël stelde niks voor. Om dan niet met de heersende mode mee te gaan maar te blijven vertrouwen op de belofte van de God van Israël dat de nieuwe Tempel grotere luister zou hebben dan de Tempel van Salomo vergde wel heel veel. Daarom wordt nog eens benadrukt dat die godjes van de omringende volken uiteindelijk onder de macht van de God van Israël vielen. Juist het nalopen van de heersende mode had de verwoesting mogelijk gemaakt. Nu moesten ze er op vertrouwen dat die Tempel vrede en voorspoed zou brengen. En natuurlijk, de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, waarvoor de Tempel een bewaarplaats was, zou vrede brengen, die Wet zegt immers dat je niet mag doodslaan. Die Wet zou ook voorspoed brengen, want van delen wordt je immers rijker dan van oppotten. Maar wanneer dat zou komen moeten ook wij zelfs in onze dagen ons afvragen. Het “houd vol” en “werk door” geldt ook voor ons. Nog steeds is er geen Tempel, ook niet in de harten van de gelovigen, waar alle volken zich tot kunnen wenden. Ook vandaag de dag moeten we werken aan een bewaarplaats voor de Wet. Sinds de dagen van Paulus is die bewaarplaats ons eigen hart. Als wij van onze naaste houden als van onszelf en daarvoor alle mensen meekrijgen dan komt de vrede in de wereld en de welvaart voor iedereen op aarde. Daaraan werken kan elke dag, ook vandaag weer.

Welke weg zijn jullie ingeslagen?

dinsdag, 16 november, 2010

Haggai 1:1-15

Vandaag lezen we uit het 12 profetenboek het verhaal van de profeet Haggaï, het verhaal over tijd en tijden. Heel nauwkeurig wordt aangegeven welke dag het is, over wanneer het begonnen is. Uiteindelijk heeft het verhaal van Haggai zich in vier maanden afgespeeld. Tijd is ook wat het verhaal van  Haggai verbindt met het verhaal van Sefanja dat er in het 12 profetenboek aan vooraf gaat. Wij zijn misschien gewend om de verhalen van de 12 zogenaamde kleine profeten als aparte boeken te lezen maar in de Hebreeuwse Bijbel vormen ze 1 boek en dat is niet voor niks. In het midden staat het verhaal van Jona de profeet die het allemaal helemaal niks vond. Dat is maar niks als menselijk. Dat merken we ook direct in het verhaal van Haggai want er wordt wel deftig gesmeten met officiële tijdsaanduidingen, zoals in het tweede jaar van koning Darius, op de eerste dag van de zesde maand, maar al snel blijkt het helemaal niet te gaan om een formele geschiedenis die je zou kunnen terug lezen en kinderen uit het hoofd zou kunnen laten leren. De vraag is wanneer het volk het tijd zou vinden weer eens aan de God van Israël te denken. Ze zijn teruggekeerd uit ballingschap, ze zijn weer hard aan het werk gegaan. Maar er wordt eerst een huis voor jezelf gebouwd, een tempel bouwen kan immers altijd nog. Dat is dus de vraag, wat komt eerst, de zorg voor jezelf, of de zorg voor de zaak van God? Want denk er om die Tempel die in Jeruzalem moet worden gebouwd is niet zomaar een Tempel met een beeld en het brengen van offers om die God tevreden te stellen, om voor jezelf welvaart af te bidden bij een Godheid. De Tempel in Jeruzalem is voor godsdienstoefening. Elke morgen en elke avond oefen je in het delen van wat je hebt. Daar leven de priesters en levieten van. Die Tempel is er ook om recht te kunnen spreken in gedingen tussen burgers, daar zorgen de levieten voor. En een paar maal per jaar ga je naar de Tempel om een maaltijd te houden met je familie, de tempeldienaars, de armen en de vreemdelingen die voor je werken, ook dat is een godsdienstoefening. De vraag wanneer je nu eens klaar bent met je eigen huis en je gaat werken voor het huis van de Heer van hemel en aarde is dus ook de vraag wanneer je die godsdienst nu eens in de praktijk gaat brengen. Die vraag mogen wij ons ook wel eens wat vaker stellen. Ook ons leven gaat over zorgen voor onszelf, ons eigen huis, onze eigen welvaart, onze eigen gezondheidszorg, maar een leven in dienst van de Heer van hemel en aarde gaat ook over onze naaste liefhebben als onszelf, over delen met de armsten, het voeden van de hongerigen en samen leven met de vreemdelingen die met ons werken, over het recht verschaffen aan mensen die geen advocaat kunnen betalen. Het is de hoogste tijd om daar aan te gaan werken wat de tijden of de tijdgeest ons ook voorhouden. Werken voor de God van Israël kan elke dag, ook vandaag weer.

Ze verslinden de huizen van de weduwen

maandag, 15 november, 2010

Lucas 20:41-21:4

Als macht en aanzien het klimaat gaan bepalen dan gaat het mis. Lucas en Matteüs laten hun Evangeliën beginnen met het “bewijs” dat Jezus van Nazareth van Koning David afstamt. En als een blinde bedelaar hem aanroept als Zoon van David wordt die bedelaar niet tegengesproken. Maar als de religieuze en politieke elite de nadruk legt op de afstamming van de messias van Koning David dan wijst Jezus van Nazareth fijntjes op een schijnbare tegenstrijdigheid in hun redenering met het boek van de Psalmen waar David zelf de bevrijder van Israël “Heer” noemt, zo spreekt een vader niet tot een zoon of een kleinzoon. Voor zijn leerlingen was het duidelijk dat het God zelf zou zijn die Israël zou bevrijden. Maar macht en aanzien houden dat tegen. Vooral die zogenaamde vromen die in strakke pakken rondlopen en de mond vol hebben van gelovige praat en met lange gebeden indruk proberen te maken. Ondertussen bezuinigen ze een miljard op ontwikkelingssamenwerking en verlagen ze de bijdragen aan gemeenten die nodig zijn voor het armoedebeleid en de ondersteuning van de armsten in het land. Net als in de dagen van Jezus van Nazareth kennen wij dat soort elite ook, ze gedogen het tegen elkaar opzetten van bevolkingsgroepen om wille van verschil in geloof. Bij de openbare collectes, in onze dagen de TV akties, staat ze vooraan om te laten zien hoe goed ze wel niet zijn. Hun giften moeten de grootste zijn en hun glimlachen op de bijbehorende foto’s de breedste. De arme weduwe die van haar schaarse uitkering ook wat bijdraagt blijft daarbij in de schaduw. Maar die arme weduwe geeft naar verhouding veel en veel meer dan de rijke, net als ze naar verhouding veel meer aan woonlasten betaald en veel en veel minder aan subsidie krijgt voor haar woonlasten dan de rijken. Al die vromen hebben nooit gehoord van eerlijk delen, van een samenleving van genoeg, waar ook werkelijk genoeg was voor iedereen. We verdienen ook in ons land genoeg om iedereen een fatsoenlijk pensioen te betalen en armoede te kunnen bestrijden, maar we doen het niet omdat rijken nu eenmaal rijk moeten blijven. We hebben ook in ons land genoeg verdiend om de oneerlijke handelsverhoudingen in eerlijke te veranderen maar we doen het niet ondanks het groeiende aantal consumenten dat zich tot Frair Trade producten wendt. De rijken zien hun kans schoon om in deze dagen de huizen van de armen goedkoop op te kopen om ze in betere dagen weer duur door te verkopen. Wij denken dat we met onze technologie veel en veel verder zijn dan Jezus van Nazareth die geen auto’s, trein of zelfs maar een fiets kende. Maar de verhoudingen tussen mensen hebben we nog steeds niet weten te veranderen. Het onrecht in onze wereld is nog steeds hetzelfde als in zijn wereld. De noodzaak voor ons daaraan te werken en die verhoudingen te veranderen is nog net zo groot als toen voor zijn leerlingen. Maar net als zij mogen we er elke dag weer aan werken, ook vandaag weer.

Ze zijn kinderen van God

zondag, 14 november, 2010

Lucas 20:27-40

Vandaag lezen we het verhaal over de Saduceeën, de kinderen van de priester Zadok. In de dagen van Jezus van Nazareth vormden ze één van de partijen in regerende elite van het land. Ze waren sterk op de Griekse cultuur georiënteerd. Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josefus hadden ze geen aanhang onder het gewone volk. Al dat gedoe van de Farizeeën vonden ze maar niets en die Jezus van Nazareth had daar veel te veel van. Over hen kan Lucas dan ook gemakkelijk zeggen dat ze niet in de opstanding van de doden geloofden. In hun vraag aan Jezus van Nazareth verbinden ze een deel van de Joodse Wet aan een populaire opvatting uit hun tijd. De Wet was dat als een vrouw weduwe werd een broer of het naaste familielid van de echtgenoot de vrouw onder zijn hoede moest nemen en met haar trouwen. In het verhaal van Ruth komen we dat nog heel duidelijk tegen en als aangenomen wordt dat Jezus van Nazareth afstamt van koning David is hij het produkt van de toepassing van die Wet. De populaire overtuiging vinden we terug in het verhaal van de Maccabeeën. Dat waren zeven broers die weigerden de Griekse bezetter te gehoorzamen toen die hen beval varkensvlees te eten, dat was volgens de Joodse spijswetten verboden. Ze werden één voor één gemarteld voor de ogen van hun moeder en ter dood gebracht, hun moeder werd daarna vermoord. Uit dat verhaal was de opvatting gegroeid dat mensen die zo voor de God van Israël hadden geleden ook beloond zouden worden. Ooit zouden beulen en slachtoffers geoordeeld worden en zouden de beulen gestraft en de slachtoffers gerechtvaardigd worden. Onder de wrede onderdrukking van de Romeinen was die opvatting heel populair geworden. Zeven broers die zich aan de Wet hielden en dus beurtelings met de vrouw van de oudste zouden trouwen was dus heel goed voorstelbaar. Maar hoe verhoud dit zich dan met de opvatting over de opstanding van de doden is de vraag? Het antwoord is eigenlijk dat je dat aan God moet overlaten. In een eeuwig leven, waarin ook de tijd niet meer bestaat, is ook geen huwelijk meer. Wie daar deel aan hebben hebben deel aan God zelf, ze zijn de kinderen van God. Voor ons leven ze voort zoals Abraham, Izaak en Jacob voortleven, de zwervers die de roep van de God van Israël hoorden en de oorzaak werden van de bevrijding uit de slavernij. Daarmee is Jezus van Nazareth in het hart van de Torah, de wet van Mozes, daar waar de Naam van de Eeuwige wordt geopenbaard in de brandende braambos. Ook de belofte dat de rechtvaardigen kinderen van God genoemd zullen worden komt uit die Torah, uit het boek Deuteronomium. Zo kunnen we leren dat het niet gaat om een leven na de dood maar om ons leven voor de dood. Daar moeten we deel hebben aan dat Koninkrijk door de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf voor te leven, dan hebben we deel aan een eeuwig leven, waar de tijd niet meer bestaat, dat kan dus elke dag opnieuw, ook vandaag.

Zijn troon stoelt op recht

zaterdag, 13 november, 2010

Psalm 97

De synode, het kerkbestuur, van de Protestantse Kerk Nederland, heeft nog eens uitgebreid vergaderd over de vraag hoe je eigenlijk over de God van Israël zou moeten praten. Nu zijn er veel mensen die vinden dat je daar helemaal niet over kunt praten. Die God laat zich niet in woorden vangen. Over die God kun je alleen maar dromen, dichten en zingen. De Psalm die we vandaag met de kerk meezingen is daar een goed voorbeeld van. De gelovigen zingen dat de God van Israël de Koning van de Wereld is. Dat zou natuurlijk mooi zijn, dan zouden alle mensen van hun naaste houden als van zichzelf. Dan zou er niet meer gemoord, niet meer gestolen en niet meer gelogen worden. Dan zouden alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer zijn. Dat is een droom, verwoord in een gedicht dat we samen zouden kunnen zingen. Als alle mensen eens tot hun recht konden komen, dus stoelt de troon van de God van Israël, die Koning van de wereld, op recht en gerechtigheid. Vuur verteert ieder die daartegen in opstand durft te komen, bliksemschichten naar de tegenstanders, de aarde beeft er van. Voor onderdrukten en mensen die smachten naar recht geen bedreigdende Psalm maar een bevrijdend lied. Zo’n Koning hebben de hongerigen nodig om eten te krijgen, de lammen om te kunnen lopen, de blinden om te kunnen zien, de  doven om te kunnen horen, de bedroefden om getroost te worden. De komst van een Koning als hier geschilderd met woorden is hemels. Weten we nu wat van die Koning? Kunnen we die uitbeelden en anderen duidelijk maken. Nee alles wat we hier durven dromen en durven zingen gaat over het effect van die God van Israël. Het effect dat de God van Israël heeft als die als Koning van de wereld wordt aanvaard en vereerd. Dan blijkt pas hoe armzalig zelfgemaakte goden zijn, goden die je onder woorden kunt brengen, goden die gevangen zitten in menselijke woorden, de goden van goud en beloften, van winst en profijt. De God van Israël gaat al die goden ver te boven, die God is de liefde zelf, een God vol haat, de haat tegen het kwade, een God die voor het leven kiest en bevrijdt uit de handen van de goddelozen. Want ook al ben je gevangen, of heb je al bijna je hele leven huisarrest, de machten van het kwaad bepalen niet wie je bent of wat je overtuiging is, dat wordt bepaald door de God van Israël, recht en rechtvaardigheid kunnen ook jouw schuilplaats zijn in de schaduw van de Allerhoogste. In de zwartste omstandigheden kan dat licht verschaffen en in de dagelijkse drukte een lamp voor je voet zijn. Om die God mogen we vreugde hebben, vreugde in het werken in zijn Koninkrijk, elke dag weer, ook vandaag.

Aan de onbekende god.

vrijdag, 12 november, 2010

Handelingen 17:22-34

Vandaag lezen we de beroemde rede van Paulus op de Areopagus in Athene. Dat was het hart van de klassieke Griekse cultuur. Dat wat daar gebeurde en wat daar in discussies bereikt werd tussen filosofen had invloed tot in het hart van Rome toe. Daar houdt Paulus een rede die opgebouwd is volgens de klassieke regels van een filosofische rede. Paulus kende die want hij was niet alleen een geschoold Joods theoloog, hij had gestudeerd bij de geleerde Gamaliël., maar hij was ook afkomstig uit Tarsus waar een beroemde Stoïcijnse school was gevestigd. Paulus grijpt terug op godsdienstigde opvattingen van de Grieken. Tastbaar en zichtbaar waren die in het altaar waar hij op wijst, het altaar voor de onbekende God. Dat lijkt een truc, hebben we alle goden gehad dan zijn we er in elk geval geen vergeten. Maar zo is het niet. Athene was ook centrum van handel en cultuur. Uit alle windstreken kwamen mensen naar Athene en ieder bracht zijn eigen godsdienst mee, je kon van de Atheners niet verlangen dat ze al die goden kenden maar de tolerantie was zo groot dat je je eigen god best mocht aanbidden als een voor Atheners onbekende God. Paulus draait dat begrip echter om door voort te borduren op eigentijdse discussies over wat een God zou moeten zijn. Men was het er over eens dat een God in elk geval mensen te boven zou moeten gaan. Een keizer in Rome dat ging nog maar net. Maar die regeerde de toenmalig bekende wereld dus stak hij boven alle mensen uit. Paulus betoogt dat die God niet alleen boven alles uit moest steken maar ook de schepper van hemel en aarde zou moeten zijn. Dat was de God die hij te verkondigen had. Die God liet zich dan ook niet vangen in tempels door mensen gemaakt. Die God laat zich dan ook niet door mensen afbeelden, die gaat alle mensen te boven. die gaat alle verstand te boven. Die God zal ook als enige oordelen over het goed en het kwaad van de mensen. Nu sprak Paulus iets dat veel filosofen van zijn tijd niet konden volgen. Als die God alle verstand te boven zou gaan dan kon je ook niets over die God zeggen, dan bestond die God dus eigenlijk helemaal niet want over al het bestaande is iets te zeggen. Paulus maakt het helemaal te bont als hij dan spreekt over een mens die uit de dood is opgestaan. Dat was voor velen onbestaanbaar. Maar een God die alle verstand te boven gaat, die mensen liefheeft, die uit liefde zal oordelen en die in Jezus van Nazareth heeft laten zien dat die liefde het uithoudt door de dood heen was toch voor velen aantrekkelijk. Dat kan die God nog zijn, de liefde van die God kunnen we in ons eigen leven gestalte geven door van onze naaste te houden als van onszelf. En ook in onze dagen zullen veel filosofen zeggen dat een God die alle verstand te boven gaat niet kan bestaan. Uit die discussie vertrekken we net als Paulus, als er maar gewerkt wordt aan het Koninkrijk van die God, dat kan vandaag gelukkig ook weer, net als elke dag.

Kan een mens soms goden maken?

donderdag, 11 november, 2010

Jeremia 16:19-21

De vraag naar de waarde van de goden van het Heidendom keert telkens weer terug in de lezingen die op het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap staan. Dat leesrooster wordt een jaar vooraf klaargemaakt, het rooster voor het volgend jaar is al te downloaden op de site van het NBG, maar de lezingen blijken telkens weer zeer actuele thema’s te belichten. Mensen hebben behoefte aan goden. Als er geen goden zijn dan maken ze die. Of het nu artiesten of sportlieden zijn, wetenschappers, schrijvers of politici, ieder komt voor aanbidding in aanmerking. Maar ook zaken als de rede, de vrijheid, de wetenschap kunnen worden aanbeden en kritiekloos als richtinggevend voor het leven worden aanvaard. Op het moment dat hele volken accuut in nood zijn dan helpen die goden niet zo veel meer. Dan raakt het volk in verwarring en zoekt het nieuwe goden of valt terug op oude manieren van geloof die wel werkzaamheid beloven. Niet altijd helpt dat. In de dagen van Jeremia had het volk ook de mode van de vele goden gevolgd. Zozeer zelfs dat de God van Israël via Jeremia had laten weten dat die God zijn handen van het volk had afgetrokken. Ook toen het belegerd werd door machtige vijanden was er geen bidden aan, God had zijn volk verworpen en dat zou zo blijven tot dat volk in ballingschap was weggevoerd en in die ballingschap zou hebben geleerd wie die God van Israël eigenlijk was. Maar Jeremia wordt zich door deze boodschappen van een ander perspectief bewust. Als ooit zelfs ballingen terug kunnen keren, een dood volk weer tot leven brengen, een dode godsdienst weer vruchtbaar laten zijn, dan zullen alle volken zich tot die God van Israël wenden. Want wat die God doet is ongekend. Die God heeft dat gedaan door zijn richtlijnen te geven. Houd van je naaste zoals je van jezelf. Samen delen, alles voor elkaar overhebben, voor elkaar door het vuur gaan. Als een heel volk dat kan in tijden van nood dan is dat volk onoverwinnelijk, als een volk daaraan weet vast te houden dan is er geen kracht en geen macht op aarde die de macht over dat volk kan veroveren. Het is een perspectief dat ook vandaag ons nog wenkt. Het perspectief dat het inderdaad mogelijk is om de honger uit Afrika te bannen, om kinderen uit de armoede in ons land te halen, om vrede te stichten in de wereld. Dat het echt mogelijk is om mensen van verschillend geloof en verschillende cultuur met elkaar samen te laten leven en samen een sameleving te laten opbouwen. Pas als we bereid zijn dat niet alleen uit te spreken, te belijden zegt de Kerk dan, maar als bereid zijn dat ook te doen, dag in dag uit, dan wordt dat waar, dan onderscheiden we ons van alle andere godsdiensten. Alleen het Christendom zegt immers dat die liefde zelfs door de dood heen is uit te houden en leven brengt. Gelukkig maar dat we dat ook vandaag weer kunnen laten zien, zoals elke dag opnieuw.