Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2010

Ik zal onverbiddelijk zijn

donderdag, 21 oktober, 2010

Jeremia 13:1-14

De God van Israël laat Jeremia zijn volk vertellen dat diezelfde God zijn volk zal vernietigen. Niet zo maar even geestelijk, dat ze in de war raken, droevig worden en dan zich bekeren, maar zoals een oude lap die nergens meer voor deugt, vergaan is en weggeworpen moet worden. De boodschap uit het boek van de profeet Jeremia is keihard. Nergens worden er doekjes om gewonden. Nee de doeken helpen om het zichtbaar en tastbaar te maken, geen misverstand dit volk gaat er aan. Dit volk, een volk van Priesters en Koningen? Jazeker. Neem maar eens een linnen gordel, zoals gedragen werd door Priesters, zoals de Koning zich graag omgorde. Breng die naar het gebergte Perat bij de Eufraat. Lag daar in de buurt niet het Paradijs? Jawel maar het zal een oord van ballingschap worden. Laat die mooie priesterlijke en koninklijke gordel daar maar eens een tijdje liggen, hij zal vergaan. O, ja, hij mag natuurlijk niet nat worden, dus niet zo rennen en vliegen als gewone mensen, maar je een beetje deftig gedragen, juist, zoals een Priester of een Koning. Zo moet het verhaal geklonken hebben dat Jeremia heeft te vertellen. Zijn boodschap is niet verpakt in fraaie woorden, maar eenvoudig en klaar helder. Net als het beeld van die kruiken. Die vul je met wijn, dat weten we allemaal, zo kun je ook mensen met wijn vullen, dan zijn het net kruiken, in Brabant zou een drinkebroer ook de bijnaam de Kruik krijgen. Maar deze kruiken zullen tegen elkaar geslagen worden en breken. Er zal niets van dit volk overblijven. En waarom? Wat hebben ze misdaan? Ze hebben andere goden nagelopen, de goden van de vruchtbaarheid. Zoals wij vandaag de dag de goden van winst en profijt nalopen. O, wee, als wij onze pretjes eens zouden kwijtraken, onze fraaie symphonieorkesten, onze mooie toneelgezelschappen, protesteren moeten we er tegen. En de 1 miljard ontwikkelingssamenwerking die we gaan bezuinigen? Al die doden die zullen omkomen van de honger omdat wij zo graag rijk willen zijn, worden en blijven? Er is nog wel een staatssecretaris van cultuur, maar hulp aan de armsten in de wereld is er niet meer bij. Die zijn afhankelijk van de minderheid die nog geeft aan Kerk in Actie, Oxfam- Novib, Unicef of een van die talloze hulporganisaties die in onze land zijn opgebloeid. Want al negeren de rijken, de goddelozen, die nu aan de macht zijn de nood van de armen in de wereld, er zijn nog gelovigen die weet hebben van wat er zal gebeuren als we net doen als het volk van Jeremia. Er zijn nog gelovigen die de handen uit de mouwen weten te steken en niet malen om eigen rijkdom of toekomst maar de toekomst van de wereld laten bepalen door het opheffen van de armoede en de komst van het Koninkrijk van God. Gelukkig dat we daar allemaal bij mogen horen en elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen.

Bid dat ik zo vrijmoedig spreek als nodig is.

woensdag, 20 oktober, 2010

Efeziërs 6:18-24

Het slot van de brief die Paulus schreef, of liet schrijven, aan de gemeente in Laodicea toen hij gevangen zat in Efeze. Omdat er Efeze in de aanhef is gezet bij een van de copieën die bewaard zijn van deze brief is de brief zelf die aan de Efeziërs gaan heten. Later werd bij zogenaamde kerkvaders, schrijvers die Paulus nog gekend hebben, een aantekening gevonden die de juiste adressering van de brief duidelijk maakten. In dit slot vraagt Paulus om voor hem te bidden. En dan gaat het om het bidden en om het spreken. Bij het bidden moet je je laten leiden door de Geest schrijft Paulus. En de Geest van God, de geest van Jezus van Nazareth, opent je de ogen voor je naaste, voor de mensen die het moeilijk hebben. Bidden zonder wat te gaan veranderen aan de honger in de wereld, aan oorlog en geweld, een onderdrukking en slavernij, dat kan dus eigenlijk niet. Paulus vraagt in het bijzonder voor hem te bidden dat hij vrijmoedig kan spreken. Dat kan natuurlijk alleen maar als ook in Laodicea vrijmoedig wordt gesproken. Als dat vrijmoedig spreken overal een gewoonte is dan is Paulus daar geen uitzondering meer op en kan hij zelfs in de gevangenis vrijmoedig spreken. En natuurlijk spreekt hij dan over de bevrijding van de armen, het tot hun recht laten komen van mensen. Hij vertelt het verhaal van Jezus van Nazareth die de bevrijder werd van de dood door door de dood heen zijn liefde vol te blijven houden. Zo vol houden dat hij leeft en zijn volgelingen op pad stuurt om de liefde voor de mensen te verbreiden en door te geven. Dat is het geheim van de blijde boodschap. Niemand snapt immers hoe een mannetje als Paulus, Romein van Joodse afkomst, geboren en getogen in Tarsus in Turkeije, zo vrijmoedig durft te spreken, zelfs in de gevangenis en daar bewakers en gevangenen gelijk behandelt en aanspreekt. Wij weten dat het alleen kan als je de lamp van God, zijn Woord, het verhaal van de daden van zijn zoon, over het leven laat schijnen en alles in je omgeving in dat licht weet te zien. Dan kun je zelfs je vijanden lief hebben. Dat woord is vlees geworden, heeft handen en voeten gekregen, in Jezus van Nazareth en via zijn geest in zijn volgelingen, in ons dus ook als wij ons er voor open stellen. De brief die Paulus geschreven heeft gaat nauwelijks over hemzelf. Zijn persoon en zijn behoeften staan niet centraal, hij hoeft er niet beter of beroemder van te worden. Zijn vriend Tychikus zou de gemeente in Laodicea wel vertellen hoe het met Paulus zelf is. Centraal staat de boodschap die Paulus in zijn brief heeft geschreven. Groeten doen we elkaar door elkaar vrede te wensen, broeders en zusters gelijk, en liefde en geloof. Dat het moge gebeuren noemen we genade en liefde is onvergankelijk, dat wenst Paulus de gemeente. Dat mogen wij elkaar ook vandaag nog toewensen en we mogen ook vandaag weer werken aan het verwerkelijken ervan.

De heersers en de machthebbers van de duisternis

dinsdag, 19 oktober, 2010

Efeziërs 6:10-17

In de dagen van Paulus werd het kwaad vertegenwoordigd door de Keizer in Rome. Die besliste over leven en dood. In de buitengewesten had hij vertegenwoordigers aangesteld die daar, namens hem, over leven en dood konden beslissen. Zo had Pilatus kunnen beschikken over de dood van Jezus van Nazareth, ook al had hij moeten uitroepen dat er geen schuld in de man te vinden was. Die Keizers beschouwden zichzelf als goden en lieten zich ook vaak als goden vereren. Overal werden dan beelden van de regerende keizer opgericht waarvoor offers gebracht moesten worden. Daardoor kan Paulus hier schrijven dat de strijd van de gemeente in Laodicea en de strijd van alle christenen in zijn dagen gericht is tegen de zogenaamde hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten die de Keizer adviseren. Maar er is kennelijk een wapenrusting die zelfs bestand is tegen dit machtige wereldomvattende keizerrijk. Het eerste wat een soldaat te doen heeft is zich omgorden, dit woord kom je in de Bijbel vaak tegen als het gaat om op te trekken tot de strijd. Maar de gordel hier heet de waarheid, de waarheid dat er maar één God is, één Heer. En Heer betekent in het Grieks van de Bijbel hetzelfde als Keizer en met die ene Heer wordt dus niet de Keizer in Rome aangesproken. Op het tot zijn recht laten komen van mensen moeten de gifpijlen van de overheid afketsen. Niet het geweld tegen de overheid is het wapen, maar Christenen lopen voor de vrede, de vrede die ontstaat door van mensen te houden zelfs als het je vijanden zijn. En het schild dat je hebt is het geloof in de God die zorgt voor een leefbare wereld zonder geweld en zonder dood, daarmee verdwijnt de dreiging met de dood van de overheid. En je bent dus verlost van de angst voor de dood en kan blijven herhalen dat liefde voor de mensen, de keuze voor het leven en de zorg voor de minsten op aarde een blijvender waarde hebben dan het aanbidden van namaakgoden en zichzelf tot god verheffende mensen. Nergens lees je hier over beelden van een God, over offers die gebracht moeten worden om je te beschermen, om voorgangers die namens jou zouden kunnen spreken. Dit kan iedereen zelf. Zelfs tegen de machtigste overheid. Voor de eerste lezers van deze brief was er nog maar een rijk over op de hele wereld, het Romeinse Rijk, daarbuiten was wildernis en woestenij. Pas veel later werd de rest van de wereld ontdekt. Maar die gigantische wereldmacht kon worden weerstaan met de liefde voor de mensen. In onze dagen schijnt een tijdgeest te heersen die verdeeldheid zaait tussen de mensen, een tijdgeest die een klimaat van uitsluiting en geweld oproept. Neem maar aan, geloof het maar: dezelfde wapenrusting van liefde en vrede kan ook die tijdgeest aan. Maar dan moeten we er wel mee ten strijde durven trekken. Elke dag kan dat, ook vandaag weer.

Hij sloeg op zijn borst

maandag, 18 oktober, 2010

Lucas 18:9-17

Opnieuw een verhaal over twee broers, net als bij de verloren zoon en de rijke man en de arme Lazarus. Twee mannen die naar de Tempel gaan om te bidden. In de dagen van Jezus van Nazareth niet zo’n heel vreemd beeld want in de Tempel was er iedere morgen en iedere avond een offer ter verzoening met God en de gelegenheid om daarbij individueel te bidden. Vaak werd dan wierook gebrand om het gebed van de gelovige met welriekende reuk te laten opstijgen naar de God van Israël. Aller eerst bidt de Farizeër. Deze Farizeër en niet alle andere Farizeërs ook zoals vaak is beweerd. Je moet de figuren uit deze verhalen niet generaliseren. Ook niet alle tollenaars waren zo berouwvol, de meesten bleven gewoon de boeven die het volk uitbuitten. Die Farizeër uit dit verhaal bidt ook zo gek nog niet. Hij steelt niet, is zelfs niet begerig naar andermans goed want hij is niet roofzuchtig, hij is niet onrechtvaardig, geeft dus aalmoezen aan de armen en hij is niet overspelig. Daarmee heeft hij zo ongeveer alle 10 geboden al gedaan. Maar hij gaat verder. Hij is niet gehecht aan aardse goederen want hij vast twee maal in de week, dat staat wel niet in de Wet maar het staat natuurlijk wel goed en hij overdrijft ook niet met het vasten zoals in zijn dagen soms werd gedaan en waartegen gewaarschuwd moest worden.. Hij geeft een tiende van al zijn inkomsten, dat was veel meer dan gevraagd werd want de Torah, de wetten van Mozes vragen alleen een tiende van koren, wijn en olie, hij heeft het dus uitgebreid tot alles wat hij aan inkomen heeft. Dat ziet er dus allemaal niet slecht uit. Daar mogen mensen een voorbeeld aan nemen. Was iedereen maar zo. Dan mag je toch ook zeggen dat je wat beter bent dan de tollenaar die de belasting op goederen heeft gepacht van de Romeinen en die, door zelf de hoogte van de belasting bij het tolhuis te bepalen, rijk wordt en het volk uitzuigt? Daar gaan we dus de mist in. De Wet waar die Farizeër zich zo voorbeeldig aan houdt zegt immers eigenlijk dat je je naaste lief moet hebben als jezelf? Die Farizeër zet zich geweldig in voor zijn God, maar dat vraagt die God helemaal niet. Dat je God aanvaart en leert kennen, Jezus in je hart laat wonen en zo dat laat de God van Israël koud. Daar gaat het helemaal niet om. Het gaat om mee te werken aan de eer van die God en die is gelegen in het recht doen aan de armen. Daar heeft die tollenaar nog wel wat steun voor nodig. In elk geval zou hij erkenning in de Tempel kunnen gebruiken om op te houden met het uitbuiten van het volk. De Farizeër had zich dus niet zozeer in moeten zetten voor de Wet van God maar veel meer voor de kinderen van God. Hij verheft zich boven de tollenaar terwijl hij beter die tollenaar had kunnen opbeuren en helpen. Dat is de les die wij ook moeten leren. Bidden is niet “wij zijn vroom en help en genees ons nu maar”, maar bidden is bij jezelf nagaan of God je kan helpen je naaste te helpen, de armen recht te doen, ontwikkelingssamenwerking weer populair te maken, de verkrachtigingen in de Congo onder de aandacht te brengen, kortom samen met iedereen op de wereld de hongerigen te voeden, de naakten kleden, de bedroefden te troosten, ook vandaag weer.

Spoedig recht zal verschaffen.

zondag, 17 oktober, 2010

Lucas 18:1-8

Het recht verschaffen aan de weduwe is een van de belangrijkste opdrachten die het volk steeds weer voorgehouden krijgt. Niet de rechter wordt vermoeid met het gezeur van de weduwe om haar recht te doen maar het volk wordt door de profeten in het Oude Testament vermoeid met het onophoudelijke gezeur om de weduwe en de wees recht te verschaffen. Het is God die de profeten steeds weer opdraagt dat gezeur voort te zetten. In deze gelijkenis lijkt Jezus van Nazareth de verhoudingen wel om te draaien. Hij suggereert immers dat God net zo’n rechter is als de rechter uit de gelijkenis. Onophoudelijk bidden zal ook God vermurwen. Maar kunnen we dan om alles bidden? Zijn er niet talloze kinderen die gebeden hebben dat hun moeder niet zou sterven aan kanker? En hoe zit het met die moeders die ondanks dat bidden toch gestorven zijn? Deze gelijkenis is geen troost voor hen die gebeden hebben om zeer gerechtvaardigde zaken maar geen gehoor leken te vinden. Misschien is het goed om toch terug te keren naar de inleiding in deze overweging. Dat gezeur van God om recht voor de weduwe en de wees. Gaat ons bidden over het lot dat gekeerd moet worden? Een ziekte die in genezing moet verkeren, ondanks het kunnen van de dokter? Een examen waarvoor geslaagd moet worden of je er nu voor geleerd hebt of niet? Een zakelijke transactie die moet slagen en noem maar op. Daar mag je allemaal voor bidden maar daar gaat deze gelijkenis niet over. Daar gaat dus ook de oproep van Jezus van Nazareth aan zijn leerlingen om onophoudelijk te bidden niet over. Die gelijkenis gaat over het recht voor de weduwe. Daar moeten we dus onophoudelijk voor bidden. Maar als we daarvoor bidden dan weten we ook wie de weduwe recht zou kunnen verschaffen. Dat zijn we meestal zelf, of dat is de manier waarop we onze samenleving ingericht hebben. Die weduwe staat in de Bijbel voor elke arme, vooral voor de zwaksten. Als we dus de armen recht willen verschaffen beginnen we er mee onder woorden te brengen wie die armen zijn en waarmee hen recht kan worden verschaft. Telkens weer doen we dat opnieuw. Dan beseffen we ook dat armoede geen onafwendbaar noodlot is dat we geduldig moeten dragen. Dan zou ook het niet aflatende bidden van de weduwe uit de gelijkenis vergeefs zijn geweest. Armoede kan opgeheven worden als we bereid zijn om te delen. Daarbij ook aangetekend dat het niet alleen gaat om ons eigen land maar dat we leven in een wereldsamenleving. Onophoudelijk bidden is dus onophoudelijk zoeken naar recht voor de armen. Iedereen kan het aanwijzen, iedereen kan het onder woorden brengen, het is de God van Israël die ons er op aanspreekt, bidden is dan ons antwoord en een gebed als antwoord aan God zal voor velen nieuw zijn. Maar we kunnen er elke dag opnieuw weer mee beginnen, ook vandaag weer.

Waaraan een belofte verbonden is

zaterdag, 16 oktober, 2010

Efeziërs 6:1-9

Soms probeert de Nieuwe Bijbelvertaling gewoon Hollands te spreken, een soort Jip en Janneke taal. Daarmee glijden de vertalers nogal eens uit. Want bijvoorbeeld “Toon eerbied voor uw vader en moeder” staat er niet. Er staat “Eer Uw vader en moeder” en je eert een ander ook door die ander onomwonden op zijn of haar fouten te wijzen en te beschouwen als zuster of broeder in Christus, om het eens in Paulus woorden te zeggen. Alle mensen vergeten nog wel eens hun naaste lief te hebben als zichzelf. Als je je vader en moeder behandelt als mensen die dat wel kunnen dan geef je ze eer. Dat is ook de betekenis van het woord “gehoorzamen” in deze tekst. Dat is niet het slaafs opvolgen van bevelen, maar dat is in beweging komen als je de boodschap hebt gehoord. Vergeet nooit dat het ook Paulus gaat om bevrijding van mensen en ouders die je proberen op te voeden in de Weg van Jezus van Nazareth zullen je roepen om uit te trekken uit een wereld van leeg vermaak en dodend geweld naar een wereld waar iedereen te eten heeft, waar iedereen te vertrouwen is en waar je er samen het beste van kan maken. Dan heb je dus een lang leven op aarde. Daarom nog eens extra de vermaning aan de vaders, stoer als ze vaak zijn, om hun kinderen niet met geweld op te voeden maar met liefde, die Heer is immers liefde. Ook voor slaven geld hetzelfde, gehoorzaam je meester zoals je Christus gehoorzaamd. Dat is dus niet slaafs bevelen opvolgen, maar gehoor geven aan de roep om je naaste lief te hebben als jezelf en je broeder er op aanspreken als die dat verzaakt, ook als die je meester is. Je moet je dus ook als loonslaaf nooit afvragen of je baas het wel leuk vindt wat je te zeggen hebt, ook nooit wat zeggen omdat je weet dat hij dat juist leuk vindt, maar wat je te zeggen hebt komt uit liefde voor de zwaksten, het volgen van de Weg van Jezus van Nazareth. Zo horen meesters ook hun slaven te behandelen, als broeders, met liefde. In de dagen van Paulus ging het om werkelijke slaven, in onze dagen gaat het om loonslaven en wie ziet hoe liefdeloos soms hele groepen loonslaven kunnen worden ontslagen zal inzien dat de woorden en vermaningen van Paulus ook in onze tijd nog hard nodig zijn. Ook de zogenaamde arbeidsmoraal die Paulus hier schetst wijkt nogal af van wat we tegenwoordig meemaken. In onze dagen houden we toch geen rekening met mensen? Hooguit met klanten aan wie we kunnen verdienen, maar halve waarheden, lastig vallen in de prive situatie, kleine letters en onleesbare aanwijzingen zijn aan de orde van de dag. Ook loonslaven horen zich er volgens Paulus tegen te verzetten. Gelukkig hebben we die vrijdheid en kunnen we dat samen ook aan, als werk voor het Koninkrijk van God, ook vandaag weer.

Aanvaard elkaars gezag

vrijdag, 15 oktober, 2010

Efeziërs 5:21-33

Alstublieft geen spotprenten. De jonge gemeente in Laodicea zoekt zich een houding te geven in een wereld van gladiatoren en concubines. Stoere welgebouwde vechters en wulpse vrouwen. De TV serie Gladiator heeft ons dat weken achtereen getoond en reken maar dat wat we zagen gebaseerd was op verhalen over de werkelijkheid. Wie nog eens in het Italiaanse Pompeï komt kan daar ook het nodige van zien. Hoe geeft een jonge gemeente van volgelingen van Jezus van Nazareth in die wereld zich een houding? Hoe gaan mannen en vrouwen met elkaar om? Nu, allereerst gaan ze gelijkwaardig met elkaar om, ze aanvaarden elkaars gezag. Mannen en vrouwen aanvaarden elkaars gezag en naar buiten is dan de man de baas, omgekeerd zou het maar tot spotprenten leiden. Zoals het hier beschreven staat kan geen man iets doen of beslissen zonder zijn vrouw. Het hoofd gaat immers niet zonder de handen en de voeten op pad, de tong spreekt niet zonder de adem uit de longen, man en vrouw vormen een eenheid zoals Jezus van Nazareth met zijn vader een eenheid vormt en zoals de gemeente als lichaam van Christus een eenheid vormt. Het is het eigenaardige taalgebruik van Paulus is zijn typisch Romeinse wereld die ons op andere sporen heeft gebracht. Want de vrouw als Vestaalse maagd, thuis stil en onderdanig wachtend op haar stoere man die alles weet en alles beslist wordt hier dus niet geschetst door Paulus maar die is er later door veel mannen in kerken wel van gemaakt. Paulus wijst nog eens op een woord van Jezus van Nazareth zelf dat dat man en vrouw één lichaam zullen zijn. Paulus gebruikt maar uiterst zelden een citaat van Jezus van Nazareth zelf in zijn brieven, hij heeft het liever over Jezus van Nazareth als bevrijder, Messias, in het Grieks de Christus, maar hier is het citaat van groot belang. Want die onderdanige vrouw die geen eigen leven mag leiden verdwijnt hier helemaal uit zicht. Mannen kunnen niets zonder hun vrouw en vrouwen niets zonder hun man, dat is het beeld dat hier wordt opgeroepen. In onze dagen hebben we geen gladiatoren en concubines meer. De Vestaalse maagden zijn met het Romeinse heidendom verdwenen. Het Christelijk geloof zoals dat hier door Paulus wordt verkondigd heeft in onze heidense maatschappij wortel geschoten en is de norm geworden. Mannen en vrouwen kunnen hetzelfde en hoeven buiten hun huis niet meer als man of als vrouw worden aangekeken. Als er niet evenveel vrouwen als mannen in een regering komen wekt de formateur de indruk nog wel mannen de voorrang te geven omdat ze meer zouden kunnen als vrouwen en wordt daartegen geprotesteerd. Want helemaal weggevallen is het verschil nog niet, een regering met een meerderheid aan vrouwen zou nog steeds opzien baren. Zoals Paulus het hier beschrijft is zou dat dus ook onzin zijn. Er valt aan het wegvallen van dat verschil nog wel wat werk te verzetten. In de geest van Jezus van Nazareth mogen wij daar gelukkig elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer. En liefdesrelaties kunnen gelet op het wegvallen van het verschil dus ook tussen mannen en mannen en vrouwen en vrouwen.

Dat is allemaal afgoderij

donderdag, 14 oktober, 2010

Efeziërs 5:3-20

Wat een zedeprediker is die Paulus toch, zal je denken als je dit Bijbelgedeelte leest. Maar dan vergeet je dat kleine tussenzinnetje dat er staat. “Het is allemaal afgoderij.” Ook in onze dagen. Want het gaat niet om geboden of verboden, het gaat om de vraag hoe je andere mensen behandeld. Er zijn mensen die zeggen dat alles mag, dat er zelfs een god van vrijheid is die je moet laten zien dat jij alles durft en alles kan, alles kan wat god verboden heeft zeggen ze dan en ze bedoelen de God van Israël. Maar die God verbiedt niet zozeer maar die komt op voor mensen. En als de een anderen gebruikt als voorwerpen, objecten die zijn of haar lust kunnen bevredigen, dan doe je die andere mensen geen recht en krijg je dus met de God van Israël te maken. Hetzelfde geld voor de goden van winst en profijt. Wat de een heeft kan de ander niet hebben. Daarom zijn er altijd rijken die nog rijker worden en armen die zelfs verliezen van het weinige dat ze nog hebben. Ook dan krijg je te maken met de God van Israël die wil dat alle mensen recht wordt gedaan en dat wie veel heeft deelt met wie weinig heeft. Zedelijkheid betekent dus dat mensen elkaar als mensen behandelen, behandelen zoals ze zelf behandeld willen worden. Zedelijkheid betekent ook dat je met elkaar deelt van wat je hebt en dat je samen let op de zwaksten in je samenleving. Leven alleen en eerst voor jezelf is onzedelijk. In de dagen van Paulus was er voor elke uitspatting een aparte Tempel, daarom kan hij gemakkelijk praten over afgoderij. In die Tempels gebeurden de praktijken van de duisternis, de riten werden vaak uitgevoerd in duistere ruimten. Christenen vroegen dan om licht of staken het licht aan. In veel gevallen kwam dan ook het bedrog van priesters aan het licht. Ook de schandalen die wij horen rond religie en kerken hebben zich vaak in het duister en het verborgene afgespeeld. Paulus roept ons op juist die duistere zaken aan het licht te brengen en in het licht van de God van Israël te zetten. Wij zullen steeds opnieuw moeten beseffen dat alleen dat wat de God van Israël van gelovigen vraagt is de naaste lief te hebben en dat al het andere dat aandacht en energie vraagt afgoderij is. Daarom mag je samen best genieten, samen best plezier maken, samen avonturen beleven, het goede komt immers van God, maar als je dronken bent dan ben je niet jezelf en kun je dus geen oog hebben voor anderen. Dat geldt ook voor het gebruiken van de meeste drugs, nog afgezien van het feit dat jouw voorbeeld in het gebruik van drank en drugs ook anderen in gevaar kan brengen. Samen zingen, samen genieten van wat de God van Israël aan goed heeft geschonken, daartoe worden we opgeroepen, samen met alle mensen om ons heen, zonder uitzondering, dat mag ook vandaag weer.

Het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik

woensdag, 13 oktober, 2010

Lucas 17:20-37

Het Koninkrijk van God ligt dus voor de hand. Het is niet aan te wijzen, het kent geen grenzen of een hoofdstad, maar het is de samenleving van mensen ingericht volgens de richtlijnen van de God van Israël. Het kan dus ook ons Koninkrijk der Nederlanden zijn, of zelfs de Verenigde Naties. Dat laatste zou natuurlijk het mooiste zijn. Wanneer dus dat Koninkrijk van God komt is niet te zeggen, alleen dat het komt omdat het zo voor de hand ligt, het ligt voor het grijpen en wij zijn het die het moeten pakken, onze handen uit de mouwen moeten steken. Het heeft dus geen enkele zin om je bezig te houden met een leven in de huidige wereld. Dat leven loopt uit op de dood, allemaal gaan we eens naar het kerkhof of het crematorium dichtte eens een dichter. Niets van wat je verworven hebt in dat leven kun je mee nemen. Zelfs niet je beste vrienden of je trouwste partner. Waar twee zijn zal er één worden weggenomen en één achterblijven. En heel veel weduwen en weduwnaars zullen dat beamen. Eigenlijk leven we nog steeds als in de dagen van Noach, toen de aarde werd overspoeld en iedereen verdronk, ook op onze aarde gaat iedereen dood, vroeger of later weliswaar maar toch. Ook in de dagen van Lot werd de onzekerheid, de ongewisheid van het leven maar al te duidelijk. Op al die mensen die zo druk bezig waren met de vruchtbaarheid van hun velden en van zichzelf regende het vuur en zwavel en ze kwamen om. Ook in onze dagen zijn er zogenaamde Christenen die precies menen te weten wanneer het Koninkrijk van God zal komen. Ze proberen ergens een punt in de tijd aan te wijzen waarop de hemelen scheuren en God op deze aarde zal komen te wonen. Maar ze vergeten hun hand uit te steken om het Koninkrijk van God dichterbij te brengen. Dat komt immers als de hongerigen zijn gevoed, de dorstigen te drinken hebben gehad en de bedroefden zijn getroost. Het zal het einde van de geschiedenis zijn. In onze dagen gaan er vele duizenden dood van de honger en dorst, zijn er naakten die nooit aan kleding toekomen omdat ze er te arm voor zijn, zijn er ontelbare bedroefden die hun geliefden verloren in oorlog en geweld. Het lijkt er op dat er onze wereld geen plaats is voor het Koninkrijk van God. Zoals Jezus van Nazareth werd gekruisigd omdat hij het waagde op die andere manier van leven te wijzen, leven in liefde voor je naaste als voor jezelf, maar die liefde door de dood heen droeg, zo worden ook in onze dagen alle initiatieven voor een betere wereld om zeep geholpen. Ook in onze dagen lijkt het recht voor de armen niet meer te tellen, lijkt het delen met de armsten vergeten. Maar juist in deze dagen kunnen wij des te meer laten zien waar de werkelijke zin van het leven ligt. Niet in een sterker Nederland maar in dat Koninkrijk waar alle tranen gedroogd zullen zijn, aan dat Rijk mogen we vandaag gaan bouwen, het ligt voor de hand.

Leg daarom de leugen af

dinsdag, 12 oktober, 2010

Efeziërs 4:25-5:2

We zijn weer terug bij die kleine gemeente in Laodicea die uit Efeze een brief van de beroemde apostel Paulus kreeg met tips en raadgevingen over hoe zo’n gemeente zou kunnen inrichten en waar je dan op zou moeten letten. Voor ons is het de normaalste zaak dat je er van uit gaat dat je de waarheid spreekt. Maar in een gezelschap waar rijk en arm, allochtoon en autochtoon, slaaf en vrije door elkaar heen zit en je niet weet of er iemand onder is die je aan een slaveneigenaar of aan de overheid kan verraden ligt het niet echt voor de hand dat je het achterste van je tong laat zien. Toch moet je dat risisco nemen als je werkelijk een eenheid wil gaan vormen. Het is als met een jas uittrekken, de gewoonten die je had, ook als je moet vertellen over je afkomst, je beroep of je maatschappelijke status, moet je in dit gezelschap over boord zetten, afleggen, want hier zul je de waarheid moeten aandurven. Zo moet ook boosheid niet uit kunnen groeien tot wrok. Ook vandaag de dag is het advies om de zon niet onder te laten gaan over je boosheid een goed advies. Spreek het uit, spreek de ander aan, boosheid kost veel energie die je beter aan andere zaken kunt besteden. Boosheid trekt het kwade in jezelf aan en dat kwade moet je geen kans geven. Heel bijzonder is de reden die Paulus geeft om te gaan werken in plaats van te stelen. Stelen doe je voor je zelf zodat je genoeg hebt voor jezelf, maar werken doe je opdat je ook iets hebt dat je kunt weggeven aan wie het nodig heeft. In de dagen van Paulus waren er genootschappen van dieven die elkaar hielpen. Als je daar los van kwam en het goede ging nastreven dan was stelen er dus niet meer bij. Hetzelfde geld voor het gebruik van vuile taal. Alle mensen zijn broeders en zusters en daar spreek je dus niet vuil over. Leven in de Geest van Jezus van Nazareth, de Heilige Geest, betekent dat in jouw handelen en het handelen van de gemeenschap waar je bij hoort die Jezus van Nazareth te herkennen is. God is liefde en dat voorbeeld zul je moeten volgen. Het is geen liefde waar wat tegenover staat, zelfs niet een beloning door de God van Israël, maar het is een Liefde die vrede en leven brengt in de stad waarin je woont. Een liefde waarvoor je iedereen warm zou willen laten lopen omdat conflicten opgelost worden, armoede verdwijnt, bedroefden worden getroost. Dat is het soort gemeenschap waar ook in Laodicea naar gestreefd zou moeten worden. Als we die richtlijnen en adviezen naar onze dagen vertalen dan zien we dat ze ook voor ons kunnen gelden. Ook onze gemeenten zouden moeten uitblinken in liefde en die in onze steden en dorpen uitdragen. Samenleven, zorgen voor de armen, zorgen voor de kinderen en jongeren onder ons, zorgen voor de armsten in de wereld en ons niet laten opzetten tegen mensen die anders geloven maar met hen maaltijd houden en een  samenleving opbouwen. We mogen blij zijn dat dat ook vandaag weer kan en mag.