Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2010

Dan zijn we geen onmondige kinderen meer

donderdag, 30 september, 2010

Efeziërs 4:7-16

Als je Paulus hoort zeggen dat we geen onmondige kinderen zijn dan zou je bijna denken dat de meeste kerken niet verder gekomen zijn dan de jonge pas gestarte gemeente in Laodicea tot wie hij uit Efeze deze brief heeft geschreven. In onze dagen zijn mensen mondig en mogen ze niet alleen over van alles en nog wat meepraten maar moeten ze dat ook. Als ze hun mond niet open doen dan wordt er over hun hoofd heen beslist over hun inkomen, hun huis, hun buurt en de kerk waarheen ze op zondag heen gaan als ze niet moeten werken. In die kerk moeten ze dan ineens hun mond houden. Het is maar heel langzaam dat er vormen gevonden worden waarin mensen zelf ook zendelingen, apostelen in het Grieks, evangelieverkondigers, profeten, herders en leraren kunnen zijn zonder allerlei bijzondere voorwaarden maar op grond van hun kennis en capaciteiten. Dat was waar Paulus heen wilde maar dat kennelijk in de geschiedenis van de kerk nooit is gerealiseerd. Paulus citeert zelfs Psalm 68 waar de genade van God als een bevrijding voor ons wordt geschetst en Paulus schetst zelf de dood en opstanding van Jezus van Nazareth als een bevrijding van de angst voor de dood. En in die Psalm worden de onderdrukkers van Israël geschetst als gevangen die achter de zegewagen van de God van Israël omhoog worden gevoerd. Zo mogen de bedreigde en vervolgde leden van de gemeente in Laodicea zich gesterkt en bemoedigd weten, zo mogen wij ons bevrijd weten van de onmondigheid ook in onze eigen kerken. Daar hebben we geleerd juist over die bevrijding van Jezus van Nazareth. Daar mogen we met de Apostelen dus de verhalen vertellen over Jezus van Nazareth en zijn volgelingen, met Paulus ook over de discussies in de jongste gemeenten zoals we die hier lezen. Daar mogen we als evangelieverkondigers zoeken naar de taal die nodig is om in onze dagen in woord en daad het evangelie van de bevrijding van de armen te verkondigen. Daar mogen we oefenen in het herder zijn van de zwakken om hen uit hun onderdrukking te kunnen leiden, daar mogen we leraren zijn om elkaar en onze samenleving te leren, door het doen, wat het betekent je naaste lief te hebben als jezelf en hoe dat de wereld kan verrijken. Zodat wij allen samen een eenheid vormen, een gemeenschap waar het onderscheid tussen arm en rijk, het onderscheid op grond van sexe en afkomst, het onderscheid op grond godsdienst en religie verdwenen is omdat de samenleving gegrondvest is op de volheid van de Messias, de gezalfde bevrijder, Christus in het Grieks, die ons de totale en onvoorwaardelijke liefde voorgeleefd heeft en die dat zelfs door de dood heen heeft gedragen. Als dat onze maat voor het handelen geworden is dat zijn we niet meer gevoelig voor de mooie praatjes van hen die de rijken nog rijker willen maken en de armen willen afnemen ook wat ze nog hebben, die groepen tegen elkaar willen opzetten zodat anderen altijd de schuld van tegenslag kunnen krijgen. Die onverschilligheid mag ons ook vandaag weer leiden als we werken in het Koninkrijk van God.

Wees steeds bescheiden

woensdag, 29 september, 2010

Efeziërs 4:1-6

Je hoort wel eens zeggen dat de Bijbel vol zou staan met voorschriften en verboden. Dat is natuurlijk niet waar. De Bijbel staat vol van verhalen. Uit die verhalen kun je dan leren hoe de God van Israël zou willen dat de mensen met elkaar en met die God zouden omgaan. Maar je moet het wel willen horen. Als je altijd wil voordringen dan is de raad die aan een jonge gemeente wordt gegeven om altijd bescheiden te zijn niet erg welkom. Dat gaat ook op als je je eigen mening, je eigen levensovertuiging, wilt opdringen aan anderen. Dan is bescheidenheid een goede eigenschap maar dan kom je verder zonder. Kerken en Christenen hebben nog wel eens de neiging om hun overtuiging aan de samenleving op te leggen. Natuurlijk is een vrije zondag van groot belang voor de samenleving, maar het gaat niet aan die vrije zondag aan anderen op te dringen, zo komt nooit iemand er achter hoe belangrijk die is. Natuurlijk is de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, God heeft immers de mens gekneed uit de rode klei en de adem ingeblazen. Maar het gaat niet aan om de samenleving vervolgens op te dringen dat ze daar niet naar zouden mogen kijken en dat ze bloot moeten verbieden. Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze wat die gemeente zou moeten uitstralen. Bescheiden, zachtmoedig en geduldig. De softies uit het Romeinse Rijk, de zalfjes, christenen, dat betekent gezalfden, genoemd. Niet omdat ze zich minder zouden moeten vinden, omdat ze zichzelf zouden willen wegcijferen, maar omdat ze van mensen houden. Van alle mensen, van de rijken en de machtigen en van de slaven en de mensen die uit de samenleving waren gezet. Binnen die gemeente werd de krachttoer verricht elkaar te verdragen. Mensen die in de samenleving nooit met elkaar zouden omgaan, slaven en vrijen, mannen en vrouwen, Joden en Heidenen,  autochtonen en allochtonen, vormden in de Christelijke gemeente een eenheid, een gemeenschap. Dat in de Geest van Jezus van Nazareth. Ze opereerden als één lichaam, allemaal verschillende functies en eigenschappen maar samen een onverslaanbaar sterk geheel. Gebonden door één hoop, de hoop op de wereld waarin alle geweld verdwenen zou zijn, waarin alle tranen gedroogd zouden zijn. Met één Heer, één Kurios of Keizer, Jezus van Nazareth. Met één en dezelfde Vader die voor je opkomt, die je recht kan doen, de God van Israël, door Jezus van Nazareth al Vader genoemd. Door zijn geest kan Hij alles in allen zijn. Als die mensen in de gemeente van Efeze eens om zich heen keken in hun wekelijkse bijeenkomsten waar ze samen het brood braken dan zullen ze zich hun ogen hebben uitgewreven. Het is mogelijk dat mensen van heel verschillende afkomst, van heel verschillende geloof, Joden en Heidenen, rond dat woord van Jezus van Nazareth samen één gemeenschap vormen. Ook voor ons is dat mogelijk, elke dag als wij van onze naaste houden als van onszelf en werken voor dat Koninkrijk van God, dat kan dus ook vandaag weer.

Nu dragen wij hun schuld

dinsdag, 28 september, 2010

Klaagliederen 5:1-22

Vandaag lezen we het vijfde klaaglied uit het boek dat de Klaagliederen van Jeremia wordt genoemd. Van a tot z wordt de ellende van Israël bezongen. In de vier klaagliederen die hiervoor staan wordt dat nog netjes op alfabet gedaan maar hier is het een chaos geworden van de 22 letters uit het Hebreeuwse alfabet, daarom heeft dit lied 22 regels, voor elke letter één. In dit lied geen mooie coupletten zoals in de vorige, bij al het leed dat wordt genoemd lijkt de zanger en dichter langzaam te verstommen, ten onder te gaan in het leed dat zich voor zijn ogen voltrekt. Het lied is gericht als noodkreet tot de God van Israël. En het begint met het uitspreken van hoop. Die lees je in de Nieuwe Bijbelvertaling van vers 2 niet meer, in oudere vertalingen zou je dat nog op het spoor kunnen komen. Hier wordt vertaald met “ons eigen land” in oudere vertalingen met “ons erfdeel” en het land dat een eeuwig erfdeel zou zijn en dat onder Jozua was verdeeld hoort elke 50 jaar terug te komen. Ook nu het aan de vreemdeling is toegevallen, het bezit aan de buitenlander. In het Jubeljaar kon elke familie weer opnieuw beginnen. Dat is belofte waaraan de dichter hier subtiel herinnert. Al de ellende die hij schildert neemt het uitzicht op de bevrijding van de ellende niet weg. Maar er is geen Koning die het jubeljaar zou kunnen uitroepen. Er is niemand meer die recht zou kunnen zoeken voor het volk, ze zijn als onmondige kinderen die geen voorspraak, geen advocaat, geen vader, meer hebben die voor ze op zou kunnen komen. Alle rechten die aan de armen waren toegekend, gratis water, gratis hout sprokkelen, zijn aan de armen ontzegd. Slavenarbeid krijgen ze, in het Hebreeuws in dezelfde woorden als de slaven ooit in Egypte. De wereldmachten waar ze steun bij dachten te zoeken waren in onderdrukkers veranderd. De profeten als Jeremia en Jesaja hadden daar al tegen gewaarschuwd maar die waarschuwingen waren in de wind geslagen. Het gevolg is dat ze nu overheerst worden door zetbaasjes van koningen die ver weg zijn, ambtenaren die het volk uitpersen ten eigen voordeel. Gevolg is dat de oogst bedreigd wordt door roversbenden, dat vrouwen worden verkracht, de vorsten opgehangen zijn en jonge jongens al aan slavenarbeid worden gezet. Met het recht dat is verdwenen zijn ook muziek en vreugde verdwenen. De plek waar ooit het recht van de armen werd gevierd, de Tempelberg Sion, is nu een woestenij geworden. Dat was de voetenbank van de God van Israël. En in uiterste wanhoop doet de dichter een beroep op de God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Denk dus niet dat het geloof in die God, het geloof in zijn bevrijding je vrijwaart van ellende. Als je niet zorgt voor het recht van de armen, de hongerigen voedt, de naakten kleed, vrede sticht, dan zal je uiteindelijk die ellende overkomen. Alleen werken aan een wereld waar de armen recht wordt gedaan brengt uiteindelijk voor die wereld de orde in de chaos die nodig is. Wij mogen daar vandaag weer aan werken, als we uit de Klaagliederen maar leren waar die ellende gelegen is.

Ook omwille van uzelf

maandag, 27 september, 2010

Daniël 9:15-19

Er zijn twee argumenten waarmee Daniël probeert God te verleiden Jeruzalem en de Tempelberg weer te herstellen in de oude glorie en het volk terug te laten keren. Dat zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid. Eigenschappen die overal in de Bijbel aan God worden toegekend. De God van Israël ziet niet neer op mensen zoals de goden van Babel deden, ze waren geen willoze speeltjes in zijn hand, zoals de mensen van Babel geloofden van hun goden, maar de God van Israël had de mensen naar zijn beeld geschapen om samen met die mensen op te trekken. De God van Israël laat mensen tot hun recht komen en als die mensen onrecht begaan dan wordt uiteindelijk ook dat duidelijk. Maar wat is de God van Israël zonder volk, zonder Israël? Dat samen gaan met mensen werd pas duidelijk in de Tempel in Jeruzalem. Geen beelden hoorden in die Tempel, maar de tekst van het verbond dat kon worden samengevat in het heb uw naaste lief als uzelf. Daar hoort barmhartigheid bij. Moeten we dan de ander niet doen wat zouden willen dat aan ons wordt gedaan? Zou de God van Israël dat ook niet doen, de God die mensen liefheeft? Die wil immers dat zijn volk weer met hem gaat en dat kan alleen als de dingen die fout gegaan zijn worden vergeven, dat kan alleen als er een nieuwe start wordt gemaakt. Dat is dus geen nieuwe start van zand er over en we praten er niet meer over. In de eerste plaats moet vast staan dat het volk echt een nieuwe weg is ingeslagen. Daniël was begonnen met vasten en rouw, maar ook met het bestuderen van de oude geschriften zoals die in de ballingschap bijeen waren gebracht en bewerkt waren tot bruikbare eenheden, wij kennen die nu voor een groot deel als het Oude Testament. Na de ballingschap zijn er nog maar een paar boeken aan toegevoegd die ons vertellen hoe het met de ballingen is afgelopen. Daniël weet ook, en dat lezen we hier tussen de regels door, dat de fouten uit het verleden het volk moeten behoeden voor het maken van dezelfde fouten. Bewustzijn van die fouten en wat er zo fout aan was is een voorwaarde voor vergeving, vergeving en bekering liggen daarom in elkaars verlengde. Je keert je om van de weg die niet de weg is van de God van Israël en dan kan het gaan van die foute weg vergeven worden. Het is daarom dat wij elk jaar weer de Tweede Wereldoorlog herdenken. Dat was niet zomaar een van de vele oorlogen uit de geschiedenis. Daar lag een fundamenteel foute weg aan ten grondslag. Het aanwijzen van groepen mensen in de samenleving op grond van hun geloof en afkomst en die achterlijk en minder verklaren. Dat liep uit op dood en verderf. Gelovigen uit kerken in Duitsland en Nederland hebben hun tijdgenoten van begin af het foute van die weg voorgehouden. En het besef van die fout moet ons behoeden diezelfde weg te gaan. Dat is de les die we van Daniël leren, maar die les moeten we ook vandaag in de praktijk brengen.

Doodsbang keren mijn vijanden om.

zondag, 26 september, 2010

Psalm 6

Vandaag zingen we mee met een wanhoopspsalm. Hoewel zingen. De Psalm zal gezegd zijn begeleid met snarenspel. Wie weet zelfs alleen op de achtste snaar. Dat zou het wanhoopskarakter van de Psalm nog versterken. De dichter bezingt zijn angst als een ziekte. En dat is niet zo vreemd. Wij kennen dat in onze dagen ook. De angst voor de Islam is het grootste in die delen van het land waar de Islam de minste aanhangers kent, Limburg en Oost-Groningen. En zelfs als wetenschappelijk onderzoek van de Vrije Universiteit aantoont dat we niet bang hoeven te zijn, zelfs niet voor dat hele kleine groepje oer orthodoxe moslims dat er zo hier en daar is, dan nog wordt de angst voor de Islam gezaaid. Die angst is als een ziekte en het is goed dat de dichter om genezing bidt. Want zelfs midden in het leven kun je terecht komen in een dodenrijk. Angst verlamt immers, angst dood alle vermogen om het leven onder ogen te zien, angst weerhoud je ook van alle redelijke communicatie. Als je je zo door angst laat regeren dan valt er zelfs niet meer met God te communiceren. Dan laat je je niet meer in beweging zetten door de woorden van de God van Israël. Een mens die van angst de slaap zelfs niet meer kan vatten houd het niet vol. Deze psalm werd vroeger in de kerk gebruikt als de eerste van een reeks boetepsalmen. Wij kijken soms vreemd aan tegen het idee boete te gaan doen voor hetgeen we verkeerd zouden hebben gedaan. We bedoelen het immers goed en streven over het algemeen naar het goede. Maar in deze psalm komt schuld van de dichter en boete niet voor. Het is daarom zeer goed mogelijk dat erkenning van schuld en het doen van boete begint bij de ontdekking van onze eigen angst. Angst voor hen die anders zijn, angst voor wat de wereld wel van ons zou zeggen, angst voor onze carière en onze eigen baan, angst voor de toekomst van de buurt waarin we wonen. Op het eind van de psalm wordt gesproken over de vijanden die omkeren als God luistert, of dus als wij luisteren naar God. De angst wordt ons aangepraat. Wij praten elkaar ook die angst aan. Er staat in de Bijbel op veel plaatsen de roep om niet bang te zijn, vreest niet. Het klinkt tot de herders in de Kerstnacht, maar ook tot de leerlingen in Getsemané als Jezus van Nazareth gevangen wordt genomen. Wij zullen ook in onze dagen moeten leren de angst serieus te nemen en ons niet op de angst maar op God te richten. God die ons wijst op onze naaste die we lief kunnen hebben, op de vreemdeling die we kunnen behandelen als iemand van ons eigen volk, op de armen die we recht kunnen doen. De angstzaaiers zullen dan om keren, met schande bedekt want zij zaaien de problemen waar ze zelf bang voor zijn. Wij kunnen elke dag anders, ook vandaag weer, laten we dat daarom onbevreesd tegemoet treden.

Onze God, is vol erbarmen en vergeving.

zaterdag, 25 september, 2010

Daniël 9:9-14

Zo heeft Daniël de verhalen over de God van Israël gelezen. Dat was een God die de hemel en aarde geschapen had voor de mensen. Dat was een God die niet alleen de aarde liet overstromen maar er zelf voor zorgde dat er met mensen een nieuw begin gemaakt kon worden en met Noach een verbond sloot dat de aarde nooit meer onder water zou komen. Dat was een God die Abraham deed uittrekken uit het land van zijn vaderen en aan Abraham niet alleen land beloofde maar ook dat die de vader zou worden van vele volken. Dat was de God die het volk Israël bevrijdde uit de slavernij van Egypte en met hen een verbond sloot in de Woestijn en hen een land gaf dat overvloeide van melk en honing. Maar dat volk had de regels van dat verbond in de wind geslagen. Dat volk was andere goden achterna gelopen. Die God had nog tot dat volk gesproken door zijn profeten maar ze hadden daar niets van willen weten. Ze waren gewaarschuwd want in het verbond zoals het stond opgeschreven in de boeken van Mozes stonden ook de vervloekingen voor hen die zich niet aan de regels zouden houden. Die vervloekingen waren dan ook uitgekomen. Nooit was een volk zo vernederd, een stad zo verwoest. Maar Daniël komt tot de ontdekking dat het volk na in ballingschap te zijn gegaan wel weer de verhalen over de God van Israël is gaan verzamelen en opschrijven, dat de oude wetten van Mozes weer van het stof werden ontdaan en dat de ballingen uit Israël hun identiteit ontleenden aan het verbond met de God van Israël maar dat ze nog nooit afstand hadden genomen van hetgeen geleid had tot de ballingschap. Nergens bleek uit dat ze het oprichten van beelden in de Tempel, het slaan van de Asjerapalen op de velden, het oprichten van Baäl beelden in de dorpen en het offeren van kinderen aan de Moloch verkeerd en verwerpelijk waren gaan vinden. Ze waren gevangenen van Babel en daarom waren ze de godsdienst van Babel niet achterna gelopen maar zouden ze dat ook volhouden als ze weer teruggekeerd zouden zijn naar Kanaän, het land dat God hen gegeven had? Het zijn het soort vragen die ook in onze dagen klinken. Hebben wij werkelijk afstand genomen van Auschwitz en de Holocaust? Weigeren wij voortaan onderscheid te maken tussen mensen in ons land op grond van geloof of etnische afkomst? Laten wij elk mens die verdacht wordt van crimineel gedrag beoordelen door een onafhankelijk rechter en beschouwen wij dat mens tot het oordeel van die rechter is uitgesproken als onschuldig? Hebben wij eerbied en respect voor onze naasten en stellen wij de hulp aan de zwaksten in onze samenleving voorop? Ook wij kunnen lezen dat onze God vol erbarmen en vergeving is, maar wel als wij verwerpen wat voor ons is fout gegaan, als wij afstand nemen van haatzaaien en in plaats het recht van de sterkste het recht van de zwakste zetten. Maar net als Daniël kunnen wij er opnieuw mee beginnen, vandaag nog en elke dag weer opnieuw.

Wij zijn slecht en opstandig geweest

vrijdag, 24 september, 2010

Daniël 9:1-8

Vandaag lezen we uit het hart van de ballingschap van Israël. Daar waar het volk treurend zit aan de oevers van de rivieren de Eufraat en de Tigris. Ooit symbolen voor het paradijs nu de grenzen van de ballingschap. En zal die ballingschap ooit voorbij zijn? Daniël leest nog eens terug in de boeken van de profeten wat die er van gezegd hebben. Hij leest bijvoorbeeld in het boek van de profeet Jeremia en komt daar tegen dat het zeventig jaar zal duren na de val van het Babylonische rijk voordat de ballingen terug zullen mogen keren naar Jeruzalem. Er is hoop maar het zal nog een tijd duren. Maar in dat boek van de profeet Jeremia leest Daniël ook nog wat anders. Jeremia had ook opgeschreven waarom het volk in ballingschap werd gestuurd en waarom het generaties, tot in het derde en vierde geslacht, zou duren voordat de God van Israël het opnieuw zou willen wagen met het volk. In het boek van de profeet Jeremia staat beschreven hoe het volk afgodsbeelden had geplaatst in de Tempel in Jeruzalem, hoe op de akkers de palen van Asjera, de kanaänitische vruchtbaarheidsgodin, waren geplaatst, hoe Baäl werd aanbeden en kinderen leven in een vuur werden geworpen als offer aan de god Moloch. Als je dat leest dan begrijp je waarom de God van Israël niet langer met dat volk verbonden wilde blijven. Daniël besluit tot een erkenning van schuld, vasten en rouwen, de rituelen die bij schuld en boete horen. Rouwen om de doden die door de schuld van het volk zijn gevallen, om de afstand die het volk tot de God van Israël had genomen. Lezend in het boek van de profeet Jeremia beseft Daniël dat het volk niet heeft geluisterd naar de waarschuwingen van profeten als Jesaja en Jeremia, dat het nog steeds moeilijk is voor profeten als Ezechiël om gehoor te krijgen bij het volk. Daniël hoort zelf bij de leiders van het volk in ballingschap. Hij bekleedde een hoge positie aan het hof. Hij kan dus getuigen dat de schaamte op zijn gezicht staat, dat hij en de oudsten, de koningen van Israël, de leiders van de ballingen, zich schamen voor de manier waarop het volk zich gedragen heeft. Daniël zal ook hebben beseft dat pas vanuit het inzicht in wat er fout gegaan is hoop kan komen op een nieuwe start, op een terugkeer naar Jeruzalem. Dan is die terugkeer niet alleen een nieuwe verhuizing maar ook een nieuwe manier van leven, opnieuw leven naar de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat kan dus. Zelfs als je ver bent afgeweken als volk van de richtlijnen van de God van Israël kun je weer opnieuw beginnen. Dat geldt dus ook voor ons. Als wij inzien hoe onrechtvaardige handelsverhoudingen de honger in de wereld in stand houden, dat onze wapenhandel de oorlogen aan de gang houden, dat onze hebzucht kinderen, vrouwen en arbeiders in slavernij gevangen houden, dat wij in onze samenleving de een tegen ander laten opzetten, als wij bereid zijn dat te veranderen dan kunnen ook wij een nieuwe start maken, op weg naar het Koninkrijk van God. Dat kan vandaag nog, ieder van ons kan er vandaag mee beginnen.

Gelukkig hij die wraak zal nemen

donderdag, 23 september, 2010

Psalm 137

Vandaag een Psalm die niet van David kan zijn. Koning David had geen weet van de ballingschap in Babel en ging de ballingen niet voor in een lied. En deze psalm is een droevig lied van de Israëlieten die naar Babel waren weggevoerd. We lezen daarover onder meer bij de profeten Jesaja en Jeremia. Die ballingschap greep diep in. Ooit had het volk Israël geloofd dat daar tussen de rivieren van Babel, de Eufraat en de Tigris het paradijs had gelegen, waar God had gewandeld met Adam en Eva. Maar waar deze ballingen terecht gekomen waren was het tegendeel van het paradijs. Hier viel niets meer te zingen. Ja, ter vermaak van de bewakers, maar niet meer ter ere van de God van Israël. De lier werd in de wilgen gehangen. Tot op vandaag de dag de uitdrukking voor mensen die er mee opgehouden zijn, in het meest gunstige geval als ze met pensioen gaan maar veel vaker als mensen uit wanhoop er mee stoppen.. Die wanhoop klinkt in de woorden van deze psalm maar al te zeer door. Toch kent bijna iedereen deze psalm in een zeer vrolijke uitvoering. “By the rivers of Babylon” van Boney M. was een wereldhit die we ook vandaag de dag nog kunnen horen. Het lied was geënt op een spiritual van de slaven in de Verenigde Staten. Die legden niet zozeer de nadruk op het begin van de psalm, treurig ter neer zitten bij de rivieren, maar veel meer op het vervolg. Aan Jeruzalem blijven denken. Daar had immers het woord van bevrijding geklonken, de belofte van terugkeer. De Psalm eindigt dan ook met de droom van de wraak, al dat leed dat de ballingen is aangedaan zal gewroken worden. En vanuit die bevrijding mogen wij de psalm ook vandaag nog meezingen. Want al denken wij in een land van vrijheid te wonen, we weten natuurlijk dat we in de wetten van productie en consumptie gevangen zitten, dat we gedwongen worden de goden van winst en profijt mee te aanbidden. Daarom worden we ook bang gemaakt voor een godsdienst als de Islam, want we zouden weer eens gaan nadenken over de grondwaarden van ons eigen geloof. We zouden weer eens ontdekken dat het gaat om de hulp aan de naaste, om te delen van wat we hebben met degene die niets heeft. We zouden eens ontdekken dat we het gedrag van een ieder moeten afmeten aan het vermogen om te delen in plaats van aan het vermogen om winst te maken. We zouden ons weer eens bewust worden van het feit dat je van delen rijker wordt dan van oppotten. De ballingen zongen dat ze Jeruzalem niet moesten vergeten. Daar lag de Wet van de woestijn opgeborgen in de Tempel van de God van Israël. Die Wet zegt dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, de Wet van Compassie zeggen we tegenwoordig. Die Wet delen ook wij met zeer veel mensen over de hele wereld. Die Wet mogen we dag in dag uit en elke dag opnieuw weer in praktijk brengen, ook vandaag weer.

Wie betrouwbaar is in het geringste

woensdag, 22 september, 2010

Lucas 16:10:18

Alles draait altijd om het geld. Als je dus niet te vertrouwen bent met geld dan ben je ook niet te vertrouwen in vriendschap en niet in liefde. Daar begint het gedeelte van vandaag mee. Je hebt ook zorg te dragen voor de spullen van een ander. Dat gaat dus nog een stap verder dan het niet begeren van wat een ander is. Dat gebeurt vaak, dat Jezus van Nazareth net een stap verder gaat dan de Wet van Mozes. Niet alleen een ander niet aandoen wat jij niet wil dat jou wordt aangedaan, maar voor een ander doen wat jij wilt dat voor jou wordt gedaan. Zo ook dus in dit gedeelte, zorg voor de spullen van een ander, dan zorgen ze ook voor jouw spullen. Zo moeten we dus ook onze kinderen groot brengen. Vernielen, verslonzen, vervuilen, het hoort er allemaal niet bij te zijn. Maar het gaat verder. Rijkdom verwerven, carière maken, aanzien krijgen, het kan allemaal niet samengaan met het liefhebben van de Weg van de God van Israël. Jezelf en je naaste kun je wel evenveel maar niet tegelijk liefhebben. Jezelf verrijken gaat altijd ten koste van de naaste en voor de zorg voor de naaste is altijd iets van jezelf nodig dat je moet durven en willen inzetten. Twee heren dienen kan dus niet. De religieuze autoriteiten uit de dagen van Jezus van Nazareth waren niet anders dan veel autoriteiten van onze dagen. Hun eigen inkomen en hun eigen financiële positie komen eerst. Eerst wordt de hypotheekrenteaftrek veilig gesteld, en dan de jaarlijkse bonussen voor de exorbitante zelfverrijkers en dan pas komen de armen aan bod, eerst natuurlijk de armen in eigen land en dan pas de verre armen die vast zitten in oneerlijke handelsovereenkomsten. Let straks maar op, een nieuwe regering zal de mond vol hebben van de vrije markt maar geen enkele belemmering opheffen waardoor producenten uit arme landen hun producten hier op de vrije markt kunnen aanbieden en waardoor zij een eerlijk loon voor hun arbeid krijgen. De eigen rijkdom dienen en de ander liefhebben gaat nu eenmaal niet samen. De mooie pakken en fraaie woorden, de uitgesneden jurken en de prachtige hoedjes ten spijt, wij genieten er van maar wie er doorheen weet te kijken ziet de gruwel van het hebben en houden ten koste van de armsten in de wereld. In de dagen van Jezus van Nazareth kon men nog denken dat het genoeg was niet direct van een ander te stelen, niet daadwerkelijk zelf te moorden. Maar sinds Jezus van Nazareth weten we dat iemand laten verhongeren ook moord is, dat niet delen van noodzakelijke goederen hetzelfde is als stelen, dat onrechtvaardige handelsverhoudingen hetzelfde is als uitbuiting. Als we willen werken aan de bevrijding van de armen, aan het Koninkrijk van God dan zullen we de rollen moeten omdraaien, dan zullen we eerst de ander moeten dienen en dan pas onszelf. Dat kunnen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag dus.

Met behulp van de valse mammon

dinsdag, 21 september, 2010

Lucas 16:1-9

Dat was een mooie bedrijfsleider die oneerlijke rentmeester. Daar zullen de leerlingen van Jezus van Nazareth nog hartelijk om gelachen hebben. Wat een verhaal kregen ze voorgeschoteld. Oneerlijke rentmeesters waren er genoeg. Ze vroegen gewoon meer pacht aan de pachters van hun heer en met het verschil leiden ze een heerlijk leventje. Als het de heer ter ore kwam dan waren ze nog niet jarig. Een verpachter kon geen opstand van zijn pachters gebruiken, zeker niet in de onzekere tijden van de Romeinse bezetting. Zelfs het gerucht dat een rentmeester oneerlijk zou zijn leidde daarom al tot het einde van het rentmeesterschap. Maar hoe behoud je nu een gemakkelijke positie? De boodschap van het verhaal is duidelijk, alleen door te delen met de armen kun je rijk blijven. Want dat is wat de rentmeester bij zichzelf overlegd. Hij weet wat hem te doen staan om zich te laten ontvangen als zijn heer hem de straat heeft opgeschopt. Hij verlaagt de schulden die er nog uit zouden staan. Die schulden had hij waarschijnlijk zelf verhoogd en hij gaf daarmee ook oneerlijk verkregen inkomen weg. Honderd vaten olijfolie als schuld is overigens een hele grote schuld. Deze manier van schuldsanering kennen de mensen van de volkskredietbanken nog het best. Zij kennen de mensen die het vel over de oren werd getrokken met leningen die ze nooit zouden terug kunnen betalen. Als die mensen dan op straat gezet dreigen te worden en gas en electra zijn afgesneden dan kan er schuldsanering plaatsvinden. Tenminste als de schuldeisers genoegen nemen met een heel klein deel van de schuld die dan wel afbetaald wordt. Zo krijgen ze tenminste nog wat. Als de schuldeisers te gretig op winst belust zijn dan komen er te veel mensen die in een dergelijke schuldsanering komen. Daarom hoort er een rem op het verlenen van leningen te zijn. In de dagen van Jezus van Nazareth was dat ook de reputatie van de rentmeester. Deze rentmeester kocht zich een toekomst door de schulden te saneren. Zo kon hij met een gerust geweten ontslagen worden. Van oneerlijke mensen kun je nog wat leren is de moraal van de gelijkenis. Van delen wordt je rijker. Al die mensen die sparen, oppotten voor slechtere tijden, niet investeren in nieuwe markten, zorgen dat waterputten worden geslagen, landbouwmethoden aan arme boeren wordt aangeleerd, die handelen verkeerd. Als het voedsel en de brandstof schaars worden in de wereld kunnen we er beter voor zorgen dat we nog vrienden hebben die het inmiddels ook hebben geleerd, hoe landbouw te bedrijven, hoe biobrandstof te maken, hoe voor zichzelf te zorgen. Ook wij worden van delen rijker, Fair Trade kan ons daarbij helpen en aan een samenleving van delen mogen we elke dag werken, ook vandaag weer.