Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2010

Het brood dat wij nodig hebben

woensdag, 21 juli, 2010

Lucas 11:1-13
 
Vandaag vragen wij ons af hoe je moet bidden. Jezus van Nazareth gaf daarin volgens het Evangelie van Lucas les op verzoek van zijn leerlingen. Het gedeelte dat we uit de Bijbel lezen vandaag begint niet alleen met het beroemde Onze Vader in de versie van het Evangelie van Lucas. We bidden meestal de versie van het Onze Vader uit het Evangelie van Matteüs. Maar het verhaal van Lucas leert ons ook wat bidden eigenlijk is. Bidden is vragen, maar dan vragen naar wat je echt nodig hebt. Voor eten hebben we eigenlijk niet meer nodig dan ons dagelijks brood. En om een beetje vrede te hebben weten we eigenlijk best dat we mensen om ons heen de fouten moeten vergeven waarvan we willen dat zij ze ons ook zouden vergeven. Natuurlijk mag je die noemen. Maar je mag ook aan de mensen om je heen die vergeving vragen. Want meestal weten mensen hun eigen fouten het eerst, en de eerste zijn die om vergeving vraagt maakt dat mensen mild gestemd worden en ontvankelijker worden voor het noemen van hun eigen fouten, zeker als die vergeven worden. Vergeving is dan ook niet zoiets als “zand erover”, maar veel meer “we beginnen samen opnieuw maar dan op andere manier”. Van vergeving groei je, zeiden ze vroeger wel eens, maar Paulus waarschuwde in een van zijn brieven dat je er niet maar op los moet leven zodat je veel meer vergeving krijgt voor alles wat je verkeerd doet. Het goede brengt het goede voort leren we. Natuurlijk, een vader die zijn kinderen liefheeft  geeft ze geen oneetbare dingen als maaltijd. Wie dit leest en een vader, moeder of verzorger heeft en wel geslagen en vernederd wordt en dat niet durft te zeggen moet echt de kindertelefoon bellen, of er met iemand over praten. Ook die vader, moeder of verzorger kan vergeven worden voor de fouten die ze maken maar dat opnieuw beginnen kan alleen als iemand er over durft te spreken. Als iedereen snapt dat je kinderen het goede moet geven hoeveel meer kan het goede zelf dan voortbrengen. Daarom moet je ook niet je mond houden bij het kindergehuil bij de buren, daarom moet je ook spreken over de blauwe plekken bij de buurvrouw of buurman, daarom moet je iets zeggen als de vrienden en vriendinnen van je eigen kinderen weer eens dronken zijn. Vergeven kan alleen beginnen als duidelijk is wat er vergeven moet worden, als we bereid zijn om het samen anders te gaan doen, het kwade te gaan weren en het goede toe te laten in ons leven. Daarom moet je je mond niet houden als je iets tegenkomt dat verkeerd is. Als je iets bij jezelf tegenkomt dat je verkeerd doet, maar ook als je bij anderen iets tegenkomt dat verkeerd is. Door dat kwade uit de wereld te helpen kun je mensen in de gelegenheid stellen opnieuw te beginnen, dat is vergeving. Dat is ook pas echt bidden en dan geldt zeker dat, als je bidt, je ook gegeven zal worden. Niet om rijkdom en aanzien valt er te bidden, niet om te zeggen hoe goed we wel niet zijn, maar om de Geest van God, want in die geest willen we werken en leven, niet voor onszelf maar voor onze naaste. Het zijn dus niet de lange gebeden in een kerk waarin de preek van de zondag nog eens wordt herhaald, het zijn dus ook niet de gebeden van wij zijn zo goed en zij zijn zo slecht. Bidden is werken aan een betere wereld, meer hoeven we niet te vragen.  Wij hebben aan brood genoeg.

Moeite en leed

dinsdag, 20 juli, 2010

Psalm 90
 
Het boek van de Psalmen wordt vaak toegeschreven aan de zingende en spelende koning David van wie wordt verteld dat hij als herder op de harp leerde spelen en zelfs een opstandige koning Saul met zijn harpspel kon kalmeren. Maar een aantal van de 150 Psalmen die in dit liedboek zijn verzameld zijn van anderen en dat staat er dan ook bij. Deze psalm 90 wordt toegeschreven aan Mozes. Het is de enige Psalm in het boek van de psalmen die aan Mozes, de Man Gods, wordt toegeschreven. De man die opgroeide in Egypte, moest vluchten naar de woestijn en er uiteindelijk in slaagde het volk uit Egypte te leiden en in het hart de woestijn van God de Wet kreeg waarom het uiteindelijk allemaal draaide. In deze Psalm wordt geen mooi leven beloofd. Integendeel, de tocht door de woestijn was geen vakantiereis en de slavernij die er aan voorafgaan was geen verzorgd verblijf in Egypte, lange jaren had het volk moeten lijden. Ook de beste jaren van ons leven zijn moeite en leed. Heel langzaam wordt de leeftijd die we kunnen bereiken wel wat hoger maar 70 en voor de sterken 80 klinkt nog steeds mooi als je jong bent. Die hoge leeftijd is overigens alleen te bereiken als je een klein beetje aan je gezondheid denkt. Een half uur per dag bewegen, niet roken, matig met alcohol, twee stuks fruit en 200 gram groente en weinig vet en zout. Het is allemaal zo moeilijk niet. De moeite en leed waarover Mozes het heeft gaat  over het houden van de Wet. De Wet van heb je naaste lief als jezelf en doe een ander niet aan wat je zelf niet wilt dat jou wordt aangedaan. Het zo moeilijk dat het uiteindelijk ook Mozes zelf niet lukte, hij mocht het beloofde land niet in. Van een ander houden als van jezelf is behoorlijk moeilijk als die ander zeer irritant is en het bloed onder je nagels vandaan haalt. Blijf dan maar eens vriendelijk en het echte belang van die ander in de gaten houden. Dat gezond leven om wat ouder te worden is er overigens ook om van jezelf te houden. En als je zo leeft en voor jezelf zorgt is het ook wat gemakkelijker om dat voor een ander te doen. Zelf gezond leven en daaraan vast houden is ook een voorbeeld voor anderen, iemand kan daar ook een reden aan ontlenen, omdat iemand het doet kan en mag ik het ook. Stiekum toch een sigaretje, of een vette hap doet dus niet alleen jezelf de das om het kan een aanleiding voor een ander zijn om ook in de fout te gaan. Daar kan je je dan weer schuldig over voelen of last van krijgen. Deze psalm beschrijft het allemaal. Het mooie van het geloof in de God van Israël  is natuurlijk dat je elke dag, ja elke minuut weer overnieuw mag beginnen. Daarom kan Mozes vragen om vreugde, het lukt je vast wel een keertje, en ieder die weet wat het is echt wat goeds voor een ander te kunnen doen kent ook de diepe vreugde die dat kan geven. Er is geen beloning voor jezelf maar de vreugde van de ander die geholpen is mag je genoeg zijn en die vreugde kan je een oneindige hoeveelheid energie geven. Het werk van je handen wordt dan bevestigd heet dat in deftige taal. Gaaf, het werkt, vet cool, want het is gelukt zeggen we tegenwoordig. En al is er moeite en leed voor nodig, het is het dubbel en dwars waard.

Streef naar rechtvaardigheid

maandag, 19 juli, 2010

1 Timoteüs 6:11-21

Die nieuwe Bijbelvertaling vertaalt soms wel een beetje netjes, zo netjes dat de scherpte van de oorspronkelijke taal een beetje verloren gaat. En die scherpte is nodig om de boodschap van de Bijbel goed te verstaan. Waar hier bijvoorbeeld “dienaar van God” staat werd vroeger wel met “mens van God” of  Man Gods vertaald. Een eretitel die ook aan Mozes werd toegekend. Daar klinkt het leiderschap van het volk, of, zoals hier, van de gemeente in door. Die Man Gods moet vluchten voor het kwade staat er eigenlijk. En daarin klinkt de moeite door die het kost om het goede te blijven doen en niet dan het goede. Dan wordt ook duidelijk dat het een strijd is. “Niet consumeren maar delen” staat haaks op wat de wereld van ons vraagt. Als je wat koopt je bewust maken wie het gemaakt heeft en wie er aan verdient en daar je keuzes op afstemmen wekt bij velen bevreemding, vooral bij mensen die het alleen om het verdienen gaat. Maar eerlijke handel komt onze broerders en zusters ten goede en is rechtvaardigheid die wij ook voor onszelf zouden willen. Dat was ook de betekenis van het lijden dat Jezus van Nazareth op zich nam, onschuldig en om de verkeerde redenen veroordeeld, zoals zovelen ook vandaag nog om de verkeerde redenen moeten lijden en sterven. Paulus verwachte overigens dat het Koninkrijk van God heel dichtbij was. Die boodschap is zo eenvoudig en binnen de kortste keren waren er al zoveel mensen bezig naar die boodschap hun leven in te delen dat het niet lang meer zou kunnen duren voordat alle volken volgelingen van Jezus van Nazareth zouden zijn. Paulus en zijn tijdgenoten rekenden niet met de halstarrigheid van de rijken en machtigen die hun eigen versie van het Christelijk geloof hebben gemaakt. Een versie waar het niet gaat om het delen met de armen maar om fatsoen en het houden aan regels die niet in de Bijbel staan. Waar het niet gaat om de vrijheid die Christus ons schenkt maar om de last die je opgelegd wordt omdat je moet voldoen aan allerlei regels en voorschriften. Dat schijn Christendom weerhoudt veel mensen te gaan bouwen aan het Koninkrijk van God.  Helemaal aan het eind benadrukt de schrijver van deze brief nog eens dat de God van Israël niet voldoet aan de regels die Griekse filosofen aan hun goden hadden opgelegd. Deze God is onsterfelijk, deze God was door geen mens ooit gezien, deze God woonde niet op een berg of op de zeebodem maar in een ontoegankelijk licht. Volgens de regels van de filosofen bestaat die God dan niet. Maar volgens de schrijver van de eerste brief aan Timoteüs kun je dan dus best geloven in een God die niet bestaat. De regels die menselijke wetenschappers opleggen aan het bestaan zijn zeer waardevol, maar de God van Israël gaat die regels te boven. De kracht die mensen eeuwenlang en dus eeuwig voortdrijft om het goede te doen en niet dan het goede komt van die God. Ooit zal er een einde aan de geschiedenis komen zoals er ook een begin aan de geschiedenis is geweest. Die God was er al voor de geschiedenis begon en zal er ook zijn als de geschiedenis is afgelopen. Daar hoeven we ons dus niet mee bezig te houden. Wij mogen leven in het hier en nu, met rechtvaardigheid, vroomheid, geloof en liefde, wetende dat de meeste van deze de liefde is, ook vandaag weer.

De wortel van alle kwaad is geldzucht

zondag, 18 juli, 2010

1 Timoteüs 6:1-10

Als de schrijver van de brief aan Timoteüs onomwonden had opgeroepen om in Efeze het houden van slaven te bestrijden dan zou het snel afgelopen geweest zijn met de jonge Christelijke gemeenschap. Nee, de strategie van verandering van de samenleving gaat via de weg van de liefde. Slaven die Christen geworden zijn, zijn in de wereld nog slaven maar binnen de gemeente zijn ze vrijgemaakt en is het onderscheid met anderen weggevallen. Dat betekent dat ze niet meer in de eerste plaats in de wereld herkent moeten worden als slaaf maar als Christen. Hoe dan? Door hun werk met verdubbelde ijver te doen. Door vriendelijk te zijn en niet opstandig. Door te helpen en te zorgen. Het gaat hen er immers niet om rijk of machtig te worden, om aanzien, maar om de zwaksten in de samenleving te helpen, om van de samenleving een wereld voor mensen te maken. Wie slaaf is van een Christelijke eigenaar heeft het nog veel gemakkelijker. Die heeft niet te vrezen voor slaag, voor marteling, voor honger en uitbuiting. Voor zo’n eigenaar ga je nog harder aan het werk want zo’n eigenaar kun je helpen te laten zien waar het in het leven om draait: om leven voor iedereen mogelijk te maken. Als broeders en zusters zit je dan in de gemeente samen aan tafel, breek je samen het brood, drink je uit dezelfde beker. Wij moeten nog leren zien dat het heel erg bijzonder is dat slaven en slavenhouders als gelijken aan tafel zitten en uit dezelfde beker drinken. In de Romeinse slavensamenleving was dat ondenkbaar. Daarom hoeft in deze brief ook niet tot afschaffing van de slavernij te worden opgeroepen. Hoe meer mensen Christenen  zouden worden hoe dichterbij de afschaffing van de slavernij zou komen. Kennelijk waren er in de gemeente die wel opriepen tot een opstand van slaven en er waren mensen die dachten aan het Christelijk geloof geld te kunnen verdienen.  Maar juist dat Christelijk geloof draait niet om gewin maar om delen. Christenen bidden om hun dagelijks brood, want het dagelijks brood is hen genoeg. Voedsel en kleren, voor ons ook onderdak, en genoeg is genoeg. Wie rijk wil worden staat bloot aan allerlei verleidingen. Die moet zo nodig hypotheken afsluiten en consumptieve leningen. Bij werkloosheid, scheiding en ziekte blijken ze maar al te vaak te leiden tot ellende. Geldzucht is de wortel van alle kwaad. Een uitspraak die ook in onze dagen nog niets van haar actualiteit heeft verloren. Oproepen om mensen te beschermen tegen de uitwassen van de geldzucht worden afgedaan als betutteling. In onze wereld lijkt er toch maar één doel te zijn dat zin geeft aan het leven, geld verdienen en rijk worden. Zeven maal vierentwintig uur blijven mensen zich daarvoor afsloven. Dat het slechts aan weinigen gegeven is om rijk te kunnen worden, dat rijk worden van de één altijd zal gaan ten koste van de ander, dat dringt niet door of wordt verdrongen. Dat de zin van het leven niet in de welvaart van jezelf ligt maar in het samen leven met anderen en het welzijn van ieder ontgaat mensen. Al te veel mensen zijn al in ellende gestort omdat ze zich uitsluitend gericht hadden op meer en nog meer en omdat ze zich niet tevreden wilden stellen met hun dagelijks brood. Laten wij ons daarmee tevreden stellen en zorgen dat iedereen op de wereld voldoende van dat dagelijks brood heeft, ook vandaag weer.

De arbeider is zijn loon waard

zaterdag, 17 juli, 2010

1 Timoteüs 5:17-25

Een goede oudste is dus een oudste die zorgt voor de leden van de gemeente en er voor zorgt dat de leden van zijn gemeente ook voor elkaar gaan zorgen. Zo wordt de gemeente een voorbeeld voor de wereld waarin ze leeft en bijeen komt. Geen uiterlijk vertoon. Geen betutteling en allerlei zaken verbieden maar een positieve opstelling ten opzichte van het leven door het op te nemen voor de armen, voor de slaven en geen onderscheid te maken naar ouden, jongen, mannen, vrouwen, rijken, armen en Grieken en Joden. Vreemdelingen zijn in die gemeente even welkom als stadgenoten. Daarnaast geven die oudsten zich moeite voor de prediking en het geven van onderricht. Ze mogen daarom dubbel beloond worden, een arbeider is zijn loon waard en als je aan het dorsen bent dan mag het rund dat je daarbij helpt best mee eten van het graan dat wordt gedorst. Goede oudsten zullen zich immers ook niet laten voorstaan op hun extra inkomen. Integendeel, het zal voor hen een aanleiding zijn ook het delen met de armen te verdubbelen. Het aanzien van de gemeente en het doel van de gemeente zal daardoor alleen maar versterkt worden. Ook vandaag lezen we dus een aantal regels voor een gemeente te midden van een vijandige Heidense omgeving. De regels en aanwijzingen zijn daarom actueler dan ze in lange tijd waren. Die kleine gemeenschappen die op zondag bijeen komen, hoe kijken we er tegen aan. Zijn het de conservatieve zeuren die alle leuke dingen in de samenleving constant afkeuren? Of zijn het de gemeenschappen die een voorbeeld kunnen zijn voor de samenleving. Gemeenschappen waar de armen geholpen worden, waar geprobeerd wordt om echt met vreemdelingen samen te leven, waar het onderscheid tussen mannen en vrouwen is verdwenen, waar zorg voor elkaar en voor de zwakken in de samenleving voorop staat. Daar speelt ook recht en gerechtigheid een rol bij. Mensen gaan nu eenmaal in de fout, maar wanneer weet je dat zeker. In elk geval als er minstens twee betrouwbare getuigen zijn die het in de fout gaan ook zelf hebben gezien. Maar waarom zou je moeten letten op fouten van elkaar? Het Bijbelgedeelte van vandaag geeft daarvoor een onverwachte reden. Niet bestraffing van de zondaar, niet beveiliging van de gemeente of de samenleving, niet de bevrediging van wraakgevoelens die misdaden kunnen oproepen maar de terechtwijzing moet ten overstaan van allen plaatsvinden zodat iedereen gewaarschuwd is. Van de fouten van anderen moeten we dus allemaal leren. En aangezien iedereen fouten kan maken wordt Timoteüs nog eens opgeroepen onpartijdig te zijn. Oudsten, opzieners, diakenen kunnen net zo goed de fout in gaan als gemeenteleden die nog maar net zijn toegetreden tot de gemeente. Maar je moet ook voor jezelf zorgen. In de eeuwen kort na het begin van onze jaartelling was water per definitie besmet. Wijn kon werken als ontsmettingsmiddel. Tegenwoordig zou de raad precies andersom luiden, niet wijn bij het water doen, maar water bij je wijn want alcohol maakt meer kapot dan je lief is. En als je nu onophoudelijk bezig bent geweest voor een betere samenleving heeft deze brief nog een onverwachte troost. Als je het gevoel hebt dat het niets uithaalt en niemand het opvalt dan mag je weten dat goede daden ook al zijn ze niet zichtbaar niet voor altijd verborgen zullen blijven. Dat mag ons vandaag opnieuw in beweging zetten.

Voor weduwen zorgen die alleen staan

vrijdag, 16 juli, 2010

1 Timoteüs 5:3-16

Het was een rare gemeenschap zo’n Christengemeenschap. Op de een of andere manier gingen ze voor vrouwen zorgen. Vooral voor vrouwen die geen man meer hadden. Niet dat die vrouwen tempelprostituees werden want die Christenen hadden geen tempels. Wat ze wel met die vrouwen deden liet zich raden. En over dat raden gaat dit Bijbelgedeelte. Er is vaak gedacht dat het gaat over de gemeente en hoe die wel en niet voor weduwen zou moeten zorgen. Maar dan lees je toch iets te gemakkelijk over de regels heen waarin gezegd wordt dat de voorschriften die worden gegeven bedoeld zijn om tegenstanders geen aanleiding te geven om kwaad van die Christengemeenschap te spreken. Daar draait dit hele gedeelte om. In de Heidense samenleving van Efeze was het niet eenvoudig om een eerzaam leven te leiden voor vrouwen. Of je had een man nodig aan wie je kinderen schonk en voor wie je dan als enige beschikbaar was. Als die man slaven had en een huishouding voerde zorgde je met de huisslaven dat dat huishouden goed bestuurd werd en dat je man daardoor in aanzien steeg, je steeg als vrouw dan zelf ook in aanzien. Werd je weduwe dan had je twee keuzes, of je kon leven van de erfenis of je kon prostituee worden, als dan niet in een Tempel van de een of andere vruchtbaarheidsgod. Was je daar te oud voor kon je altijd nog een bordeel openenen of je als slavin verkopen. Tegen die achtergrond moeten we de bepalingen lezen uit het Bijbelgedeelte van vandaag. De gemeente van Efeze moet voor elkaar gaan zorgen. Niet dat je de zorg aan het bestuur van de gemeente moet overlaten, aan de diakenen en de opzieners, nee je moet samen leren zorgen voor elkaar. Daarom zijn alleen de alleenstaande weduwen voor de diakenen en de opzieners. Alleen de oudere weduwen wel te verstaan. De jongere weduwen moeten hertrouwen en daar moet de gemeente dus de ruimte voor geven. Dat leren van voor elkaar zorgen strekt zich ook uit tot de weduwen zelf. De schrijver maakt niet voor niets de opmerking dat wie losbandig leeft levend dood is, en losbandig leven kan een weduwe alleen als ze zelf rijk is. Nee het gaat de briefschrijver om de gemeente die bekend moet staan als hulpvaardig, onderling en naar buiten. Niet vanwege eigenbelang. De mannen helpen de vrouwen, de weduwen, niet om er zelf gunsten voor terug te krijgen. Zorg voor elkaar, zorg voor de armsten is het voornaamste kenmerk dat uitstraalt van de Christelijke gemeente. Dat moet niets te raden overlaten. Het uitvoeren van de voorschriften die hier gegeven zijn zal moeilijk genoeg geweest zijn. Je moet soms vrouwen afwijzen die het zeer moeilijk hebben. Je kan namelijk wel willen dat jonge weduwen hertrouwen maar zo gemakkelijk gaat dat niet, zeker niet gevoelloos en dan zal er een zekere rouwperiode en een zoekperiode gegund moeten worden. Binnen de gemeente zal men oplossingen op maat gevonden hebben. Want de liefde voor elkaar staat voorop. In onze samenleving staat het misbruik van de zorg voorop, dat bepaalt onze regels en de houding van bestuurders. Maar naast mensen staan maakt ook voor ons maatwerk mogelijk. Ook wij zullen ons moeten afvragen of de liefde voorop staat en of wij nog in staat zijn voor elkaar te zorgen, of laten we het liever aan mensen achter loketten en bureaus over? De brief aan Timoteüs laat wat dat betreft niets te raden over.

Veronachtzaam de genade niet

donderdag, 15 juli, 2010

1 Timoteüs 4:11-5:2

Een jonge voorganger heeft het ook in onze dagen niet gemakkelijk in een gemeente. We hebben nog altijd de neiging een voorganger eerder naar de ogen te zien dan naar hem te luisteren. Timoteüs had daar ook last van. Zijn gemeente bestond uit ouderen, jongeren, mannen, vrouwen en uit Joden en Heidenen. Dat laatste onderscheid kennen wij in de gemeente niet meer. In sommige Protestantse Gemeenten, behorend tot de PKN zal er nog een onderscheid zijn aan te wijzen tussen Hervormden en Gereformeerden of tussen Calvinisten en Lutheranen. Het maakt het voor jonge predikanten er niet gemakkelijker op. Je moet allereerst een voorbeeld zijn in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid. Dat klinkt mooi, maar moet je nu wel eens een bezoek brengen aan de disco waar de jeugd uit je wijk zich vermaakt of moet je dat nu juist niet doen? En een avond doorbrengen in het dorpscafé om mee te doen met de mannen uit het dorp? Er zijn geen vaste antwoorden op te geven, het zijn vragen die elke beginnende voorganger zich moet stellen waar hij samen met collega’s en met zijn kerkenraad een antwoord op moet vinden. Een antwoord dat de prediking en het onderricht makkelijker maakt. Dat hem geloofwaardig maakt bij het voorlezen uit de Schrift. Die Schrift was overigens in de dagen van Timoteüs de Hebreeuwse Bijbel in de Griekse vertaling die wij tegenwoordig de Septuagint noemen. We weten uit de Bijbelse verhalen dat de Timoteüs uit het Bijbelverhaal jong begonnen is als assistent van Paulus en van jongs af aan al een zeker gezag had. Kennelijk was hij zo jong dat het college van oudsten dat hem de taak van voorganger wilde geven hem ook in een aparte bijeenkomst wilde bevestigen in zijn taak. Bij de intrede van een beginnend predikant gaat dat nog steeds zo. Bevriende predikanten en predikanten uit de buurt van de gemeente waar de bevestiging plaatsvindt komen naar de kerkdienst in hun ambsgewaad en leggen samen de handen op de jonge te bevestigen predikant. Een voorganger hoeft zijn taak nooit alleen en in eenzaamheid uit te oefenen. Voor een gemeente staat hij of zij alleen vooraan in de kerk. Zichtbaar gesteund door de kerkenraad, geassisteerd door voorlezers en diakenen, maar onzichtbaar gesteund door collega’s, door de traditie van de kerk en door de Heilige Geest. Die bevestiging als voorganger is voor de meeste predikanten een bijzonder moment. Maar kan ook voor de gemeente een bijzonder moment zijn. Een predikant of voorganger staat niet los van de gemeente. Staat ook niet boven een gemeente. De gemeente wordt bestuurd door de kerkenraad. De predikant is dienaar van de gemeente en de gemeente zal de predikant de gelegenheid moeten geven haar te bedienen. De vergelijking van Jezus van Nazareth die zijn leerlingen de voeten wil wassen is hier op z’n plaats. We moeten maar al te vaak de predikant de gelegenheid geven ons te onderrichten over de armen die hij tegengekomen is. Over de mensen die hij ontmoet heeft bij zijn Bijbelstudie en die vragen om onze naaste te kunnen zijn. Pas als wij dat onderricht ter harte nemen en als gemeente, lichaam van Christus noemt Paulus dat, op een andere plaats, aan het werk gaan voor het Koninkrijk van God, dan krijgt de voorganger ook echt de ruimte voorganger te zijn. Ook vandaag weer.

Hij drijft niet de spot met zijn naaste

woensdag, 14 juli, 2010

Psalm 15
 
Vandaag  zingen we mee met Psalm 15, want Psalmen moet je niet alleen lezen maar ook zingen, het zijn gedichten geschreven om gezongen te worden. Psalm 15 is een korte psalm en gaat over de vraag wie nu eigenlijk hoort bij het verhaal van Israel, het verhaal van de Wet van de Woestijn, de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf. Psalmen zijn gedichten met een heel eigen structuur. Je vindt er vaak twee regels die elkaar verduidelijken en daardoor inhoudelijk op elkaar rijmen. In de manier waarop de Nieuwe Bijbelvertaling de Psalmen vertaald wordt die heel aparte rijmstructuur niet zichtbaar. Soms is dat jammer. Bijvoorbeeld bij deze kleine Psalm want er zijn vertaalvoorbeelden waar die aparte structuur wel duidelijk wordt en die de boodschap van de Psalm versterkt. De Psalm begint met de vraag wie te gast mag zijn in de Tabernakel, de Tent die door David naar Jeruzalem is gebracht en daar op de berg Sion is geplaatst. Later werd die Tent vervangen door de Tempel. Maar wie mag daar nu te gast zijn? Vers 2 wordt door Dr. Brinkman bijvoorbeeld zo vertaalt “Hij die volmaakt wandelt en rechtvaardig handelt”  Een vertaalvondst waar het oorspronkelijk Hebreeuws bijna in hoorbaar wordt. Er wordt vaak gepleit voor het letterlijk nemen van de Bijbel maar we mogen nooit vergeten dat we de Bijbel eigenlijk altijd in een vertaling lezen die de Bijbel niet echt letterlijk kan nemen omdat we er dan helemaal niks meer van snappen. Dat is ook de kritiek die vakmensen uit de kerken op de nieuwe Bijbelvertaling hebben, die vertaling is niet letterlijk genoeg, de verdediging van de vertalers is dat als de vertaling nog meer letterlijk zou zijn het begrip bij de lezers en hoorders te veel zou afnemen. Het is dus goed om ook naar uitleg te vragen. Bij deze korte Psalm is de vertaling helder genoeg om op het spoor te komen van de boodschap van de Psalm. In die Tent staat namelijk niet een beeld van een God aan wie je van alles moet offeren maar staat een kist met twee stenen tafels waarop de Wet staat die je voor die God in acht moet nemen. En wie die Wet in zijn leven toepast die lastert niet, die benadeelt een ander niet, die drijft geen spot met zijn naaste, die heeft ontzag voor hen die ontzag hebben voor de Heer en breekt zijn eed niet ook al brengt het hem nadeel. Die vraagt geen rente op een lening en verraadt geen onschuldigen voor geld. Dat zijn dus de rechtvaardigen. Dat geen rente vragen voor een lening kennen we al lang niet meer. Bedoeld wordt dat je mensen niet armer moet maken dan ze zijn als ze in nood komen. Want dan moeten ze immers wel lenen? Wij laten dat aan onze overheid over. Die mag de armen helpen desnoods met een renteloze lening. In de vrije markt brengen leningen mensen eerder tot armoede en daar mogen we op grond van deze Psalm dus ook wel eens iets tegen doen. En laster of kwaadsprekerij tegen iemand kom je tegenwoordig ook zomaar tegen, zelfs in het hart van je eigen gemeente. Het is niet altijd eenvoudig het te bestrijden, maar er iets tegen zeggen kan vaak wel en is dan hard nodig. Zeker als het over vreemdelingen gaat. Bedenkt dat er in moslimkringen banken zijn die geen rente vragen, die dus doen wat in de Bijbel wordt gevraagd. Dat mag ons bescheiden maken, want geen enkele partij of beweging vraagt om wetten die mensen beschermen tegen onverantwoorde leningen en woekerrente. Juist daarom is het zaak ook deze Psalm mee te zingen.

Er is maar één ding noodzakelijk

dinsdag, 13 juli, 2010

Lucas 10:38-42

Als je het Bijbelgedeelte van vandaag leest dan is het toch wel heel erg verbazend dat de rol van vrouwen in de Kerk zo lang de rol van Martha was en in somige kerkgenootschappen de Maria’s nog steeds niet de erkenning krijgen die Jezus van Nazareth in zijn dagen aan Maria gaf. In de Anglicaanse kerk maken ze er zelfs dezer dagen nog ruzie over. Dat zorgen van die Martha is natuurlijk niet geheel verkeerd, maar er waren ongetwijfeld ook mannen in de buurt die hadden kunnen helpen. Het belangrijkste op dat moment was het leren dat Maria deed, vragen stellen en antwoorden bediscusiëren. Horen hoe je je naaste lief kunt hebben als jezelf, weten wie je naaste is. Martha moet ook leren dat bedienen toch heel iets anders is dan dienen. Dat houden van je naaste als van jezelf ook kan betekenen dat je kiest voor jezelf ook al is dat voor de ander vervelend. Maria kiest voor zichzelf en geeft daarmee Martha de kans dat ook te doen. Waren ze allebei aan het bedienen van al die mannen geslagen dan had zich de vraag naar de eerlijke taakverdeling nooit voorgedaan en hadden we er ook vandaag nog steeds niks van kunnen leren. Dat is nu anders. We weten dat de Maria uit dit verhaal niet anders werd behandeld dan de apostelen en de leerlingen van Jezus van Nazareth. Zonder er veel woorden aan vuil te maken maakt het Evangelie van Lucas duidelijk dat er geen onderscheid is op het moment dat je met het Evangelie van Jezus van Nazareth bezig bent. Vrouwen die theologie hebben gestudeerd, vrouwen die ouderling of diaken willen worden, vrouwen die willen preken en de eucharistie bedienen hebben daar dus net zo veel recht op als mannen. Sterker nog, als vrouwen zich aandienen dan is dat anders dan in de wereld. In de wereld verdienen vrouwen in dezelfde functie minder dan mannen, in de wereld mogen de vrouwen de koffie schenken terwijl de mannen vergaderen, in de wereld mogen de vrouwen de toiletten schoonmaken voor de managers met topinkomens en extra bonussen. In een echte christelijke kerk wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Door het verhaal van Jezus van Nazareth met Maria en Martha worden vrouwen bevrijd van hun bedienende rol die hen in de wereld maar al te vaak, en tot schade van die samenleving, wordt opgedrongen. Voor mannen geldt dus hier des te dringender dat ze zich moeten leren verplaatsen in de rol die vrouwen eeuwen lang door mannen is toebedeeld, de rol van bedienen in plaats van dienen. Dienen is leren, is mensen hun eigen plek geven in de samenleving, mensen helpen hun talenten te ontwikkelen. Bedienen is de ander een plaats boven geven, uit handen nemen wat uit handen moet komen, jezelf wegcijferen zodat er niets meer is. In de Rooms Katholieke kerk had men bedacht dat bedienen iets is dat je aan stervenden doet, maar helaas lieten ook daar de mannen zich dag in dag uit door vrouwen bedienen. Er is uiteindelijk maar één ding noodzakelijk en dat is dat je jezelf leert waarderen zodat je je naaste nog meer kunt liefhebben. Dat is pas dienen en daar houdt het bedienen helemaal op om nooit meer terug te keren.

Wie is mijn naaste?

maandag, 12 juli, 2010

Lucas 10:25-37
 
Vandaag lezen we het overbekende verhaal over de Samaritaan die op zijn weg de Barmhartige Samaritaan werd. De man met zijn ezel en zijn denarieën maakten zoveel indruk dat je je afvraagt wat daar nu meer aan toe te voegen is dan weer een hartstochtelijke oproep om je naaste lief te hebben als jezelf. Toch kan de Nieuwe Bijbel Vertaling een aanleiding zijn om het verhaal ook weer eens als nieuw te lezen. Want wat gebeurt er? Natuurlijk er is een geleerde die de Wet goed kent. Maar wat is die Wet? Wij kennen die Wet alleen in vertaling en dan vallen er soms nuances weg. De grote Joodse Bijbelvertalers Buber en Rozenzweig vertaalden niet zozeer dat je je naast lief moest hebben als jezelf, maar heb je naaste lief omdat die als jij is. Dat maakt dan ook duidelijk dat je jezelf niet moet wegcijferen. In dit verhaal  is er Jezus van Nazareth die zegt dat je je niet alleen aan de wet moet houden maar in dit geval deze bijzondere wet ook gewoon elke dag moet doen. Maar wie is dan die naaste die je lief moet hebben als jezelf? De Samaritaan zijn we gewend te zeggen, die stopt, neemt het slachtoffer op zijn ezel en betaalt de verzorging in het hotel. Maar Jezus van Nazareth vraagt wie de naaste is van het slachtoffer. Is dat een wedervraag op de vraag wie mijn naaste is? Is die geleerde dan soms het slachtoffer? Moeten we ons leren te verplaatsen in de positie van slachtoffers om te begrijpen wat het is om je naaste lief te hebben als jezelf? De bekende anti-apartheidsstrijder Ds.Alan Boesak heeft in de jaren 70 van de vorige eeuwe in Kampen theologie gestudeerd. Toen hij met zijn gezin terugkeerde naar Zuid-Afrika hield iedereen z’n hart vast, zou dat goed gaan. Hij heeft inderdaad zijn portie ellende gehad. Maar in Nederland was hij al met de strijd tegen apartheid begonnen. Nederlanders die Zuid-Afrikaanse sinasappelen kochten hield hij voor dat zij Zuid-Afrikanen uitpersten.  Niet in droge artikelen in tijdschriften, nee Boesak kon onverwacht op een markt opduiken en dan rechtstreeks de kopers van de sinasappels aanspreken en hen confronteren met wat ze deden. Hun koopgedrag hield de blanke rijken rijk en daardoor de armen arm. De boycot die ontstond hielp uiteindelijk mee het apartheidsregiem af te schaffen. Maar vragen wij ons vandaag nog af wie heeft geleden voor de goedkope producten die wij kopen? Welke kinderen onze schoenen hebben gemaakt en welke vingers tot bloedens toe werden geprikt om onze T-shirts te maken? Zien wij die kinderen, die slachtoffers van onze westerse hebzucht als onszelf? Of zijn wij als de leviet en de priester op weg om onze taak goed te vervullen zonder op of omkijken naar de slachtoffers langs de weg. Zolang we onze stem niet verheffen tegen de onrechtvaardige handelsverhoudingen zijn we nog niet in de positie van het slachtoffer en kunnen we ons nog steeds afvragen wie onze naaste is. Pas als we weet hebben van de slachtoffers weten we ook van onze naaste. We zullen moeten gaan doen als de man die medelijden toonde met de naaste, want die zouden we zelf ook willen ontmoeten als het nodig is