Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2010

Mij zal God vrijkopen

zaterdag, 31 juli, 2010

Psalm 49

Vandaag zingen we een lied dat bijna niet te vertalen was uit het Hebreeuws. Misschien ook wel omdat we de boodschap die er achter ligt bijna niet willen begrijpen. Maar het lied laat een oude wijsheid horen, namelijk dat het geen enkele zin heeft je voor jezelf uit te sloven in het leven. Het is een strijdlied tegen carièrre maken, tegen het oppotten van geld en bezit. En dat oppotten, steeds maar en nog meer willen hebben dat komt altijd al overal voor. Want dit lied is al een paar eeuwen oud maar het speelt ook in onze samenleving. We vinden overigens dezelfde gedachte ook in het boek Prediker en morgen zal in heel veel kerken uit het boek Prediker worden gepreekt. Het lied richt zich daarom om te beginnen tot alle mensen op de hele wereld, niet alleen tot de kinderen van het volk Israël maar tot alle kinderen van Adam en dat zijn alle mensen. In het Hebreeuws wordt er nogal met woorden en klanken gespeeld in dit lied, dat is niet weer te geven in een vertaling in het Nederlands. Het was ook in de oude vertaling in het Grieks, de Septuaginta, al weggevallen. Maar de zanger zingt er zelf over, hij heeft wijsheid in raadseltjes verpakt, nu wordt hier ook wel vertaald met “levensraadsel” waarvoor een gelijkenis wordt gezocht.. Het begin van alle wijsheid, dat is dan levenswijsheid, is overigens het volgen van de God van Israël in zijn wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, dat wordt in deze Psalm als bekend verondersteld. Het eerste raadsel is dat de zanger niet bang is voor slechte tijden ook als alle uitbuiters die hem omringen pronken met hun rijkdom. Daar hoef je dus niet bang voor te worden. Wij zouden misschien zeggen dat je er niet tegenop hoeft te kijken en er ook niet jaloers op hoeft te worden, met minder kan het kennelijk ook. En het einde is altijd gelijk. Ieder mens sterft. En al ben je nog zo rijk je kunt niet naar God gaan met je rijkdom om je te verzekeren van een eeuwig leven, de dood onderga je allemaal, geen mens kan een ander of zichzelf daarvan vrijkopen. Zelf een groot geloof in de God van Israël bevrijdt je niet van de dood, wijze mensen sterven maar net zo goed dommen en dwazen. Het eeuwige tehuis van elk mens is het graf. Hoe rijk je ook bent, in dat huis kom je uiteindelijk te wonen. En dan komt de regel van de dichter dat God hem zal vrijkopen van de macht van het dodenrijk en hem zal vrijkopen. Het heeft nogal wat misverstanden opgeleverd. Veel Christenen zien hier een verwijzing naar Jezus van Nazareth in die aan het kruis de mens vrijgekocht zou hebben van de dood. Maar ook na de opstanding van Jezus van Nazareth sterven mensen. Sterker nog, Jezus van Nazareth waarschuwde er zelf voor dat het geen zin had schuren te bouwen voor je eigen oogst want als je die schuren klaar hebt kun je ook dezelfde dag sterven in plaats van er lang en gelukkig van te leven. Dat rijk willen worden brengt uiteindelijk helemaal niks. Je kunt dus beter leven alsof je elk moment kunt sterven. Als je dan alles wat je bezit deelt wordt je veel gelukkiger want dan volg je het gebod van de God van Israël dat Jezus van Nazareth zou uitleggen dat als je twee mantels hebt je er beter één kunt weggeven aan iemand die er geen heeft. Zo ben je bevrijd van de macht van de dood, die heeft geen effect meer op je leven, die bepaalt niet meer wat je doet en wat je laat. Zo leven levert een betere wereld op, daar heb je zelf plezier van en je nazaten ook. Die rijkdom stelt niks voor, het leven samen met iedereen op aarde is pas rijkdom, daar mogen we ook vandaag van genieten.

Niets is geheim

vrijdag, 30 juli, 2010

Lucas 12:1-12
 
Alles komt uit. De renners in de Tour de France zijn er de afgelopen jaren soms op hardhandige manier achter gekomen. Waar ze zijn en wat ze doen, het wordt zo veel gecontroleerd dat het binnen enkele uren uitkomt. Natuurlijk, er zijn in onze samenleving moorden en andere misdaden die niet worden opgelost. Er zijn boeven die niet worden gevangen. Er zijn ook sportmensen die de regels overtreden en die niet betrapt worden. Maar toch is er niets geheim. Dat geld ook in de religie. Soms hoor je priesters of dominees wel eens zeggen dat ze een geheim hebben. Het geheim van de eucharistie, of het avondmaal. Het geheim van het geloven zelf. Maar wees gerust, in het verhaal van Jezus van Nazareth is niets geheim. Het gaat juist om het openbaren van het geheim. De eucharistie of het avondmaal is een godsdienstoefening bij uitstek. Als je de God van Jezus van Nazareth wil dienen dan moet je bereid zijn alles te delen met een ander, desnoods jezelf. Dat doe je niet zomaar, dat is geen lolletje, dat is niet vrijblijvend. Jezus van Nazareth heeft het er over dat zijn volgelingen voor de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten gesleept zullen worden en zich zouden kunnen afvragen wat ze zouden moeten zeggen. Autoriteiten, de kerkelijke en de wereldlijke, houden van geheimen en houden graag ook veel geheim. Wie geheimen kent heeft immers macht. Maar de volgelingen van Jezus van Nazareth houden niets geheim en ontkennen dat er geheimen zijn. Er is over ieder mens dan ook niets meer te weten dan die mens over zichzelf weet. Wie ergens van beschuldigd wordt weet of het waar is of niet. En ten onrechte beschuldigd worden betekent dat het op een eerlijke manier niet te bewijzen is. Jezus van Nazareth waarschuwt zijn volgelingen wel. Woorden kunnen verdraaid worden, wat je in vertrouwen denkt te vertellen kan misbruikt worden, wat je fluistert kan van de daken geschreeuwd worden. Maar daarvoor hoef je eigenlijk niet bang te zijn. Ze kunnen je doden maar verder gaat het niet. Als je geen geheimen hebt, niks te verbergen hebt dan hoef je ook niet bang te zijn. De Liefde van God maakt immers ook dat we niet voor ons zelf leven maar altijd voor de zwaksten. Wie beter weet wat een mens te doen staat kan altijd op de gevolgen van daden worden gewezen. Worden de armen bevrijdt? Worden de zwakken ondersteund? Wordt er vrede gesticht? Worden de hongerigen gevoed, de naakten gekleed? Gaan de doven horen, de blinden zien en de kreupelen lopen? Of jij het goed doet, of Jezus van Nazareth zelfs het goed heeft gedaan doet niet zo terzake. Wel terzake is de vraag of je inderdaad voor de zwaksten moet zorgen, of je moet leven in de Geest van die Jezus van Nazareth. Zelfs Jezus van Nazareth lukte het niet de mensen de mond te snoeren die door hem genezen werden en weer een plaats in de samenleving kregen. Zou het effect van overheidsmaatregelen dan geheim blijven en onzichtbaar zijn voor de mensen om wie het gaat? Laat U niets wijsmaken, geheimen zijn er niet. Het enige wat we moeten weten is wat er aan de minsten onder ons gedaan moet worden. Wat we tegen de geheimhouders moeten zeggen is dus alleen dit, heb Uw naaste lief als Uzelf.
 
  
 

 

Wee ook jullie, Wetgeleerden!

donderdag, 29 juli, 2010

Lucas 11:45-53

Vandaag nemen we de Wetgeleerden of Schriftgeleerden onder handen. Er wordt fors tegen tekeer gegaan. Maar wie zijn of wie waren dat dan wel? Het was een aparte groep binnen de samenleving van Israël. De groep was ontstaan in de tijd van Ezra en Nehemia. Toen was de Tempel herbouwd en een nieuwe muur opgetrokken rond Jeruzalem. De ballingen uit Babel waren teruggekeerd en hadden opnieuw het land kunnen opbouwen. Maar toen Ezra en Nehemia opnieuw de Wet hadden laten voorlezen bleek eigenlijk niemand meer die te kennen. Ze waren toen het loofhuttenfeest gaan vieren en hadden op de laatste dag van dat feest het feest van de vreugde van het krijgen van de Wet ingevoerd. Maar het bleek nodig dat een aantal mensen uit de samenleving zich zouden toeleggen op het leren en doorgeven van de Tora, van de Wet van God. Dat werd de aparte groep van Schriftgeleerden of Wetgeleerden. Ze werden aangesproken met Rabbi en genoten groot aanzien in het volk. Wat heeft Jezus van Nazareth nu tegen op deze groep? Niet dat ze Wet goed kennen, maar dat ze de kennis van de Wet voor zich hebben gehouden en die Wet niet toepassen, nee zelfs dat ze de toepassing van de Wet ontraden. Bijna alles was immers onrein en dus onaanraakbaar. Van hulp aan de armen, aan de zwakken kon daarom geen sprake meer zijn. De vraag was niet hoe help ik de zieke, de zwakke in onze samenleving, hoe geef ik mensen weer een nieuwe plaats in de samenleving, maar de vraag was of het schuld was van de zieke of van zijn ouders. De Wet was niet meer dat je je naaste lief moest hebben als jezelf maar dat je een God moest aanbidden zoals de goden aanbeden willen worden. Met offers en rituelen. Daarom waren die praalgraven voor profeten uit een langverleden opgericht, daarom kwam je daar bijeen om die profeten te eren. De dood van die profeten moest herdacht worden. Nou die dood schreeuwde om genoegdoening. Die profeten waren vermoord en dat gebeurde nog steeds was de boodschap van Jezus van Nazareth. Hij wijst in dit verhaal op de Hebreeuwse Bijbel. Die begint met het boek dat wij Genesis noemen en waarin Abel, de zwakke broer, vermoord wordt door de bediener van de aarde Kaïn, en die eindigt met het boek 2 Kronieken waarin beschreven wordt hoe de profeet Zacharia vermoord wordt in de voorhof van de Tempel. Door de hele Bijbel heen worden de mensen die de Wet van God in praktijk willen brengen, die het volk daarop aanspreken en de machthebbers aanklagen wegens het ontbreken van de toepassing van die Wet, vervolgd, in putten geworpen en gedood. Dat is de praktijk van de heersende religieuze autoriteiten, door de eeuwen heen. Je kunt nog zo goed op de hoogte zijn van de inhoud van de Bijbel, als je prediking niet verder komt dan dat mensen veel moeten bidden en zich aan Jezus moeten geven dan ben je een Farizeeër of Schriftgeleerde die hier door Jezus van Nazareth aangesproken wordt. Het gaat er namelijk om dat je gemeente voor elkaar zorgt en de liefde voor de zwakste uitstraalt naar de samenleving waarin ze bijeen komt. Dat blinden gaan zien, lammen gaan lopen, dat mensen dus een nieuwe plaats krijgen in de samenleving en voor zichzelf kunnen zorgen. Het gaat er om dat gevangenen worden bezocht en dat met vreemdelingen en armen maaltijd wordt gehouden om te laten zien dat delen van wat je hebt het dienen van de God van Israël is. Dat geld ook voor vandaag. Meet je eigen gemeente er maar aan af.

Het een doen zonder het andere te laten

woensdag, 28 juli, 2010

 Lucas 11:37-44
 
Vandaag kan er weer eens flink op de Farizeeën gescholden worden. We kennen ze en ze staan in onze taal in een kwade reuk. Ze krijgen in dit schriftgedeelte van Jezus van Nazareth ongezouten de waarheid gezegd. Maar mogen wij blij zijn geen Farizeën te zijn? Dat is nog maar de vraag. Farizeën probeerden de leer van het volk Israël onder het hele volk levend te houden. Zij waren de uitvinders van de Synagogen waar Jezus van Nazareth zo vaak kwam om uit de boeken van Mozes en de Profeten voor te lezen en er uitleg over te geven. Maar die Farizeeën hadden het over een soort religie dat voorbij ging aan de maatschappelijke werkelijkheid. Een “ieder voor zich en God voor ons allen geloof” Als elke gelovige zich nu maar netjes zou gedragen en zich aan de geboden uit de Wet van Mozes zou houden dan kwam het wel goed met het volk. Dat ondertussen het volk bezweek onder de bezetting van de Romeinen kwam niet ter sprake. Dat de armen werden uitgeperst en velen zonder huis en tot bedelarij veroordeeld waren was een straf voor hun zonden of die van hun ouders. Moesten ze zich maar beter aan de wetten van Mozes houden. Jezus van Nazareth verwijt de Farizeën dat ze alleen letten op uiterlijkheden. Als hij vermoeid en uitgeput aan tafel gaat liggen, en iedereen lag in die tijd aan tafel, dan is er geen vraag naar het waarom, geen belangstelling voor zijn persoon, maar alleen een verwijt dat hij zich niet aan de regels houdt. Het samen eten, het samen delen van eten ontbreekt in dit verhaal. Op deze manier is er nooit te delen met de armen, dan blijft het bij een aalmoes aan de enkeling die langs de kant van de weg de hand ophoudt maar werkelijk veranderen is er niet bij. Is er dan veel veranderd sinds de dagen van Jezus van Nazareth? Heeft bijvoorbeeld de discussie over normen en waarden van het zich zo christelijk noemende CDA iets opgeleverd voor bijstandsmoeders, hun kinderen, voor de armen in onze samenleving? Zijn er schulden kwijtgescholden, onrechtvaardige tolmuren gesloopt? Hebben producten uit arme landen betere kansen gekregen op onze binnenlandse markten, is de concurentie met boeren in arme landen gestopt? Is onze samenleving rechtvaardiger geworden als het gaat om de armen in de wereld? Letten onze militairen inmiddels als eerste op de slachtoffers die er in de oorlog vallen en staan zij naast die slachtoffers, vriend of vijand? Misschien zouden we wat meer Farizeën moeten worden maar dan ook doen wat ze zouden zeggen en wat er in het verhaal van Israël staat. Niet de nette pakken en de mooie jurken, niet de fraaie hoeden en de uniformen bepalen of normen en waarden gehaald moeten worden. Ook niet de mooie woorden die machtigen en rijken kunnen spreken, maar de Liefde voor de minsten in onze samenleving bepaalt de juiste normen en waarden. Netjes doen, je fatsoen houden, is niet verkeerd, maar zonder rechtvaardigheid voor de armen betekent het niets, zonder dat de samenleving zelf er door verandert, zonder dat het de Wet van het volk en voor het volk wordt  is het zelfs antichristelijk, houdt het af van de komst van het Koninkrijk van God.

Want ik zal hun lot ten goede keren

dinsdag, 27 juli, 2010

Jeremia 32:36-44
 
In de dagen van Jeremia was het volk Israël aangeland in de donkerste dagen van haar geschiedenis. Er was er een belegering van Jeruzalem, verwoesting stond voor de deur. De godsdienstige en bestuurlijke elite reageerde zoals zoveel belegerde elites doen, ze willen oorlog voeren ook al kost dat alleen maar veel levens. De eer is in zulke gevallen altijd een goede smoes. Noch in de dagen van Jezus van Nazareth noch in de tijd van Jeremia werden de levens geteld die de houding van de elite kostte. Ook in onze dagen verzwijgen de machthebbers liever de dode vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van een oorlog, zelfs bij de oorlog in Afghanistan die gevoerd zou moeten worden om de bevolking te helpen in vrede en vrijheid te leven. Jeremia verwierp de zinloze oorlog, Jezus van Nazareth verwierp de opstand tegen de Romeinen. Jeremia wilde terug naar de Wet van de Woestijn. Jezus van Nazareth wilde naar de herdenking van de uittocht uit Egypte, naar de bevrijding uit de slavernij. Die bevrijding zou uiteindelijk de terugkeer uit de ballingschap in de tijd van Jeremia betekenen en voor Jezus van Nazareth de bevrijding van de Romeinen. De dood heeft immers niet het laatste woord in ons leven. In de dagen van Jeremia had het volk Israël elk krediet bij God verspeeld door de beelden in de Tempel, de beelden op de akkers en vooral door de kinderoffers aan Moloch. Maar bij de verwerping van het volk blijft het niet. Er blijven mensen die zich inzetten voor de Wet van de God van Israël, je naaste liefhebben als jezelf, daarom klinkt de belofte dat ooit de mensen uit ballingschap zouden terugkeren om een nieuwe kans voor het volk te krijgen. Ook voor Jezus van Nazareth was de dood niet het laatste woord. Zijn liefde, zijn weigering zich met geweld te verzetten tegen zijn vijanden, zelf aan het kruis vroeg hij vergiffenis voor hen, betekende dat hij tastbaar en voelbaar in het midden van zijn volgelingen verscheen. Het werk dat de God van Israël ooit is begonnen, van de chaos op de aarde een mensenland te scheppen, laat hij niet los. Voor ons betekent het dat we geroepen zijn op weg te gaan met die Wet, dat niemand ons kan afhouden van het verspreiden van liefde. In onze eigen buurt, in ons eigen dorp of stad en in ons land en de wereld overal waar wij het willen aanpakken. Armen, zwakken, zieken en vreemdelingen genoeg. Wat de politiek of de publieke opinie ook zegt, wij kunnen onze eigen weg gaan. Het is geen liefdadigheid. In het uitsteken van handen naar de zwaksten dient altijd de verkondiging te zitten. Mensen dienen behandeld te worden zoals je zelf behandeld zou willen worden. Onze broeders en zusters horen niet langs de kant van de weg te liggen. Onze kinderen horen geen honger te lijden en dus geen kind op deze wereld. We hebben de belofte waarop ook Jeremia zich verlaat. Eens worden er weer akkers gekocht en verkocht, eens is er een samenleving van recht en gerechtigheid waarin iedereen mee mag doen en niemand tekort komt. God zal er weer vreugde in vinden om goeds uit de mensen voort te brengen en aan een ieder een land geven overvloeiende van melk en honing. Al moeten de stenen in de straat er van getuigen zei Jezus van Nazareth toen hij op een ezel gezeten gehuldigd werd als koning van Israël.

Ze hebben me daarmee gekrenkt

maandag, 26 juli, 2010

Jeremia 32:26-35

Het is niet zo maar een stad die in het verhaal van Jeremia zal worden verwoest. Die verwoesting staat vast. Daar is geen ontkomen meer aan. Daarvoor is het kwaad dat de bewoners gedaan hebben te groot, te massaal. Dat kwaad kunnen ze ook niet op anderen afschuiven. Ze werden er niet toe gedwongen. Het kwam niet van buiten. Er was niet een soort duivel die hen had verleid en waar ze geen weerstand tegen konden bieden. Het was hun eigen hoogmoed, hun verlangen met de rest van de wereld mee te doen, net te doen als anderen en ook op die manier rijk en welvarend te worden. Want welke huizen zullen worden platgebrand? Alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht. Die Baäl was de vruchtbaarheidsgod in Kanaän. Als je die god nu maar lekker eten gaf dan zorgde die god er voor dat je dat lekkere eten ook kon verbouwen. Zo ook met de andere goden uit het gezelschap van Baäl, geef ze een glas wijn, dat gooi je dan op de grond, en die goden zorgen voor een goede druivenoogst. Dat geloof is een gruwel in de ogen van de God van Israël. Die God heeft die offers niet nodig. De offers die je in de Tempel van die God brengt zijn voor de Priesters en Levieten. En een paar maal per jaar moet je in die Tempel een maaltijd aanrichten met de familie, waaronder ook je personeel, en met de armen en de vreemdelingen die je helpen. Een totaal andere benadering dan de godsdienst van de andere volken. Telkens weer in de geschiedenis was de God van Israël opnieuw begonnen met zijn volk. Maar nu was de maat vol en de vernietiging onontkoombaar. In de Tempel van de God van Israël, waar geen beeld van wat dan ook op aarde stond, waren beelden geplaatst van de afgoden van Kanaaän. In die Tempel hoorde alleen de ark met de stenen platen. De platen waarop die Wet stond die het volk in de woestijn had gekregen en die het enige was dat ze hadden moeten doen. Beelden van een God waren en zijn een geweldige belediging voor de God van Israël. Maar het was nog erger geworden. In het Hinnomdal was vanouds een vuur gestookt waar het afval van de stad werd verbrand. Dit afvalvuur was omgevormd tot een soort heilig vuur ter ere van de god Moloch. Hier werden kinderoffers gebracht. Niet alleen afval maar levende kinderen werden in dit vuur geworpen om een niet bestaande god tot hulp te bewegen, om een niet bestaande god er toe te brengen van Israël een groot en vruchtbaar volk te maken. Niet alleen de kinderen van Israël werden daardoor in dat vuur geworpen maar ook de verhalen over Abraham, over de bevrijding uit de slavernij van Egypte en de intocht in het land dat overvloeide van melk en honing. Wij hebben geen afvalvuren meer waar we kinderen kunnen offeren. Maar nog wel een sexindustrie die van kinderen gebruik maakt, nog wel een textielindustrie in arme landen die kinderen aan machines vastketend om ons het gevoel van welvaart en rijkdom te kunnen geven. Zo veel beter dan het volk van Jeremia zijn wij soms ook niet. Het verhaal van Jeremia is voor ons daarom nog een waarschuwing. Wij kunnen nog zorgen voor Fair Trade, voor ontwikkelingssamenwerking, voor armenzorg, voor handhaving van mensenrechten. Wij kunnen nog bouwen aan die aarde die voor alle mensen een land is overvloeiende van melk en honing. Laten we er vandaag nog mee beginnen, voor het te laat is.

U bewijst uw liefde aan duizenden

zondag, 25 juli, 2010

Jeremia 32:16-25
 
Jeremia ziet de stad Jeruzalem vallen voor zijn ogen. En dat terwijl die God van Israël zulke grote daden had verricht. Die God had immers het volk Israël uit de slavernij van het dodenland Egypte geleid. En die God had dat volk geleerd dat als je de fout in gaat ook je kinderen daarvan te lijden hebben. Die bevrijding en de richtlijnen die het volk gekregen had wekten bewondering en eerbied over de hele aarde. Die God had de chaos van de aarde tot mensenland gemaakt en zijn volk een land gegeven dat overvloeide van melk en honing. Als je het bovengenoemde Bijbelgedeelte goed leest dan zie je dat het niet zozeer om de stenen en de huizen gaat, zelfs niet om de mensen, al worden de doden en gewonden zeer betreurd, maar het gaat om de Wet die in het hart van Jeruzalem staat. Die Wet, neergelegd in de heilige kist, meegedragen uit de woestijn waar de Wet werd ontvangen, geeft Jeruzalem haar betekenis. Die Wet is in de steek gelaten door de mensen en dat betekent de verwoesting van Jeruzalem. Als mensen niks meer voor elkaar over hebben dan gaat de samenleving verloren. Lopen wij die kans ook na zo lange tijd? Jazeker, als we de samenleving van Mark Rutte en Geert Wilders gaan kiezen krijgen ook wij precies waar Jeremia zo beducht voor was. Dan krijgen de armen te horen dat ze werk moeten zoeken, dat ze sterk genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen. De overheid is er dan alleen nog voor om ze dat te vertellen, om ze een zetje te geven. De samenleving is er volgens de liberale machthebbers immers niet voor om voor elkaar te zorgen. Voor elkaar zorgen, regels stellen die de zwaksten beschermen heet betutteling en inmenging. De Wet van de woestijn gaat in de liberale samenleving niet op. Dat betekent toenemende conflicten, groepen die tegenover elkaar staan en tegen elkaar worden opgezet, Dat betekent dat misdrijven die niet meer worden aangegeven maar dat mensen het recht steeds vaker in eigen hand gaan nemen. De samenleving zoals wij die hebben gekend, waar zwervers werden opgevangen, waar kinderen niet op straat hoefden te slapen, waar geen echte honger hoefde te worden geleden verdwijnt langzaam maar zeker. De komst van de voedselbanken heeft veel gezinnen voor honger behoed. Maar de voedselbanken werden tot nu als een schandvlek gezien, als een teken dat het anders zou moeten met de samenleving. Als een waarschuwing tegen het overmatig lenen en het dwangmatig consumeren. De voedselbanken waren bijna een belegeringswal tegen de ongebreidelde hebzucht van de samenleving. Maar als de rijken hun zin krijgen dan worden de voedselbanken een structureel onderdeel van de zorg voor de armen, een voorziening die voorkomt dat mensen hun voedsel moeten gaan stelen in de supermarkten. De toenemende onveiligheid door het haatzaaien en door discriminatie, de toenemende armoede en de dwang om voor jezelf te zorgen maken dat een samenleving van voor elkaar zorgen gaat verdwijnen.Er zijn nu nog kansen op ommekeer, om op te staan tegen die ontwikkelingen. Er zijn nog bewegingen tegen haatzaaien, voor een kleurrijk Nederland, en vooral voor een echt Christelijke samenleving waar de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf uitgangspunt vormt voor Samen Leven, Samen Delen en Samen Werken. Daar zullen we het mee moeten doen, daar zullen we aan mee moeten doen. Dat is de enige verdediging die Jeremia ons voorhoudt.

Eens zullen opnieuw akkers worden gekocht

zaterdag, 24 juli, 2010

Jeremia 32:1-15
 
De Bijbel is geen geschiedenisboek. In de wetenschap, historie heet het daar, zijn regels opgesteld waaraan beweringen moeten voldoen willen ze wetenschappelijk verantwoorde geschiedschrijving zijn. Dat wat er in de Bijbel staat voldoet niet aan die regels. Dat moeten we niet willen ook want de Bijbel vertelt ons geen geschiedenis maar vertelt ons hoe God met mensen omgaat en hoe mensen met elkaar en daardoor met God om zouden kunnen gaan. Juist daardoor wordt het verhaal van vandaag voor ons interresant en lezenswaardig. Want natuurlijk we kunnen narekenen dat het gaat over een koning van Babylonië die hier Nebukadnessar wordt genoemd en over een koning Sedekia van Juda. Als je de feiten die hier genoemd worden narekent met de feiten die bekend zijn uit de wetenschappelijk verantwoorde historie dan speelt ons verhaal zich af in het jaar 587 voor het begin van onze jaartelling. Dat is een barre tijd geleden en heeft zo’n verhaal dan nog waarde? Zeker als we bedenken dat we eigenlijk verder niks van Jeremia en Sedekia weten dan wat hier wordt verteld. Wetenschappelijk dus niet aangetoond maar waardevol vanwege het doel van de Bijbel. Hoe gaan die mensen dan met elkaar om? Jeremia, zit in de gevangenis. Zijn eigen koning Sedekia heeft hem opgesloten en de stad waar hij woont wordt belegerd door een wel zeer machtige vijand. Jeremia is opgesloten omdat hij de val van Jeruzalem had voorspeld, hij was de boodschapper van slecht nieuws en ondermijner van het moraal. Geen wonder dat de Koning die de hoofdstad Jeruzalem moest verdedigen hem maar even had opgesloten. Wij zouden die Jeremia ook voor gek verklaren als hij dan een akker gaat kopen. Je geld verberg je, of tenminste bewaar je in tijden van onzekerheid. Zo niet Jeremia, die koopt. Nou was het niet zomaar een akker en niet zomaar een koop. Het was eigenlijk een geloofsbelijdenis. Die Wet van de woestijn, de wet van heb Uw naaste lief als Uzelf,  zou uiteindelijk overwinnen geloofde Jeremia, en ook vanwege dat geloof zat hij gevangen. Hij vertrouwde niet op de lokale politici, koning Sedekia en zijn raadgevers. Hij vertrouwde op die Wet van recht en gerechtigheid, van “gij zult niet doden” en zo. Die vijand was zo sterk dat het stom was om daartegen mensenlevens op te offeren. Nee er was een betere optie. Toen het volk Israel het land Kanaän binnengetrokken was had men het land zorgvuldig verdeeld onder alle families. Als de familie het land kwijt zou zijn geraakt kreeg men het na 50 jaar weer terug maar men had altijd het eerste recht het land weer terug te kopen. Van dat land moest men immers leven. En daar bouwde Jeremia nu op, een koop als de zijne stelde de toekomst veilig.  Veel en veel later zouden ook Maria en Jozef er op vertrouwen en naar hun akker gaan om daar hun oudste zoon geboren te laten worden. De overlevering zegt ook nog dat Judas zijn 30 zilverlingen wegwierp op de akker van Jeremia voor hij zich verhing. Ook voor ons geldt dat we ons niet moeten verlaten op politici die alleen uit zijn op gewin voor de rijken en eigen eer. Ook wij worden vaak bang gemaakt voor machtige vijanden. Vroeger waren dat de Russen en daar hadden we de meest verschrikkelijke verwoestende wapens voor nodig om ons te verdedigen. Tegenwoordig zijn het terroristen, nu nog van Moslim minderheden, maar er zijn ook anderen zoals dierenactivisten, waarvoor we allerlei vrijheden moeten inleveren. Jeremia verzet zich tegen een dergelijke houding. Als we blijven leven naar de Wet van God, de wet van liefde ook voor onze vijanden, dan hebben we niks te vrezen. Maar we moeten durven vertrouwen op een God die ons belooft dat uiteindelijk het kwaad overwonnen zal worden en dat er een land komt vol vrijheden, als we maar iedereen mee krijgen samen te doen en alles voor elkaar over te hebben, ook vandaag.

Het oog is de lamp van het lichaam

vrijdag, 23 juli, 2010

Lucas 11:27-36
 
Wie oren heeft om te horen, die hore. We kennen de uitspraak wel. Maar luisteren we er ook naar. In dit gedeelte besluit Jezus van Nazareth met het beeld van het oog. Het oog is de lamp van het lichaam klinkt het hier. Wij beschouwen onze ogen vaak als ramen naar de buitenwereld. Daarmee moeten we immers alles waarnemen en beschouwen. Maar het oog dat kijkt in de Geest van Jezus van Nazareth ziet ook naar binnen. Schijnt het licht van het goede wel in ons, en door ons? Zijn we helder genoeg van Geest om de naaste waar te nemen? Zijn we niet verduisterd door angst, durven we ons te verplaatsen in de positie van de slachtoffers? Hebben we echt wel genoeg aan het brood dat we vandaag nodig hebben of zijn onze ogen verblind door glitter en schitter van mooi en kostbaar? Zien we de ander wel als gelijke of trekken we de wenkbrauwen op uit arrogantie en hoogmoed? Vinden we ons geloof beter dan het geloof van de ander of laten we het oordeel over aan de Heer? Kijken we omhoog, ons verplaatsend in de positie van de minste, of kijken we omlaag om te zien over wie we nog macht kunnen uitoefenen? In dit Bijbelgedeelte wordt Jona genoemd. Wij kennen Jona van de grote vis die hem verzwolg toen hij vluchtte voor de opdracht van God. Maar het verhaal van Jona gaat over een God die steeds opnieuw met mensen wil beginnen. Jona werd opnieuw op pad gestuurd en de inwoners van de stad die hij de ondergang moest aanzeggen besloten voortaan op een nieuwe manier met elkaar om te gaan waardoor de stad niet ten onder ging en God besloot opnieuw met Ninevé te beginnen. Als we het nog niet snappen moeten we het zelf maar weten zegt Jezus van Nazareth. Elk moment kunnen we opnieuw beginnen. Voor ons is het niet ver reizen, zoals voor die Koningin die uit donker Afrika naar Salomo kwam om van hem de wet te leren dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Voor ons is die wet vlak bij, voor het grijpen. Er zijn geen ingewikkelde rituelen voor nodig om er mee te beginnen. Een helder oog. een open oor, een uitgestoken hand zijn genoeg. We hebben Fair Trade en wereldwinkels om boodschappen te doen, wie nog een vakantie moet plannen kan vrijwilligersorganisaties vinden die handen zoeken om enkele weken of een enkele week te helpen. Kinderen zwerven over straat en zoeken opvang in timmerdorpen of speeltuinen vol vrijwilligers. Jongeren kunnen misschien langer en verder, ouderen zullen het wellicht dichterbij moeten zoeken, maar zelfs kinderen werken voor een betere wereld en in verzorgingstehuizen wordt gehandwerkt voor het goede doel. Overal zijn mensen nodig die het goede willen doen en niet dan het goede. Iedereen die kan schrijven kan schrijven voor Amnesty International. Zorg dus dat het licht gaat schijnen in je omgeving. Je kunt een lamp zijn op een standaard die de hele omgeving verlicht, die anderen aanteekt hetzelfde te doen. Het duister van de wereld gaat dan tenminste een beetje weg, maar als we met genoeg zijn verdwijnt het duister voorgoed. We mogen geloven dat met de kracht van Jezus van Nazareth het duister eens echt voorgoed verdwenen zal zijn en dat we daar allemaal deel aan mogen hebben, vandaag al.

Wie niet met mij is, is tegen mij

donderdag, 22 juli, 2010

Lucas 11:14-26
 
We hebben het al vaker gezegd, alleen van het goede kan het goede komen, van het kwade komt het kwade. Wij geloven in het goede, in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth die dat goede heeft volgehouden zelfs door de dood heen. In de duivel, of het kwade, of de Beëlzebul, zoals de bijgelovigen de heerser van de duivels en demonen noemden, geloven we dus niet. De anti-God die hier genoemd wordt komt ook voor in het boek Koningen als de Heer der vliegen, een vruchtbaarheidsgod die door het volk achterna gelopen werd en waardoor ze de gunst van de God van Israël kwijtraakten. Wij lijken daar soms ook voorzichtig voor te moeten zijn. In sommige discussies lijkt het er op dat je niet in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth kunt geloven als je niet in de duivel of diens trawanten gelooft. Maar zo is het natuurlijk niet. Er is één God, de God die in mensen gelooft en met de minsten onder ons meetrekt. Daar komt het goede vandaan en aan ons het goede te doen en niet dan het goede. Die Duivel, of Beëlzebul zoals hier vertaald wordt, is dus een afgod, een niet bestaande god, voor gelovigen telt het kwaad niet mee, telt alleen het goede. Wie dus niet de weg wil volgen die Jezus van Nazareth heeft gewezen gaat de weg van het kwade, houdt het kwade in deze wereld in leven, houdt het kwade in stand. Zelf zegt Jezus van Nazareth in dit verhaal uit het Evangelie van Lucas dat wie niet samenbrengt uiteen drijft. Die uiteendrijvers kennen we in onze dagen maar al te goed. Vreemdelingen zijn onder ons gaan wonen die een sterk geloof hebben in wat zij zien als de God van Abraham. De God die aan Abraham beloofde dat die de vader van vele volken zou worden. Volgens het verhaal van Israel werd ook de andere zoon van Abraham, Ismael uitdrukkelijk in deze belofte betrokken. En de Moslims geloven dat ook zij, via de afstamming van Ismael, kennis hebben gemaakt met de God van Abraham. In ons parlement wordt dat geloof afgedaan als een achterlijk geloof. Elke poging van weldenkende en christelijke mensen een brug te slaan tussen onze traditie en het nieuwe geloof dat onder ons is gekomen wordt aangevallen en weggehoond. Wie wil weten wat uiteendrijven betekent, kan betekenen, hoeft niet meer de geschiedenisboeken over de jaren 30 en 40 in de vorige eeuw op te slaan en te lezen wat er, te beginnen in Duitsland, uiteindelijk in Europa gebeurde, maar die kan in de Handelingen van de Tweede Kamer tegenwoordig heel goed nalezen wat uiteendrijven betekent. Het is maar te hopen dat de gevolgen die het in de vorige eeuw heeft gehad in deze eeuw niet vergeten zullen worden. Het is in elk geval duidelijk dat die manier van uiteendrijven niet past in de Joods-Christelijke-Humanistische traditie waar onze samenleving op gebouwd zou zijn. Het is er fundamenteel mee in strijd. De verdeler is de functie van het kwade, het zet de ene mens op tegen de andere, de ene groep tegen de andere. Juist als je mensen hun eigen verhaal kunt laten vertellen, en daar gaat het in dit bijbelgedeelte aanvankelijk om, dan streef je het goede na, dan laat je God zelf horen. Als je mensen tot zwijgen wil brengen dan dien je de demon van de angst. Er staat niet voor niets 80 keer in de Bijbel “vrees niet” Daarom aan ons elke dag weer de vraag welke kant wij kiezen, de goede of de kwade kant.