Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juni, 2010

Hun zon gaat onder op klaarlichte dag

woensdag, 30 juni, 2010

Jeremia 15:1-9

Nood leert bidden. Mensen worden nog wel eens opgeroepen hun ellendige situatie onder ogen te zien en als ze het moeilijk hebben op hun knieën te vallen en God in hun nood aan te roepen. Helpt dat dan? Belooft de Bijbel dat God mensen in hun partikuliere of eigen nood te hulp zal komen? Het lijkt er niet op als je dit gedeelte uit het boek van de profeet Jeremia leest. Het volk staat voor de Tempel God aan te roepen. Jeremia is daar om het volk het Woord van God te brengen. Het volk vertrouwt op de God van Israël die zijn kinderen nooit in de steek zal laten. Maar zo is God niet. Wie ook namens het volk de hulp van God zou inroepen het zou niet helpen. Natuurlijk God had naar Mozes geluisterd. Ook Samuël had zich het vuur uit de sloffen gelopen om het volk namens God de hulp te brengen die het nodig had. Twee maal moest er een koning gezalfd worden. Maar nu zou geen profeet en geen priester God kunnen vermurwen dit volk te helpen. Als het volk vraagt waar het dan heen moet dan is het antwoord dat het God koud laat, ijzig koud klinkt het dat er vele manieren zijn om dood te gaan, de pest, het zwaard, de hongerdood en de ballingschap. Het zou uiteindelijk de ballingschap worden. Maar daarvoor zouden velen door het zwaard en door de pest om het leven komen. Wie kijkt naar het volk waartegen Jeremia spreekt, het Juda onder koning Manasse, moet geweldig schrikken. Juda, het volk van de God van Israël, is de schrik voor alle volken geworden. En waarom was dat dan? Want als we willen schrikken van Juda moeten we toch niet doen als Manasse. Die Koning, zo wordt verhaald, vereerde vruchtbaarheidsgoden als Baäl en Asjera, hij vereerde de zon, de maan en de sterren als goden. Het ergste was nog de aanbidding van de god Moloch, daar moest je kinderen aan offeren. Tegenstanders van zijn regiem werden ook omgebracht. Een dergelijk onmenselijk wreed regiem dat het legitimeerde met religieuze argumenten, het moest van zijn geloof, wordt door de God van Israël op de hardste manier veroordeeld. Alles wat met een dergelijke manier van doen te maken heeft moet uitgebannen worden uit de samenleving, weg van de aarde. Wat er in een dergelijke samenleving overblijft zijn weduwen, die niet alleen man en vader hebben verloren maar ook hun kinderen zijn afgenomen. Dat staat in het tweede deel van de lezing van vandaag. Als nood leert bidden moeten we ons afvragen wanneer wij onze nood herkennen. Niet als de vijand voor de poort staat en we het zelf niet meer redden. Maar als kinderen onnodig sterven, zoals in Afrika omdat niemand een redelijk inkomen voor ze kan verdienen, als vrouwen hun man en hun vader verliezen en kinderloos achterblijven. Als aids voorlichting onbetaalbaar is, als medicijnen te duur zijn, als onrechtvaardige handelsverhoudingen mensen geen kans geven eerlijk beloond te worden voor hun arbeid. Dat wat Manasse deed gebeurd ook in onze dagen. Het geloof in de afgod van de vrije markt gebied dezelfde afschuwelijke gevolgen als Israël voor lief nam in de dagen van Jeremia. De God van Israël roept ons op ons in zijn vrijheid te zetten door te zorgen voor de armsten in de wereld. Daar kunnen we ook vandaag voor werken en voor die nood bidden helpt echt als we er voor werken.

De profetische woorden

dinsdag, 29 juni, 2010

1 Timoteüs 1:12-20

Welke profetische woorden over Timoteüs zijn uitgesproken vermeldt de Bijbel niet. In de Handelingen staat te lezen dat hij nog een jonge knaap was toen besloten werd dat hij met Paulus mee zou reizen en dat hij geliefd was in de gemeenten waar hij vandaag kwam. Hij zou kennelijk van jongs af aan al een grote worden. Maar één ding is in dit fragment wel van belang. Van Timoteüs wordt gezegd dat hij een zuiver geweten heeft. Van Paulus geldt het tegendeel. En de valse leraren tegen wie moet worden opgetreden verbergen hun geweten. Paulus komt er altijd rond voor uit dat hij de gemeente in Jeruzalem heeft vervolgd. Hij was op weg naar Damascus toen het hem als een bliksemschicht trof dat hij helemaal op de verkeerde weg was met die vervolgingen en dat het juist die Christelijke gemeenschappen waren die garant zouden staan voor de bevrijding van de Romeinse overheersing. Die Jezus van Nazareth met zijn geweldloos verzet, zijn gemeenschapszin gebaseerd op de Joodse Wet had zo’n geweldig voorbeeld gegeven dat niets of niemand daar tegenop kon. Toen dat besef tot Paulus doordrong keerde zijn gedrag zich radicaal om. De onwetendheid, hij wist immers niets van de betekenis van die beweging van Christenen, maakte dat het hem werd vergeven. Die Paulus kende immers de zaak van de Christenen van twee kanten, van er tegen zijn en het vervolgen en van het bekeerd worden en de beweging zelfs gaan verkondigen. Echte leraren verbergen hun geweten dus niet, maar echte leraren houden ook op met hun verkeerde handelwijze als ze gaan inzien waar het werkelijk om draait in de dienst en de verkondiging van Jezus van Nazareth. En om die dienst gaat het, daar is Paulus pas eerst recht dankbaar voor. In het Grieks staat hier het woord diakonia, ja inderdaad onze diakonie, de zorg voor de zwaksten in de samenleving, voor gerechtigheid voor de armen. Daar houden ook in onze kerken de diakenen zich mee bezig. En daar was ook het optreden van Paulus mee begonnen. In Jeruzalem had de gemeente zich vlak na de Pinksterdag zo georganiseerd dat er zeven mensen waren gekozen om de Griekssprekenden bij te staan. Hun voornaamste taak was er op toe te zien dat ook de weduwen van Griekssprekenden  door de Christelijke gemeenschap geholpen werden. De leider van deze diakenen, Stephanus, kon echter niet ophouden zijn vreugde over deze nieuwe manier van leven te uiten en werd gearresteerd en gestenigd wegens smadelijke godslastering. Paulus had bij deze terechtstelling geholpen en was daarna actief geworden in de vervolging van deze Christenen. Als hij dus hier spreekt over het dienstwerk dan heeft hij het over die zorg voor de zwaksten. Dat wat Timoteüs dus voor elkaar moet krijgen is dat het dienstwerk voor de armen tot in de puntjes verzorgd is. Leraren die zich in de gemeente mengen kunnen ook getoetst worden aan de kwaliteit van hun dienstwerk voor de armen. Hoe deden ze dat vroeger en hoe doen ze dat nu. En daar is in al die eeuwen nog helemaal niets in veranderd. Centraal in de kerk hoort het dienstwerk, de diakonia, de diakonie voor de armen in de wereld te staan. Kerk in actie heet dat in een echte Protestantse Kerk en daar mogen we allemaal aan meedoen, ook vandaag weer.

Ze zijn vervallen tot zinloos gepraat

maandag, 28 juni, 2010

1 Timoteüs 1:1-11
 
Vandaag beginnen we te lezen in de eerste van de drie brieven uit het Nieuwe Testament die de Pastorale Brieven worden genoemd. Ze worden traditioneel aan Paulus toegeschreven, maar veel geleerden nemen aan dat leerlingen van Paulus of diens opvolgers de brieven hebben geschreven. De brieven hebben als adres een paar leerlingen die te boek staan als leerlingen en medewerkers van Paulus. Die waren bezig als leraar en opziener in jonge Christelijke gemeenten. De brieven zijn dus in elk geval bestemd voor mensen die de leiding hebben over een Christelijke gemeente. Ze heten pastoraal omdat het niet gaat om een uiteenzetting van het geloof maar van wat je met dat geloof kunt doen en hoe je zo’n gemeente zou kunnen organiseren. Er zijn er drie, twee brieven aan Timoteüs en één brief aan Titus. Vandaag dus het eerste stuk van de eerste brief aan Timoteüs. Die Timoteüs werkt in Efeze in een gemeente die door Paulus is gesticht. Een succesvolle gemeente. Veel mensen hadden zich tot het Christendom bekeerd. In Efeze was een lucratieve en bloeiende handel rond de verering van de godin Diana en de handelaren van de Diana spullen hadden Paulus de stad uit weten te jagen. Timoteüs had kennelijk geen last meer van die afgodendienaars maar had binnen de gemeente te maken met andere problemen. In de begintijd van het Christendom waren er nogal wat nieuwe godsdiensten. Rondreizende priesters en wijzen van allerlei aard en afkomst probeerden in dat grote Romeinse Rijk aanhangers voor hun gedachten te werven. Ook in Palestina waren allerlei Joods secten ontstaan, het Christendom was er gewoon één van. Het succes van het Christendom maakte dat mensen die aanhangers zochten zich als Christelijke predikers gingen voordoen. Hun vreemde opvattingen lieten ze echter niet los. Zo waren er die God de Schepper als een andere God wilden zien als God de verlosser. Via stambomen en sterrenkijken moest uitgemaakt worden wie tot welke God behoorde. Paulus moest van dit soort puzzels niks hebben. In het begin van deze brief merken we dat alles draait om de Liefde. Daaraan is het Christelijk geloof te herkennen. Ook de Joodse opvatting dat het geloof draait om het zo zuiver mogelijk uitvoeren van de 163 geboden uit de Torah wordt verworpen, niet alleen de Tora zelf, maar ook het uitvoeren van de Tora moet leiden tot een leven in liefde. De wet is voor vadermoordenaars, ontuchtplegers, knapenschenders, slavenhandelaars, leugenaars en plegers van meineed. Dat zegt de vertaling tenminste en laten we het daarbij houden want die herkennen we tenminste. De Wet is er niet voor mensen van de Liefde. Als in een ziekenhuis de hartpatiënten begeleid worden tijdens de wedstrijden van het Nederlands Elftal moet je dat niet veroordelen maar als daad van liefde toejuichen. Als mensen met elkaar in een stadion genieten van sport en samen weten te juichen en te zingen moet je dat niet veroordelen maar als voorbeeld stellen voor hoe volken met elkaar om kunnen gaan. Niemand vindt zich beter dan een ander, in het spel zijn geen belangen voor het ene of het andere land aan de orde. Leer van dit gedeelte dat Christenenen niet veroordelen maar lief hebben. Het is volgens de briefschrijver de taak van Timoteüs om dat aan de gemeente voor te houden en te zorgen dat het gedaan wordt, het is aan ons om die liefde te betrachten, ook vandaag weer.

De vossen hebben holen…..

zondag, 27 juni, 2010

Lucas 9:51-62
 
Jezus van Nazareth gaat zijn weg naar het einde en het Evangelie van Lucas vertelt ons dat dat einde ligt in Jeruzalem. Daar was het verhaal ook begonnen. Aan het begin van het Evangelie van Lucas staat Zacharias, de priester zonder hoop en verwachting die met stomheid geslagen wordt als hij ontdekt dat de verwachting die hij en zijn vrouw altijd gehad hadden toch nog uit zal komen. Maar ook het einde van het verhaal ligt in Jeruzalem. In Jeruzalem immers is de Tempel waar de Wet van de Woestijn wordt bewaard. De Wet van heb je naaste lief als jezelf. Daarom wijst Jezus zijn volgelingen streng terecht als zij vuur willen laten neerdalen op een dorp dat hen niet wil ontvangen. Samaria had ooit een eigen tempel voor de God van Israel en de wrijving daarover was altijd gebleven.  De Samaritanen hadden een eigen berg om de God van Israël te aanbidden. Ze hadden hun eigen versie van de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, de Torah en alle andere boeken uit die Hebreeuwse Bijbel hadden ze achterwege gelaten. Denk ook niet dat het bij de volgelingen van Jezus van Nazareth om een handjevol rondtrekkende mannen gaat, het is een hele menigte die Jezus volgt op zijn weg. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt de volgelingen, geen hol, geen nest, geen huis of plaats om te rusten heeft hij, ze moeten maar afwachten of er iemand is die ze een plaats in de samenleving gunt. Daarmee gaat hij de weg van de lijdenden waarover vertelt wordt. De weg van de zieken, de weduwen, de armen, de tollenaars en de hoeren. Juist de mens die anderen een plek in de samenleving geeft heeft die zelf niet. Zonder omkijken gaat het op die weg voort. De doden kunnen hun doden begraven, de levenden moeten voort in het leven, afscheid nemen van huisgenoten is er niet bij, wie geen huis heeft kent ook geen huisgenoten. Op de weg van Jezus van Nazareth wordt de armen het aangename jaar van God verkondigd, krijgen de hongerigen eten, worden naakten gekleed, gevangenen bevrijd. Dat is het programma van het Koninkrijk van God. Wie tot dat Koninkrijk wil behoren moet de weg gaan van de lijdenden, moet met andere woorden het kruis achter Jezus aan opnemen. Wie bij dat Koninkrijk wil horen keert zich af van de wereld waar het gaat om winst en profijt, om aanzien en pracht en praal, de wereld waar een leven niet telt . Dat Koninkrijk is voor de levenden, voor echte mensen zou Paulus later schrijven. De onechtheid, het klatergoud, de schijnvroomheid, verdwijnen in het licht van dat Koninkrijk. Evangelie betekent blijde boodschap en voor armen die worden bevrijdt van de armoede is het natuurlijk een blijde boodschap, maar ook voor al die mensen die de schijn moeten ophouden dat streven naar geluk ook streven naar materiële welvaart is. Streven naar geluk in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth is het geluk in de ogen van de naaste die weer op weg geholpen is, die weer mee mag doen met de samenleving. Kijk vandaag maar eens goed in de ogen van je naaste.

Wie de kleinste onder jullie allen is

zaterdag, 26 juni, 2010

Lucas 9:37-50
 
Een ongelovig en dwars volk zijn we vaak. Bang voor geesten en demonen, bang voor tegenwerking en mislukking, bang voor ons eigen hachje. Is er een jongen die genezing behoeft, kennelijk van een epileptische aandoening, staan we met onze handen in het haar en raken we in paniek in plaats van die jongen een eigen plaats in onze samenleving te geven. Het kwade te negeren en het goede te doen, daar komt het ook voor ons op aan. Als God liefde is dan komt de grootheid van de liefde juist tot uiting in het liefhebben van mensen. Als je werkelijk van mensen houdt dan gebeuren er dingen die je niet voor mogelijk had gehouden. Dat betekent niet dat je altijd liefjes moet zijn. Jezus van Nazareth spreekt het kwade in dit verhaal streng toe, dat wat kwaad is moet worden bestreden. Daar kun je natuurlijk wel weerstand van ondervinden. Mensen die uit gemakzucht of gewinzucht het kwaad bedrijven, groot of klein, zullen dat niet snel opgeven. Ze zullen zich verzetten tegen de oproep hun gedrag te veranderen, zich te bekeren heette dat vroeger. Maar juist liefde, ook voor mensen die het verkeerde doen, brengt met zich mee dat je onophoudelijk het goede blijft voorhouden. Juist in die liefde verdwijnt de angst om afgewezen te worden, voor raar en vreemd versleten te worden, voor dwars uitgemaakt te worden. Het goede en niets dan het goede is in de Liefde onze richtlijn. Dan spreek je mensen aan op hun gedrag, organisaties op hun effect op mensen, en de samenleving op de manier waarop ze mensen een plek geven. Sommige mensen stoppen daar waar de samenleving zelf ter sprake moet komen. Ze noemen dat politiek en denken dan dat het goede, dat de Liefde, dat God, niet te maken kan hebben met de manier waarop wij onze samenleving hebben ingericht. Ze vergeten dat we het zelf zijn, via onze democratische instituties, die hebben uitgemaakt hoe we met mensen omgaan. Natuurlijk, we hebben samen besloten de doodstraf af te schaffen, maar waarom besluiten we samen net zo gemakkelijk om gehandicapten en zieken maar buiten de samenleving te laten staan. We besluiten om gebouwen en openbaar vervoer ontoegankelijk te houden voor mensen die slecht ter been zijn. we besluiten samen om het voor lief te nemen dat in bedrijven geen ruimte wordt gemaakt voor mensen met een beperking. Daar waar God vraagt het goede te doen voor de minsten onder ons blijven wij een dwars volk, ongelovig in de mogelijkheden die mensen geboden zijn en bang voor de gevolgen. Mensen zijn niet gelijk maar wel gelijkwaardig en over die gelijkwaardigheid gaat het ook vandaag in het stuk dat we uit het Evangelie van Lucas lezen. Alle mensen waren immers onder de indruk van wat Jezus van Nazareth had gedaan. De beweging die rondom die Jezus van Nazareth was ontstaan groeide en groeide. Jezus van Nazareth zelf relativeerde dat belang. Vandaag nog populair morgen in de gevangenis, zo was het Johannes de Doper vergaan zo zou het ook Jezus van Nazareth kunnen vergaan. Maar op het hoogtepunt van een beweging is het moeilijk voor te stellen dat er een eind aan komt, ja zelfs dat men er een afkeer van zou kunnen krijgen. Jezus van Nazareth zet echter de beweging niet centraal en zeker ook zichzelf niet. Hij zet de zwakken centraal in de samenleving. Een kind wordt in dit verhaal als voorbeeld genomen. Als je voor een kind weet te gaan zorgen dan ben je pas belangrijk, wie zichzelf dienstbaar maakt, wie dus de kleinste is, is volgens Jezus van Nazareth pas groot. Daar kunnen we vandaag een voorbeeld aan nemen.

Het waren Mozes en Elia

vrijdag, 25 juni, 2010

Lucas 9:28-36
 
In het Evangelie van Lucas staan de Wet en de Profeten centraal. Je zou het Evangelie van Lucas zelfs kunnen lezen als een hervertelling van de Wet en de Profeten. Het is dus geen wonder dat Mozes en Elia hier verschijnen, want van hen werd geschreven dat ze opgenomen in de hemel waren. Dat verteld het Evangelie van Lucas en de Handelingen later ook over Jezus van Nazareth. In het verhaal over de uittocht uit Egypte zoals je dat in het boek Genesis kunt lezen is het de wolk die overdag het volk beschermd, in de nacht is het een vuurkolom. Uit de wolk komt nu de stem die oproept naar Jezus van Nazareth te luisteren. Hij zal kennelijk de Wet en de Profeten nieuw leven inblazen. Voor ons lijken die Wet en die Profeten soms van wat minder belang. Die staan immers in wat wij noemen het Oude Testament en wij leven immers onder het Nieuwe Testament. Dat Testament moet je hier opvatten als een verbond, een overeenkomst. Eerst was er een verbond met Israël en daarna met de Christelijke gemeente. Sommigen denken dat dat verbond met de Christelijke gemeente de plaats heeft ingenomen van dat Verbond met Israël. Maar dat is toch een misvatting. Juist het Evangelie van Lucas benadrukt het belang van die Wet en de Profeten, trouwens ook van de Geschriften, met name de Psalmen worden genoemd. Zonder de Wet en de Profeten geen Jezus van Nazareth, ofwel zonder het Oude Testament kan het Nieuwe Testament helemaal niet bestaan. Het gaat in het verhaal van Jezus van Nazareth om het vervullen van de Wet, de Wet zoals die door de Profeten steeds opnieuw aan het volk is voorgehouden. Het is de Wet van de Woestijn, de Wet van delen en van je naaste liefhebben als jezelf. Steeds als we lazen in de boeken van de Profeten, en we lazen de boeken van Jesaja, Jeremia, Micha, Hosea en Joël, komen we steeds weer die Wet tegen als de maat waarmee de daden van het volk worden gemeten. Hoe wordt omgegaan met de zwakken, met de weduwen en de wees? Hoe doen de rijken met hun landgenoten die hun akkers zijn kwijtgeraakt, voegen zij akker aan akker samen of delen zij en weten ze de slaven te bevrijden en weer opnieuw een volwaardige plaats in hun samenleving te geven? Die bevrijding staat in het Evangelie van Lucas centraal. De verschijning op de berg waarover we vandaag lezen is daarvan een lichtend beeld. Op de eerste juli is in ons land de herdenking van de slavernij zoals ook wij die in onze geschiedenis hebben gehad. Officieel natuurlijk van de afschaffing van de slavernij, dan kunnen we tenminste feestvieren, maar de herinnering aan het houden van onze broeders en zusters als slaven moet een ieder droevig stemmen. Ooit handelden Nederlanders in mensen alsof mensen koopwaar kunnen zijn. Dat mensen die er anders uitzien, andere gewoonten hebben, andere talen spreken, een andere godsdienst hebben als minder dan onszelf kunnen worden gezien is helaas ook vandaag de dag tot in ons parlement te horen. Juist door het verhaal van de verheerlijking op de Berg zouden we ons bewust moeten worden van de noodzaak slaven te bevrijden, niet alleen van slavernij, maar ook van haat, jaloezie en vooroordelen onder ons, die hen, die vreemdelingen, verhinderen in onze samenleving een volwaardige plaats in te nemen.

Dagelijks het kruis op zich nemen

donderdag, 24 juni, 2010

Lucas 9:18-27
 
Het Evangelie van Lucas is geschreven lang na de kruisiging en opstanding van Jezus van Nazareth. Maar de woorden dat je jezelf moet verloochenen en dagelijks je kruis op moet nemen achter Jezus aan hebben tot veel misverstanden geleid. Deze woorden zijn geschreven in tijden van vervolgingen die vele eeuwen doorgingen. Er was een tijd dat Christenen zingend de martelingen ondergingen die tot de dood voerden. Ze stierven immers net als Jezus van Nazareth en zouden zo het Koninkrijk dichterbij brengen, het Koninkrijk waarin geen verdriet meer zou zijn. In die tijd is het Evangelie van Lucas geschreven en die tijd ligt lang achter ons. Heeft dit gedeelte van het Evangelie van Lucas dan geen betekenis meer voor ons? Integendeel. Wie je bent of wat je doet voor de kost maakt in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet zoveel uit. Je bent nooit te belangrijk, te voornaam of te rijk om er aan mee te doen. Je bent ook nooit te onbelangrijk, te gewoon of te arm om er aan mee te doen. Al die etiketten die je in de wereld opgeplakt krijgt doen niet ter zake. Het leven dat je volgens anderen leidt moet je achter je laten en zoals Johannes de Doper riep moet je een ander leven gaan leiden. Dat leven is niet gericht op succes voor jezelf. In die zin neem je een kruis op je, je zet een kruis door het streven naar succes en aanzien, je zet een kruis door alles wat er in deze wereld van je wordt verwacht. Of je wordt uitgelachen, bespot en vervolgd misschien, het maakt niet uit. Vervolgd zul je in onze samenleving nog niet direct worden maar bespot en uitgelachen misschien wel. Wie zich bekommerd om daklozen, asielzoekers, hongerigen, naakten, gevangenen wordt nog wel eens meewarig aangekeken en voor gek verklaard. Soms wordt zelfs geprobeerd de zorg voor de zwaksten tot misdrijf te verklaren. Kinderen van asielzoekers die op straat zijn gezet opvangen bijvoorbeeld. In onze dagen hebben we het nog gemakkelijk die pogingen af te wenden, Majoor Bosshardt kan als voorbeeld opgevoerd worden. Haar unieke persoonlijkheid maakte zoveel indruk dat zo kort na haar overlijden  iedereen die kiest voor de weg van Jezus van Nazareth zich in haar licht mag koesteren. Maar dat gaat voorbij. Zeker als je om recht en gerechtigheid roept, vindt dat iedereen een plaats in onze samenleving verdient, dat Samen Werken en Samen Leven niet kan zonder Samen Delen. Ook het werk voor de zwaksten als navolging van Jezus van Nazareth wordt verdacht gemaakt. De fundamentalistische atheïsten hebben het liefst dat je een eigen belang hebt bij de zorg voor de zwaksten. Maar je kruis opnemen betekent nu juist dat je er geen eigen belang bij hebt. Er is geen God die jouw plaats in neemt, geen God in de hoge die je vijanden afweert, nee, jij  bent de handen en voeten van die God, jij bent de stem van de lijdenden. Dus komt het aan op volhouden, standvastig zijn hebben we pas gelezen. Dan komt het er op aan je niet te schamen voor de boodschap van bevrijding voor alle mensen. Die boodschap heet het Evangelie, dat lezen we niet alleen elke dag, dat dienen we ook te doen, al dienend,elke dag opnieuw.

In groepen van ongeveer vijftig

woensdag, 23 juni, 2010

Lucas 9:10-17
 
In het Evangelie van Lucas staan de dingen niet zomaar. De plaats waar dit verhaal zich afspeelt is Betsaïda en dat betekent: “het huis van vis”, en vijf broden en twee vissen spelen een rol. Voor elke dag van de week is er iets te eten, er is een dagelijks brood. Maar die grote menigte mensen die achter Jezus van Nazareth aangelopen waren, het verhaal spreekt van vijfduizend, leek wel op het volk in de woestijn. Toen had Mozes het volk verdeeld in groepen van vijftig en hen vertegenwoordigers laten kiezen om met hem te overleggen.Toen had Mozes op advies van zijn schoonvader voor elke groep van vijftig een rechter aangesteld. Ook Jezus van Nazareth verdeelt de mensen in groepen van vijftig en hij geeft ze te eten. In een democratie hoort er dus altijd voor iedereen te eten te zijn. Rechtvaardigheid betekent dus dat iedereen het dagelijks brood heeft. Een zeer plastische uitleg van de wetten van Mozes, maar het Evangelie van Lucas wordt ook wel gezien als een hervertelling van de Hebreeuwse Bijbel. In het Koninkrijk waar Jezus van Nazareth over vertelde staat het delen met elkaar voorop. Alleen op die manier immers kom je de woestijn door met een grote groep mensen, alleen als je onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen en bereid bent alles, zelfs jezelf, te delen met degenen die met je mee door de woestijn trekken. Dat is de kern van de Wet van de Woestijn die het volk op de berg Sinaï ontdekte. Het meest heilige, het meest complete en goede, dat een volk ooit kon krijgen. Die Wet werd daarom eerst bewaard in de Heilige Tent die ze elke keer in de woestijn opbouwden en later, veel later, toen ze eenmaal in het beloofde land woonden bewaarden ze diezelfde Wet in de Tempel in Jeruzalem. Over die Wet konden Farizeeën eindeloos discussieren. Jezus van Nazareth laat in dit verhaal zien dat het er niet om gaat om er over te praten maar om het in praktijk te brengen. Het is daarom dat er twaalf manden vol brood overbleven, op de manier die door Jezus van Nazareth werd aangegeven kan er een heel volk van meeëten. Alle twaalf stammen van het volk kunnen gevoed worden. Niemand hoeft tekort te komen als de Wet van Mozes zo in de praktijk wordt gebracht dat er voor iedereen gerechtigheid gebeurd. Waarom hebben wij dan nog voedselbanken nodig vraag je je af. Politiek komen partijen niet verder dan de wens de voedselbanken te halveren. Bezuinigd moet er worden. Het Samen Delen maakt geen deel uit van het regeringsprogramma en voor de nieuwe regering moet maar afgewacht worden of het er deel van gaat uitmaken. De topinkomens mogen nog steeds hun inkomen onbeperkt verhogen en de laagste inkomens moeten matigen om dat mogelijk te maken. Leningen mogen vrijuit verstrekt worden, of dat verantwoord is of niet, zolang er maar geconsumeerd wordt. Dat je met vijf broden en twee vissen een menigte mensen gelukkig zou kunnen maken, allen werden verzadigd staat er, gaat er bij ons niet meer in. Wie mee wil gaan op de weg van Jezus van Nazareth zal in onze dagen wel een hele ommekeer moeten maken. Een leven dat volledig breekt met de gewoonten van deze dagen wordt gevraagd, maar zo’n leven is wel zo vruchtbaar en je kunt er met iedereen aan meedoen.

Geen brood en geen geld

dinsdag, 22 juni, 2010

Lucas 9:1-9
 
De volgelingen van Jezus van Nazareth werden later volgens het boek van de Handelingen de mensen van de Weg genoemd. Zij immers volgden die bijzondere weg van Jezus van Nazareth. Volgens sommige geleerden maakten ze van het zonder thuis zijn, geen huis hebben maar rondtrekken, zelfs hun ideaal, als je volgeling van Jezus van Nazareth was dan zorgde je niet meer voor jezelf maar alleen voor anderen, je eigen onderdak deed er niet meer toe. De zendelingen die Jezus van Nazareth had uitgekozen moesten daar natuurlijk in oefenen. Apostel betekent zendeling en elk van ons kan geroepen zijn om de weg te gaan die Jezus van Nazareth gewezen heeft, al is die radicale thuisloosheid er in onze dagen niet meer bij. Die oefening bleef niet ongemerkt. Zeker, als je zieken geneest, mensen weer een plaats in de samenleving geeft, dan blijft dat niet onopgemerkt, dat gaat als een lopend vuurtje rond. Wij hebben dokters en ziekenhuizen om mensen te genezen maar we vergeten maar al te vaak om mensen die ziek waren weer een plaats in ons midden te geven. Zo zijn er veel mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die wel willen werken maar die toch buitengesloten zijn. Vooral mensen die ouder zijn als 45 jaar komen buiten het arbeidsproces te staan, voor hen is die verhoging van de AOW leeftijd een heel merkwaardige discussie. Boven de 50 jaar werkt er eigenlijk bijna niemand meer. En wie van ons volgt de weg van Jezus van Nazareth door naar de werkgevers te stappen en te vragen om juist die buitengesloten mensen in dienst te nemen. Waar schudden de werknemers het stof van hun voeten als de werkgever weigert met hen een eindje de weg van Jezus van Nazareth te lopen en mensen die waren buitengesloten weer een plaats in de samenleving te geven? De zendelingen die Jezus had uitgezonden veroorzaakten rumoer. Was het één van de profeten, of was die Johannes die had gedoopt bij de Jordaan weer tot leven gewekt? Terloops vermeldt het Evangelie van Lucas hier dat Koning Herodes een manier zocht om Jezus van Nazareth te ontmoeten. Wij, die de afloop kennen, weten dat die ontmoeting ooit zou plaatsvinden. Rond het proces, dat uit zou lopen op de kruisiging, werd Jezus van Nazareth ook voor Herodes geleid. De onthoofding van Johannes wijst er niet op dat Herodes goede bedoelingen had, maar dat het optreden van die groep mensen van de Weg diepe indruk had gemaakt is een boodschap die in het Evangelie van Lucas luid en duidelijk klinkt. Dat Evangelie van Lucas is geschreven voor de nieuwe gemeenten die in het Romeinse Rijk waren ontstaan. Ook zij worden hiermee op weg gestuurd, zonder geld, zonder brood, als mensen je willen ontvangen blijf daar, als mensen er niks van willen weten ga dan verder. Die opdracht is er nog steeds, dat Evangelie van Lucas is ook voor ons geschreven. Nog steeds zijn er mensen die langs de kant staan en in onze samenleving geen plaats hebben. Vandaag is het aan ons om op weg te gaan, niet voor onszelf, niet om er zelf beter van te worden, maar om met anderen opnieuw te ontdekken wat nu eigenlijk de zin van ons leven is, want dat ontdek je in het je naaste liefhebben als jezelf, zoals de Apostelen deden mogen ook wij vandaag weer doen.

U hebt zijn glans gedoofd

maandag, 21 juni, 2010

Psalm 89:39-53

Wie het verhaal van Koning David kent weet dat zelfs die koning uiteindelijk niet heel zijn leven de koning is gebleven die God had gewild. Hij kreeg te maken met de pest toen hij een volkstelling liet uitvoeren, alsof God er nietvoor  kon zorgen dat zijn volk groot en sterk werd. Hij kreeg te maken met opstandige zonen en verraderlijke generaals, hij stuurde een officier de oorlog in en wel zo dat hij zou omkomen zodat hij met diens weduwe kon trouwen en hij voerde uiteindelijk toch meer oorlogen dan nodig was om zijn volk vrede te brengen. Door die oorlogen mocht hij niet de Tempel bouwen die hij zo graag in zijn hoofdstad had gezet. David moest leren dat hij een mens was, dat niet zijn eerzucht en heerszucht de overhand mochten krijgen, juist omdat hij Koning was. De heerser die in de Bijbel door God wordt gewaardeerd en geliefd is altijd de dienende heerser, de heerser die recht en gerechtigheid brengt en de vrede nastreeft. Door dat niet na te streven gaat uiteindelijk de dynastie van Koning David ten grond en wordt Jeruzalem verwoest, het volk in ballingschap gevoerd en lijkt het met het volk Israël afgelopen. Al die ellende kun je terug horen in dit laatste deel van deze Psalm. De ellende van een volk mag je dus best onder woorden brengen. En als je goed leest in dit laatste gedeelte van deze Psalm dan zie je dat zelfs in de Bijbel die ellende aan God wordt toegeschreven. Want moet die ellende voor altijd duren? God heeft het toch met de zwakken, met de lijdenden? Die vraag wordt ook aan God gesteld. Maar de psalmdichter wend zich niet van God af. Het gaat toch uiteindelijk om het vertrouwen in God, die ellende zal niet eeuwig duren. Dat is niet het laatste woord. Het laatste woord is het prijzen van de Heer en dat prijzen kun je als Jeruzalem weer is hersteld, als het volk uit ballingschap is teruggekeerd, als de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf weer in het hart van het volk is gezet, als recht en gerechtigheid weer hersteld zijn en vrede is gesticht. Natuurlijk is het slot van deze Psalm ook de traditionele keurige besluiting van een reeks Psalmen zoals ze in de Tempel werden gezongen, maar er wordt net even meer gezongen als alleen Amen. En het contrast tussen de laatste zin van deze Psalm en wat er voor staat is groot. Dat kun je niet zomaar over je lippen krijgen na de opsomming van al die ellende. Daarom eindigt de Psalm met een noot van hoop. Het hoeft niet over te zijn en misschien maken wij het nog wel mee. Daarmee krijgt deze psalm ook voor ons een extra betekenis. Ook wij roemen graag op alles wat we voor elkaar hebben gekregen. We geven hoge bedragen uit aan ontwikkelingssamenwerking, we helpen tegen hoge prijs andere volken vrede te vinden, tallozen onder ons doen aan vrijwilligerswerk en helpen mensen en de samenleving leefbaar te houden. Ze horen thuis in het eerste deel van de Psalm die we de afgelopen dagen hebben gelezen. Maar we worden tegen vreemdelingen opgezet, we verwaarlozen kinderen van ouders met een lager inkomen, we houden onrechtvaardige handelsovereenkomsten in stand, we geven miljarden uit aan wapensystemen die we alleen in oorlog kunnen gebruiken, we verkopen wapens aan regeringen die hun volk onderdrukken. Er valt ook nog heel veel in onze samenleving te verbeteren. En de hoop waarmee de psalm besluit maakt dat we met dat verbeteren en het volhouden van het goede vandaag weer verder mogen.