Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2010

Smeed je ploegijzers maar om tot zwaarden

maandag, 31 mei, 2010

Joël 4:9-21
 
Zwaarden tot ploegijzers was een actiegroep tegen de atoombewapening en de overmatige bewapening van de Navo. In Nederland deed de groep van zich spreken door op de treden als defencers. Dat laatste woord is een Engelse woordspeling, het verbindt de defence, verdediging, samen met fence, wat hek betekent tot iets als onthekken. De groep knipte dan ook de hekken rond vliegbases door en klom op vliegtuigen die atoomwapens konden vervoeren. Soms werden die vliegtuigen ook opzettelijk beschadigd zodat ze niet meer konden vliegen. De oproep om zwaarden tot ploegijzers om te smeden komt van de profeet Jesaja. Atoomwapens zijn een bedreiging die door iedereen gevoeld wordt. Als een atoombom is geworpen kan het land lang, zeer lang, misschien zelfs voor eeuwig, niet meer worden gebruikt. Slachtoffers blijven ook lang, zeer lang na het bombardement, nog vallen. Atoomwapens zijn dan ook wapens waar je je als het nodig is met geweld tegen moet verzetten vond de actiegroep. De bedreiging kwam van de wapens die waren opgeslagen op onze eigen vliegvelden. Joël roept op tot het omgekeerde. Als de sprinkhanen al het eten hebben opgegeten en de buurlanden komen om je vrouwen en kinderen tot slaaf te maken en te verkopen dan wordt het tijd de nutteloze ploegen om te smeden tot nuttige wapens die je vrouwen en kinderen en je land beschermen tegen de rovers. We schreven al dat er in het Soedanese Darfur zo’n situatie is waar wapens nodig zijn om de rovers van vrouwen, kinderen en land te verdrijven en de mensen die er horen te ploegen, te zaaien en hun vee te verzorgen weer te laten leven in vrede. De volkeren van de wereld lijken te aarzelen om krachtig in te grijpen. De macht van machthebbers en de eigendommen van de rijken, zijn bijna onaantastbaar. Hoeveel armen er ook aan kapot gaan ingrijpen is er bijna niet bij. Ook in Afghanistan was het de bedoeling om onze wapens in te zetten om daar het stelen en roven van de armen tot einde te brengen, nu het volk er eigen militairen heeft, moeten we ons afvragen of ze het nu niet zelf kunnen. Of het nu speculanten zijn in onze grote steden die kantoren en woningen laten verloederen om er belastingvoordeel uit te halen en ter bescherming waarvan nu het kraken strafbaar moet worden gesteld, of dictators die kinderen en huurlingen gebruiken om arme boeren te onderdrukken en uit te buiten, ingrijpen op grond van de Wet, die op Sion een Tempel kreeg en in Jeruzalem bewaard, blijft soms maar al te vaak uit. Geen wonder dat Joël roept dat het begint te donderen op de Sion, dat deed het ook toen de Wet van recht en rechtvaardigheid, de Wet van de liefde, werd gegeven in de woestijn. Bij elke ramp zijn er TV marathons met amusement en informatie om ons te doordringen van de noodzaak samen te delen. Voor de armen in Darfur is die uitgebleven. De veiligheid van hulpverleners kon nooit voldoende gegarandeerd worden. Eerst moet de vredesmacht van de Verenigde Naties effectief opgetreden zijn. Of er dan nog inwoners van Darfur over zijn moeten we maar afwachten.

Jullie daden zullen op je eigen hoofd neerkomen

zondag, 30 mei, 2010

Joël 4:1-8
 
Bij de kruisiging van Jezus roepen de Joden tegen Pilatus volgens het verhaal van Matteüs iets vergelijkbaars: “Laat zijn bloed dan maar over ons komen”. Maar wat hier boven staat wordt tegen de heidenen gezegd die de Joden hebben vervolgd, vernederd, onderdrukt en verkocht. Een volk wegvoeren van de eigen grond is voor een landbouwgemeenschap ongeveer het ergste wat er kan gebeuren. Het is de ramp die vandaag de dag de inwoners van Darfur treft. Telkens blijven milities hen verdrijven en hun oogst inpikken. Joël neemt het op voor zijn volksgenoten. Ook al hebben de sprinkhanen alles opgegeten wat het land kon voortbrengen nog dien je de bewoners te respecteren en hen de kans te geven de grond weer te bewerken en een nieuwe oogst binnen te halen. Dat die oogst zal komen staat voor Joël vast. Daarvoor moeten ze alleen terugkeren naar de bron van hun bestaan. Dat was immers de Wet die hen ook door de woestijn uit de slavernij naar het land overvloeiende van melk en honing had gevoerd. De vraag die aan het begin van dit stuk wordt gesteld is of wij het voorbeeld van eerlijk delen en recht en rechtvaardigheid voor onze naasten willen volgen. Alle volken zullen gewogen worden staat er. Darfur is daarvoor een test case en de vraag is of de volkeren der aarde er goed vanaf komen. Natuurlijk zijn er velen binnen de Verenigde Naties die geweldig hun best doen, militairen van de Afrikaanse Unie hebben daarvoor hun leven gegeven. Maar doortastend optreden door de hele wereld tegen gewapende benden die het volk van hun akkers en grond verdrijven is er nog niet bij. Dat misdadige milities gesteund worden door hun regering mag toch niet afdoen aan de bescherming die de zwaksten nodig hebben. Vrouwen en kinderen zijn hier de eerste slachtoffers. Kinderen worden zelfs misbruikt als wapens, geef ze een geweer en voedsel, maak ze bang en ze vechten en schieten voor je. Kun je het een kind kwalijk nemen of moeten de daders er van hard worden aangepakt en door de wereldgemeenschap met alle kracht worden bestreden? Joël pleit zeker niet voor een zachte geweldloze aanpak. Wel voor een onbaatzuchtige aanpak, het lot van de armen, van het geknechte volk, staat voorop. In de test case Darfur is hun lot nog lang niet dat wat Joël zou wensen, onze broeders en zusters daar zijn niet veilig en leven niet in vrede. De hoogste tijd om er nu echt wat aan te gaan doen. Dat zal niet gemakkelijk zijn. Iets doen voor de kinderen die in ons land in gevangenissen zijn gestopt lijkt eenvoudiger. De kindergevangenissen ook veilig maken is daarentegen weer veel moeilijker. Dat bereik je niet met een bezoekje door goedwillende vrijwilligers uit een plaatselijke kerk. Daar hoor je gevangenispredikanten ook niet over en het is zelfs de vraag of in de jeugddetentie, zoals dat zo deftig heet, de pastorale zorg wel aanwezig is. Liefde door het personeel wel, maar bij dat eenvoudige personeel lijkt de liefde dan ook direct op te houden. Er is nog een heleboel dat aan onze samenleving verbeterd moet worden, dat lukt pas als we eerlijk delen wat we samen hebben, de rijken zijn dat niet van plan en daar moeten we dus een tegenstem laten horen.

Oude mensen zullen dromen dromen.

zaterdag, 29 mei, 2010

Joël 3:1-5
 
Als je werkelijk samen iets tot stand weet te brengen, iets goeds, dat telt voor de samenleving, dan heb je het gevoel dat je de hele wereld aan kan en voor de hele wereld zelfs iets goeds tot stand zult brengen. Jongeren zowel als ouderen kennen dat gevoel. We doen nog wel eens of de vernieuwende ideeën bij jongeren vandaan moeten komen maar ouderen kunnen net zo goed dromen van een betere wereld waarin de fouten die hun generatie maakte vermeden worden of gerepareerd zijn. In het lied van Joël dat we vandaag lezen staan de ouderen met hun dromen tussen de profetieën van zonen en dochters en visioenen van jongeren. Die profetieën zeggen hoe het er uit ziet in de wereld in het licht van de Wet van God, de visioenen hoe het er uit zou moeten zien. De ouderen mogen dan dromen over hoe het had kunnen zijn. Elke generatie wordt verleid door de machtigen en de rijken om niet hetgeen te doen dat gevraagd wordt door de armen en de zwakken in de samenleving, elke generatie opnieuw is er daarom onvrede en opstand. Tot het moment dat je allemaal samen iets doet dat werkelijk in het teken staat van de liefde, dan wordt dat als maat voor alle dingen aangelegd. Dat is de dag van de Heer, dan heeft de God van de Woestijn het voor het zeggen, allemaal weten we dat alleen een onbaatzuchtige liefde een samenleving door het donkerste leed heen kan trekken. De toevlucht is dan ook volgens Joël alleen op de Sion, de berg waar die Wet werd een Tempel kreeg, in Jeruzalem waar die Wet werd bewaard. Maar let eens op, als we samen optrekken dan klinkt gelijk de kritiek dat het toch niet zal werken. De wereld valt niet te verbeteren, de armen zijn niet te helpen klinkt het. Hoewel de Samenwerkende Hulp Organisaties nauwkeurig steeds verslag deden van de besteding van de gelden voor de slachtoffers van de Tsunami worden we telkens weer verleid om te denken dat die gelden verkeerd besteed zijn, dat de hulp niet blijvend is, dat die mensen er niet beter op geworden zijn, dat een handjevol slechts zich heeft verrijkt. Zo gaat het ook al met de hulp voor Haïti. Niets is minder waar heeft de hulp na de Tsunami ons geleerd. De vissers op Sri Lanka vissen met betere boten dan ooit. Hele dorpen op Atjeh zijn weer opgebouwd, mensen hebben weer een bron van bestaan. In alle landen die getroffen waren is onderwijs op gang gekomen voor de kinderen. Het toerisme in Thailand bloeit weer, al dreigen ze dat zelf weer kapot te maken. Het enige dat nog ontbreekt zijn eerlijke kansen voor mensen. De thee uit Sri Lanka moet hier worden bewerkt en in theezakjes gedaan, daar kunnen ze dat wel maar dan moeten ze aan onze grenzen heel hoge invoerrechten betalen. Wij steunen onze suikerindustrie nog zo sterk dat arme boeren in de derde wereld geen schijn van kans hebben met hun suikerriet. Dat het niet lukt om blijvend de armoede te bestrijden ligt dus niet aan de slachtoffers, of aan de hulpverleners die het verkeerd doen, maar aan de rijken en machtigen in onze eigen wereld. En die kunnen we ook zonder onze dromen aanpakken, ouderen en jongeren samen. Onze dromen en onze vergezichten kunnen een inspiratie zijn om de handen uit de mouwen te steken, daar kan iedereen aan meedoen en er hoeft niemand bij weg te dromen.

Je zult weer volop te eten hebben

vrijdag, 28 mei, 2010

Joël 2:18-27
 
De verkoop van nieuwe haring kan dit jaar best eens een paar weken later beginnen dan gebruikelijk was. Misschien blijft het vetgehalte van de nieuwe haring achter. De winter duurde langer en het voorjaar was kouder, al hadden we een aardige april maand. Daarom groeide de haring niet naar de kwaliteit die wij bij de haringstal verwachten. Het zijn geen sprinkhanen die bij ons de voedselvoorziening bedreigen zoals Joël overkwam. Wij zijn het zelf. We vervuilen de zeeën en vissen de laatste vissen er uit. Sommige soorten vis staan op uitsterven. Biologen houden jaarlijks in de gaten wat er nog net gevangen mag worden. Door de vervuiling van de lucht waar we allemaal dagelijks aan mee doen verandert het klimaat, daardoor worden de winters natter en koeler, maar vriest het niet meer hard, duren de lentes langer en zijn ze kouder en zijn de zomers natter en heter. De maand mei was dit jaar kouder dan we gewend zijn. Onze onverschilligheid ten opzichte van het milieu heeft niet alleen gevolgen voor de vis maar ook voor groente en fruit en daardoor ook voor het vlees dat we willen eten. Het heeft ook gevolgen voor de armen in de wereld die zich niet kunnen wapenen tegen overstromingen, orkanen, langdurige droogtes en andere klimaatrampen. Joël belooft een oplossing voor onze problemen. Wij kennen de problemen al sinds in de jaren 60 de Club van Rome ons waarschuwde. Wij weten ook dat sommige veranderingen verbeteringen zijn. De aantasting van de Ozonlaag gaat langzamer sinds we bepaalde stoffen niet meer gebruiken. We snappen ook best dat we anders met energie en grondstoffen om moeten gaan. En natuurlijk weten we ook dat we verspilling en vervuiling tegen moeten gaan. Maar elke poging om iets aan het autogebruik af te remmen en mensen te bewegen om meer te laten betalen naarmate ze meer vervuilen roept stormen van protest op. Kilometerbeprijzing van het autoverkeer leek politiek al lang geaccepteerd maar de autolobby kijkt wel uit om ook het autorijdend publiek er van te overtuigen dat autorijden alleen kan voortduren als we er meer voor gaan betalen. Volgens Joël ga je die dingen beter beleven als je mee gaat doen in het verhaal van Israel, dat verhaal dat begon in de woestijn waar elke korrel eten en elke druppel water telt, waar je alleen kunt overleven als je volstrekt onbaatzuchtig weet samen te werken. Dat je daar extra zorgvuldig met voedsel om moet gaan lijkt duidelijk. Dat je daar ook je dieren met respect moet behandelen en zelfs bij de slacht uiterst behoedzaam moet zijn en respectvol lijkt ook wel voor de hand te liggen. De gevolgen er van vindt je terug in de Wetten van Mozes, die voorzichtigheid met voedsel, dat respect voor het leven van dieren die je moet eten vindt je daar uitgebreid terug. In onze technologische maatschappij hebben we zoveel afstand van de woestijn geschapen dat we vergeten waar de aarde echt uit bestaat. In het lied van het begin van de aarde zoals dat in het boek Genesis is opgetekend lazen we al dat de mens de zorg kreeg voor de hele aarde en alles wat daarop leeft. Zorg er dus voor. Dan kan ook de nieuwe haring weer smaken.

Vertrap wie zilver begeren

donderdag, 27 mei, 2010

Psalm 68:25-36
 
Het laatste deel van de psalm over de intocht van het volk Israel in het beloofde land. De verovering van het beloofde land na de val van Jericho ging nog bijna mis doordat iemand stiekum toch wat zilver als buit nam, ondanks het bevel om dat niet te doen. Het ging immers om het delen van een land overvloeiende van melk en honing. Wie niet wilde delen moest wel worden aangepakt, maar zeker het volk Israel moest willen delen, het voorbeeld willen geven. Het had zelfs strenge wetten om de vreemdelingen bij de samenleving te betrekken. Je moet dus als volk die de Wet van de Woestijn wil volgen ook een voorbeeld willen zijn. Daarom waren er die voorschriften om een aantal keren per jaar naar het Heiligdom te gaan om daar je oogst, je bezit, op te dragen aan God en als teken daarvan te delen met de armen, de vreemdelingen en de dienaren van de Tempel. Dat voorbeeld zijn geldt niet alleen voor het volk Israel maar ook voor de volgelingen van Jezus van Nazareth. Uit het verhaal van Israel maar ook uit het verhaal van de volgelingen van Jezus van Nazareth zijn vele voorbeelden te geven waar opgeroepen wordt om dat voorbeeld te zijn. De macht van de Liefde, Gods macht hier genoemd, heerst over Israel, die macht is sterker dan wat ook op aarde of in de hemel. zelfs de wolken die de oogst kunnen verwoesten brengen je niet tot honger als je met elkaar onvoorwaardelijk bereid bent om met elkaar te delen. Dat is de les die het volk Israel in de woestijn had geleerd. Daar kun je niet overleven als je niet onvoorwaardelijk bereid bent om te delen. De volgelingen van Jezus van Nazareth hadden het geleerd onder de wrede Romeinse bezetting. Je werd pas weer mens, je kon pas weer liefhebben als je bereid was te delen met de armsten in de samenleving, als je bereid was om met gelijkgestemden alles te delen en voor elkaar zorg te dragen. Die macht is onbreekbaar, onoverwinbaar, dat heeft het volk van Israel, dat hebben de volgelingen van Jezus van Nazareth ervaren. Het volk Israel keerde eeuwen later ook terug uit ballingschap door het blijven vasthouden aan dat gebod van de Liefde.Heel langzaam zagen ze dat niet alleen Israëlieten uit de verstrooing naar de Tempel terugkeerden maar ook mensen uit andere volken die de God van Israël wilden volgen, ze worden hier in de Psalm al genoemd. De volgelingen van Jezus van Nazareth zagen hun beweging groeien door ook na de dood van Jezus te blijven geloven in zijn leven en door te gaan met zijn verhaal als met het verhaal van een levende. Die kracht werkt op de aarde tot de dag van vandaag. Die kracht doet elke dag mensen opstaan tegen onrecht, discriminatie, honger, geweld en de vernedering van mensen omdat alle mensen je broeders en zusters zijn. Die macht maakt dat we elke dag opnieuw mee mogen doen in die beweging, ja zelfs ontelbare malen op een dag ons weer opnieuw mogen aansluiten bij die beweging. Zo sterk is die beweging dat niemand en niets, zelfs de dood niet, die liefde kan tegenhouden. Hij die met zijn volk zal gaan geeft kracht aan zijn volk, Hij die zijn Geest op ons heeft uitgestort geeft die kracht aan elk van ons.

U voerde gevangenen mee

woensdag, 26 mei, 2010

Psalm 68:12-24
 
Toen het volk Israel uit Egypte vertrok waren het slaven, gevangenen, en heel lang in de geschiedenis van Israel bleef het besef levend dat ze bevrijde slaven waren. Door het dienen van de God die Mozes hen had getoond waren ze bevrijd geworden, hadden ze de woestijn kunnen trotseren en waren ze in het beloofde land gekomen. Dit deel van de Psalm bezingt op poëtische wijze de intocht in het beloofde land. Daar kwam de Heilige Tent, de tent van de ontmoeting, de tent waar Mozes en de priesters hun God hadden ontmoet, waar de vertegenwoordigers van de stammen vergaderd hadden met Mozes, uiteindelijk tot rust na alle omzwervingen. Zeker Koning David moet dat zo gevoeld hebben want hij deed verschillende pogingen die Tent der ontmoeting naar Jeruzalem te brengen voordat hij er in slaagde. En dan nog mocht hij er geen Tempel voor bouwen want een Tempel zou te snel hetzelfde zijn als de omringende volken voor hun goden hadden. De Godsdienst van Israel is een heel ander soort godsdienst. Op de berg Sinaï had het gedonderd en gebliksemd, vuur was er van de berg af gekomen toen ze de Wet van de Woestijn hadden gekregen. Die bijzondere Wet over die ene God die geen andere goden dulde en over hoe je je naaste lief moest hebben als jezelf. Elk jaar als de eerste vruchten van de oogst binnengehaald waren trokken ze op naar het Heiligdom in Jeruzalem om met een grote maaltijd het ontvangen van de Wet van de Woestijn te vieren en zich te herinneren hoe die wet ook al weer luidde. Later waren de Grieken dat feest Pinksteren gaan noemen omdat het vijftig dagen na Pasen was. Die Grieken wisten niet dat het zeven maal zeven dagen, zeven weken, had geduurd tussen de bevrijding uit Egypte en het ontvangen van de Wet, de Joden noemde het feest daarom het Wekenfeest. Dat Pinksterfeest was dus een dankfeest, voor de oogst maar vooral voor de Wet die voorschreef dat die oogst gedeeld moest worden. Veel eeuwen later zouden de volgelingen van Jezus van Nazareth op dat Pinksterfeest beweren dat het enige wat van die Wet van de Woestijn overbleef het delen van alles met elkaar was, dat was het hart van die Wet, je naaste liefhebben als jezelf, dat wat jij niet wilt dat jouw overkomt wil je ook de ander niet laten overkomen. Ook toen die volgelingen van Jezus van Nazareth dat snapten vlamde en stormde het zo leek het tenminste. Als het het delen was dan zouden de duizenden en duizenden inderdaad naar het Heiligdom van God komen. Inmiddels zijn er miljoenen bij die beweging van Jezus van Nazareth aangesloten, verenigd in talrijke kerken en kerkelijke gemeenten. Het delen met elkaar, het zorgen voor de armsten in de samenleving, de armsten in de wereld, blijft echter ook na Pinksteren nog steeds een zaak waarvoor gestreden en geleden moet worden. Waar ook de volgelingen van Jezus van Nazareth elke dag opnieuw mee moeten beginnen en opnieuw toe moeten oproepen. Daarom komen ze zondag na zondag bijeen in hun kerken en laten ze daar de beker rondgaan en breken ze het brood ter nagedachtenis van Jezus van Nazareth. En vandaag beginnen ze opnieuw met het zingen van deze Psalm.

Gevangenen vrijheid en voorspoed geven

dinsdag, 25 mei, 2010

Psalm 68:1-11

Drie dagen lang zullen we zingen van Psalm 68. Een zangstuk, een muciceerstuk staat er zelfs oorspronkelijk, van David. En David was voor Israel het symbool van de ideale koning. De koning die het land Israel haar plaats onder de volken had gegeven. Na David had niemand meer durven ontkennen dat er ooit een koninkrijk Israel was geweest. Maar David was ook de Koning die de godsdienst van Israel centraal had gesteld. Hij had de Heilige Tent haar plaats in de hoofdstad gegeven. Hij had van de staat Israel een rechtstaat gemaakt waar recht en gerechtigheid hadden geheerst. Een zoon van David zou het rijk definitief bevrijden van onderdrukking en recht doen aan de armsten in het land. Op de eerste Pinksterdag hebben we in de kerken kunnen horen hoe de volgelingen van Jezus van Nazareth geloofden dat die Jezus de beloofde zoon van die Koning David was, in zijn geest moesten ze aan het werk met zijn Koninkrijk, en vandaag kunnen we zingen in de geest van David de vredevorst bij uitstek. In het eerste deel van de psalm die we vandaag beginnen te zingen komen ze allemaal voorbij, de weduwen en de wezen, de eenzamen. De rechtvaardigen verblijden zich bij zoveel rechtvaardigheid.Maar ook de zondaars worden genoemd, tenminste hier in dit gedeelte wordt dat met zondaars vertaald, andere vertalingen geven kwaadwilligen. En de kwaadwilligen die de weduwe en de wees uitbuiten en gehandicapten willen korten op hun mogelijkheden en hulp en zorg alleen voor de rijken beschikbaar maken kennen we ook in onze dagen. Heel uitdrukkelijk worden in deze psalm ook de gevangenen genoemd. En in onze dagen denken we dan direct aan Amnesty International. De particuliere organisatie die opkomt tegen het gevangen zetten van mensen om wat ze denken. We hebben voor geweld, voor diefstal en bedrog, nog niet veel andere oplossingen gevonden dan het opsluiten van mensen. Dat opsluiten moet wel menselijk gebeuren, en wie opgesloten wordt moet volgens onafhankelijke rechtsprocedures op basis van feitelijk bewijs worden veroordeeld. Maar het opsluiten van mensen om wat ze denken, wat ze zeggen, wat ze vinden of geloven, en waarvan ze anderen van willen overtuigen vinden we onder alle omstandigheden verwerpelijk. Juist ons eigen geloof in de rechtvaardigheid voor de zwakken roept altijd weer tegenstand op. Ook in deze psalm worden de opstandigen genoemd. De machtigen en de rijken die weigeren te delen bestrijden de roep om gerechtigheid. Daarom is het werk van Amnesty International, los van de vraag voor welke overtuiging mensen opgekomen zijn, altijd een werk dat spoort met de roep van de Bijbel om op te komen voor gevangenen. Mensen moeten tot geloof komen door het horen van het verhaal en niet door geweld. Juist door het geweld van het kruis, en geweld als antwoord daarop, af te wijzen en de liefde als antwoord op het kruis centraal te stellen is het christendom als beweging ontstaan. Zelfs als mensen iets totaal anders geloven hebben ze daartoe het recht en het gaat dan ook niet aan de ene groep mensen tegen de andere groep op te zetten alleen omdat ze iets anders zouden geloven. Surf vandaag dus eens al zingend met deze psalm naar de site van Amnesty International, of zoek eens de site van Artikel 1 voor U gaat stemmen.

Ik je de stenen platen geven

maandag, 24 mei, 2010

Exodus 24:12-18

Nadat Mozes met de priesters en de oudsten bij God waren geweest moet hij nog een keer de berg op. Nu met Jozua de naamgenoot van Jezus van Nazareth, de beoogde opvolger van Mozes die het volk het beloofde land zal binnenleiden. Hij krijgt stenen platen met alle wetten en regels er in gebeiteld. Rechters blijven achter bij het volk in de persoon van Aäron en Chur maar op de berg is de wolk die het volk Israël door de woestijn had geleid en op de berg is vuur te zien, zoals veel later het vuur te zien was op de Apostelen toen de Heilige Geest werd uitgestort op het Pinksterfeest. De herinnering aan het gebeuren bij de berg in het midden van woestijn zou veel later door het volk Israël verbonden worden met het Pinksterfeest, het feest waarop de eerstelingen van de oogst werden gedeeld met de armen, de vreemdelingen, de familie en de dienaren van de Tempel in Jeruzalem. Dat delen zou ook het feest worden van de Heilige Geest, want alle volken op aarde zouden in de Geest van Jezus van Nazareth bereid moeten zijn alles wat ze hadden te delen met wie dat nodig had. Dan pas zou het verbond tot vervulling komen. Mozes was op de berg de volmaakte tijd, in de Bijbel is dat altijd veertig dagen en veertig nachten, dat is altijd genoeg om te komen tot een beslissing, om te leren hoe het eigenlijk moet en om tot een volk te worden. Zo bleef Jezus van Nazareth veertig dagen in de woestijn en trok het volk Israël veertig jaren door de woestijn. Mozes ging de wolk in die boven op de berg hing, het volk ziet de glorie van God in het vuur op de top van de berg. We moeten beseffen dat het verhaal later is verteld. Dit verhaal verteld over het heiligste dat het volk is overkomen. Heel het volk was er getuige van hoe in het midden van de woestijn een groep gevluchte slaven, Hebreeën en anderen die zich bij hen hadden aangesloten een echt volk werden. Een volk met rechters, met vertegenwoordigers, met wetten en regels. Alle volken hadden goden, meestal meer, maar al die volken werden van bovenaf door machthebbers bestuurd. Dit volk begon onderaan. De regels die ze hadden waren bedoeld om de armsten en de zwaksten onder hen recht te doen en overeind te houden. De vertegenwoordigers die ze hadden moesten zorgen dat die regels werden toegepast op en door iedereen. Rechters moesten geschillen hierover rechtvaardig beslechten. De leiding van het volk had geen andere taak dan de regels duidelijk te maken en heel het volk te leiden naar een land waar er voor iedereen meer dan genoeg te eten en te drinken zou zijn, een land waar het leven hen zou toelachen. Geen wonder dat het zo’n bijzonder verhaal is geworden. Onder alle volken die verhalen hebben over hun ontstaan en het krijgen van hun wetten en regels is dit verhaal wel het meest bijzondere. Dit verhaal gaat niet over de macht van een koning die een land veroverde, en rijk werd ten koste van zijn onderdanen die er uiteindelijk in slaagden een beetje redelijke afspraken met hun koning te maken, maar dit verhaal gaat over een God die reageert op de wanhoopskreten van slaven. Die God hoort alle kinderen op de wereld en wij mogen zijn handen, zijn ogen en oren zijn en in zijn geest met alle mensen op aarde gaan samenleven. Daarvoor mogen we ook vandaag zijn geest weer ontvangen en aan het werk gaan.

Zeventig oudsten van het volk

zondag, 23 mei, 2010

Exodus 24:1-11

Was dat verbond van de God van Israël nu alleen tussen het volk van Israël en die God? Stond de rest van de mensheid daarbuiten? Het lijkt er niet op. Natuurlijk, het volk Israël stond rond die berg. Stam bij stam, elk met een eigen altaar waarop de nodige offers werden gebracht. Jonge mensen die de toekomst vertegenwoordigden zorgden er voor. Het meest aggresieve dier onder het vee, de stier, werd geslacht voor een vredeoffer. Het leven dat door het bloed werd vertegenwoordigd werd gedeeld door het altaar, met God dus, en het volk. Daardoor werd de verbinding tussen die God en zijn volk gelegd. Maar naast Mozes en de priesters van Israël gingen 70 oudsten mee de berg op. En dat is een bijzonder aantal. In de dagen dat de Bijbel definitief werd vastgesteld, zo rond de ballingschap in Babel, geloofde men dat er op aarde 70 verschillende volken waren. Op verschillende plaatsen in het Oude en het Nieuwe Testament komt dit getal terug. En telkens als er 70 vertegenwoordigers worden genoemd, ook Jezus van Nazareth zend 70 stel zendelingen uit, dan is de boodschap van God voor de hele bewoonde wereld. Dat begint dus al met het sluiten van het verbond op de berg in het hartje van de woestijn. Zij hebben de God van Israël gezien en nieuwsgierig als wij zijn willen we graag weten hoe die God er dan wel uitzag. Dat vermeld het verhaal dus niet. Alleen dat onder de voeten van God iets moois was, helder stralend zoals een hemel bij een heldere dag in de felle zon. Het verhaal moet veel ontzag te weeg hebben gebracht. Er was immers het vaste geloof dat wie de God van Israël ook echt zou zien direct dood zou zijn. Nu in dit geval blijven de vertegenwoordigers van de mensheid leven, zij aten en dronken staat er. Veel later zou dat eten en drinken ook gezegd worden van Jezus van Nazareth als hij aan zijn volgelingen verschijnt na zijn kruisiging en graflegging. Maar als het volk Israël het op zich neemt al die regels die we uit het boek Exodus hebben gelezen op zich te nemen en uit te gaan voeren dan doen ze dat dus als vertegenwoordigers van alle volken op aarde. Wij allen mogen het hen nazeggen. Nu weten we uit de Bijbel ook dat het dat volk niet zelf gelukt is. Telkens weer moest de God van Israël ingrijpen als het volk toch weer vreemde goden naliep, als de weduwen en de wezen werden verdrukt, als de vreemdelingen werden uitgebuit, als de armen wreed werden behandeld, als slaven bevrijdt moesten worden. Het volk Israël riep dan  de ellende over zich af die ook andere volken over zich af hadden geroepen door niet deel te nemen aan het verbond en niet te letten op wat het volk Israël eigenlijk had beloofd. Pas met de komst van Jezus van Nazareth werd duidelijk dat het vormen van een volk dat het Koninkrijk van God binnengaat begint met het besef van elk van ons dat we elke dag opnieuw moeten beginnen met het verbond van heb je naaste lief als jezelf. Alle volken van de wereld zullen zich naar die Wet moeten keren, zullen deel uit moeten gaan maken van dat verbond. Dat begint in die 70 oudsten van Israël, maar het kan pas doorgaan als wij er aan mee gaan doen, ook vandaag.

Naar de plaats die ik voor jullie bestemd heb

zaterdag, 22 mei, 2010

Exodus 23:20-33

De tocht door de woestijn van het volk Israël is niet zomaar een tocht. Het is een tocht vol boodschappen. Die engel waar het gedeelte van vandaag mee begint is een boodschapper van God. Door heel het boek Exodus kunnen we de boodschappen van God, de boodschappen die de boodschapper brengt, vinden. In dit boek van de namen wordt daardoor duidelijk wat de naam van die God, “Ik zal er zijn zoals ik er zal zijn”, “Ik trek met je mee”, betekent voor de mensen. In dit gedeelte zien we waar die tocht met al die boodschappen op uit kan lopen. Maar het loopt er niet vanzelf op uit. De boodschappen uit dit boek, de boodschappen van die engel van God, moet je wel ter harte nemen. Dan zullen vijanden verdwijnen, alle volken van het land Kanaän zullen verdwijnen. Ze worden hier allemaal genoemd van de Amoriten tot en met de Jebusieten. Hoe zullen ze verdwijnen? “Uitgeroeid” staat hier maar als je nauwkeurig leest dan zie je dat het niet betekend “uitgemoord”. Langzaam zullen ze verdwijnen en als je hun goden niet naloopt zullen ze vanzelf de God van Israël gaan vereren en opgaan in het volk Israël, zo zullen de volken verdwijnen die gekenmerkt worden door de verering van afgoden. Die zelfgemaakte goden van hout en steen zul je moeten neerhalen en vernietigen. Dan loopt het uit op een wereld waar voedsel en water tot het goede zullen dienen en geen ziekten meer voorkomen, waar alle vrouwen vruchtbaar zullen zijn, waar mensen lang zullen leven. Het loopt uit op het visioen van de aarde die geschapen is voor de mensen en waarvan God zag dat het goed was. Zeker in de woestijn besef je dat je dat land nog steeds niet hebt bereikt. Maar als later het volk Israël woont in dat beloofde land zullen ze steeds teruggeworpen worden op die beelden uit de woestijn om zich te realiseren dat ze wel die vreemde goden nalopen, om zich te realiseren dat ze nog steeds dat beloofde land niet hebben bereikt en dat ze daar opnieuw naar op weg moeten gaan. Ook voor ons geld dat. Ook wij zullen ons moeten realiseren dat we nog steeds onvoldoende delen met elkaar om te zorgen dat ziekten verdwijnen. Dat we onvoldoende plaats maken ook voor vrouwen om te zorgen dat alle vrouwen vruchtbaar zijn voor onze samenleving. Dat we onvoldoende delen van onze rijkdom om te zorgen dat de honger de wereld uit is, dat geweld verdwenen is en dat alle volken leven in vrede en voorspoed. Het volk Israël kreeg al te horen dat dat mensenland zich niet in één jaar zou hebben gevormd. De mensen die moeten leren hun afgoden af te zweren en de God van Liefde te laten regeren zorgen gerust wel voor hun oogst. Ook zij zwoegen en ploegen om de hunnen voedsel te geven. Er zijn er echter die rijker en rijker worden en die zorgen dat de armen ook het laatste verliezen dat ze nog hebben, die de weduwe en wees laten sterven en de vreemdelingen uitbuiten. Ook in onze dagen moeten zo vaak de rijken beschermd worden, daarom geen speculatieverbod, geen ingrepen in banken en bonussen, geen ingrepen in de hypotheekrenteaftrek. Ook wij zullen nog veel moeten doen om de wereld tot een mensenwereld te maken. Maar ook wij mogen naar de Engel van God luisteren en er vandaag nog naar op weg gaan.